Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De vloek van Macha.
De legende verhaalt, dat een vermogende landbouwer uit Ulster, Crundchu, de zoon van Agnoman, die op een eenzame plaats tusschen de heuvels woonde, op zekeren dag in zijn tuin een jonge vrouw vond van buitengewone schoonheid en schitterend gekleed, die hij nooit te voren had gezien. Zooals het verhaal luidt was Crundchu een weduwnaar, wiens vrouw gestorven was na hem vier zonen te hebben geschonken. De vreemde vrouw ging zonder een woord te spreken de huiselijke bezigheden verrichten, maakte den maaltijd gereed, melkte de koe en nam al de plichten eener huisvrouw op zich. Des nachts legde zij zich naast Crunchu neder, en leefde later met hem als zijn vrouw, en zij hadden elkander innig lief. Haar naam was Macha. Op zekeren dag maakte Crundchu zich gereed om naar een groote jaarmarkt of bijeenkomst der mannen van Ulster te gaan, waar zou worden feestgevierd, paardenwedrennen en tournooien zouden worden gehouden, en muziek gemaakt, in één woord, waar men op elke mogelijke wijze zich zou kunnen vermaken. Macha verzocht haar echtgenoot, thuis te blijven. Hij bleef echter bij zijn plan. “Beloof mij dan ten minste”, zeide zij, “dat gij in de vergadering niet over mij spreekt, want ik mag slechts zoolang bij u blijven, als over mij niet wordt gesproken”.

De Vloek van Macha
De opmerking is gemaakt, dat wij hier in de post-classieke Europeesche litteratuur voor het eerst het motief zien optreden van de tooverbruid, die alleen zóólang bij haar sterfelijken minnaar mag vertoeven als bepaalde voorwaarden worden in acht genomen, zooals deze, dat hij haar niet mag bespieden of mishandelen, of naar haar herkomst mag vragen. Crundchu beloofde aan dat verzoek te zullen gehoorzamen en ging naar het feest. Hier behaalden de twee paarden van den Koning den éénen prijs na den anderen in de wedrennen, en het volk riep: “Er is in Ierland geen vlugger span paarden, dan dat van den Koning”.
“Ik heb thuis een vrouw”, zeide Crundchu, in een oogenblik van onnadenkendheid, “die harder kan loopen dan deze paarden”.
“Grijpt dien man”, zeide de koning woedend, “en houdt hem gevangen, totdat zijn vrouw hier gebracht is, om den wedstrijd te houden”.
Daarop gingen boden naar Macha, en zij werd naar de bijeenkomst gebracht; maar zij was zwanger. De koning beval haar zich voor den wedstrijd gereed te maken. Zij beriep zich op haar toestand. “Ik ben op het punt een kind ter wereld te brengen”, zeide zij. “Hakt dan haar man in stukken”, zeide de koning tot zijn lijfwacht. Macha wendde zich tot de omstanders. “Helpt mij”, riep zij, “want een moeder heeft u allen gedragen! Geeft mij slechts een korten tijd uitstel, totdat ik het kind heb ter wereld gebracht”. Maar de koning en de geheele menigte wilden in hun woeste begeerte naar uitspanning van geen uitstel weten. “Brengt dan de paarden voor”, zeide Macha, “en omdat gij geen medelijden hebt, zal er een erger schande over u vallen”. Toen hield zij een wedren met de paarden, en overtrof ze in snelheid, maar nauw had zij den eindpaal bereikt, of zij gaf een luiden gil, werd door weeën overvallen, en bracht een tweeling ter wereld. Toen zij echter dien gil gaf, werden alle toeschouwers door dezelfde smarten overvallen als zij, en hadden zij niet meer kracht dan een vrouw in barensnood. En Macha voorspelde: “Van dit uur af zal de schaamte, die gij over mij hebt gebracht, iederen man van Ulster overvallen. In de uren van uw grootsten nood zult gij zwak en hulpeloos zijn als een vrouw in barensnood, en dit zal vijf dagen en vier nachten duren—tot in het negende geslacht zal dien vloek op u rusten.” En zoo geschiedde het; en dit is de reden van de groote zwakheid der mannen van Ulster, die de krijgslieden der provincie placht te overvallen.
Conor mac Nessa.
De voornaamste gelegenheid, waarbij die zwakheid zich openbaarde, was toen Maev, de koningin van Connacht, den beroemden strooptocht deed om het vee van Quelgny te rooven. (Tain Bo Cuailgné), die het onderwerp is van de machtigste vertelling in de Iersche litteratuur. Wij moeten nu de inleidende geschiedenis verhalen, die leidt tot dit episch verhaal, en de voornaamste karakters onder de oogen onzer lezers brengen.
Fachtna de Reus, koning van Ulster, had tot vrouw Nessa, de dochter van Echid met den Gelen Hiel, en zij schonk hem een zoon, Conor genaamd. Maar toen Fachtna stierf, volgde Fergus, de zoon van Roy, zijn halfbroeder, hem op, daar Conor toen nog zeer jong was. Fergus nu beminde Nessa, en zou met haar gehuwd zijn, maar zij stelde voorwaarden. “Laat mijn zoon Conor één jaar regeeren,” zoo sprak zij, “zoodat zijn nakomelingen van een koning afstammen, dan zal ik mijn toestemming geven.” Fergus stemde er in toe, en de jeugdige Conor besteeg den troon. Maar zijn bestuur was zoo verstandig en voorspoedig, en zijn beslissingen waren zóó uitstekend, dat, zooals Nessa had voorzien, het volk op het einde van het jaar wilde, dat hij koning bleef; en Fergus, die meer hield van feestvieren en van jagen dan van de beslommeringen van het koningschap, was met die regeling tevreden, en bleef een tijdlang aan het hof van Conor, wel groot, geëerd en gelukkig, maar niet langer koning.

De Knaap Setanta Volgt Koning Conor
De roode tak.

Maar Maga was tevens gehuwd met den Druïde Cathbad, uit welk huwelijk drie dochters geboren waren, wier afstammelingen een belangrijke rol speelden in den legendencyclus van Ulster.

De geboorte van Cuchulain.
Het was tijdens de regeering van Conor mac Nessa dat de machtigste held van het Keltische ras, Cuchulain, geboren werd, en dit geschiedde aldus. Op zekeren dag verdween het meisje Dectera, de dochter van Cathbad met vijftig jonge meisjes, haar gezellinnen aan het hof van Conor, en drie jaar lang hielp geen zoeken om haar verblijfplaats te ontdekken of iets omtrent haar lot gewaar te worden. Eindelijk daalde op zekeren zomerschen dag een zwerm vogels neer op de akkers bij Emain Macha en begon den oogst en de vruchten te vernielen. De koning, met Fergus en anderen van zijn edelen, trok tegen hen uit met slingers, maar de vogels vlogen slechts een eind ver weg, en lokten hun vervolgers telkens mede, totdat deze bij den Tooverberg van Angus aan de Boyne gekomen waren. De nacht daalde neer, en de koning zond een troep met Fergus weg om de één of andere woning te zoeken, waar zij zich te slapen konden leggen. Er werd een hut gevonden, waar zij zich heen begaven om te rusten, maar één van hen, die er verder op uittrok, bereikte een deftige woning aan de rivier, en toen hij daar binnentrad, kwam hem een jonge man met een schittend uiterlijk te gemoet. Bij den vreemdeling was een bekoorlijke vrouw, zijn echtgenoote, en vijftig meisjes, die den krijgsman uit Ulster met vreugde begroetten. En hij herkende in deze vrouwen Dectera en haar gezellinnen, die zij drie jaar gemist hadden, en in den schitterenden jongeling Lugh met den Langen Arm, den zoon van Ethtinn. Hij ging met zijn bericht terug naar den koning, die onmiddellijk Dectera naar zich terug ontbood. Maar zij verzocht een tijd uitstel, onder voorwendsel, dat zij ziek was en zoo ging de nacht voorbij; maar des morgens werd in de hut onder de krijgslieden van Ulster een pasgeboren mannelijk kind gevonden. Het was de gift van Dectera aan Ulster, en met dat doel had zij hen naar het tooverpaleis aan de Boyne gelokt. Het kind werd door de krijgslieden mede naar huis genomen en toevertrouwd aan Finchoom, de zuster van Dectera, die toen haar eigen kind voedde, en de jongen werd Setanta genoemd. Het gedeelte van Ulster, dat zich uitstrekt van Dundalk naar het zuiden tot Usna in Meath, welk gedeelte de Vlakte van Murthemney genoemd wordt, werd als erfdeel aangewezen, en later was zijn vesting en zijn woonplaats in Dundalk gelegen.
Men verhaalt, dat de Druïde Morann omtrent het jonge kind het volgende voorspelde: “Zijn lof zal in den mond van alle mannen zijn; wagenmenners en krijgslieden, koningen en wijzen zullen zijn daden verhalen; hij zal de liefde van velen winnen. Dit kind zal al het ons aangedane onrecht wreken; hij zal strijden aan uw waterstroomen, hij zal al uw twisten beslechten.”
De hond van Cullan.
Toen hij oud genoeg was, ging de jonge Setanta naar het hof van Conor om opgevoed en onderwezen te worden met de andere zonen van vorsten en hoofden. Nu geschiedde de gebeurtenis, waaraan hij den naam van Cuchulain ontleende, waarbij hij later bekend zou worden.
Op zekeren namiddag gingen koning Conor en zijn edelen naar een feest, waarop zij genoodigd waren in de dun van een rijken smid in Quelgny, Cullan genaamd, waar zij ook voornemens waren den nacht door te brengen. Setanta zou hen vergezellen, maar toen de stoet op weg ging, was hij met zijn makkers midden in een balspel bezig, en daarom verzocht hij den koning zonder hem weg te gaan, zeggende, dat hij, als het spel was afgeloopen, wel zou volgen. Het koninklijk gezelschap kwam tegen het aanbreken van den avond op de plaats van bestemming. Cullan ontving hen gastvrij, en in de groote zaal deden zij zich te goed aan vleesch en wijn, terwijl de huisheer de poorten van zijn vesting grendelde en buiten een ontzaglijken en woesten hond losliet, die iederen nacht de eenzame woning bewaakte, en onder wiens bescherming Cullan in het minst niet behoefde te vreezen, zelfs voor den aanval van een leger.

De Hond van Cullan
Maar zij hadden niet gedacht aan Setanta! In het midden der vroolijkheid en der muziek van het feest werd een vreeselijk geluid gehoord, dat iedereen in een oogenblik deed opvliegen. Het was het vreeselijk geblaf van de hond van Cullan, die oogenblikkelijk aansloeg, toen hij een vreemdeling zag naderen. Spoedig veranderde het geluid in het gehuil van een woesten strijd, maar als allen naar de poorten stormden, zagen zij in den schijn der lantaarns een jongen man staan, terwijl de hond dood aan zijn voeten lag. Toen deze namelijk op hem was aangevlogen, had hij hem bij den strot gegrepen en tegen den deurpost te pletter geslagen. De krijgslieden droegen den jongen met vreugde en bewondering naar binnen, maar spoedig eindigde de triomf, want daar stond hun gastheer, zwijgend en droevig over het lijk van zijn trouwen vriend, die voor de veiligheid van zijn huis gestorven was en het nooit meer zou bewaken.
“Geef mij,” zoo sprak toen de jonge Setanta, “een jong van dien hond, o Cullan, en ik zal hem zoo dresseeren, dat hij voor u alles zal zijn, wat de doode hond was. En geef mij tot dien tijd een schild en een speer, en ik zal zelf uw huis bewaken; geen hond heeft het ooit beter bewaakt dan ik doen zal.”
Cuchulain neemt de wapenen ter hand.
Toen hij ouder was, en de tijd naderde, waarop hij de wapenen van den mannelijken leeftijd mocht aannemen, gebeurde het op zekeren dag, dat hij dicht langs de plaats ging, waar Cathbad de Druïde enkelen van zijn leerlingen onderwees in de kunst der waarzeggerij en voorspelling. Een van hen vroeg Cathbad, voor welke soort van onderneming die dag wel geschikt zou zijn; en Cathbad antwoordde, na een voorspelling te hebben bestudeerd: “De jongeling, die van daag de wapenen ter hand zou nemen, zou van alle mannen in Erin het beroemdst worden om zijn groote heldendaden, maar zijn leven zal vergankelijk en kort zijn.” Cuchulain ging door, alsof hij het niet had verstaan, en kwam vóór den koning. “Wat wilt gij?” vroeg Conor. “Ik wil de wapenen van den mannelijken leeftijd ter hand nemen,” zeide Cuchulain. “Het zij zoo,” zeide de koning, en hij gaf den jongeling twee groote speren. Maar Cuchulain schudde ze in zijn hand, en de staven splinterden en braken. En zoo deed hij met een aantal andere speren; en de wagens, waarin zij hem plaatsten om daarmede te rijden, brak hij in stukken door met zijn voeten te stampen, totdat ten slotte de krijgswagen van den koning zelf en diens twee speren en zwaard aan den knaap werden gebracht, maar deze kon hij niet breken, al spande hij zich nog zoo in; daarom kreeg hij die uitrusting in eigendom.
Hoe hij dong naar de hand van Emer.

