Hoofdstuk VII: De reis van Maeldūn.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Naast de legenden die zich om groote heldhaftige namen ophoopen en het karakter van geschiedenis dragen, of althans beweren te dragen, zijn er vele andere, groote en kleine, die van avonturen vertellen die zich geheel bewegen in romantische sferen, buiten aardsche ruimte en tijd. Als een staal er van geef ik hier den korten inhoud van de “Reis van Maeldūn,” een zeer merkwaardig en schitterend werk van verdichting, voorkomend in het handschrift getiteld het “Boek van de Dun Koe” (omstreeks 1100) en andere oude bronnen, en uitgegeven met een vertaling (waaraan ik hier de volgende uittreksels ontleen) door dr. Whitley Stokes in de “Revue Celtique” van 1888 en 1889. Het is slechts een van de vele dergelijke wonderreizen die men in de oude Iersche literatuur aantreft, maar men denkt dat het de eerste van allen en een model voor de anderen is geweest, en het heeft de eer gehad—in den verkorten en gewijzigden vorm door Joyce gegeven in zijn “Oude Keltische Verhalen”—de stof te hebben geleverd voor de “Reis van Maeldune” aan Tennyson, die daarvan een verwonderlijke schepping heeft gemaakt van rythmus en kleur, een soort allegorie der Iersche geschiedenis vormend. Men zal aan het slot opmerken dat wij in het ongewone geval verkeeren dat wij den naam kennen van den auteur van dat stuk primitieve literatuur, hoewel hij geen aanspraak er op maakt de “Reis” te hebben samengesteld, maar alleen de gebeurtenissen er van te hebben “geordend.” Jammer genoeg kunnen wij niet zeggen wanneer hij leefde, maar het verhaal zooals wij het kennen, dateert vermoedelijk van de negende eeuw. De sfeer er van is zuiver christelijk en het heeft geen mythologische beteekenis dan voor zoover het leert, dat de duistere bevelen van waarzeggers moeten worden gehoorzaamd. Geen avontuur of zelfs bijzonderheid van gewicht is weggelaten in het volgend overzicht van het verhaal, dat aldus volledig wordt gegeven omdat de lezer het kan beschouwen als vertegenwoordigend een groot en belangrijk deel der Iersche legende-literatuur. Behalve de bron waaruit ik put, de “Revue Celtique,” is mij geen andere getrouwe Engelsche reproductie van dit verwonderlijk verhaal bekend.
De “Reis van Maeldūn” begint zooals Iersche verhalen vaak doen, met ons te vertellen hoe de held ter wereld kwam.

“Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is”
Daar was een beroemd man van de clan der Owens van Aran, genaamd Ailill van den Rand van den Slag, die zijn koning op een strooptocht vergezelde naar een ander gebied. Op zekeren nacht kampeerden zij bij een kerk en een nonnenklooster. Te middernacht zag Ailill, die zich bij de kerk bevond, een non uit het klooster komen om de klok te luiden voor het gebed en hij vatte haar bij de hand. In oud-Ierland werden godsdienstige personen in oorlogstijd niet bijster ontzien en Ailill ontzag de non niet. Toen zij scheidden, zeide zij tot hem: “Van welken stam zijt gij en wat is uw naam?” Daarop zeide de held: “Ailill van den Rand van den Slag is mijn naam en ik ben van de Owens van Aran, in Thomond.”
Niet lang daarna werd Aillil gedood door roovers uit Leix, die de kerk van Dooclone boven zijn graf verbrandden.
Op zijn tijd werd de non een zoon geboren en zij gaf hem den naam Maeldūn. Hij werd heimelijk gebracht naar haar vriendin, de koningin van het gebied, en deze bracht Maeldūn groot. “Hij was inderdaad welgemaakt en het is de vraag of er ooit iemand zoo schoon was als hij. Zoo groeide hij op, totdat hij geschikt was wapens te dragen. Hij was toen zeer levendig, vroolijk en dartel. Bij het spelen overtrof hij al zijn makkers in het werpen van ballen, in loopen en springen, werpen met steenen en narennen van paarden.”
