Note 68 — I. INDIANEN-BEVOLKING VAN WEST-INDIË. (continued 2)
Reading edition
De mannen bedekten het lichaam met een lijkkleed van prachtige veeren, en legden er de wapens en gereedschappen van Maconaura op; de vrouwen bereidden de tapana* voor de begrafenisviering en allen vereenigden zich om den doodenzang te laten hooren, het laatst vaarwel van de moeder aan haar geliefden zoon. Met alle kracht, die nog in haar was, richtte de oude vrouw zich in haar hangmat overeind en nadat zij met vuur het tragische verhaal van de liefde en den dood van haar jongen had gedaan, riep zij, terwijl zij haar schaal met tapana aan de lippen bracht: „Wie heeft het licht van mijn zoon gedoofd? Wie heeft hem gezonden naar het dal der schimmen? Woe! Woe! voor hem. Alas—jelui aanschouwt in mij, o, vrienden en broeders, slechts een arme, zwakke, oude vrouw. Ik kan niets doen. Wie van jelui wil hem wreken?” Onverwijld sprongen toen twee mannen naar voren, grepen hun schaal, ledigden deze, en hieven, naast het lichaam van den vermoorde, het Kenaima*-lied aan, terwijl zij den dans der wrake dansten. Op hetzelfde oogenblik sloop in een van hen den geest van een boa, in den ander dien van een jagoear binnen68.