Cuchulain vraagt den Koning om wapenen
Toen hij naderbij kwam, was het meisje in gezelschap van haar gezellinnen, de dochters van de vazallen van Forgall, die zij onderricht gaf in het borduren, want in die kunst overtrof zij alle vrouwen. Zij had “de zes gaven der vrouw—de gave der schoonheid, de gave der stem, de gave van vriendelijk spreken, de gave van het naaldwerk, de gave der wijsheid en de gave der kuischheid.”
Toen zij de paardehoeven hoorde weerklinken en het geratel van den wagen in de verte, verzocht zij één der meisjes naar de wallen van de Dun te gaan en haar te vertellen wat zij zag. “Er komt een wagen aan,” zeide het meisje “getrokken door twee paarden met schuddende koppen, woest en krachtig; het ééne is grijs, het andere zwart. Uit hun bekken blazen zij vuur, en de aardkluiten, die zij achter zich opwerpen als zij voorthollen gelijken op een zwerm vogels, die hun sporen volgen. In den wagen is een donkere, sombere man, de schoonste van alle mannen uit Erin. Hij is gekleed in een karmozijnrooden mantel met een gouden gesp, en op zijn rug is een karmozijnrood schild met een zilveren rand, waarop figuren van dieren zijn gewerkt. Bij hem zit als wagenmenner een lange, slanke, sproetige man met krullend rood haar, dat samen gehouden wordt door een haarband van brons, met gouden platen aan weerszijden van het gelaat. Hij drijft de paarden aan met een prikkel van rood goud.”
Terwijl de wagen kwam aanrijden, ging Emer Cuchulain te gemoet en groette zij hem. Maar toen hij met zijn liefde bij haar aandrong, vertelde zij van de macht en de sluwheid van haar vader Forgall, en van de kracht der kampioenen, die haar bewaakten, opdat zij niet tegen zijn wil zou huwen. En toen hij nog langer aandrong, zeide zij: “Ik wil niet huwen vóór mijn zuster Fial die ouder is dan ik. Zij is hier bij mij—zij munt bijzonder uit in naaldwerk.” “Het is niet Fial, die ik lief heb,” zeide Cuchulain. Toen zag hij, terwijl zij met elkander spraken, de borst van het meisje boven den rand van haar hemd, en zeide hij: “Schoon is die vlakte, die vlakte van het schitterende paar.” “Niemand komt bij die vlakte,” zoo sprak zij, “die zijn honderden niet heeft verslagen, en gij moet nog beginnen met uw daden.”
Daarop verliet Cuchulain haar, en reed hij terug naar Emain Macha.
Cuchulain in het land van Skatha.
“Niemand onzer is ooit die brug overgetrokken”, zeide Ferdia, “immers er zijn twee kunstgrepen, die Skatha ons eerst het allerlaatst leert; één daarvan is de sprong over de brug, de andere is het werpen van de Gae Bolg. Immers als iemand op het ééne uiteinde van de brug stapt, gaat het middengedeelte onmiddellijk omhoog en werpt hem terug, en als hij er op springt, heeft hij kans mis te springen en in het water te vallen, waar de zeemonsters op hem wachten.
Maar Cuchulain wachtte tot den avond, toen hij van zijn vermoeienis na de lange reis was bekomen, en trachtte toen de brug over te trekken. Driemaal rende hij met een aanloop heen, terwijl hij al zijn krachtten in het werk stelde, en trachtte op het midden te springen, maar driemaal ging het midden omhoog en wierp hem terug, terwijl zijn makkers hem bespotten, omdat hij niet wilde wachten op de hulp van Skatha. Maar bij den vierden sprong, kwam hij juist neer op het midden van de brug, en met een tweeden sprong was hij er over heen, en stond hij voor de sterke vesting van Skatha; deze nu verbaasde zich over zijn moed en zijn kracht en nam hem onder haar leerlingen op.
Een jaar en een dag bleef Cuchulain bij Skatha en alle kunstgrepen, die zij kon onderwijzen, leerde hij gemakkelijk, en het allerlaatste leerde zij hem het gebruik van de Gae Bolg, en gaf zij hem dat vreeselijke wapen, dat zij geen kampioen vóór hem wilde schenken, daar zij meende, dat niemand het waard was. De wijze nu waarop de Gae Bolg gebruikt werd, was deze, dat zij met den voet werd geworpen, en als zij in het lichaam van een vijand drong, vulde zij ieder van zijn ledematen en openingen met haar weerhaken. Terwijl hij bij Skatha verblijf hield was onder al zijn vrienden zijn grootste vriend en zijn mededinger in behendigheid en dapperheid, Ferdia, en voordat zij scheidden, deden zij de gelofte, dat zij elkander zouden helpen zoolang zij leefden.
Cuchulain en Aifa.
Terwijl nu Cuchulain in het Land der Schaduwen was, voerde Skatha juist oorlog met het volk van Vorstin Aifa, die de meest geweldige en sterkste was van de vrouwelijke krijgslieden der geheele wereld, zoodat zelfs Skatha vreesde met haar te strijden. Daarom mengde Skatha in den drank van Cuchulain, toen zij ten oorlog trok, slaapwekkende kruiden, opdat hij niet binnen vier en twintig uren zou ontwaken, zoodat in dien tusschentijd het leger reeds ver op weg zou zijn, daar zij vreesde, dat hem ongelukken zouden treffen, voordat hij zijn volle kracht had gekregen. Maar de drank, die bij een ander man voor een dag en een nacht voldoende zou geweest zijn, hield Cuchulain slechts één uur in slaap; en toen hij ontwaakte greep hij zijn wapenen en volgde hij den troep langs de wagensporen, totdat hij hen had ingehaald. Daarop slaakte Skatha een zucht, omdat zij wist, dat hij zich niet zou laten weerhouden te strijden.
Toen de legers handgemeen werden, verrichtten Cuchulain en de beide zonen van Skatha groote wapenfeiten tegen den vijand, en doodden zij zes der machtigste krijgslieden van Aifa. Daarop zond Aifa een bode naar Skatha en daagde zij haar uit tot een tweegevecht. Maar Cuchulain zeide, dat hij tegen de schoone Furie zou strijden in de plaats van Skatha, en vroeg het allereerst, wat de dingen waren, die zij het meest op prijs stelde. “Waar Aifa het meest aan gehecht is,” zeide Skatha, “dat zijn haar twee paarden, haar wagen en haar wagenmenner.” Daarop begon het tweegevecht, maar iedere kunst, die zij kenden, beproefden zij te vergeefs tegen elkander, totdat eindelijk een slag van Aifa het zwaard van Cuchulain tot aan het gevest verbrijzelde. Daarop riep Cuchulain: “Zie eens, de wagen en de paarden van Aifa zijn in den bergpas gevallen.” Aifa keek toen om, waarop Cuchulain op haar losstormde, haar om het middel pakte, over zijn schouder wierp en naar het kamp van Skatha droeg. Daar wierp hij haar op den grond en hield zijn mes tegen haar hals. Zij smeekte om haar leven, en Cuchulain stond dat toe, onder voorwaarde dat zij een blijvende vrede met Skatha zou sluiten en gijzelaars zou geven voor de vervulling harer gelofte. Daarin stemde zij toe, en Cuchulain en zij werden niet alleen vrienden, maar ook geliefden.
De tragedie van Cuchulain en Connla.
Voordat Cuchulain het Land der Schaduwen verliet, gaf hij Aifa een gouden ring, waarbij hij haar opdroeg, dat als zij hem een zoon zou schenken, deze zijn vader in Erin moest zoeken, zoodra hij zóó groot was geworden, dat de ring aan zijn vinger zou passen. En Cuchulain zeide: “Beveel hem onder geise, dat hij zich niet mag bekend maken, dat hij voor niemand uit den weg mag gaan en nooit een gevecht mag weigeren. En hij moet den naam Connla dragen.”
In later jaren werd verhaald, dat op zekeren dag, toen koning Conor van Ulster en de edelen van Ulster op een feestelijke bijeenkomst waren op het Strand der Voetstappen, zij een kleine bronzen boot van over de zee naar zich toe zagen komen, waarin een jonge knaap zat met vergulde riemen in de handen. In de boot was een groote hoop steenen, en telkens deed de knaap één dier steenen in een slinger en wierp dien naar een vliegende zeevogel met zóó groote handigheid, dat de vogel levend aan zijn voeten neerviel. En hij gaf nog een aantal andere wonderlijke voorbeelden van behendigheid. Daarop zeide Conor, toen de boot dichterbij kwam: “Als de volwassen mannen uit het land van dezen knaap hier kwamen, zouden zij ons zeker tot poeder vergruizen. Wee het land, waarin die jongen zal komen.”
Toen de knaap aan land kwam, werd een bode, Condery naar hem gezonden met het bevel te verdwijnen. “Ik zal voor u niet teruggaan” zeide de knaap, en Condery herhaalde den koning, wat hij gezegd had. Daarop werd Conall van de Overwinningen tegen hem gezonden, maar de knaap slingerde een grooten steen naar hem toe, en het gegons en de wind, daardoor veroorzaakt, sloeg hem ter neder, waarop de knaap op hem sprong en zijn armen vastbond met de strop van zijn schild. En zoo geschiedde met verschillende anderen, sommigen werden gebonden, anderen gedood, maar de knaap tartte de geheele legermacht van Ulster, hem terug te jagen, en ook wilde hij noch zijn naam noch zijn afkomst mededeelen.
“Ontbied Cuchulain”, zeide daarop koning Conor. Er werd nu een bode naar Dundalk gezonden, waar Cuchulain was met zijn vrouw Emer, en hem werd bevolen te vechten tegen een vreemden knaap, die Conall van de Overwinningen niet had kunnen overwinnen. Emer sloeg haar arm om den hals van Cuchulain. “Ga toch niet”, smeekte zij. “Dit moet de zoon van Aifa zijn. Dood uw eenigen zoon niet”. Maar Cuchulain zeide: “Houd op vrouw! Al was het Connla zelf, toch zou ik hem dooden voor de eer van Ulster”, waarop hij beval zijn wagen in te spannen en naar het strand ging. Daar vond hij den knaap bezig met het heen en weer slingeren van zijn wapens, terwijl hij daarmede wonderlijke dingen deed. “Uw spel is alleraardigst, mijn jongen”, sprak Cuchulain: “wie zijt gij en waar komt gij vandaan?” “Dat mag ik niet bekend maken”, zeide de knaap. “Dan moet gij sterven” antwoordde Cuchulain. “Het zij zoo,” zeide de knaap, en daarop vochten zij een tijdlang met zwaarden, totdat de knaap sierlijk een lok van het haar van Cuchulain afsneed. “Ik heb genoeg van dat kinderspel,” zeide Cuchulain, en zij worstelden met elkander, maar de knaap ging op een rotsblok staan en stond zoo stevig dat Cuchulain hem niet kon verwrikken, en in die hardnekkige worsteling, drongen de twee voeten van den knaap diep in den steen en veroorzaakten de afdrukken, waaraan de naam van Strand der Voetstappen is ontleend. Eindelijk vielen beiden in zee, en Cuchulain was op het punt te verdrinken, toen hij zich in eens de Gae Bolg herinnerde, en dat wapen tegen den knaap slingerde, zoodat zijn buik openscheurde. “Dit heeft Skatha mij nooit geleerd,” riep de knaap. “Wee mij, ik ben gewond”. Cuchulain keek naar hem en zag den ring aan zijn vinger. “Het is waar,” zeide hij, en hij nam den knaap op en droeg hem naar het strand en legde hem neer voor Conor en de edelen van Ulster. “Hier is mijn zoon voor u, mannen van Ulster”, zeide hij. En de knaap zeide: “Dat is waar, en als ik vijf jaar onder u had mogen opgroeien, zoudt gij de wereld aan iederen kant om u heen veroveren, en zelfs zoover als Rome regeeren. Maar nu dit niet het geval is, wijs mij de beroemde krijgslieden aan, die hier zijn, opdat ik hen leere kennen en vóór mijn dood afscheid van hen moge nemen.” Daarop werden zij één voor één naar hem toegebracht, en hij kuste hen, nam afscheid van zijn vader en stierf; en de mannen van Ulster dolven zijn graf en richtten onder groot rouwbeklag zijn grafzuil op. Dit was de eenige zoon, die Cuchulain ooit had, en dien zoon doodde hij zelf.