Eens tergde hem een trotsche jonge krijgsman, dien hij had verslagen, omdat hij niets wist van zijn familie en afkomst. Maeldūn ging tot zijn pleegmoeder, de koningin, en zeide: “Ik zal niet eten of drinken vóór gij mij zegt wie mijn moeder en mijn vader zijn.” “Ik ben uw moeder”, zeide de koningin, “want geen vrouw had ooit haar zoon meer lief dan ik u lief heb”. Maar Maeldūn drong er op aan alles te weten en de koningin bracht hem ten slotte tot zijn eigen moeder, de non, die hem zeide: “Uw vader was Ailill van de Owens van Aran.” Toen ging Maeldūn naar zijn eigen familie, die hem goed ontving; en hij nam als gasten mee zijn drie geliefde pleegbroeders, zonen van den koning en de koningin die hem hadden groot gebracht.
“Wie was dat?” vroeg Maeldūn.
“Ailill, uw vader”, zeide men hem.
“Wie versloeg hem?”, vroeg hij.
“Roovers uit Leix”, zeiden zij, “en zij doodden hem op deze plaats.”
Op raad van een Druïde bouwde hij zich nu een boot, of visschersboot, van huiden driemaal over elkaar gewikkeld om een houten geraamte; en de waarzegger zeide hem ook dat zeventien mannen slechts hem moesten vergezellen, op welken dag hij moest beginnen met den bouw van de boot en op welken dag hij zee moest kiezen.
Toen zijn troep gereed was, stak hij van wal en heesch het zeil, maar hij had nog slechts een korten afstand afgelegd toen zijn drie pleegbroeders naar de baai kwamen en smeekten hen mee te nemen. “Gaat naar huis”, zeide Maeldūn, “want ik mag niet meer meenemen dan ik nu heb”. Maar de drie jongelingen wilden niet van Maeldūn scheiden en zij wierpen zich in zee. Hij keerde om, opdat zij niet zouden verdrinken en nam hen op in zijn boot. Zooals wij zullen zien, werden alle gestraft voor deze overtreding, en werd Maeldūn tot zwerven veroordeeld, totdat hij had geboet.
Iersche barden-verhalen munten uit in hun inzet. Zooals gewoonlijk is in dit geval de mise-en-scène bewonderenswaardig bedacht. Het nu volgend verhaal vertelt hoe, na op een eiland den man te hebben gezien die zijn vader doodde, maar niet in staat daar te landen, Maeldūn en zijn gezelschap in volle zee worden gedreven, en een groot aantal eilanden bezoeken, waarop zij vele vreemde avonturen hebben. Feitelijk wordt het verhaal een cento (reeks) van vertellingen en gebeurtenissen, sommige niet zeer belangwekkend, terwijl in andere, zooals het avontuur van het Eiland met den Zilveren Pijler, of het Eiland met den Brandenden Muur, of dat waarin de episode van den arend plaats heeft, het Keltische gevoel voor schoonheid, fantasie en mysterie op een in de literatuur misschien onovertroffen wijze tot uitdrukking komt.
In de hier volgende bewerking heb ik de verzen, die Joyce aan het slot van elk avontuur geeft, weggelaten. Zij recapituleeren slechts het proza-verhaal en worden niet gevonden bij de oudste handschrift-autoriteiten.
Het eiland van den moordenaar.
Maeldūn en zijn bemanning hadden den ganschen dag en den halven nacht geroeid, toen zij twee kleine naakte eilanden bereikten, met twee forten er op; men hoorde gewapende mannen twisten. “Blijf op een afstand van mij”, riep een hunner, “want ik ben meer dan gij. Ik was het die Ailill van den Rand van den Slag doodde en de kerk van Doocloone boven zijn graf verbrandde en geen bloedverwant heeft zijn dood op mij gewroken. En gij hebt nooit zoo iets gedaan”.
Het eiland met de mieren.
Zij dreven drie dagen en drie nachten, niet wetend waarheen te roeien, toen zij, bij het aanbreken van den derden dag het gedruisch van brekers hoorden en zoodra de zon was opgegaan bereikten zij een eiland. Hier, voor dat zij konden landen, ontmoetten zij een zwerm van roofgierige mieren, elk ter grootte van een veulen, die van het strand en in zee kwamen om hen te bereiken; zij maakten zich dus spoedig uit de voeten en zagen in drie dagen geen land.
Het eiland met de groote vogels.
Dit was een terrasvormig eiland, geheel door boomen omgeven en met groote vogels in de boomen. Maeldūn landde eerst alleen en doorzocht het eiland met zorg, zonder iets kwaads te vinden; de overigen volgden toen en doodden en aten vele van de vogels, terwijl zij andere op hun boot meenamen.
