Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster. (continued 2)
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Zoo vertrekken zij dan, en het tooverpaard van Jubdan draagt hen over de zee, totdat zij Ulster bereiken en tegen middernacht staan zij voor het paleis van den koning. “Laat ons de pap eten, zooals wij verplicht zijn,” zegt Bebo, en vóór het aanbreken van den dag weer vertrekken”. Zij dringen heimelijk naar binnen en vinden den pot met pap, tot welks rand Jubdan alleen maar kan reiken als hij boven op zijn paard gaat staan. Toen hij zich voorover boog om de pap te bereiken, verliest hij het evenwicht en valt in den pot. Hij blijft in de dikke pap vastzitten, en de waschmeiden van Fergus vinden hem bij het aanbreken van den dag, terwijl de trouwe Bebo luide weeklaagt. Zij dragen hem naar Fergus, die verbaasd is, dat hij een andere dwerg, en dat wel met een vrouwelijke dwerg in zijn paleis vindt. Hij ontvangt hen gastvrij, maar weigert elk verzoek om ze te laten terugkeeren. Het verhaal deelt nu in een geest, Rabelais waardig, verschillende avonturen mede, waarin Bebo betrokken is, en geeft een aardig gedicht weer, dat door Jubdan zou zijn uitgesproken in den vorm van raadgevingen aan de vrouw die in het paleis van Fergus belast is met de bezorging van het vuur, omtrent de voordeelen van het branden van verschillende soorten hout. Hier volgen enkele uittreksels:
“Verbrand niet den zoeten appelboom met neerhangende takken, met witte bloesems, naar wiens sierlijken kruin iedereen de hand uitstrekt.”
“Verbrand niet den edelen wilg, het onfeilbare sieraad der gedichten; bijen drinken van zijn bloesems, allen verheugen zich in de sierlijke tent.”
“Den fijnen, luchtige boom der Druïden, met zijn bessen, dien moet gij branden; maar vermijd den zachten boom, verbrand niet den slanken hazelaar.”
“Verbrand niet den esschenboom met zijn zwarte kop—hout, dat het wiel aandrijft, dat den ruiter zijn zweep verschaft; de esschenhouten speer is de maatstok van den strijd.”
Eindelijk kwamen de dwergen in groote menigte om te verzoeken, Jubdan los te laten. Toen de koning dit weigerde, bezochten zij het land met verschillende rampen. Zoo sneden zij de korenaren af; lieten de kalveren alle koeien droog zuigen, bezoedelden de bronnen en dergelijke; maar Fergus was verstokt. In hun hoedanigheid van aardgoden, dei terreni, beloven zij te zullen zorgen, dat de vlakten vóór het paleis van Fergus ieder jaar dik met koren zullen staan, zonder dat zij behoeven te ploegen of te zaaien, maar alles is vergeefs. Eindelijk stemt Fergus er in toe, Jubdan uit te leveren tegen de beste zijner tooverschatten, waarop Jubdan ze één voor een opsomt—de ketel, die nooit leeg wordt, de harp, die vanzelf speelt, en ten slotte maakt hij melding van een paar waterschoenen, waarmede ieder, die ze aantrekt even goed over of onder het water kan loopen als op het droge. Fergus kiest de schoenen en Jubdan wordt losgelaten.
De misvorming van Fergus.
Maar het is voor een sterveling moeilijk, het van de tooverwereld te winnen—een trek van verborgen moedwil is in toovergiften geborgen, en dit bleek ook nu weder. Fergus had er nooit genoeg van, de diepten der meren en rivieren van Ierland te onderzoeken; maar op zekeren dag kwam hij in Loch Rury een vreeselijk monster tegen, de Muirdris of het rivierpaard, dat dit meer bewoonde, en dat hij nauwelijks kon ontkomen door naar den oever te ontvluchten. Door den schrik bij die ontmoeting was zijn gezicht geheel scheefgetrokken; maar daar een misvormd man in Ierland niet kon regeeren, stelden zijn koningen en edelen onder verschillende voorwendsels, alles in het werk, alle spiegels uit het paleis verwijderd te houden, en zorgden zij er voor, dat hij geen kennis kreeg van den toestand, waarin hij verkeerde. Op zekeren dag echter wierp hij een roede naar een dienstmeid wegens de eene of andere nalatigheid, waarop de meid verontwaardigd uitriep: “Het ware beter voor u, Fergus, als gij u wreektet op het rivierpaard, dat uw gezicht heeft verdraaid, dan dappere daden tegenover vrouwen te verrichten!” Fergus beval hem een spiegel te brengen, en bekeek zich daarin. “Het is waar”, zeide hij, “dit heeft het rivierpaard van Loch Rury gedaan.”
De dood van Fergus.
Daarop trok Fergus de tooverschoenen aan, nam zijn zwaard in de hand en ging naar Loch Rury. Een geheelen dag en nacht bleef hij onder de golven buiten het gezicht, maar al de mannen van Ulster, die aan den oever stonden, zagen het meer koken en rood worden door zijn bloed. Toen bij het aanbreken van den dageraad ook de lucht rood werd, verrees hij—en in zijn hand hield hij den kop van Muirdris. De misvorming was verdwenen! Op zijn bevallig gelaat had iedere trek weer symmetrisch zijn plaats ingenomen; en allen die hem zagen ontdekten weer in zijn geheele gezicht de koninklijke rust, breed en kalm. Hij glimlachte, wierp de tropee op den oever, en sprak “mannen van Ulster, ik heb overwonnen”! daarna verzonk hij in de diepte.
Dit schoone verhaal is door Standish Hayes O’Grady in zijn “Silva Gadelica” uitgegeven. De luimige behandeling van het tooverelement in de geschiedenis zou er op wijzen, dat het behoort tot een latere periode der Iersche legenden, maar het tragische en edele slot wijst er onmiskenbaar op, dat het paste in de bardenliteratuur van Ulster, en het valt binnen dezelfde orde van denkbeelden, als de verhalen van Cuchulain, en is zelfs misschien uit dezelfde periode afkomstig.