Dit verhaal, zooals wij het hier hebben gegeven, dagteekent van de negende eeuw, en wordt gevonden in het “Gele Boek van Lecan”. Er zijn verschillende Galische lezingen daarvan in poëzie en proza. Het is één van de oudste in de litteratuur voorkomende behandelingen van het sinds dien zoo goed bekende onderwerp van den dood van een heldhaftigen zoon door zijn vader. De Perzische lezing van het verhaal van Sohrab en Rustum is in de Engelsche litteratuur bekend geworden door het schoone gedicht van Matthew Arnold.
Bij de Iersche lezing zal de lezer hebben opgemerkt, dat de vader eenig vermoeden heeft van de identiteit van zijn tegenstander, maar hij vecht met hem onder den prikkel van dat hartstochtelijke gevoel van trouw en verknochtheid aan zijn vorst en zijn land, wat de meest op den voorgrond tredende karaktertrek is van Cuchulain.
Wij hebben om de geschiedenis van Aifa en haar zoon te voltooien, op de gebeurtenissen vooruitgeloopen, en keeren weer tot ons onderwerp terug en hervatten den draad van ons verhaal.
De eerste strooptocht van Cuchulain.
Na een jaar en een dag in de oorlogskunst geoefend te zijn onder Skatha, keerde Cuchulain naar Erin terug, vol verlangen zijn kloekheid op de proef te doen stellen en Emer als vrouw te winnen. Daarom beval hij zijn wagen te doen aanspannen, en reed weg, om een strooptocht te maken naar de stroomen en de moerassen van Connacht, immers tusschen Connacht en Ulster was voortdurend strijd langs de grenzen.
En eerst reed hij naar den Witten Steenhoop, die op den hoogsten der Bergen van Mourne zijn, en overzag hij het land van Ulster, dat zich lachend in de zonneschijn ver onder hem uitstrekte, en beval hij zijn wagenmenner, hem den naam te noemen van iederen heuvel, iedere vlakte en iedere dūn, die hij zag. Daarna in zuidelijke richting ziende keek hij over de vlakten van Bregia, en de wagenmenner wees hem Tara en Teltin aan en Brugh na Bogna en de groote dūn van de zonen van Nechtan. “Zijn dat,” zoo vroeg Cuchulain, “die zoons van Nechtan, van wie verhaald wordt, dat door hun hand meer van de mannen van Ulster gevallen zijn dan nog thans op aarde leven?” “Het zijn dezelfde,” zeide de wagenmenner. “Laat ons dan daarheen rijden,” zeide Cuchulain. Zoo reed de wagenmenner zeer tegen zijn zin naar de vesting van de zonen van Nechtan, en daar zagen zij op de grasvlakte ervoor een steenen pilaar, en daaromheen een bronzen band waarop teekens in Oghamschrift waren aangebracht. Cuchulain las deze en het hield in, dat iedereen, die op den leeftijd was om wapenen te dragen, en naar die vlakte zou komen, het tot geis zou beschouwen, om weg te gaan zonder één der bewoners van de dūn tot een tweegevecht te hebben uitgedaagd. Daarop sloeg Cuchulain zijn armen om den steen heen, en na dien heen en weer te hebben geslingerd, lichte hij hem ten laatste uit den grond en wierp hem met den bronzen band er bij, in de rivier, die dichtbij stroomde. “Ongetwijfeld,” sprak de wagenmenner, “zoekt gij een gewelddadigen dood, en nu zult gij dien zonder verwijl vinden.”
Daarop kwam Foill, de zoon van Nechtan uit de dūn, en hij was ontstemd, toen hij Cuchulain bemerkte, dien hij slechts voor een knaap aanzag. Maar Cuchulain vroeg hem, zijn wapenen te halen, “want ik dood geen wagenmenners, of boden of ongewapende mannen,” en Foill ging de dūn binnen. “Gij kunt hem niet dooden,” zeide daarop de wagenmenner, “want door tooverkrachten is hij onkwetsbaar voor de punt of den scherpen kant van eenig zwaard.” Maar Cuchulain deed in zijn slinger een bal van gehard ijzer, en toen Foill verscheen, wierp hij dien tegen hem aan, zoodat hij zijn voorhoofd raakte en recht door zijn hersens en zijn schedel heenging; en Cuchulain nam zijn hoofd en bond dit aan den rand van zijn wagen. En andere zoons van Nechtan, die naar buiten traden, bevocht hij en doodde hen door zwaard en speer; daarna stak hij de dūn in brand, verliet die toen zij in lichte laaie vlam stond en reed opgetogen weg. Op weg zag hij een troep wilde zwanen, en zestien van deze bracht hij levend naar beneden met zijn slinger, en bond ze aan den wagen, en toen hij een kudde wilde herten zag, die zijn paarden niet konden inhalen, steeg hij af en joeg ze te voet na, totdat hij twee groote herten ving, die hij met riemen en touwen bevestigde aan den wagen.
Maar te Emain Macha kwam een verspieder van koning Conor naar binnen loopen om hem nieuws te brengen. “Let op, één enkele wagen nadert snel over de vlakte; wilde witte vogels fladderen er om heen en wilde herten zijn er aan vastgebonden; hij is overal bedekt met de bloedige hoofden van vijanden.” En Conor keek uit, om te zien, wie naderde, en hij zag dat Cuchulain woedend van strijdlust was en ieder dien hij ontmoette zou willen dooden; daarom beval hij, dat een troep vrouwen uit Emain Macha naar buiten zoude gaan om hem te gemoet te treden, en na haar kleeren te hebben uitgetrokken, naakt op zijn weg zouden gaan staan. Dit deden zij, en toen de knaap hen zag, boog hij uit schaamte zijn hoofd op den rand van den wagen. Daarop grepen de mannen van Conor hem oogenblikkelijk vast en dompelden hem in een kuip koud water, die gereed was gezet, maar het water begon over hem te koken en de duigen en de hoepels van den kuip barstten uit elkander. Dit herhaalden zij voortdurend, totdat zijn woede hem ten slotte verliet, en hij zijn vroegere gedaante weder hernam. Daarna kleedden zij hem in nieuwe kleeren en noodigden hem uit tot het feest in de feestzaal des konings.
Cuchulain wint de hand van Emer.
Den volgenden dag ging hij naar de dūn van Forgall den Sluwe, den vader van Emer en hij deed “den Zalmsprong van den held”, dien hij van Skatha had geleerd, over de wallen van de dūn. Daarna vielen de machtige mannen van Forgall op hem aan, en hij bracht slechts drie slagen toe, en iedere slag doodde acht man, en Forgall zelf viel dood neer, toen hij van den wal der dūn afviel, om aan Cuchulain te ontkomen. Daarop voerde hij Emer mede en haar pleegzuster en twee ladingen goud en zilver. Maar buiten de dūn zette de zuster van Forgall een troep tegen hem aan, en zijn strijdwoede overviel hem weer, en vreeselijk waren de slagen, die hij toebracht, zoodat de Glondath stroomde van het bloed en het gras van Crofot tot een bloederige modder vertrapt werd. Bij iedere stroom van Olbiny tot de Boyne versloeg hij honderd man; en zoo won hij de hand van Emer gelijk zij dit verlangd had, en bracht hij haar naar Emain Macha en maakte haar tot zijn vrouw, en zij scheidden niet meer vóór zijn dood.
Cuchulain Kampioen van Erin.
Een opperhoofd van Ulster, Bricciu van de Vergiftigde Tong genaamd, gaf eens een feest, waartoe hij koning Conor en alle helden van den Rooden Tak uitnoodigde, en daar hij er altijd behagen in schepte, om strijd te verwekken onder de mannen en vrouwen, liet hij de helden onderling twisten over de vraag, wie de Kampioen van het land van Erin was. Ten slotte werd vastgesteld, dat het kampioenschap moest worden toegekend aan één van de drie: Cuchulain, Conall van de Overwinningen en Laery de Overwinnaar. Om tusschen die drie te beslissen werd een booze geest, De Verschrikkelijke, uit een meer opgeroepen, in welks diepte hij huisde. Hij stelde de helden de volgende proef van hun moed voor. Ieder van hen mocht van daag zijn hoofd afhakken, onder voorwaarde, dat hij, die aanspraak maakte op het kampioenschap, morgen zijn eigen hoofd op het blok zou leggen. Conall en Laery wilden de proef niet aanvaarden, maar Cuchulain nam die aan, en na een tooverformulier over zijn zwaard te hebben uitgesproken, snijdt hij het hoofd van den boozen geest af, die onmiddellijk opstond en in het meer sprong na het bloedende hoofd in één hand en zijn bijl in de andere te hebben genomen.
Den volgenden dag kwam hij weer terug, gezond en wel, om de vervulling van de afspraak te eischen. Cuchulain legde bedrukt doch onverschrokken zijn hoofd op het blok. “Strek uw nek uit, boosaard,” riep de booze geest; “hij is voor mij te kort, om hem te treffen.” Cuchulain doet, zooals hem bevolen wordt. De booze geest zwaait zijn bijl driemaal over zijn slachtoffer, slaat met een plof de bijl op het blok en beveelt daarop Cuchulain, die ongedeerd is, op te staan, als Kampioen van Ierland en zijn dapperste man.
Deirdre en de Zonen van Usna.
Wij moeten thans terugkomen op een verhaal, waarin Cuchulain een rol speelt. Het is het voornaamste der inleidende verhalen van den Veeroof van Quelgny.
Zooals verhaald wordt, was er onder de hoofden van Ulster een zekere Felim, zoon van Dall, die op zekeren dag een groot festijn voor den koning aanrichtte. En de koning kwam met zijn Druïde Cathbad en met Fergus mac Roy en een aantal helden van den Rooden Tak, en terwijl zij feestvierden onder het gebruik van gebraden vleesch en tarwekoeken en Griekschen wijn, kwam een bode uit de vrouwenvertrekken Felim mededeelen, dat zijn vrouw hem juist een dochter had geschonken. Daarom dronken de hoofden en krijgslieden de gezondheid van het jonge kind, en de koning verzocht Cathbad, te waarzeggen op de wijze der Druïden en te voorspellen, wat de toekomst voor het kind in den schoot had. Cathbad keek naar de sterren en trok den horoskoop van het kind, en was zeer ontroerd; ten slotte zeide hij: “Het kind zal de schoonste zijn onder de vrouwen van Erin, en zal met een koning huwen, maar om haar zullen dood en verderf over de Provincie Ulster komen.” Daarop wilden de krijgslieden haar onmiddellijk doen ter dood brengen, maar Conor verbood dit. “Ik zal den vloek afwenden,” zoo sprak hij, “want zij zal geen vreemden koning huwen, maar als zij volwassen is, zal ik haar tot vrouw nemen:” Daarom liet hij het kind wegnemen, en vertrouwde hij het toe als zijn voedster Levarcam, en zij noemde het kind Deirdre. Conor beval Levarcam, dat het kind in een sterke dūn in de eenzaamheid van een groot bosch zou worden opgevoed, en dat geen jongman haar zou zien of zij een jongeling zou aanschouwen, voordat zij op den leeftijd gekomen was, dat de koning haar kon huwen. En daar verbleef zij, zonder iemand anders te zien dan de voedster en Cathbad, en somtijds den koning, die nu oud begon te worden, en somtijds de dūn bezocht, om te zien, dat alles daar in orde was, en dat zijn bevelen werden opgevolgd.

“Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust”
En de jaren gingen voorbij en Conor liet niets van zich hooren, maar toch vergat hij niet, en zijn spionnen hielden hem van alles op de hoogte wat Naisi en Deirdre overkwam. Eindelijk, van oordeel zijnde, dat Naisi en zijn broeders de eenzaamheid moede zouden zijn, zond hij den boezemvriend van Naisi, Fergus, den zoon van Roy naar hem toe, met het verzoek, of zij wilden terugkeeren, met de belofte er bij, dat alles zou vergeven zijn. Fergus ging blijde op weg, en met vreugde hoorden Naisi en zijn broeders de boodschap, maar Deirdre voorzag, dat er ongelukken uit zouden voortvloeien, en had Fergus het liefst alleen naar huis gezonden. Maar Naisi berispte haar om haar twijfelingen en booze vermoedens, en deed haar opmerken, dat zij onder de bescherming van Fergus waren, wiens bescherming geen koning in Ierland zoude durven schenden; en ten slotte maakten zij zich op om te gaan.
Toen zij in Ierland landden ontmoetten zij daar Baruch, één der helden van den Rooden Tak, wiens dūn in de onmiddellijke nabijheid was gelegen, en deze noodigde Fergus uit op een feest dat hij dien avond voor hem had bereid. “Ik kan niet blijven”, zeide Fergus, “want ik moet Deirdre en de zonen van Usna veilig naar Emain Macha geleiden”. “Toch”, zeide Baruch, “moet gij van avond bij mij blijven, want het is voor u een geis, een feest te weigeren”. Deirdre smeekte hem, hem niet te verlaten, maar Fergus werd door het feest aangelokt, en durfde de geis niet te verbreken, en hij beval zijn zoons Illan den Blonde en Buino den Roode, in zijn plaats de zorg voor het gezelschap op zich te nemen, en hij zelf ging mede met Baruch.
Zoo kwam het gezelschap te Emain Macha, en werd ondergebracht in het Huis van den Rooden Tak, maar Conor ontving hen niet. Na het avondmaal, toen hij stevig en stil zat te drinken, zond hij een bode om Levarcam voor zich te voeren. “Hoe gaat het met de zonen van Usna?” vroeg hij haar. “Dat gaat goed”, zeide zij. Gij hebt de drie dapperste kampioenen van Ulster aan uw hof. De koning, die die drie heeft, behoeft geen vijand te vreezen.” “Hoe gaat het met Deirdre?”, vroeg hij. “Zij is gezond”, zeide de voedster, “maar zij heeft vele jaren in de woestenij geleefd, en zware arbeid en zorg hebben haar zeer veranderd—er is slechts weinig van haar oude schoonheid overgebleven, O koning”. Maar na korten tijd ontbood hij één van zijn dienaren, Trendorn genaamd en beval hem te gaan naar het Huis van den Rooden Tak en na te gaan, wie er was en wat zij deden. Maar toen Trendorn daar aankwam was de plaats gegrendeld en afgesloten tegen den nacht, zoodat hij niet kon worden toegelaten; eindelijk klom hij op een ladder en keek door een hoog venster naar binnen. En daar zag hij de broeders van Naisi en de zoons van Fergus, die aan het praten waren en hun wapenen poetsten, of zich voor den slaap gereed maakten, en daar zat Naisi met een schaakbord voor zich, terwijl hij schaakspeelde met de schoonste vrouw, die hij ooit had gezien. Maar terwijl hij in bewondering het edele paar gadesloeg, werd hij plotseling ontdekt door één van hen, die een kreet slaakte, terwijl hij naar het venster wees. En Naisi keek op en zag het, en een schaakstuk van het bord nemende, slingerde hij het naar het gelaat van den spion, waardoor bij dezen een oog werd uitgestooten. Daarna klom Trendorn haastig de ladder af, en ging met zijn bloedig gelaat naar den koning. “Ik heb ze gezien,” riep hij, “ik heb de schoonste vrouw der wereld gezien, en als Naisi mijn oog niet had uitgeworpen, zou ik nu nog naar haar kijken.”
Daarop stond Conor op en riep zijn lijfwacht en beval hen de zonen van Usna vóór hem te brengen, omdat zij zijn bode hadden verminkt. En de lijfwacht ging; maar eerst ging Buino, de zoon van Fergus, met zijn gevolg hen tegemoet, en dreef hen met de punt van het zwaard terug; Naisi en Deirdre bleven rustig doorgaan met schaakspelen. “Immers,” zeide Naisi, “het is niet gepast, dat wij zouden trachten ons te verdedigen, terwijl wij onder de bescherming staan van de zonen van Fergus.” Maar Conor ging naar Buino, en kocht hem door een rijke schenking aan land om, de hem gegeven opdracht in den steek te laten. Daarop nam Illan de verdediging op zich van het Huis van den Rooden Tak, maar de twee zoons van Conor doodden hem. Doch toen namen ten slotte Naisi en zijn broeders hun wapenen op en stortten zich te midden der vijanden, waarbij het aantal van hen, die sneuvelden aanzienlijk was. Toen smeekte Conor den Druïde Cathbad, een tooverbezwering over hen uit te spreken, tenzij zij zouden wegtrekken en niet de vijanden der provincie zouden worden, en hij beloofde hun geen kwaad te zullen doen als zij levend gevangen genomen zouden worden. Daarop riep Cathbad een meer van slijk op, dat zich bij de voeten der zoons van Usna bevond, en zij konden hun voeten daar niet van wegtrekken en Naisi greep Deirdre en plaatste haar op zijn schouder, want het scheen alsof zij in het slijk zonken. Daarop grepen hen de lijfwacht en de dienaren van Conor en bonden hen, waarna zij voor den koning werden geleid. En de koning liet man voor man voorkomen om de zoons van Usna te dooden doch niemand wilde gehoorzamen, totdat ten slotte Owen, de zoon van Duracht en vorst van Ferney kwam, het zwaard van Naisi greep, en met één zwaai de hoofden van alle drie af sloeg; zoo stierven zij.
Nu maakte Conor zich met geweld van Deirdre meester, en een jaar lang leefde zij met hem in het paleis te Emain Macha, maar gedurende al dien tijd lachte zij geen enkele maal. Ten slotte zeide Conor: “Wat haat gij, Deirdre, het meest op aarde?” En zij antwoordde: “U zelf en Owen den zoon van Duracht,” en Owen stond er bij. “Dan zult gij eenjaar lang naar Owen gaan,” zeide Conor. Maar toen Deirdre den wagen achter Owen besteeg, hield zij haar oogen op den grond gericht, daar zij hen, die haar zoo kwelden, niet wilde zien; en Conor zeide, om haar te tergen: “Deirdre, uw blik tusschen mij en Owen is die van een ooi tusschen twee rammen.” Daarop sprong Deirdre op, en na hals over kop uit den wagen gesprongen te zijn, stootte zij haar hoofd tegen een steen en viel dood. En men verhaalt, dat er, toen zij haar begroeven, uit haar graf en uit dat van Naisi twee taxisboomen groeiden, waarvan de toppen, toen zij tot vollen wasdom waren gekomen, tot elkander naderden over het dak der groote kerk van Armagh, en samengroeiden, zoodat niemand ze kon scheiden.
De Opstand van Fergus.
Toen Fergus mac Roy in Emain Macha terugkeerde na het feest, waartoe Baruch hem had uitgenoodigd, en tot de ontdekking kwam, dat de zoons van Usna gedood waren, en één van zijn eigen zoons dood was, terwijl de andere een verrader was geworden, barste hij tegen Conor los in een storm van woede en in vloeken, en zwoer dat hij zich te vuur en te zwaard op hem zou wreken. En hij ging regelrecht naar Connacht toe, om dienst te nemen bij Ailell en Maev, die koning en koningin van dat land waren.
Koningin Maev.
Maar hoewel Ailell koning was, was Maev inderdaad de heerscheres, en beval alles zooals zij wilde, en nam elken echtgenoot, dien zij wilde, en zond die naar eigen wil terug; want zij was zoo onstuimig en krachtig als een godin van den oorlog, en kende geen andere wet dan haar eigen wil. Zij was, naar verhaald wordt, lang van gestalte, had een lang, bleek gelaat en een rijkdom van haar, zoo geel als rijp koren. Toen Fergus bij haar kwam in haar paleis te Rathcroghan, in Roscommon, schonk zij hem haar liefde, zooals zij die aan velen vóór hem had geschonken, en samen overlegden zij, hoe zij de provincie Ulster konden aanvallen en verwoesten.
De Bruine Stier van Quelgny.
Het geschiedde nu, dat Maev een vermaarden rooden stier bezat met een wit voorhoofd en witte horens, Finnbenach genaamd, en op zekeren dag, toen zij en Ailell hun wederzijdsche bezittingen optelden en tegen elkaar opwogen, hoonde hij haar, omdat de Finnbenach niet wilde blijven in de handen van een vrouw, maar zich had gehecht aan de kudde van Ailell. Daarom ging Maev geërgerd naar haar rentmeester, mac Roth, en vroeg hem, of er ergens in Erin een stier was, zoo prachtig als de Finnbenach. “Ja zeker,” zeide de rentmeester, “er is er een—want de Bruine Stier van Quelgny, die aan Dara, den zoon van Fachtna behoort, is het prachtigste dier in Ierland.” En daarna was het voor Maev alsof zij geen kudden groot- of kleinvee had, die iets waard waren, zoolang zij niet den Bruinen Stier van Quelgny in haar bezit had. Maar deze was in Ulster en de bewoners van Ulster wisten, welk een schat zij bezaten, en Maev wist, dat zij den stier niet zouden afstaan zonder er om te vechten. Daarom besloten zij en Fergus en Ailell een strooptocht tegen Ulster te ondernemen om het bezit van den Bruinen Stier en zoo met de provincie in oorlog te komen, immers Fergus verlangde zich te wreken en Maev verlangde te strijden, roem te behalen en den stier te verkrijgen, terwijl Ailell Maev genoegen wilde doen.
Eerst was Dara zeer verheugd met dat vooruitzicht, maar hem werden verhalen overgebracht, wat de boden van Maev hadden gezegd, en hoe zij verklaard hadden, dat als de stier niet vrijwillig gegeven werd, hij met geweld zou genomen worden; daarom zond hij een weigerend en uittartend antwoord. “Het was bekend”, zeide Maev, “dat de stier niet op eerlijke wijze zou worden afgestaan; daarom zal ik er mij op oneerlijke wijze van meester maken”. En daarom zond zij boden in iedere richting, om haar troepen voor den rooftocht te ontbieden.
De Troepen van Koningin Maev.
En daar kwamen alle machtige mannen uit Connacht—eerst de zeven Mainés, de zoons van Ailell en Maev, ieder met zijn gevolg, en Ket en Anluan, de zonen van Maga, met drie duizend gewapende mannen, en de geelharige Ferdia, met zijn troep Firbolgs, ontstuimige reuzen, die zich verheugden in den oorlog en in krachtige ale. En daar kwamen ook de bondgenooten van Maev, een troep mannen uit Leinster, die zóózeer de overige overtroffen in vaardigheid in den strijd, dat zij onder de troepen van Connacht werden verdeeld, opdat zij geen gevaar voor den troep zouden opleveren; eindelijk Cormac, de zoon van Conor, met Fergus mac Roy en andere ballingen uit Ulster, die tegen Conor in opstand waren gekomen om zijn verraad jegens de zonen van Usna.
Ulster onder den Vloek.
Profetische Stemmen.