Het eiland met het woeste beest.
Dit was een groot zandig eiland, er was een beest op als een paard, maar met pooten als die van een hond. Het vloog op hen aan om hen te verslinden, maar zij gingen tijdig heen en werden door het beest met steenen van het strand geworpen toen zij weg roeiden.
Het eiland met de reuzenpaarden.
Het eiland met de steenen deur.
Een volle week ging voorbij en toen ontdekten zij een groot hoog eiland met een huis op het strand. Een deur met een steenen vleugel leidde naar de zee en de golven wierpen onophoudelijk zalmen er door heen in het huis. Maeldūn en zijn troep gingen binnen en vonden geen menschen in het huis; maar een groot bed lag gereed voor het hoofd aan wien het behoorde en een bed voor telkens drie van zijn mannen, en spijs en drank naast elk bed. Maldūn en zijn troep aten en dronken hun bekomst en vertrokken toen weer.
Het eiland met de appelen.
Toen zij daar waren gekomen, hadden zij geruimen tijd gereisd, en voedsel had hun ontbroken en zij waren hongerig. Dit eiland had steile kanten, waarvan bosschen afhingen; in het voorbijgaan langs de rotsen brak Maeldūn een tak af en hield die in de hand. Drie dagen en nachten zeilden zij langs de rotsen en vonden geen toegang tot het eiland, maar tegen dien tijd waren drie appels gegroeid aan het uiteinde van Maeldūn’s tak en aan elken appel had de bemanning voor veertig dagen genoeg.
Het eiland met het wonderbeest.
Dit eiland had een steenen omheining; daarbinnen rende een geweldig groot dier voortdurend om het eiland heen. En nu en dan ging het naar den top van het eiland en verrichtte dan een wonderbaarlijk feit: het draaide zijn lijf voortdurend om in zijn huid, die onbeweeglijk bleef, soms daarentegen draaide het de huid altijd door om het lijf. Toen het de mannen zag, snelde het op hen af, maar zij ontkwamen, al wegroeiend met steenen geworpen. Een van de steenen drong door Maeldūn’s schild en bleef zitten in de kiel van de boot.
Het eiland met de bijtende paarden.
Hier waren vele groote beesten op paarden gelijkend, die voortdurend stukken vleesch uit elkanders lijf scheurden, zoodat het eiland vol bloed lag. Zij roeiden ijlings weg, en zij waren nu ontmoedigd en treurig, want zij wisten niet waar zij zich bevonden, of hoe zij den weg en hulp zouden vinden.
Het eiland met de gloeiende zwijnen.
Zeer moede, hongerig en dorstig kwamen zij aan het tiende eiland, dat vol boomen was beladen met gouden appels. Onder de boomen liepen roode beesten, als gloeiende zwijnen, die met hun pooten tegen de boomen schopten; dan vielen de appels en de beesten verslonden die. De beesten kwamen alleen ’s morgens te voorschijn, als een aantal vogels het eiland verlieten, en zwommen in zee tot het negende uur, keerden dan om en zwommen terug tot zonsondergang en aten de appels den geheelen nacht door.
Maeldūn en zijn gezellen landden ’s nachts en voelden den bodem heet onder hun voeten van de gloeiende zwijnen in hun ondergrondsche holen. Zij verzamelden zooveel appels als zij maar konden, die goed waren zoowel voor den honger als voor den dorst, laadden die in hun boot en kozen opnieuw, verfrischt, zee.
Het eiland met de kleine kat.