Koningin Maev en de Druïde
Cuchulain brengt den Troep onder Geise.
Toen het leger van Maev te Ardcullin kwam, werd het teentje om de pilaar gevonden en naar Fergus gezonden om het te ontcijferen. Niemand van de troep kon Cuchulain zijn handeling nadoen, daarom gingen zij in het bosch en kampeerden gedurende den nacht. Er had een hevige sneeuwval plaats, en allen waren in groote moeilijkheden, maar den volgenden dag verrees de zon schitterend, en over de witte vlakte trokken zij naar Ulster, in de meening, dat het verbod slechts voor één nacht gold.
De Wadde van den Vertakten Paal.

Cuchulain in den Strijd
In het epos, zooals het gegeven wordt in het Boek van Leinster, en de andere oude bronnen, heeft er nu een groot tusschenbedrijf plaats, waarin Fergus aan Maev uitlegt, wie het is—en wel “mijn kleine leerling Setanta”—die het leger zoo hindert, en waarin zijn daden als jongeling, waarvan in dit verhaal reeds sommige zijn verteld, worden medegedeeld.
De Wagenmenner van Orlam.
Het leger ging den dag daarop verder, en de volgende ontmoeting toont ons onzen held in een vriendelijker gemoedsstemming. Hij hoort het geluid van het vellen van hout, en toen hij in het woud gaat, vindt hij daar een wagenmenner, die behoort tot één der zonen van Ailell en Maev, die disselboomen van hulst hakken. “Immers,” zegt hij, “wij hebben onze wagens vreeselijk beschadigd bij het jagen op dat bekende wild, Cuchulain.” Cuchulain, die, zooals men zich zal herinneren, in gewone tijden een nietige en weinig indrukwekkende gestalte had, hoewel hij in den slag in gestalte uitzette en vreeselijk verwrongen werd, een symbool van Berserker woede—helpt den wagenmenner bij zijn werk. “Zal ik,” zoo vraagt hij, “de palen hakken of ze voor u glad maken?” “Maak gij ze glad,” zeide de wagenmenner. Cuchulain neemt de palen bij de punten, en trekt ze tegen de rijen takken tusschen zijn toonen door en laat ze dan op dezelfde wijze tusschen zijn vingers heen gaan, en geeft ze hem even glad en gepolijst terug, alsof zij door een timmerman waren gladgeschaafd. De wagenmenner staart hem verbaasd aan. “Ik vermoed, dat het werk, dat ik u liet maken, niet uw gewoon werk is,” zegt hij. “Wie zijt gij dan toch?” “Ik ben de Cuchulain, over wien gij zoo even hebt gesproken.” “Dan ben ik zeker een kind des doods,” zeide de wagenmenner. “Neen,” antwoordt Cuchulain, “ik dood geen wagenmenners of boden of ongewapende mannen. Maar loop snel weg en deel uw meester Orlam mede, dat Cuchulain op het punt is hem te bezoeken.” De wagenmenner holt weg, maar Cuchulain haalt hem in, ontmoet Orlam het eerst, en slaat hem het hoofd af. Een oogenblik slechts ziet het leger van Maev hem, terwijl hij die bloedige tropee vóór hen heen en weer slingert; daarna verdwijnt hij uit het gezicht—het is de eerste glimp, die zij van hun vervolger te zien krijgen.
De Strijdwoede van Cuchulain.
De Overeenkomst aan de Wadde.
Fergus en Cuchulain.
Er worden dan verschillende tweegevechten vermeld, waarin Cuchulain steeds de overwinnaar is. Maev overreedt Fergus zelfs tegen hem in het strijdperk te treden, maar Fergus en Cuchulain willen onder geen voorwaarde tegen elkander vechten, en Cuchulain doet het voorkomen alsof hij voor hem vlucht onder belofte van Fergus, dat hij, als het noodig is, hetzelfde voor Cuchulain zal doen. Hoe die belofte gehouden werd zullen wij later zien.
Het rooven van den bruinen stier.
De Morrigan.
Het gevecht met Loch.
De volgende kampioen, die door Maev tegen hem werd uitgezonden, was Loch, de zoon van Mofebis. Om met dien held te kunnen strijden moest Cuchulain volgens het verhaal zijn kin met braambessensap insmeren, ten einde het te doen voorkomen, alsof hij een baard had, daar anders Loch zich niet zou verwaardigen met een knaap te strijden. Zoo streden zij dan in de wadde, en Morrigan kwam tegen hem in strijd in de gedaante van een witte vaars met roode ooren, maar Cuchulain verbrijzelde haar oog met een worp van zijn speer. Daarna kwam zij de rivier op zwemmen als een zwarte aal, en hechtte zich vast aan zijn beenen, en voordat hij zich van haar kon losmaken, werd hij door Loch gewond. Daarna viel zij hem aan als een grijze wolf, en weer werd hij, voordat hij haar kon ten onder brengen, door Loch gewond. Daarop maakte zijn strijdwoede zich van hem meester en stootte hij de Gae Bolg tegen Loch, waarbij hij zijn hart in tweeën spleet. “Laat mij opstaan,” zeide Loch, “opdat ik op mijn gelaat moge vallen aan uw zijde van de wadde, en niet op den rug naar de mannen van Erin gekeerd.” “Het is het geschenk van den krijgsman, dat gij vraagt,” zeide Cuchulain, “en het is toegestaan.” Zoo stierf Loch; en, zoo verhaalt men, een groote moedeloosheid overviel Cuchulain, want hij was uitgeput door voortdurenden strijd en zwaar gewond. Hij had sedert het begin van den strooptocht nooit anders geslapen dan op zijn speer geleund; en hij zond zijn wagenmenner Laeg, om te zien of hij de mannen van Ulster niet eindelijk kon opwekken om hem te hulp te komen.
Lugh de beschermer.
Maar toen hij treurig en terneergeslagen des avonds bij den grafheuvel van Lerga ter neder lag, het oog gericht op de kampvuren van het groote leger, dat over hem gekampeerd was en op de flikkering van hun ontelbare speren, zag hij een grooten en bevalligen krijgsman uit de menigte komen, die onstuimig naar voren trad, en geen der troepenafdeelingen, langs welke hij heenging draaide het hoofd om, om naar hem te zien, of scheen hem zelfs op te merken. Hij droeg een zilveren opperkleed met goud geborduurd, en een groenen mantel, vastgemaakt met een zilveren gesp; in één hand hield hij een zwart schild met een zilveren rand en in de andere twee speren. De vreemdeling kwam naar Cuchulain toe en sprak vriendelijk en zachtaardig met hem over zijn langen strijd en zijn voortdurend waken en zijn pijnlijke wonden, en zeide ten slotte: “Slaap nu, Cuchulain, bij het graf van Lerga; slaap drie dagen vast door, en gedurende dien tijd zal ik uw plaats innemen en de wadde verdedigen tegen het leger van Maev.” Daarop zonk Cuchulain in een diepen slaap en in bewusteloosheid, terwijl de vreemdeling genezende balsems van magische kracht op zijn wonden legde, zoodat hij hersteld en verfrischt weer ontwaakte, en gedurende den tijd, dat Cuchulain sliep, verdedigde de vreemdeling de wadde tegen de vijanden. En Cuchulain wist, dat het zijn vader Lugh was, die van het volk van Dana was gekomen, om zijn zoon te helpen in zijn uur van somberheid en wanhoop.

“Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga”
De opoffering van het knapenkorps.
Maar nog steeds lagen de mannen van Ulster hulpeloos ter neer. Nu was er in Emain Macha een troep van driemaal vijftig knapen, de zonen van alle opperhoofden der provincies, die daar werden opgevoed in de wapenen en alle edele kunsten, en dezen stonden niet onder den vloek van Macha, daar die alleen gold voor de volwassenen. Maar toen zij hoorden van de vreeselijke moeilijkheden, waarin Cuchulain, hun speelmakker van niet lang geleden, verkeerde, trokken zij hun lichte wapenrusting aan, en namen hun wapenen ter hand en trokken ten strijde voor de eer van Ulster en ter hulp van Cuchulain, onder den jongen zoon van Conor, Follaman. En Follaman legde de belofte af, dat hij niet naar Emain zou terug keeren zonder den diadeem van Ailell als trofee. Driemaal reden zij op het leger van Maev in, en versloegen driemaal hun eigen aantal, maar tenslotte werden zij overweldigd en gedood, en niet één ontsnapte levend.
Het bloedbad van Murthemney.
Dit geschiedde terwijl Cuchulain in diepen slaap lag, en toen hij verfrischt en genezen wakker werd, en hoorde wat geschied was, kwam zijn woede weer over hem en hij sprong in zijn strijdwagen en reed woedend om het leger van Maev heen. En de wagen ploegde de aarde totdat de wagensporen geleken op de wallen van een vesting, en de zeisen op de wielen grepen en verminkten de lichamen der verzamelde vijanden, totdat zij als een muur rondom het kamp waren opgehoopt, en toen Cuchulain in zijn woede schreeuwde, gilden de booze geesten en spoken in Erin tot antwoord, zoodat de troepen door den schrik en de verwarring hijgden en heen en weer ijlden en velen door elkanders wapenen omkwamen, en anderen van schrik en vrees. En dit was het groote bloedbad van Murthemney, door Cuchulain aangericht om het knapenkorps van Emania te wreken; honderddertig vorsten uit het leger van Maev werden toen verslagen, behalve paarden en vrouwen en wolfshonden en tallooze gewone krijgslieden. Volgens de verhalen streed daar Lugh mac Ethlinn aan de zijde van zijn zoon.
De Clan Calatin.
Ferdia neemt deel aan den strijd.
Cuchulain had nu al de machtigsten der mannen van Maev overwonnen, behalve hem, die na Fergus het machtigst was, en wel Ferdia, den zoon van Daman. En daar Ferdia de oude vriend en medeleerling van Cuchulain was, was hij nooit tegen hem opgetrokken; doch nu verzocht Maev hem te gaan, maar hij wilde niet. Daarop bood zij hem haar dochter, Findabair, met de Schoone Wenkbrauwen, tot vrouw aan, als hij Cuchulain aan de wadde wilde aanvallen, maar ook toen wilde hij niet. Ten slotte beval zij hem te gaan, daar anders de dichters en spotschrijvers gedichten op hem zouden maken en hem openlijk tot schande zouden maken, waarna hij woedend en verdrietig zijn toestemming gaf en zijn wagenmenner beval zich voor den strijd tegen den volgenden dag gereed te maken. Toen was er droefheid onder zijn geheele volk, omdat zij wisten, dat als Cuchulain en hun meester een tweegevecht aangingen, één van hen niet levend zou terugkeeren.
Zeer vroeg in den morgen reed Ferdia naar de wadde, en legde zich daar neder op de kussens en huiden van den wagen en sliep totdat Cuchulain zou komen. Eerst toen het helder dag was, hoorde de wagenmenner van Ferdia het donderen van den naderenden strijdwagen van Cuchulain, en wekte hij zijn meester; de beide vrienden zagen elkander weder aan weerszijden van de wadde. En toen zij elkander hadden begroet, zeide Cuchulain: “Ferdia, gij hadt niet tegen mij ten strijde moeten komen. Waren wij niet, toen wij bij Skatha waren, zijde aan zijde in iederen slag, en in ieder bosch en in iedere wildernis? Waren wij niet boezemvrienden, trouwe makkers bij feesten en in de vergadering? Deelden wij niet hetzelfde bed en denzelfden diepen slaap?” Maar Ferdia antwoordde: “O Cuchulain, gij man der bewonderenswaardige daden, hoewel wij samen poëzie en wetenschap hebben bestudeerd, en hoewel ik u onze vriendschapsdaden heb hooren vermelden, toch zal mijn hand u verwonden. Herinner u onze vriendschap niet, gij Hond van Ulster, zij zal u niet helpen, zij zal u niet helpen.”
Daarna bespraken zij, met welke wapenen zij zouden beginnen te vechten, en Ferdia herinnerde Cuchulain aan de kunsten van het werpen met werpspiesen, zooals zij die van Skatha hadden geleerd, en zij kwamen overeen, daarmede te beginnen. Vooruit en achteruit gonsden de lichte werpspiesen over de wadde als bijen op een zomerdag, maar toen de middag was aangebroken, had geen enkel wapen de wapenrusting van den tegenstander doorboord. Daarop namen zij de zware werpspiesen ter hand, en nu begon tenslotte bloed te vloeien, immers de ééne kampioen wondde telkens den anderen. Eindelijk brak het einde van den dag aan. “Laat ons nu ophouden,” zeide Ferdia, en Cuchulain stemde daarin toe. Daarop wierp ieder van hen zijn wapenen naar zijn wagenmenner, en de vrienden omhelsden en kusten elkander driemaal, en gingen ter ruste. Hun paarden werden in dezelfde omheinde plaats geborgen, de paardenmenners warmden zich aan hetzelfde vuur, en de helden zonden elkander spijzen en drank en geneeskrachtige kruiden voor hun wonden.
Toen de derde dag van den strijd aanbrak, vertoonde Ferdia een boos en grimmig gelaat, en Cuchulain verweet hem, dat hij tegen zijn makker ten strijde trok ter wille van een meisje, al was zij ook zoo schoon als Findabair, die door Maev aan iederen kampioen was aangeboden, en ook aan Cuchulain zelf, als de wadde daarmee kon worden gewonnen; maar Ferdia zeide: “Edele Hond, als ik u, na daartoe opgeroepen te zijn, niet het hoofd had geboden, zou ik mijn woord hebben gebroken, en zou ik in Rathcroghan geschandvlekt zijn.” Het is nu de beurt van Ferdia, de wapenen te kiezen, en zij maken gebruik van hun “zware, hard treffende zwaarden,” en hoewel zij van elkanders dijen en schouders groote stukken vleesch hakken, kan geen van beiden zijn tegenstander overwinnen, en eindelijk maakte de avond een einde aan den slag. Dien avond gaan zij somber en gedrukt van elkander en er was geen wisseling van vriendelijke daden, hun wagenmenners en paarden sliepen afzonderlijk. De hartstocht der strijders was tot grimmigen ernst gestegen.
De dood van Ferdia.
Op den vierden dag wist Ferdia, dat de strijd zou worden beslist, en hij wapende zich met bijzondere zorg. Hij droeg over zijn huid een kleed van gestreepte zijde, omzoomd met gouden loovertjes, en daarover heen hing een voorschoot van bruin leder. Op zijn buik legde hij een vlakke steen, zoo groot als een molensteen, en daarover een stevig, dik ijzeren voorschoot, immers hij vreesde, dat Cuchulain dien dag de Gae Bolg zou gebruiken. En op zijn hoofd plaatste hij zijn gepluimden helm, met karbonkels bezet en met email ingelegd, en hij omgorde zich met zijn zwaard met gouden gevest, en hing aan zijn arm zijn breed schild met vijftig bronzen knoppen. Zoo stond hij aan de wadde, en terwijl hij wachtte, wierp hij zijn wapenen in de hoogte en ving ze weder op en deed een aantal bewonderenswaardige daden, terwijl hij met zijn machtige wapens speelde zooals een goochelaar met appels speelt, en Cuchulain zeide, terwijl hij hem gadesloeg tot Laeg, zijn wagenmenner: “Als ik van daag achteruit deins, verwijt mij dan en bespot mij en spoor mij tot dapperheid aan, en prijs en bemoedig mij, als ik mijn plicht doe, want ik zal al mijn moed noodig hebben.”
“O Ferdia,” zeide Cuchulain, toen zij den strijd zouden beginnen, “wat zullen heden onze wapens zijn?” Gij moogt van daag kiezen,” antwoordde Ferdia. “Laten het dan alle zijn,” zeide Cuchulain, en Ferdia werd vreeselijk terneergeslagen, toen hij dit hoorde, maar hij zeide: “Zoo zij het,” en daarop begon het gevecht. Tot aan den middag streden zij met speren en niemand kon op den ander een voordeel behalen. Daarop trok Cuchulain zijn zwaard en trachtte Ferdia over den rand van zijn schild heen te treffen; maar de reus Firbolg verhinderde dit listig. Driemaal sprong Cuchulain hoog in de lucht en trachtte Ferdia over zijn schild heen te treffen, maar iederen keer als hij neerkwam ving Ferdia hem op zijn schild op en wierp hem als een klein kind in de wadde, en Laeg lachte hem uit, en riep: Hij werpt u van zich af, zooals een rivier haar schuim weg werpt; hij vermaalt u, zooals een molensteen een graankorrel fijnmaalt; gij, kaboutermannetje, noem u nooit meer een krijgsman.”
Toen kwam ten slotte bij Cuchulain de woede over hem, en hij zette zich tot een reus, totdat hij boven Ferdia uitstak, en het licht van een held schitterde rondom zijn hoofd. De twee waren nauw ineengestrengeld, terwijl zij ronddraaiden en trappelden en terwijl de booze geesten en kabouters en de geesten der bergpassen van het lemmer van hun zwaarden schreeuwden en de wateren der wadde in schrik voor hen weken, zoodat zij een tijdlang op de droogte streden te midden van de bedding der rivier. Nu was Cuchulain een oogenblik minder op zijn hoede, en sloeg Ferdia hem met het scherpe van zijn zwaard, dat diep in zijn vleesch drong, zoodat de rivier roodgekleurd was van zijn bloed. En daarna drukte hij Cuchulain hevig, op hem hakkend en hem stootend, zoodat deze het niet langer kon uithouden en Laeg toeschreeuwde, hem de Gae Bolg toe te werpen. Toen Ferdia dit hoorde hield hij zijn schild naar beneden om zich van onderen te dekken, en Cuchulain joeg zijn speer over den rand van zijn schild en door zijn borstharnas in zijn borst. En Ferdia hief zijn schild weer op, maar op dat oogenblik pakte Cuchulain de Gae Bolg met zijn teenen en wierp het naar boven tegen Ferdia, zoodat het door het ijzeren voorschoot heendrong, den molensteen, die hem beschermde, in drieën spleet, en diep drong in zijn lichaam, zoodat iedere scheur en barst in zijn lichaam met haar weerhaken was gevuld. “Het is genoeg,” riep Ferdia, “dit is mijn dood. Het is erg, Cuchulain, dat ik door uw hand val.” Cuchulain greep hem, terwijl hij viel, en droeg hem in noordelijke richting door de wadde, opdat hij aan de andere zijde zou sterven, en niet aan die van de mannen van Erin. Daarna legde hij hem neder, en een flauwte overviel Cuchulain, en hij viel, toen Laeg uitriep: “Sta op, Cuchulain, immers het leger van Erin zal ons overvallen. Nu Ferdia is gesneuveld, zullen zij geen tweegevecht meer toestaan.” Maar Cuchulain zeide, “waarom zou ik weer opstaan, mijn dienaar, nu hij, die daar ter neder ligt, door mijn hand is gevallen?” en hij viel bewusteloos als dood ter neder. En het leger van Maev trok de grenzen over naar Ulster met geschreeuw en met vreugdekreten, onder het werpen van speren en het zingen van krijgsliederen.