De appels waren op toen zij hongerig en dorstig het elfde eiland bereikten. Dit was, als het ware, een hooge witte toren van kalk, die tot de wolken reikte, en op den wal er om heen stonden groote huizen wit als sneeuw. Zij traden het grootste er van binnen en vonden er geen mensch, maar een kleine kat spelend op steenen pilaren, die midden in het huis waren; zij sprong van den een naar den ander. Zij keek een beetje naar de Iersche krijgers, maar hield niet op met haar spel. Aan de wanden van het huis hingen drie rijen voorwerpen: een rij gouden en zilveren borstspelden en een van gouden en zilveren halskettingen, elk zoo dik als de hoepel van een vat, en een van groote zwaarden met gouden en zilveren gevesten. Dekens en schitterende gewaden lagen in het vertrek, en er was ook een gebraden os en een zijde spek en overvloed van drank. “Is dit voor ons achtergelaten?”, zeide Maeldūn tot de kat. Zij keek hem een oogenblik aan en zette toen haar spel voort. Toen aten en dronken zij en sliepen en bergden op wat er van het voedsel overbleef. Den volgenden dag, toen zij zich opmaakten om het huis te verlaten, nam de jongste van Maeldūn’s pleegbroeders een ketting van den wand en hij wilde die meenemen toen de kat eensklaps “als een vurige pijl door hem heen sprong” en hij viel als een hoop asch op den grond. Daarop bracht Maeldūn, die den diefstal van het kleinood had verboden, de kat tot bedaren en hing de ketting weer op, en zij strooiden de asch van den dooden jongeling op het strand en gingen weer op zee.

“De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen”
Het eiland met de zwarte en witte schapen.
Het eiland met het reuzenvee.
Een groot en uitgestrekt eiland met een kudde groote zwijnen. Zij doodden een klein varken en braadden het ter plaatse, omdat het te groot was om aan boord te nemen. Het eiland verhief zich tot een zeer hoogen berg en Druan en Germān gingen van den top er van het land bekijken. Op weg daarheen vonden zij een breede rivier. Om de diepte van het water te peilen dompelde Germān het handvat van zijn speer er in, dat dadelijk als door vloeibaar vuur werd verteerd. Aan den anderen oever was een groote man die een kudde bewaakte van wat ossen leken te zijn. Hij riep hun toe de kalveren niet te storen, zij gingen dus niet verder en zeilden snel weg.
Het eiland met den molen.
Hier vonden zij een groote, somber uitziende molen, waarin een reusachtige molenaar koren maalde. “De helft van het graan van uw land,” zeide hij, “wordt hier gemalen. Hier komt om te worden vermalen al wat de menschen elkander niet gunnen”. Zwaar en talrijk waren de ladingen die zij er heen zagen gaan en al wat in den molen was gemalen werd naar het westen weggevoerd. Zij kruisten zich en vertrokken.
Het eiland met de zwarte rouwdragers.
Een eiland vol zwarte menschen die voortdurend schreiden en jammerden. Een van de twee nog overgebleven pleegbroeders van Maeldūn landde er, werd onmiddellijk zwart en begon te schreien als de overigen. Twee anderen gingen hem halen; hun trof hetzelfde lot. Toen gingen weer anderen, de hoofden met doeken omwonden, opdat zij het land niet zouden zien en de lucht niet inademen, en zij grepen de twee vermisten en voerden die met geweld mee, maar niet den pleegbroeder. De twee geredden konden hun gedrag alleen verklaren door te zeggen dat zij moesten doen, zooals zij anderen om zich heen zagen doen.
Het eiland met de vier heggen.
Vier heggen van goud, zilver, koper en kristal verdeelden dat eiland in vier deelen: in het eene waren koningen, in het andere koninginnen, in het derde krijgslieden, in het vierde jonge maagden. Toen zij landden gaf een maagd hun voedsel, dat op kaas geleek en dat ieder man smaakte zooals hij dat wenschte, en een bedwelmenden drank, die hen drie dagen in slaap bracht. Toen zij ontwaakten waren zij op hun boot in zee, en van het eiland en zijn bewoners was niets te zien.
Het eiland met de glazen brug.

“Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting”
“Ik heet u welkom, o Maeldūn,” zeide zij en zij verwelkomde elk van de bemanning bij zijn eigen naam. Toen nam ze hen mede naar het groote huis, wees den hoofdman een bed aan, en verder een bed voor telkens drie man. Zij gaf hun overvloed van spijs en drank, alles uit haar eenen emmer, en elk man vond daarin wat hij begeerde. Toen zij was heengegaan, vroegen zij Maeldūn of zij de maagd voor hem zouden trachten te winnen. “Hoe zou het u kwaad kunnen met haar te spreken?” zeide Maeldūn. Zij doen aldus en zij antwoordt: “Ik weet niet, en heb ook nooit geweten wat zonde is.” Dit herhaalt zij tweemaal. “Morgen,” zegt zij ten slotte, “zult gij antwoord hebben.” Maar als de morgen komt, bevinden zij zich wederom op zee zonder een spoor van eiland, of sterkte, of vrouw.