“Cuchulain greep Ferdia toen hij viel”
Maar voordat zij de Wadde verlieten, namen zij het lijk van Ferdia op en legden het in een graf, en bouwden een grafheuvel daarover, en richtten een steenen pilaar op met zijn naam en afkomst in Oghamschrift. En sommigen van de vrienden van Cuchulain kwamen uit Ulster, en droegen dezen naar Murthemney, waar zij hem reinigden en zijn wonden in de stroomen afwaschten, en zijn bloedverwanten onder het Volk van Dana wierpen tooverkruiden ter genezing in de rivieren. Maar hij lag daar, bij voortduring zwak en bedwelmd gedurende verschillende dagen.
Ulster verheft zich eindelijk.
Sualtam nu, de vader van Cuchulain, had het paard van zijn zoon genomen, den Schimmel van Maehn, en was weer weggereden om te zien, of hij op de ééne of andere wijze de mannen van Ulster kon opwekken om de provincie te verdedigen. En hij ging op weg, voortdurend uitroepend: “De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen!” Doch zij staarden hem wezenloos aan, alsof zij niet wisten, waarvan hij sprak. Eindelijk kwam hij in Emania, en daar waren Cathbad de Druïde en koning Conor, met al hun aanzienlijken en edelen, en Sualtam riep hun luidde toe: “De mannen van Ulster worden verslagen, de vrouwen gevangen weggevoerd, de koeien medegenomen; en Cuchulain moet alleen de bres van Ulster bezetten tegen de vier provincies van Erin. Staat op en verdedigt u!” Maar Cathbad zeide niets anders dan: “Hij is des doods schuldig, die den koning zoo lastig valt;” en Conor zeide: “Toch is het waar, wat de man zegt”; en de edelen van Ulster schudden het hoofd en mompelden: “Het is inderdaad waar.”

“Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen”
Daarop volgt een beschrijving van het uiterlijk en de wapenrusting van ieder der aanvoerders van de mannen van Ulster.
De slag bij Garach.

Cuchulain en de Toovermaagden
“Dat heb ik beloofd,” zeide Fergus, en daarop verdween hij uit het gevecht, en tegelijk met hem de mannen van Leinster en die van Munster, terwijl zij Maev met haar zeven zoons en het leger van Connacht alleen achterlieten.
Het was middag, toen Cuchulain in den strijd kwam; toen de avondzon scheen tusschen de bladeren der boomen, bestond zijn strijdwagen slechts uit twee wielen en een handvol gebroken stukken hout, terwijl het leger van Connacht in volle vlucht was naar de grens. Cuchulain haalde Maev in, die onder haar wagen kroop en om genade smeekte. “Ik ben niet gewoon, vrouwen te dooden,” zeide Cuchulain, en hij beschermde haar, totdat zij den Shannon bij Athlone was overgestoken.
Het gevecht der stieren.
Maar de Bruine Stier van Quelgny, die Maev langs een omweg naar Connacht had gezonden, ontmoette den Stier van Ailell met witte horens op de Vlakte van Aei, en de twee dieren begonnen te vechten; maar de Bruine Stier doodde onmiddellijk den anderen, en wierp de stukken over het land, zoodat deelen er van verstrooid lagen van Rathcroghan tot aan Tara; daarna holde hij dol voort, totdat hij dood viel, loeiende en zwart geronnen bloed uitspuwend, op den Bergrug van den Stier, tusschen Ulster en Iveagh. Ailell en Maev sloten een zevenjarigen vrede met Ulster, en de mannen van Ulster keerden met roem beladen naar Emain Macha terug.
Zoo eindigt de “Tain Bo Cuailgné,” of de Strooptocht van Vee van Quelgny; deze is opgenomen in het “Boek van Leinster” in het jaar 1150 door de hand van Finn mac Gorman, Bisschop van Kildore, en op het einde geschreven: “Gezegend zijn zij, die de ‘Tain’ letterlijk opzeggen, zooals zij hier staat, en het niet in een anderen vorm weergeven.”
Cuchulain in het tooverland.
Eén der vreemdste verhalen onder de Keltische legenden vermeldt hoe Cuchulain, toen hij na de jacht in slaap lag tegen een steen van een pilaar, een droomgezicht had van twee vrouwen uit het Volk van Dana, die tot hem naderden, met roeden gewapend en hem om beurten zóó hard sloegen, dat hij zoo goed als dood was, en hij geen hand kon opsteken, om zich te verdedigen. Den volgenden dag, tot zelfs een jaar daarna, lag hij doodziek ter neder, en er was niemand, die hem kon genezen.
Daarop kwam een man, dien niemand kende, die hem beval zich naar den steen van den pilaar te begeven, waar hij het droomgezicht had gezien; daar kon hij vernemen, wat voor zijn herstel kon worden gedaan. Hij vond er een vrouw uit het Volk van Dana in een groenen mantel, en wel één van die, welke hem hadden gekastijd, en deze deelde hem mede, dat Fand, de Parel der Schoonheid, de vrouw van Mananan den Zeegod, op hem verliefd was geworden en dat zij met haar echtgenoot Mananan in onmin leefde; haar rijk werd belegerd door drie demonenkoningen, tegen wie de hulp van Cuchulain werd ingeroepen, en de prijs voor zijn hulp zou de liefde van Fand zijn. Daarop werd Laeg, de wagenmenner, door Cuchulain weggezonden om over Fand en haar boodschap berichten in te winnen. Hij ging het tooverland binnen, gelegen aan de andere zijde van een meer, dat hij in een bronzen tooverboot overstak, en kwam tehuis met een verslag van de onovertrefbare schoonheid van Fand en de wonderen van het koninkrijk; daarop ging Cuchulain daarheen. Hier leverde hij in een dichten nevel een gevecht tegen de booze geesten, die beschreven worden als te gelijken op golven der zee—ongetwijfeld moeten wij aannemen dat dit de helpers zijn van den vertoornden echtgenoot Mananan. Daarop bleef hij bij Fand vertoeven, bij wie hij zich een maand lang in alle genietingen van het Tooverland verheugde, waarna hij afscheid van haar nam, en een plaats op aarde, het Strand van den Taxisboom, afsprak, waar zij hem zou kunnen treffen.

Emer hoort van de afspraak
Fand, Emer en Cuchulain.
Maar Emer hoorde van de afspraak; maar hoewel zij meestal de tallooze gevallen van ontrouw van Cuchulain gewoonlijk nog al kalm opnam, kwam zij bij die gelegenheid aanzetten met vijftig van haar gezellinnen, met scherpe messen gewapend, om Fand te dooden. Cuchulain en Fand zien reeds van verre haar wagens, en de gewapende vertoornde vrouwen, met gouden gespen, die op haar borsten schitterden, en hij maakt zich gereed, zijn geliefde te beschermen. Hij spreekt Emer aan in een merkwaardig gedicht, waarin hij de schoonheid, de bekwaamheid en de magische macht van Fand beschrijft. “Er is niets wat de geest kan wenschen of zij bezit het.” Emer antwoordt: “Inderdaad schijnt de dame, aan wie gij u vasthecht in geen enkel opzicht beter dan ik, maar het nieuwe is altijd zoet, en het goed gekende is zuur; gij hebt al de wijsheid van heden, Cuchulain! Eertijds leefden wij in eere te zamen en zouden dat nog kunnen doen, als ik genade in uw oogen kon vinden.” “Op mijn eerewoord, dat doet gij, “sprak Cuchulain, “en dat zal het geval zijn zoolang ik leef.”
Maar Mananan, de Zoon der Zee, kende haar smart en haar schande en kwam haar te hulp, terwijl niemand hem zag, dan alleen zij, en zij verwelkomde hem in een mystiek gezang. “Wilt gij bij mij terugkeeren?” sprak Mananan, “of wilt gij bij Cuchulain blijven?” “Geen van u beiden is inderdaad beter of edeler dan de ander,” zeide Fand, “maar ik wil met u medegaan, Mananan, want gij hebt geen andere gezellin, die u waardig is, terwijl Cuchulain Emer heeft.”
Daarom ging zij met Mananan mede, en Cuchulain, die den god niet zag, vroeg Laeg, wat er geschiedde. Hij antwoordde: “Fand gaat weg met den Zoon der Zee, daar zij geen genade kon vinden in uw oogen.”
De wraak van Maev.
Hoewel Maev na den slag bij Garach met Ulster vrede sloot deed zij toch de gelofte, dat Cuchulain moest vallen, om al de schande en de verliezen, die hij over haar en haar provincie had gebracht, en zij zocht naar een middel, hoe zij zich op hem zou kunnen wreken.
Nu had de vrouw van den toovenaar Calatin, die bij de wadde door Cuchulain was gedood, na diens dood zes kinderen tegelijk ter wereld gebracht, en wel drie zoons en drie dochters. Zij waren mismaakt, monsterachtig leelijk, vergiftig, tot kwaad geboren; en Maev, die van hen had gehoord, zond hen uit, om de tooverkunst te leeren, niet alleen die van Ierland maar ook van Alba; en zelfs gingen zij naar Babylon om geheime wetenschap op te doen, zoodat zij uitgeleerd in tooverkunsten terugkeerden; daarop liet zij hen op Cuchulain los.
Cuchulain en Blanid.
Al die personen werden nu door Maev door middel van geheime boodschappen, door berispingen en vermaningen tegen Cuchulain opgezet, en zij wachtten, totdat zij hoorden, dat de vloek van Macha weer zwaar rustte op de mannen van Ulster, en daarna verzamelden zij een leger en trokken op naar de Vlakte van Murthemney.
De krankzinnigheid van Cuchulain.
Eerst waren het de kinderen van Calatin, die schrik en gedruktheid op den geest van Cuchulain wierpen, en zij wisten door de overkapte distels en de wolfsveeten en waaiende bladeren van het bosch den indruk te wekken van gewapende bataljons, die tegen Murthemney optrokken, en Cuchulain meende aan alle kanten den rook van brandende woningen te zien opstijgen. En twee dagen lang streed hij met de droombeelden, totdat hij ziek en uitgeput was. Daarop overreedde hem Cathbad en de mannen van Ulster, om zich terug te trekken in een eenzamen bergpas, waar vijftig der vorstinnen van Ulster, onder wie ook Niam, de vrouw van zijn trouwen vriend Conall van de Overwinningen, hem verpleegden, en Niam dwong hem tot de belofte, dat hij de dūn waar hij was niet zou verlaten, voordat zij hem haar toestemming daartoe gaf.
Maar nog steeds vulden de kinderen van Calatin het land met oorlogsverschijningen, en rook en vlammen stegen op, en woeste kreten en jammerklachten, met gesnap en gelach van kabouters, en het geschal van trompetten en horens werd door den wind aangedragen. En Bave, de dochter van Calatin, ging den bergpas binnen, en na de gedaante te hebben aangenomen van een dienstmaagd van Niam, riep zij haar op zijde en voerde haar tot op een afstand tusschen de bosschen, en legde een betoovering over haar, zoodat zij verloren raakte en haar weg naar huis niet meer kon terugvinden. Daarop ging Bave in de gedaante van Niam naar Cuchulain en riep hem op, om Ulster te bevrijden van de legers, die het teisterden, en de Morrigan kwam in den vorm van een groote kraai op de plaats waar Cuchulain met de vrouwen zat en kraste voortdurend over oorlog en doodslag. Daarop sprong Cuchulain op en riep Laeg om zijn wagen in te spannen. Maar toen Laeg den Schimmel van Macha ging halen om hem op te tuigen, vlood het paard van hem weg en verzette zich, en slechts met de grootste inspanning kon Laeg het voor den wagen spannen, terwijl groote tranen zwart bloed langs zijn kop stroomden.
Daarop reed Cuchulain weg, na zich in zijn wapenrusting te hebben gestoken; en aan iederen kant vervolgden hem gestalten en geluiden van verschrikking, die zijn geest benevelden, en toen leek het hem of hij een groote rookwolk verlicht door uitbarstingen van roode vlammen, boven de wallen van Emain Macha zag, en meende hij, dat hij het lijk van Emer over de wallen zag slingeren. Maar toen hij aan zijn dūn te Murthemney kwam, was Emer in leven, en zij smeekte hem, de spookverschijningen uit den weg te gaan, maar hij wilde niet naar haar luisteren en nam afscheid van haar. Daarna nam hij afscheid van zijn moeder Dectera, en zij gaf hem een beker wijn te drinken, maar voordat hij den wijn kon drinken, veranderde deze in bloed, en hij slingerde dien weg en sprak: “Het einde van mijn leven is nabij, dezen keer zal ik niet levend uit den strijd terug keeren.” En Dectera en Cathbad smeekten hem, de komst van Conall van de overwinningen af te wachten, die op reis was, maar hij wilde dat niet.
Het waschmeisje aan de wadde.
Nog eens Clan Calatin.
De dood van Cuchulain.
Daarop vroeg een tweede hekeldichter om de speer, maar Cuchulain zeide: “Ik behoef niet meer dan één verzoek per dag in te willigen.” Maar de hekeldichter sprak: “Dan zal ik Ulster om uw verzuim beschimpen,” en Cuchulain wierp hem toen evenals te voren de speer toe, en nu greep Erc haar, die haar terugwierp, waardoor de schimmel van Macha doodelijk getroffen werd. Cuchulain trok de speer uit de zijde van het paard, en zij namen afscheid van elkander, en de schimmel galoppeerde weg, met het halve juk aan den nek.