Het eiland met de schreeuwende vogels.
Zij hooren van verre groot geschreeuw en zingen, als van psalmen, en na een dag en nacht roeien komen zij eindelijk aan een eiland, vol met zwarte, bruine en gespikkelde vogels, die alle schreeuwen en praten. Zij zeilen weg zonder te landen.
Het eiland van den kluizenaar.
Het eiland met de wonderfontein.
Dit eiland heeft een gouden wal en een zachten witten grond, dons gelijk. Zij vonden daar weer een kluizenaar, alleen in zijn haar gekleed. Er was een fontein, die Vrijdag en Woensdag wei of water, Zondag en op verjaardagen van martelaren melk, op verjaardagen van de Apostelen, Maria en Johannes den Dooper en op de dagen van hoog water ale en wijn geeft.
Het eiland met de smidse.
Toen zij dit naderden, hoorden zij uit de verte als het ware het geraas van een geweldige smidse en hoorden zij menschen over hen zelf spreken. “Het schijnen kleine jongens”, zeide een, “ginds, in een kleine trog”. Zij roeiden haastig weg, maar wendden de boot niet, om niet den schijn op zich te laden van te vluchten; maar een poosje daarna kwam een reusachtige smid uit de smederij, die in zijn tang een groot blok gloeiend ijzer hield, dat hij hun achterna wierp, en de geheele zee er om heen kookte, toen het achter hun boot viel.
De zee van zuiver glas.
Hierop roeiden zij totdat zij op een zee kwamen, die op groen glas geleek. Zoo zuiver was het dat de steenen en het zand der zee duidelijk er door heen zichtbaar waren; en zij zagen geen monsters of beesten bij de klippen, maar alleen de schoone kiezels en het groene zand. Zij voeren een groot deel van den dag op die zee en groot was haar glans en haar schoonheid.
Het eiland onder de zee.8
Daarna bevonden zij zich op een zee, dun als mist, die hun boot niet scheen te kunnen dragen. Zij zagen in de diepten vestingen met daken, en een mooi land er om heen. Een monsterachtig beest huisde daar in een boom met kudden vee er om en er onder een gewapend krijgsman. Ten spijt van den krijgsman strekte het beest nu en dan zijn langen nek omlaag, greep een van de kudde en verslond het. Zeer bevreesd door deze zee te zinken zeilden zij er over heen weg.
Het eiland der voorspelling.
Toen zij daar aankwamen vonden zij het water tot hooge rotsen er om heen en toen zij omlaag keken zagen zij een menigte menschen op het eiland, die tegen hen schreeuwden: “Zij zijn het, zij zijn het”, totdat zij buiten adem waren. Toen kwam een vrouw die hen van beneden met groote noten wierp, die zij verzamelden en meenamen. Toen zij vertrokken hoorden zij de menschen elkander toeschreeuwen: “Waar zijn ze nu?” “Zij zijn heengegaan.” “Dat is niet waar.” “Vermoedelijk”, zegt het verhaal, “was er iemand van wien de eilandbewoners een voorspelling hadden dat hij hun land zou verwoesten en hen er uit verjagen.”
Het eiland met het spuitend water.
Hier spoot een groote stroom uit den eenen kant van het eiland en welfde er over heen als een regenboog, op het strand aan den anderen kant neerstortend. En toen zij hun speren staken in den stroom boven hen, haalden zij zooveel zalmen er uit als zij maar wilden en het eiland was vol van den stank van de zalmen die zij niet konden meenemen.
Het eiland met de zilveren zuil.
Het volgende wonder dat zij ontmoetten vormt een van de merkwaardigste en meest fantastische episoden van de reis. Het was een groote viervlakkige zilveren zuil, uit de zee oprijzend. Elk van de vier kanten was zoo breed als twee roeislagen van de boot. Er was geen zode aarde aan den voet, de kolom rees uit den onmetelijken oceaan op en de top ging schuil in de lucht. Van dien top af werd een groot zilver net ver weg in zee geworpen en door een maas van dat net zeilden zij heen. Toen zij dat deden hakte Diuran een stuk van het net af. “Verniel het niet,” zeide Maeldūn, “want hetgeen we zien is het werk van machtige mannen.” Diuran zeide: “Ik doe dit ter eere van God’s naam, opdat ons verhaal geloof vinde, en als ik weer in Ierland kom, zal ik dit stuk zilver op het hooge altaar van Armagh offeren.” Het woog twee-en-een-half ons toen het later in Armagh werd gewogen.