De Dood van Cuchulain
En ten derden male slingerde Cuchulain zijn speer naar een hekeldichter, en Lewy pakte die weer en slingerde haar terug, en zij trof Cuchulain zelf, en zijn ingewanden vielen in den wagen, en het overgebleven paard de Zwarte Sainglend, brak los en liet hem in den steek.
“Ik zou zoo gaarne naar dien kant van het meer gaan om te drinken,” sprak Cuchulain, die wist, dat zijn einde nabij was, en zij lieten hem gaan, toen hij beloofd had weer tot hen te zullen terugkeeren. Daarop nam hij zijn ingewanden bijeen, stak ze in zijn lichaam en ging naar den kant van het meer, en dronk, en baadde, en keerde terug om te sterven. Er was in de nabijheid een groote steenen pilaar, die ten westen van het meer stond, en hij ging daarheen, en sloeg zijn gordelriem daaromheen en om zijn borst, opdat hij staande zou kunnen sterven, en niet neerliggend; en zijn bloed vloeide in een kleinen stroom in het meer, en een otter kwam buiten het meer en likte het op. En de vijandelijke troepen verzamelden zich rondom, maar durfden hem niet te naderen, terwijl het leven nog in hem was, en het licht van den held straalde boven zijn voorhoofd. Daarop kwam de Schimmel van Macha, om hem te beschermen, en verstrooide zijn vijanden door te bijten en te schoppen.
En daarna kwam een kraai, die zich op zijn schouder neerzette. Toen Lewy dit zag, kwam hij nader, haalde het haar van Cuchulain naar één kant over diens schouder, en sloeg met zijn zwaard het hoofd af; en het zwaard viel uit de hand van Cuchulain en sloeg de hand van Lewy af, in zijn val. Als wraak daarvoor namen zij de hand van Cuchulain, en zij droegen het hoofd en de hand naar het zuiden naar Tara en begroeven die daar, en richtten daarover een hoogte op. Maar Conall van de Overwinningen, die zich, toen hij het bericht van den oorlog kreeg, naar Cuchulain’s zijde spoedde, ontmoette den Schimmel van Macha, die stroomde van bloed, en samen gingen zij naar den oever van het meer en zagen hem daar zonder hoofd en aan den pilaar gebonden, en het paard kwam nader en legde zijn kop op Cuchulains borst. Conall reed naar het zuiden om Cuchulain te wreken, en hij ontmoette Lewy bij de rivier de Liffey, en omdat Lewy maar één hand had, bond Conall één van zijn handen achter zijn rug, en zij vochten den halven dag, maar geen van beiden behaalde de overwinning.
Daarop kwam het paard van Conall, de Rood-gespikkelde, en beet een stuk uit de zijde van Lewy, en Conall doodde hem, nam zijn hoofd, en keerde naar Emain Macha terug. Maar er werd geen feestelijken intocht gehouden, toen zij de stad binnentrokken, want Cuchulain, de Hond van Ulster, leefde niet meer.
Het terugwinnen van de Tain.
De geschiedenis van de “Tain” of de Strooptocht om den Bruinen Stier van Quelgny was volgens de overlevering door niemand anders geschreven dan door Fergus mac Roy, maar het groote lied was langen tijd verloren. Men meende, dat het in Oghamletters geschreven was op houten stokken, die een bard, die ze in bezit had, medegenomen had naar Italië, vanwaar zij nooit terugkwamen.
Het terug winnen van de “Tain” is het onderwerp van een aantal legenden, die door Sir S. Ferguson in zijn “liederen van Westelijk Wales” zijn bijeengebracht in een gedicht, dat getuigt van een zoo helder inzicht in de geest der Galische mythen, dat wij het bij het weergeven van dit merkwaardig en schoone verhaal zooveel mogelijk op den voet zullen volgen. Het verhaal luidt, dat Sanchan Torpest, de voornaamste bard van Ierland, eens op een feest na het verlies van de “Tain” door den opperkoning Guary gehoond werd met het feit, dat hij niet in staat was het meest beroemde en het schitterendste der Galische gedichten voor te dragen. Dit tastte den bard in zijn eer, en hij besloot te trachten de verloren schat te herwinnen. Wijd en zijd door Erin en door Alba zocht hij naar sporen van het lied, maar hij kon niets anders dan verspreide stukken vinden. Hij zou zelfs door tooverkunsten den geest van Fergus hebben opgeroepen, om hem het lied te leeren, zelfs ten koste van zijn eigen leven—want dat zou, naar het schijnt, de prijs geweest zijn, die voor de tusschenkomst en de hulp van den doode geëischt werd—maar de plaats, waar Fergus was begraven en waar de tooverformulieren moesten worden opgezegd, kon niet worden ontdekt. Eindelijk zond Sanchan zijn zoon Murgen met diens jongeren broeder Eimena op reis naar Italië, om te trachten, daar het lot te ontdekken van het op stokken geschreven boek.
Beiden reisden nu in oostelijke en in westelijke richting over Erin, totdat Murgen na een langen tocht bij Loch Eïn niet verder kon. Zijn broeder ging toen alleen verder, na hem te hebben opgedragen, bij een rechtopstaande steen op zijn terugkomst te wachten.
Toen zag Murgen op de plaats waar hij leunde beneden aan de hoeken van den steenen pilaar letters in Oghamschrift. “Het is,” zeide hij, “een grafsteen, en die strepen bevatten waarschijnlijk den naam van den één of anderen krijgsman; kon ik de teekens maar ontcijferen.” Letter na letter spelde hij, totdat hij ontdekte, dat het opschrift luidde: “Hier is Fergus, de Zoon van Roy begraven.” Hoewel nu Murgen wist, welke straf er op stond, deed hij toch een beroep op Fergus, om medelijden te hebben met de droefheid van een zoon, en beloofde, als hij de “Tain” kon terugkrijgen, zijn leven te zullen offeren, zijn bloedverwanten en vrienden en de maagd, die hij liefhad, in den steek te zullen laten, opdat zijn vader niet zou worden beschimpt. Maar Fergus gaf geen teeken, en daarom deed hij op andere wijze nog eens een beroep op Fergus, en zeide: “Fergus, vrouwenliefde laat u nu onverschillig, voor kinderliefde, menschelijk instincten, zijt gij ongevoelig; maar als gij dan niet ter wille der liefde ontwaakt, doe het dan terwille van den zang. Gij waart de eerste, die de Galiërs de dichtkunst hebt gegeven; zij hebben tegenwoordig hun schoonste gaven verloren, doch laat het lied de eenige schat zijn, die hun in hun geboorteland is overgebleven.”
Fergus stond op; met hem stak ook een nevel op, zóó dik, dat toen Eimena terugkeerde, hij die nevel niet kon doorboren. Den geheelen nacht echter hoorde Murgen de liefelijke stem weerklinken, en hoorde hij het lied van de “Tain”. Bezield keerde hij naar Sancha terug; driemaal werd het geheele lied voorgedragen, totdat Murgen zijn trouwe geliefde opzocht en haar mededeelde, hoe hij zijn leven en zijn liefde voor haar had opgeofferd. De diep bedroefde maagd zegt hem, dat de onsterfelijke roem, dien de zanger deelachtig wordt, niet opweegt tegen één traan der geliefde.
Daarop zegt Sanchan, dat twee gouden bekers het loon zullen zijn van Murgen, als hij de woorden en de melodie van Tain-Bo-Cueilgne regel voor regel kan voordragen.
En zoo zong Murgen het heerlijke lied, door Fergus vervaardigd, over de mannen van Ulster en over Cuchulain en Conall van de Overwinningen en over Cuchulains makker Ferdia. Doch zie, daar kwam onder heftige donderslagen Fergus, de Zoon van Roy de zaal binnen, en eischte van den harpspeler het geëischte loon op. Plotseling veranderde Murgen in een stuk klei. “Leg hem,” zoo sprak Fergus, “op zijn lijkbaar naast mij, nooit zal een inhalige koning mij meer bespotten; slaven zullen Sanchan voor den gek houden; maar omdat de maagd voor haar droevig lot dient getroost te worden, komt haar het duur gekochte loon, de beide gouden bekers, toe.
Doch het meisje wilde van die bekers niets weten en liet ze in den oceaan werpen, ver uit het gezicht en de herinnering, en zij voegde er de vervloeking aan toe, dat de Tain-Bo met die bekers zou te gronde gaan, alsof die nooit was teruggevonden.
En zoo geschiedde het, dat het lied, dat eens ten koste van een zóó hoogen prijs was teruggevonden, bijna geheel is verloren gegaan, voordat het zelfs eenmaal volledig was gezongen.
De spookwagen van Cuchulain.
Cuchulain komt weer op indrukwekkende wijze ten tooneele in een latere legende van Christelijken oorsprong, die gevonden is in het “Boek der vale koe,” uit de twaalfde eeuw. Het verhaal luidt, dat hij door St. Patrick uit de Hel is opgeroepen, om de waarheden van het Christendom en de afgrijselijkheid der verdoemenis te bewijzen aan den heidenschen vorst, Laery mac Neill, den koning van Ierland. Laery staat met St. Benen, een metgezel van St. Patrick op de Vlakte van mac Indoc, als een ijzige stormvlaag hen bijna van de voeten rukt. Het is de wind van de Hel, nadat deze voor Cuchulain geopend is, zoo verklaart Benen. Daarop bedekt een dichte nevel de vlakte, en dadelijk wordt een groote tooverwagen met galoppeerende paarden, een schimmel en een zwart paard, door den nevel heen zichtbaar. Daarin zijn de beide beroemde personen Cuchulain en zijn wagenmenner gezeten, reusachtige figuren, gewapend met al den glans van den Galischen krijgsman.
Daarna spreekt Cuchulain met Laery, en dringt er bij hem op aan, “in God en den Heiligen Patrick te gelooven, want het is niet een booze geest, die tot u gekomen is, maar Chuchulain de zoon van Sualtam.” Om zijn identiteit te bewijzen, verhaalt hij zijn beroemde krijgsdaden en eindigt met een droevige beschrijving van zijn tegenwoordige toestand:
Hoeveel droefheid ik ook geleden heb, O Laery, te land en ter zee— Eén enkele nacht was nog veel erger, Als de booze geest toornig was! Hoe groot mijn heldenmoed ook was, Hoe stevig ook mijn zwaard, De duivel drukte mij met één vinger neder In de roode houtskool!”
Hij eindigt met St. Patrick te smeeken hem den hemel te doen beërven en de legende verteld dat zijn bede werd verhoord en dat Laery tot het Geloof kwam.
Dood van Conor mac Nessa.
Zeven jaar later zag Conor, dat de zon des middags werd verduisterd, en hij liet zijn Druïde komen, om hem de beteekenis van dit voorteeken te verklaren. De Druïde vertelt hem in een magische geestverrukking van een heuvel in een ver afgelegen land, waarop drie kruisen staan, aan elk waarvan een menschelijk gedaante was vastgespijkerd, en één van hen is als de Onsterfelijken. “Is hij een boosdoener?” vraagt Conor daarop. “Neen,” zegt de Druïde, “maar de Zoon van den levenden God,” en hij verhaalt de koning de geschiedenis van den dood van Christus. Conor barst in woede los, en na zijn zwaard getrokken te hebben, hakt hij op de eikeboomen in het heilige boschje los, en riep hij uit: “Zoo zou ik zijn vijanden behandelen,” maar door de opwinding en inspanning barstte de hersenbal uit zijn hoofd en hij valt dood neer. En zoo is de wraak van Mesgedra vervuld. Met Conor en met Cuchulain is de glorie van de Rooden Tak en de overmacht van Ulster verdwenen. De volgende cyclus van Iersche legenden, die van Ossian, voert weer verschillende karakters ten tooneele, een omgeving van een andere natuurgesteldheid en geheel verschillende levensidealen.
Ket en het everzwijn van mac Datho.
Ket, de kampioen van Connacht, wiens voornaamste krijgsdaad het verwonden van koning Conor te Ardnurchar was, komt ook voor in een zeer dramatisch verhaal, dat tot titel draagt “Het voorsnijden van het everzwijn van mac Datho”. De geschiedenis luidt aldus: Er woonde eens in de provincie Leinster een rijk, gastvrij heer, Mesroda genoemd, de zoon van Datho. Hij had twee bezittingen; en wel een hond, die harder liep dan eenige andere hond of eenig ander wild dier in Erin en een everzwijn, dat het mooiste en grootste was dat ooit door iemand was gezien.
De faam van dien hond was over het geheele land verspreid, en groot was het aantal vorsten en edelen, die hem wilden bezitten. Zoo kwam het, dat Conor, de koning van Ulster en Maev, de koningin van Connacht, boden naar mac Datho zonden met de vraag, hun den hond te verkoopen, en beide boden kwamen denzelfden dag aan de dūn van mac Datho. De bode uit Connacht zeide: “Wij zullen u in ruil voor den hond zeshonderd melkkoeien geven en een wagen met twee paarden, de beste, die in Connacht te vinden zijn, en een jaar later zult gij nog eens hetzelfde krijgen.” En de bode van koning Conor zeide: “Wij zullen niet minder dan Connacht geven en daarbij de vriendschap en het bondgenootschap met Ulster, en dat is meer voor u waard dan de vriendschap van Connacht.
Daarop verzonk Mesroda mac Datho in diepe stilte, en drie dagen lang weigerde hij te eten en te drinken, en des nachts kon hij niet slapen, maar woelde onrustig op zijn bed heen en weer. Zijn vrouw zag in welken toestand hij was, en sprak tot hem: “Gij hebt lang gevast, Mesroda, hoewel er overvloed van goed voedsel naast u staat, en des nachts draait gij uw gelaat tegen den muur, en ik weet zeer goed, dat gij niet slaapt. Wat is de reden van uw onrust?”
“Er is een spreuk,” antwoordde mac Datho, die luidt: “Vertrouw een knecht geen geld, en een vrouw geen geheim.”
“Wanneer zou een man met een vrouw spreken,” antwoordde zijn vrouw, “als hij het niet doet, als hij in moeilijkheden verkeerd? Wat uw geest niet kan oplossen, kan misschien die van een ander doen.”
Daarop vertelde mac Datho zijn vrouw van het verzoek om zijn hond zoowel van Ulster als van Connacht op hetzelfde oogenblik. “En wien van beiden ik het weiger, die zal mijn vee wegrooven en mijn mannen dooden.”
“Hoor dan naar mijn raad,” zeide de vrouw. “Geef hem aan beiden, en laten zij hem komen halen, en als er geplunderd moet worden, laat hen dan liever elkander plunderen; maar in geen geval moogt gij den hond houden.”
Mac Datho volgde dien wijzen raad, en noodigde de mannen van Ulster en Connacht uit op een groot feest op denzelfden dag, onder mededeeling, dat zij den hond daarna konden krijgen.
Zoo kwamen dan op den vastgestelden dag Conor van Ulster, en Maev, met hun gevolg van vorsten en aanzienlijken bijeen in de dūn van mac Datho. Daar zagen zij een groot feest aangericht, en mac Datho had als hoofdgerecht zijn beroemd everzwijn laten dooden, een dier van ontzaglijke grootte. De vraag kwam toen ter sprake, wien de eervolle taak zou worden opgedragen, het voor te snijden, en Bricriu van de Vergiftigde Tong stelde in overeenstemming met zijn strijdlustigen aard voor, dat de krijgslieden van Ulster en Connacht hun voornaamste krijgsdaden zouden vergelijken, en het voorsnijden van het everzwijn zouden opdragen aan hem, die zich het verdienstelijkst had gemaakt bij de gevechten, die steeds aan de grens van beide provincies werden geleverd. Na veel heen en weer praten en na veel beleedigingen gaat Ket, de zoon van Maga, over het everzwijn staan, met het mes in de hand, en daagt ieder der edelen van Ulster uit, hun dappere daden met de zijne te vergelijken. Een voor een staan zij op, Cuscrid de zoon van Conor, Keltchar, Moonremur, Laery de Zegevierder, en anderen—Cuchulain komt in dit verhaal niet ten tooneele—en bij ieder verhaal weet Ket de ééne of andere prikkelende mededeeling te doen van een ontmoeting, waarbij hij het er beter heeft afgebracht dan zij, en één voor één zetten zij zich beschaamd en zwijgend ter neder. Eindelijk wordt een kreet van welkom gehoord aan de deur der zaal en de mannen van Ulster heffen een gejubel aan. Conall van de Overwinningen is ten tooneele verschenen. Hij stapt naar het everzwijn, en Ket en zij groeten elkander met ridderlijke hoffelijkheid.
“En nu, welkom, O Conall, man van het ijzeren hart en het vurige bloed; scherp als het glanzende ijs, altijd overwinnend opperhoofd; heil u, machtige zoon van Finnchoom!” sprak Ket.
En Conall zeide: “Heil u, Ket, bloem der helden, heer der wagens, een stormende zee in den slag; een krachtige stier vol majesteit; heil u, zoon van Maga!”
“En nu,” vervolgde Conall, “sta op van uw plaats bij het everzwijn, en maak plaats voor mij.”
“Waarom!” antwoordde Ket.
“Zoekt gij met mij te strijden?” zeide Conall. “Gij zult uw zin hebben. Bij de goden van mijn volk zweer ik, dat ik sedert ik voor het eerst de wapenen ter hand nam, nooit één dag heb doorleefd, dat ik niet een man uit Connacht doodde, noch één nacht, dat ik niet een strooptocht tegen hen ondernam, en nooit heb ik geslapen, zonder het hoofd van een man uit Connacht onder mijn knie gehad te hebben.”
“Ik geef toe,” zeide daarop Ket, “dat gij een beter krijgsman zijt dan ik, en ik sta u het everzwijn af. Maar als mijn broeder Anluan hier was, zou hij iedere oorlogsdaad van u het hoofd bieden, en het is treurig en een schande, dat hij niet hier is.”
“Anluan is hier,” riep Conall uit, en daarbij wierp hij uit zijn gordelriem het hoofd van Anluan, en smeet het in het gezicht van Ket.
Daarop sprongen allen op en er ontstond een woest geschreeuw en rumoer en de zwaarden vlogen van zelf uit de scheeden, en de slag woedde in de zaal van mac Datho. Spoedig vlogen de troepen uit de deuren van de dūn en sloegen en doodden elkander in het open veld, totdat de troepen van Connacht op de vlucht gejaagd waren. De hond van mac Datho volgde den wagen van koning Ailell van Connacht totdat de wagenmenner zijn kop afsloeg, zoodat de oorzaak van den strijd door geen van beide partijen werd gewonnen, en mac Datho wel zijn hond verloor, maar zijn landen en zijn leven redde.
De dood van Ket.

Forbay en Koningin Maev
De dood van Maev.
Naar verhaald wordt, had de dappere en krijgszuchtige koningin acht en tachtig jaar in Connacht geregeerd. Zij is een treffend voorbeeld van de soort vrouwen, die de Galische barden zoo gaarne schilderen. Bescheidenheid en zachtheid waren volstrekt niet haar gewone karaktertrekken, maar eer een onstuimige, overvloeiende levenslust. Men vindt tallooze voorbeelden van oorlogvoerende vrouwen zooals Skatha en Aifa, en men herinnert zich de Gallische vrouwen, met haar krachtige sneeuwwitte armen, die het zoo gevaarlijk is te tarten, van wie de classieke schrijvers ons verhalen. De Gallische barden, die in zoo menig opzicht de voorloopers waren van de denkbeelden der ridderromantiek, plaatsten de vrouwen niet op een andere lijn dan de mannen. Vrouwen werden beoordeeld en behandeld als mannen, noch als slavinnen, noch als godinnen, en wij weten, dat zij zelfs nog in historische tijden met de mannen ten strijde trokken, een gebruik, dat eerst in de zesde eeuw eindigde.
Fergus mac Leda en het volk der dwergen.
Van die verhalen van den Cyclus van Ulster, die niet gegroepeerd zijn om de figuur van Cuchulain, is één der meest merkwaardige dat van Fergus mac Leda en den Koning van het volk der dwergen. In dit verhaal treedt Fergus op als koning van Ulster, maar daar hij een bondgenoot was van Conor mac Nessa, en bij den Strooptocht van Quelgny wordt voorgesteld als Conor in den oorlog te volgen, moeten wij besluiten, dat hij in werkelijkheid een onderkoning was, zooals Cuchulain of Owen van Ferney.

Koning Fergus en de Dwerg
Zoo vertrekt hij dus; en op een schoonen dag vinden dan ook koning Fergus en zijn edelen aan de poort van hun dūn een nietig kereltje, prachtig uitgedost in de kleederen van een koninklijken bard, die toegang vraagt. Hij wordt daar binnen gedragen op de hand van Aeda, den dwerg en bard van den koning, en nadat hij het hof heeft bekoord door zijn verstandige en geestige gezegden, na een rijke belooning te hebben ontvangen, die hij dadelijk verdeelt onder de dichters en andere hovelingen van Ulster, keert hij weer naar huis terug, waarbij hij als gast den dwerg Aeda medeneemt, voor wien het volk der dwergen vlucht als ware hij een reus uit “Fomoria,” hoewel de gemiddelde mannen van Ulster, zooals Eisirt uitlegt, hem als een kind kunnen dragen. Jubdan is nu overtuigd, maar Eisirt stelt hem onder geise, den band der ridderlijkheid waaraan geen Iersch opperhoofd zich kan onttrekken zonder schande te ondervinden, om evenals Eisirt gedaan heeft, naar het paleis van Fergus te gaan en de pap van den koning te proeven. Nadat Jubdan Aeda gezien heeft, is hij zeer ongerust, maar hij maakt zich gereed te gaan, en verzoekt Bebo, zijn vrouw, hem te vergezellen. “Gij deedt een slechte daad,” zoo sprak zij, “toen gij Eisirt liet gevangen nemen; maar er is ongetwijfeld niemand onder de zon, die u naar rede kan laten luisteren.”