“En toen hoorden zij een stem van den top van gindsche zuil, machtig, helder en duidelijk. Maar zij kenden de taal niet die zij sprak, of de woorden die zij uitbracht.”
Het eiland met het voetstuk.
Het volgend eiland stond op een voet of voetstuk, dat uit de zee oprees, en zij konden geen toegang er toe vinden. In het onderste gedeelte van het voetstuk was een deur, die dicht en gesloten was, die zij niet konden open krijgen; en zij zeilden weg zonder iemand te hebben gezien en gesproken.
Het eiland van de vrouwen.
Hier vonden zij den wal van een geweldige burcht, waarin een woning stond. Zij landden om er naar te kijken en zetten zich op een heuveltje in de nabijheid. Binnen de burcht zagen zij zeventien meisjes bezig een groot bad gereed te maken. Weldra daarna kwam een rijk gekleed ruiter op een renpaard aanzetten, hij steeg af en ging naar binnen, terwijl een van de meisjes voor het paard zorgde. Toen ging de ruiter in het bad en zij zagen dat het een vrouw was. Kort daarop kwam een der meisjes naar buiten en noodigde hen binnen te komen, zeggend: “De Koningin noodigt u.” Ze gingen de burcht binnen en baadden en zetten zich aan tafel, elke man met een meisje tegenover zich en Maeldūn tegenover de koningin. En Maeldūn trouwde met de koningin en elk der meisjes met een zijner mannen, en toen het nacht werd kreeg elk een kamer met een baldakijn. Den volgenden morgen maakten zij zich gereed tot de afreis, maar de koningin wilde niet dat zij zouden vertrekken en zeide: “Blijft hier, dan zult gij nooit door ouderdom worden bezocht, maar ten eeuwigen dage blijven zooals gij nu zijt en wat ge den vorigen nacht hadt, zult ge altijd hebben. En niet langer van het eene eiland naar het andere zwerven op den oceaan.”
Zij vertelde toen aan Maeldūn, dat zij de moeder was van de zeventien meisjes die zij gezien hadden en haar gemaal was koning van het eiland geweest. Hij was nu dood en zij regeerde in zijn plaats. Elken dag ging zij naar de groote vlakte in het binnenland van het eiland om recht te spreken en zij keerde dan ’s avonds naar de burcht terug.
Zoo bleven zij daar drie wintermaanden, maar toen die om waren leek het hun dat het drie jaren waren geweest en de mannen kregen er genoeg van en verlangden naar hun eigen land te vertrekken.
“Wat zullen wij daar vinden, dat beter is dan dit?” zeide Maeldūn.
Maar de mannen bleven morren en klagen en ten slotte zeiden zij: “Groot is de liefde van Maeldūn voor deze vrouw. Laat hij alleen achterblijven als hij dat wil, maar wij willen gaan naar ons eigen land.” Maeldūn echter wilde niet achtergelaten worden en op zekeren dag toen de koningin weg was om recht te spreken scheepten zij zich in en voeren weg. Zij waren echter nog niet ver toen de koningin kwam aanrijden met een kluwen touw in de hand, dat zij hun achterna wierp. Maeldūn ving het op en het bleef zich aan zijn hand hechten, zoodat hij zich niet los kon maken en de koningin, die het andere einde van het kluwen vasthield, trok hen terug aan land. En zij bleven nog drie maanden op het eiland.
Nog tweemaal gebeurde hetzelfde en ten slotte beweerden de mannen dat Maeldūn met opzet het kluwen vasthield, zoo groot was zijn liefde voor de vrouw. Den volgenden keer ving dan ook een ander man het kluwen op, maar het bleef zich als te voren (bij Maeldūn) aan zijn hand hechten; Diuran kapte daarop de hand af, die met het kluwen in zee viel. “Toen zij dat zag begon zij te jammeren en te schreeuwen, zoodat men over het geheele land niets hoorde dan gejammer en geschreeuw”. En aldus ontkwamen zij uit het eiland van de vrouwen.
Het eiland met de roode bessen.
Op dit eiland waren boomen met groote roode bessen, die een dronkenmakend en slaapwekkend sap gaven. Zij vermengden het met water om de werking ervan te verzwakken, vulden hun vaten er mee en zeilden weg.
Het eiland met den arend.
Een groot eiland, met bosschen van eiken en taxis aan den eenen kant, en aan den anderen een vlakte, waarop kudden schapen, en een klein meer er in; en zij vonden daar ook een kleine kerk en een fort en een ouden grijzen geestelijke, alleen door zijn haar gedekt. Maeldūn vroeg hem wie hij was.
“Ik ben de vijftiende van de monniken van St. Brennan van Birr”, zeide hij. “Wij gingen onzen pelgrimstocht op zee maken en zij stierven allen, behalve ik”. Hij liet hun het tafeltje (? kalender) van den Heiligen Brennan zien en zij knielden er voor en Maeldūn kuste het. Zij bleven daar een seizoen, levende van de schapen op het eiland.
Eens zagen zij uit het zuidwesten iets opdagen wat een wolk scheen te zijn. Toen het nader kwam echter, zagen zij het wuiven van wieken en merkten zij dat het een reusachtige vogel was. Hij kwam op het eiland en zeer moede neerstrijkend op een heuvel bij het meer begon hij de roode bessen te eten, druiven gelijk, die groeiden op een boomtak, zoo groot als een volwassen eik, die hij had meegebracht, en het sap en stukken van de bessen vielen in het meer, al het water rood kleurend. Vreezend dat hij hen met zijn klauwen zou grijpen en hen naar zee dragen, verscholen zij zich in de bosschen en hielden zij den vogel in het oog. Na een poosje evenwel ging Maeldūn naar den voet van den heuvel, maar de vogel deed hem geen kwaad en toen volgden de anderen behoedzaam achter hun schilden en een hunner plukte bessen van den tak dien de vogel in zijn klauwen hield, maar hij deed hem geen kwaad en keek heelemaal niet naar hem. En zij zagen dat hij heel oud was en zijn pluimage dof en vergaan.
Toen zeide Diuran: “Laat ons in dit meer baden en ons verjongen waar de vogel verjongd werd.” “Neen,” zeide een der anderen, “want de vogel heeft zijn venijn daarin achter gelaten”. Maar Diuran sprong er in en dronk van het water. Van dat oogenblik af, bleven zijn oogen zoolang hij leefde sterk en helder, geen tand viel uit zijn kaak, geen haar van zijn hoofd en hij wist nooit wat ziekte of gebrekkigheid was.
Hierop namen zij afscheid van den kluizenaar en begaven zij zich andermaal op zee.
Het eiland met de lachende menschen.
Het eiland met den wal van vlammen.
Zij kwamen nu in het gezicht van een eiland dat niet groot was en het had een wal van vlammen die voortdurend een kring er om vormden. Er was een opening in een deel van den wal en wanneer zij die opening tegenover zich kregen, zagen zij het geheele eiland er door heen en zij zagen de bewoners, mannen en vrouwen, vele en schoone, die versierde gewaden droegen, met gouden vaten in de handen. En de feestmuziek die zij maakten drong tot de ooren der reizigers. Zij vertoefden daar geruimen tijd, sloegen dit wonder gade, “en zij vonden het verrukkelijk te aanschouwen.”
Het eiland van den monnik van Tory.
In de verte tusschen de golven zagen zij wat zij voor een witten vogel op het water hielden. Naderbij komend merkten zij dat het een oud man was, met zijn grijs haar tot eenige bedekking; hij knielde telkens ootmoedig op een breede rots.
“Eens toen ik een graf dolf om een lijfeigene te begraven die op het eiland was gebracht, klonk een stem van beneden, waar een heilig man begraven lag, die sprak: “Leg niet het lijk van een zondaar op mij, een heilig vroom persoon!”
Na een woordenwisseling begroef de monnik het lijk ergens anders en hem werd een eeuwigdurende belooning daarvoor beloofd. Niet lang daarna ging hij op zee met een boot, waarin al zijn schatten waren bijeengebracht, vermoedelijk met het plan met zijn buit van het eiland te vluchten. Een sterke wind dreef hem ver in zee en toen hij geen land meer zag, hield de boot op een zekere plaats stil. Hij zag dicht bij zich een man (engel) op een golf zitten. “Waar gaat ge heen?” zeide de man. “Op een prettige reis, ik kijk nu uit”, zeide de monnik. “Ge zoudt het niet prettig vinden, als ge wist wat om u heen is”, zeide de man. “Zoover als ge zien kunt zijt ge door een troep demonen omringd, wegens uw hebzucht en trots, en diefstal en andere slechte daden. Uw boot heeft stil gehouden en zal ook niet verdergaan tenzij gij mij gehoorzaamt, en de vlammen van de hel zullen u bereiken.”
Hij naderde de boot en legde zijn hand op den arm van den vluchteling, die beloofde hem te gehoorzamen.
“Werp in zee”, sprak hij, “al de schatten die in uw boot zijn.”
“Het is jammer,” zeide de monnik, “dat zij verloren zouden gaan.”
“Zij zullen volstrekt niet verloren gaan. Er zal iemand zijn, dien ge daarmee zult helpen.”
Daarop wierp de monnik alles in zee, op een kleinen houten beker na, en hij smeet riemen en roer weg. De man gaf hem een voorraad wei en zeven koeken en gelastte hem te blijven daar waar zijn boot zou stil houden. De wind en de golven dreven hem hier en daar, tot dat ten slotte de boot tot rust kwam op de rots waar de zwervers hem vonden. Er was daar niets dan de kale rots, maar gedachtig aan hetgeen hem was gelast, stapte hij op een smallen uitstekenden rand, die door de golven werd omspoeld, en de boot verliet hem onmiddellijk en de rots werd breeder voor hem. Daar bleef hij zeven jaren, gevoed door otters die hem zalm brachten uit de zee en zelfs brandend hout om ze te koken en zijn beker werd dagelijks met goeden drank gevuld. “En geen vocht, of hitte, of koude deert mij op deze plaats.”
Op het middaguur werd wonderbaarlijk voedsel voor de geheele bemanning gebracht, en toen zeide de oude tot hen:
“Ge zult allen uw land bereiken, en de man die uw vader doodde, o Maeldūn, ge zult hem vinden in een burcht voor u. En dood hem niet, maar vergeef hem; omdat God u van vele groote gevaren heeft gered, en ook gij mannen zijt die den dood verdient.”
Toen zeiden zij hem vaarwel en gingen hun gewonen weg.
Het eiland met den valk.
Dit is niet bewoond en er zijn alleen kudden schapen en ossen. Zij landen daar en eten hun bekomst, en een van hen ziet een grooten valk. “Deze valk,” zegt hij, “gelijkt op de valken van Ierland.” “Houd hem in het oog,” zegt Maeldūn, “en zie hoe hij van ons gaat.” Hij vloog naar het zuidoosten en zij roeiden hem den geheelen dag na totdat het avond werd.
De thuiskomst.
Toen het nacht werd kregen zij een land in het gezicht als Ierland; en weldra bereikten zij een klein eiland, waar zij met hun prauw strandden. Het was het eiland waar de man woonde die Ailill had gedood.
Zij gingen naar de burcht op het eiland en hoorden daar binnen mannen met elkander praten, terwijl zij aan den maaltijd zaten. Een man zeide:
“Het zou ons slecht bekomen, als we nu Maeldūn ontmoetten.”
“Die Maeldūn is verdronken,” zeide een ander.
“Misschien is hij het die u van nacht uit den slaap zal wekken,” zeide een derde.
“Wat zouden wij doen, als hij nu kwam?” zeide een vierde.
“Dat is niet moeilijk te beantwoorden,” zeide hun hoofd. “Hartelijk zou hij worden verwelkomd als hij kwam, want hij heeft langen tijd in groote moeilijkheden verkeerd.”
Toen sloeg Maeldūn met den houten klopper op de deur. “Wie is daar?” vroeg de deurwachter.
“Maeldūn is hier,” zeide hij.

Het offer van Diuran den Rijmer
Toen ging Maeldūn naar zijn eigen huis en familie en Diuran de Rijmer nam het stuk zilver mee, dat hij had gehakt uit het net van de zuil en legde het neer op het hoog altaar van Armagh in triumf en gejuich over de wonderen die God aan hen had verricht. En zij vertelden nog eens de geschiedenis van al hun wedervaren, al de wonderen die zij hadden gezien te land en te zee, en de gevaren die zij hadden geloopen.
Het verhaal eindigt met de volgende woorden: