Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.
De Koningen en helden van het ras der Zonen van Miled vullen nu den voorgrond van het tooneel in de legendarische geschiedenis van Ierland. Maar, zooals wij hebben aangetoond, de godheden uit het Volk van Dana zijn nog volstrekt niet vergeten. Het tooverland, waarin zij vertoeven is gewoonlijk voor stervelingen niet toegankelijk, maar toch is het altijd dicht bij de hand; de onzichtbare slagboomen kunnen door sterfelijke menschen overschreden worden, en dit geschiedt dan ook dikwijls, terwijl ook het Volk van Dana zelf dikwijls daaruit te voorschijn treden; stervelingen kunnen zich bruiden uit het Tooverland winnen, die hen na een tijd geheimzinnig weer verlaten, en vrouwen brengen roemrijke kinderen ter wereld, verwekt door bovennatuurlijke vaders. En toch, wat ook het Volk van Dana moge geweest zijn in de oorspronkelijke vóór-Christelijke opvattingen der Iersche Kelten, het zou onjuist zijn te meenen, dat zij in de legenden, zooals deze thans tot ons gekomen zijn, te voorschijn treden in het licht van goden, zooals wij dien naam opvatten. Voor het meerendeel zijn zij schitterend schoon, zij zijn (met enkele beperkingen) onsterfelijk, en zij oefenen geheimzinnige machten van tooverij en bezweringen uit. Maar geen enkele wijze van zedelijk bestuur der wereld wordt hun zelfs een enkel oogenblik toegeschreven, en evenmin wordt hun (in de litteratuur der barden) op eenigerlei wijze godsdienstige vereering gebracht. Zij sterven nooit een natuurlijken dood, maar zij kunnen door elkander en ook door stervelingen gedood worden, en over het geheel genomen is het ras der stervelingen het sterkste. Hun kracht ligt, als zij (wat dikwijls gebeurt) met menschen in strijd geraken in krijgslisten en misleiding; als de strijd eerlijk kan worden uitgevochten tusschen de beide vijandige machten, is het de mensch die overwint. De oude koningen en helden uit het ras van Miled worden dan ook dikwijls voorgesteld als zóó zeer begiftigd met bovennatuurlijke macht, dat het onmogelijk is in dit opzicht een duidelijke scheidingslijn te trekken tusschen hen en het Volk van Dana. De laatsten, zooals zij in de bardenlitteratuur naar voren treden, zijn veel edeler en meer verheven wezens, dan de toovergestalten, waarin zij ten slotte in de volksverbeelding ontaardden; men kan zeggen, dat zij een plaats innamen, gelegen tusschen deze en de Grieksche godheden, zooals die in Homerus geteekend zijn. Maar zoowel in Ierland als daarbuiten schijnen de Kelten niet die poëtische personificaties hunner idealen van macht en schoonheid te hebben vereerd, maar veeleer de elementaire krachten, voorgesteld door werkelijke natuurverschijnselen—rotsen, rivieren, de zon, den wind, de zee. De krachtigste eed was die, waarbij men zwoer bij den Wind en de Zon, of een andere natuurkracht inriep; geen naam eener Dana-godheid komt voor in een Iersche eedsformule. Toen echter in de latere perioden der bardenlitteratuur, en nog meer in de populaire voorstellingen, de Dana-godheden waren begonnen af te dalen tot een soort van tooverwezens vinden wij dat een karaktertrek naar voren kwam, die waarschijnlijk ouder was dan die, welke hun in de letterkunde wordt toegekend, en die in zeker opzicht verhevener is. In de letterkunde waren zij blijkbaar oorspronkelijk vertegenwoordigers van wetenschap en poëzie—de verstandelijke vermogens van den mensch. Maar in den geest van het volk vertegenwoordigden zij, waarschijnlijk ten allen tijde en zeker in latere Christelijke tijden, niet verstandelijke vermogens, maar die, welke in verband stonden met de vruchtbaarheid der aarde. Zij waren, zooals een plaats in het Boek van Armagh hen noemt, dei terreni, aardgoden, en werden, en worden nog door de landbouwende bevolking aangeroepen om vermeerderde opbrengst en vruchtbaarheid te schenken. De litterarische opvatting omtrent hen is blijkbaar in oorsprong Druïdisch, terwijl de andere de populaire is; en de populaire en ongetwijfeld oudere opvatting is de meest duurzame gebleken.
Maar die karaktertrekken der Iersche mythologie zullen beter naar voren komen in de vertellingen zelf dan in haar critische behandeling; wij zullen dan ook tot de vertellingen terugkeeren.
De vestiging der Milesiërs in Ierland.
Tiernmas en Crom Cruach.
Ollav Fōla.
De beroemdste Ollav van Ierland was tevens koning, en wel de bekende Ollav Fōla, die, naar verhaald wordt, ook achttiende koning was van Eremon af gerekend en zou geleefd hebben omstreeks 1000 v.C. Hij was de Lycurgus of Solon van Ierland, daar hij het land een wetgeving schonk; tevens verdeelde hij het land onder den Opperkoning te Tara onder de provinciale hoofden, aan ieder van wie zijn eigen rechten en verplichtingen werden toegekend. Aan Ollav Fōla moet ook de stichting eener instelling worden toegeschreven, die wat ook haar oorsprong moge zijn, in Ierland van groot gewicht was—het groote driejaarlijksche Feest te Tara, waar de onderkoningen en opperhoofden, geschiedschrijvers, barden en muziekspelers uit alle deelen van Ierland bijeenkwamen om de geslachtsregisters op te maken van de opperhoofden der clans, om wetten vast te stellen, rechtsgedingen te behandelen, de erfopvolging te regelen, en zoo voort; al die politieke en wetgevende werkzaamheden werden opgeluisterd door gezang en feesten. Het was een onwrikbare wet, dat in dien tijd alle vijandschappen moesten worden op zijde gezet; niemand mocht zijn hand tegen een ander opheffen, of zelfs een rechtsgeding beginnen terwijl de Bijeenkomst te Tara gehouden werd. Ollav Fōla werd beschouwd als de traditioneele stichter van al die politieke en nationale instellingen, op dezelfde wijze als Goban de Smid werd beschouwd als de stichter van kunsten en ambachten en Amergin van de poëzie. Maar het is moeilijk te zeggen, of er aan het bestaan van den Milesischen koning eenige vastere historische grondslag verbonden was dan aan de andere blijkbaar meer mythische personen. Men beweert, dat hij begraven is in den grooten grafheuvel te Loughcrew, in Westmeath.
Kimbay en de stichting van Emain Macha.
“De vijf zonen van Dithorba, vluchtten, nadat zij uit Ulster verdreven waren, den Shannon over en spanden in het westen van het koninkrijk tegen Macha samen. Daarop ging de koningin alleen naar Connacht, waar zij de broeders in het bosch aantrof. Deze, vermoeid van de jacht, braadden een wild zwijn, dat zij gedood hadden, en hielden een drinkgelag voor een vuur, dat zij hadden aangestoken. Zij verscheen in haar meest barsche gedaante, als de godin van den oorlog, rood over het geheele gelaat, vreeselijk en afschuwelijk als de oorlog zelf, maar met heldere en schitterende oogen. De broeders werden één voor één in vlam gezet door haar onheilspellende schoonheid, en één voor één overmeesterde en bond zij hen. Daarna tilde zij hen op haar rug en keerde naar het noorden terug. Met de pen van haar doekspeld zette zij op de vlakte den omtrek der stad Emain Macha uit, waarvan de wallen en de grachten werden gemaakt door de gevangen prinsen, die als slaven onder haar bevelen werkten.”

Macha meet den omtrek der Stad uit
Macha is een voorbeeld van de vermenging der attributen van het Volk van Dana met het menschenras, waarover ik reeds heb gesproken.
Laery en Covac.
Legenden over Maon, den zoon van Ailill.
Hij deed echter een onbeschaamde daad jegens een zoon van Ailill, Maon genaamd, over wien een aantal legenden bekend zijn. Maon werd als kind in de tegenwoordigheid van Covac gebracht, en werd daar, zooals Keating zegt, gedwongen een stuk van het hart van zijn vader en van zijn grootvader te eten en evenzoo een muis met haar jong. Het kind verloor de spraak door de walging, die het overviel, en Covac liet hem vrij, toen hij zag, dat het stom, en dus onschadelijk was. Het werd toen naar Munster, naar het koninkrijk Feramorc gebracht, waarover Scoriath koning was, en daar bleef de jongen eenigen tijd, maar ging later naar Gallië, het land van zijn overgrootmoeder Kesair, waar zijn lijfwacht den koning vertelde dat hij de erfgenaam was van den Ierschen troon; daarom werd hij met groote eer behandeld en groeide tot een edel jongeling op. Maar hij liet in het hart van Moriath, de dochter van den koning van Feramorc, een hartstocht achter, die niet tot bedaren kon worden gebracht, en zij besloot, hem naar Ierland te doen terugkeeren. Daarom begiftigde zij den harpspeler van haar vader, Craftiny, met een aantal rijke geschenken, en schreef voor hem een minnedicht, waarin haar hartstocht voor Maon werd blootgelegd, en waarbij Craftiny een betooverende melodie schreef. Toen Craftiny in Frankrijk was gekomen, begaf hij zich naar het hof van den koning, en vond daar gelegenheid zijn lied aan Maon voor te dragen. Deze was zoozeer onder den indruk van de schoonheid en den hartstocht van het lied, dat hij zijn spraak terugkreeg en het lied hemelhoog verhief: na dat oogenblik was hij niet stom meer. De koning van Gallië rustte toen voor hem een gewapende macht uit en zond hem naar Ierland om zijn koninkrijk te heroveren. Toen Maon vernam, dat Covac in een nabijgelegen plaats was, Dinzigh genaamd, deed hij met zijn leger van Galliërs een plotselingen aanval op hem en doodde hem met al zijn edelen en zijn lijfwacht. Na de slachting vroeg een Druïde uit Covacs troepen één der Galliërs, wie hun aanvoerder was. “De Zeeman” (Loingseach), antwoordde de Galliër, daarmede bedoelende den bevelhebber der vloot, Maon. “Kan hij spreken?” vroeg de Druïde, die de waarheid begon te vermoeden. “Ja zeker, kan hij spreken” (Labraidh), zeide de man, en van dat oogenblik af had Maon, den zoon van Ailill, den naam gekregen van “Labra de Zeeman,” en was hij onder geen anderen naam bekend. Daarna zocht hij Moriath op, huwde haar, en regeerde tien jaar over Ierland.

“De eerste boom was een wilg”
Een eigenaardig verhaal wordt medegedeeld omtrent Labra den Zeeman na zijn troonsbestijging. Hij liet zich slechts eens in het jaar het haar knippen, en de man, die dit moest doen, werd door het lot aangewezen en onmiddellijk daarna ter dood gebracht. De reden daarvan was, dat hij, evenals koning Midas in de soortgelijke Grieksche mythe, lange ooren had als die van een paard, en hij dit gebrek niet bekend wilde hebben. Eens echter geschiedde het, dat de man, die was aangewezen om zijn haar te knippen, de eenige zoon was van een arme weduwe, door wier tranen en smeekingen de koning bewogen werd hem het leven te schenken, op voorwaarde dat hij bij den Wind en de Zon zou zweren, dat hij niemand zou vertellen wat hij zag. De eed werd afgenomen en de jonge man keerde naar zijn moeder terug. Maar langzamerhand knaagde het geheim zóózeer aan zijn geest, dat hij door een ziekte werd overvallen, en op het punt was te sterven, toen een wijze Druïde ontboden werd om hem te genezen. “Hij sterft aan een geheim”, zeide de Druïde, “en hij zal niet genezen, voordat hij het openbaart. Laat hem daarom den straatweg langs gaan, totdat hij komt op een plaats, waar vier wegen samenkomen. Laat hem dan rechts afslaan, en het geheim vertellen aan den eersten boom, dien hij op den weg ziet staan, dan zal hij er van verlost zijn en herstellen.” Dit deed de jonge man, en het bleek, dat de eerste boom een wilg was. Hij hield zijn lip dicht tegen den bast, fluisterde daar het geheim tegen aan, en ging toen opgewekt als van ouds naar huis. Doch het ongeluk wilde, dat de harpspeler Craftiny kort daarna zijn harp brak en een nieuwe noodig had, en nu wilde het toeval, dat de eerste boom, dien hij vond, en die voor zijn doel geschikt was, de wilg was, die het geheim van den koning bezat. Hij hakte dien om, maakte daar zijn harp van en vervulde zijn taak dien avond als gewoonlijk in de koningszaal; doch tot verbazing der verzamelde gasten, hoorden zij, zoodra de harpspeler de snaren aanraakte, dat de harp de woorden deed weerklinken, “Labra de Zeeman heeft twee paardenooren.” Toen de koning bemerkte, dat zijn geheim bekend was, trok hij zijn kap van het hoofd en vertoonde zich zooals hij was; en na dien tijd werd niemand meer ter dood gebracht. Wij hebben vroeger gezien, dat de werking van de muziek van Craftiny de stomheid van Labra had genezen. Zoo ziet men hoe het denkbeeld van iets tooverachtigs in de muziek, alsof bovennatuurlijke krachten daarin spreken, in de Iersche legenden veel voorkomt.
De cyclus van legenden van Conary Mōr.
Etain in het tooverland.
De inleidende gebeurtenissen van den cyclus hebben plaats in het “Land der Jeugd”, het mystieke land van het Volk van Dana, nadat zij door de kinderen van Miled van hun macht zijn beroofd. Midir, de trotsche zoon van den Dagda, een vorst uit het Volk van Dana, had een vrouw, Fuamnach genaamd. Na eenigen tijd nam hij een tweede vrouw, Etain, wier schoonheid en bevalligheid met niets te vergelijken was, zoodat de uitdrukking “zoo schoon als Etain” een spreekwoordelijke vergelijking werd voor iedere schoonheid, die iedere andere maat overtrof. Daarom was dan ook Fuamnach jaloersch op haar mededingster, en na haar door tooverkunsten in een vlinder te hebben veranderd, wekte zij een storm op, die haar uit het paleis verdreef en haar gedurende zeven jaar over de lengte en breedte van Erin heendreef. Ten slotte echter voerde haar een windvlaag toevallig door een venster van het tooverpaleis van Angus aan de Boyne. De onsterfelijken kunnen niet voor elkander verborgen blijven, en Angus wist wie zij was. Daar hij niet in staat was haar uit de betoovering van Fuamnach te verlossen, maakte hij een zonnig priëel voor haar, waar omheen hij alle soorten van prachtige, met honig beladen bloemen plaatste, waar zij op leefde zoolang zij bij hem was, terwijl hij haar in de verborgenheid van den nacht haar oude gedaante teruggaf, en van haar liefde genoot. Eindelijk echter werd haar schuilplaats door Fuamnach ontdekt; weer daalde de tooverstorm op haar neer en dreef haar weg; en nu overviel haar een merkwaardig lot. Toen zij in het paleis van een opperhoofd uit Ulster, Etar, gedreven was, viel zij in den drinkbeker van de vrouw van Etar, juist op het oogenblik dat deze op het punt was te drinken. Zij werd met den overigen inhoud van het glas ingeslikt, en werd, daar zij in den moederschoot van de vrouw van Etar was opgenomen, geboren als een schijnbaar sterfelijk kind, en groeide tot een bloeiende maagd op, zonder iets van haar waren aard en haar afstamming te weten.
Eochy en Etain.
De koning dong naar haar hand, maakte haar tot zijn vrouw, en bracht haar mede naar Tara.
De liefdesgeschiedenis van Ailill.
Etain gaat den broeder bezoeken en vraagt naar de oorzaak van zijn ziekte; hij spreekt tot haar in raadselen, maar ten slotte ten gevolge van haar teederheid zich niet meer kunnende bedwingen, barst hij los in een bekentenis van zijn hartstocht. Zijn beschrijving van het smachtend verlangen eener hopelooze liefde is een lyrisch gedicht van buitengewone hevigheid. “Zij is meer gesloten dan de huid”, roept hij uit, “zij is als een strijd tegen een spook, zij overstroomt als een vloed, zij is een wapen onder de zee, zij is een hartstocht voor een echo”. Met “een wapen onder de zee” bedoelt de dichter, dat de liefde gelijkt op één der geheime schatten van het toovervolk in het koninkrijk van Mananan—even prachtig en even onbereikbaar.
Etain is nu in groote verlegenheid; maar zij komt tot het besluit, met een zekere naïeve goedhartigheid, hoewel zij volstrekt niet verliefd is op Ailill, dat zij iemand niet kan zien sterven van verlangen naar haar, en zij belooft, de zijne te zullen zijn. Misschien moeten wij dit zóó opvatten, dat zij door haar feeënaard bewogen werd, niet wetende wat goed of kwaad was, maar alleen gevoelig voor genot en lijden. Wij moeten erkennen, dat in de Iersche mythen in het algemeen, die “feeën” opvatting van zedelijkheid, zooals wij die kunnen noemen, zoowel onder het volk van Dana als onder de stervelingen in het algemeen overheerschend is—beiden maken den indruk van zedelijk niet verantwoordelijk te zijn.
Etain maakt nu een afspraak met Ailill, om hem te ontmoeten in een huis buiten Tara—want zij wil niet doen, wat zij haar “roemrijke misdaad” noemt, in het paleis van den koning. Maar den avond vóór den afgesproken dag valt Ailill in een diepen slaap en verzuimt de afspraak. Doch een ander, in zijn gedaante gehuld, komt bij Etain, maar alleen, om koel en medelijdend over zijn ziekte te spreken, en vertrekt weder. Als de twee elkander weer ontmoeten, is de toestand geheel gewijzigd. In zijn tooverslaap is de onheilige hartstocht van Ailill voor de koningin volkomen uitgeroeid. Etain van haar kant, komt tot de overtuiging, dat er achter de zichtbare gebeurtenissen mysteriën verborgen zijn, die zij niet begrijpt.
Midir de trotsche.
De verklaring volgt spoedig. Het wezen, dat bij haar gekomen was in de gedaante van Ailill, was haar vroegere echtgenoot, Midir de trotsche. Hij komt nu naar haar dingen in zijn ware gedaante, wonderschoon en schitterend uitgedost, en dringt er bij haar op aan, met hem te vluchten naar het Land der Jeugd, waar zij van nu af aan veilig kan zijn, daar haar vijandin, Fuamnach, dood is. Hij was het geweest, die den tooverslaap had uitgesproken over de oogen van Ailill. De beschrijving van het tooverland, waarheen hij haar wil voeren, wordt door hem gegeven in verzen van groote schoonheid.
Het land der jeugd.
“O blondgelokte vrouw, wilt gij met mij mede gaan naar het wonderland, vol muziek, waar het haar geel is als sleutelbloemen en het lichaam wit als sneeuw?
Daar spreekt niemand van het “mijne” of het “uwe”—wit zijn de tanden, en zwart de wenkbrauwen; de oogen glinsteren met licht van verschillende kleuren, en de tinten van het vingerhoedskruid zijn op iedere wang.
Heerlijk voor het oog zijn de vlakten van Erin, maar in vergelijking met de groote vlakten zijn zij een woestijn.
Koppig is het bier van Erin, maar koppiger is het bier der groote vlakte.
Eén der wonderen van dat land is, dat de jeugd niet in ouderdom verandert.
Effen en kalm zijn de rivieren, die er doorheen stroomen; meede en wijnen van iedere soort zijn er in overvloed; daar zijn alle namen schoon, zonder smet; daar baren de vrouwen zonder zonde.
Wij zien in alle richtingen om ons heen, en niemand ziet ons; de wolk van Adams zonde houdt ons voor hun blikken verborgen.
Wij hebben deze merkwaardige lyrische poëzie in haar geheel gegeven, omdat zij, hoewel daarin duidelijk christelijke en ascetische denkbeelden te herkennen zijn, over het geheel de heidensche en mythische opvatting van het Land der Jeugd, het rijk der dooden, voorstelt.
Etain is echter volstrekt niet bereid met een vreemdeling mede te gaan en den opperkoning te verlaten voor een man “zonder naam of stamboom”. Midir zegt haar wie hij is, en vertelt haar tevens haar geheele geschiedenis, waarvan zij in haar tegenwoordige incarnatie niets weet; en hij voegt daaraan toe, dat zij duizend en twaalf jaar na haar geboorte in het Land der Jeugd als een sterfelijk kind herboren is uit de vrouw van Etar. Ten slotte stemt Etain er in toe met Midir naar haar oude woonplaats terug te keeren, doch alleen op voorwaarde, dat de koning in hun scheiding zal toestemmen; daarmede moet Midir zich voorloopig tevreden stellen.
Een partij schaak.
“Gij kunt nu uw prijs bepalen”, zeide Eochy.
“Als ik het gewild had, zou ik reeds lang den prijs gewonnen hebben”.
“Wat wilt gij van mij?”, vroeg Eochy.
“Dat ik Etain in mijn armen mag houden en een kus van haar mag krijgen”, zeide Midir.
De koning zweeg een oogenblik, en zeide daarna: “Gij kunt heden over een maand hier komen, en u zal toegestaan worden, wat gij verlangt”.

Midir en Etain
Midir en Etain.
Eochy was op kwaad bedacht, en toen de vastgestelde dag was aangebroken, liet hij het paleis van Tara omringen door een grooten troep gewapende mannen, om Midir buiten te sluiten. Dit was echter vergeefsch; terwijl de koning aan den feestmaaltijd zat, en Etain den wijn rondschonk, stond Midir, schitterender dan ooit te voren, plotseling in hun midden. Terwijl hij zijn speren in de linkerhand hield, sloeg hij de rechterhand om Etain, en het paar steeg licht in de lucht en verdween door een dakraam van het paleis. Woedend en ontsteld renden de koning en zijn krijgslieden buiten de deur, maar het eenige wat zij konden zien, waren twee witte zwanen, die in kringen boven het paleis vlogen en die daarna in een lange, regelmatige vlucht naar den tooverberg, Slievenamon, vlogen. En zoo keerde koningin Etain naar haar verwanten terug.
Oorlog met het tooverland.
Maar Eochy wilde niet in zijn nederlaag berusten, en daarop volgt wat naar onze meening, sedert de eerste verdrijving van het volk van Dana, de oudste oorlog met het tooverland is, waarvan wordt melding gemaakt. Nadat hij te vergeefs Ierland doorzocht had, om zijn vrouw te vinden, ontbood hij den Druïde Dalan, om hem te helpen. Dalan trachtte een jaar lang, op alle mogelijke wijzen, die hij in zijn macht had, te ontdekken, waar zij was. Ten slotte paste hij een toovermiddel toe, dat bijzondere kracht moest hebben—“hij maakte drie tooverroeden van taxishout, en op de roeden schreef hij een ogham; en door de sleutels der wijsheid, die hij bezat, en door de ogham, werd hem geopenbaard, dat Etain in den tooverheuvel van Bri-Leith was, en dat Midir haar daarheen had gebracht”.
Daarop verzamelde Eochy zijn troepen om den tooverheuvel, waar het paleis van Midir gelegen was, te bestormen en te verwoesten. Het verhaal loopt, dat hij negen jaar lang den éénen heuvel na den anderen afgroef, terwijl Midir en de zijnen de verwoesting even snel herstelden als zij was aangericht. Ten slotte verzon Midir, in zijn laatste vesting teruggedreven, een krijgslist—hij bood aan, Etain af te staan, en zond haar met vijftig dienstmaagden naar den koning, maar maakte, dat zij allen zóózeer op elkander geleken, dat Eochy de ware Etain er niet uit kon ontdekken. Doch, zoo luidt het verhaal, zij zelf gaf hem een teeken, waaraan hij haar kon herkennen. De inhoud van het verhaal, waarbij Etain de sterveling boven den God verkiest, herinnert aan de schoone Hindoe-legende van Damayanti en Nala. Eochy kreeg zijn koningin terug, die met hem samenleefde tot aan zijn dood, die tien jaar later plaats greep, en deze schonk hem één dochter, die naar haar, Etain werd genoemd.
De vertelling van Conary Mōr.
Van die laatste Etain stamde de groote koning Conary Mōr af, die in de Iersche legenden schittert als het hoogste type van koninklijke glans, macht en weldadigheid, en wiens overweldiging en dood door het volk van Dana werden beraamd als wraakneming voor de verwoesting hunner heilige verblijfplaatsen door Eochy. De vertelling, waarin de dood van Conary wordt verhaald, is één der oudste en in opzet meest barbaarsche van alle Iersche legenden, maar het heeft een schoonheid en verbeeldingskracht, die door geen andere legende kan worden geëvenaard. Het verhaal van Etain en Midir kan worden beschouwd als een inleiding, (door de Ieren priomscel genoemd), voor dit groote verhaal, welke inleiding den meer verwijderden oorsprong der verhaalde gebeurtenissen doet zien. De afstamming van Conary Mōr zal den lezer in staat stellen, den samenhang der gebeurtenissen beter te begrijpen.

De wet van de Geis.
Het verhaal van Conary brengt ons voor het eerst in aanraking met de wet of de instelling van de geis, die van nu af aan een zeer belangrijke rol speelt in de Iersche legenden, waar het schenden of het inachtnemen van een geis dikwijls een keerpunt is in een tragisch verhaal. Wij moeten dus een oogenblik hierbij stilstaan en trachten den lezer nauwkeurig te verklaren, wat die eigenaardige instelling was.
De pleegdochter van den Koeherder.
Uit vrees, dat men haar zal ontdekken, houden de koeherders het meisje in een huis van vlechtwerk, waarin slechts één opening in het dak is. Maar één van de onderdanen van Eterskel klimt uit nieuwsgierigheid op het dak, kijkt naar binnen en ziet daar het schoonste meisje uit Ierland. Hij bericht dit den koning, die beveelt, dat een opening in den muur moet worden gemaakt, en het meisje moet worden weggehaald, daar de koning kinderloos was, en hen door zijn Druïden was voorspeld, dat een vrouw van een onbekend ras hem een zoon zou schenken. Daarop zeide de koning: “Dit is de vrouw, die mij voorspeld is.”

“Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af”
Afstamming en geboorte van Conary.
Voordat zij echter bevrijd was, wordt zij bezocht door een bewoner van het Land der Jeugd. Een groote vogel komt daar het dakvenster binnen. Op den vloer der hut vallen zijn vogelveeren af en doet hij zich kennen als een prachtigen jongeling. Evenals Danaë, evenals Leda, evenals Ethlinn, de dochter van Balor, schenkt zij den god haar liefde. Voordat zij scheiden, vertelt hij haar, dat zij naar den koning zal worden gebracht, maar dat zij haar minnaar uit het Land van Dana een zoon zal schenken, die Conary zal heeten, en wien het verboden zal zijn op de vogels jacht te maken.
Zoo werd Conary geboren, die opgroeide tot een verstandigen en edele jongeling, en opgevoed werd ten huize van een aanzienlijk man, Desa, wiens drie achterkleinzoons te gelijk met hem van kindsbeen af werden groot gebracht. Zij heetten Ferlee, Fergar en Ferrogan; en Conary, hield, zooals verhaald wordt, veel van hen, en leerde hun zijn wijsheid.
Conary de Opperkoning.
Toen stierf koning Eterskel en moest een opvolger aangesteld worden. In Ierland had de oudste zoon geen recht op den troon of op het hoofdschap, maar de bekwaamste en de beste der familie werd door de clan op eigenaardige wijze gekozen. In deze geschiedenis hebben wij een merkwaardig verhaal, hoe die verkiezing door waarzeggerij plaats vindt. Een “stierenfeest” werd gevierd—dat wil zeggen, een stier werd geslacht, en de waarzegger moest “zich zat eten en drinken”; daarna ging hij naar bed, waar een betoovering over hem werd gezongen, die hem dwong de waarheid te zeggen. Wien hij in zijn droom zag, zou koning worden. Zoo dronk te Aegira, in Achaea, zooals Whitley Stokes opmerkt, de Aardpriesteres het versche bloed van een stier voordat zij in het hol afdaalde om te profeteeren. De droomer riep in zijn slaap, dat hij iemand naakt naar Tara zag gaan met een steen in zijn slinger.
Het stierenfeest werd te Tara gevierd, maar Conary speelde in dien tijd met zijn pleegbroeders op de Vlakten van Liffey. Zij gingen uit elkander, terwijl Conary naar Dublin ging, waar hij een zwerm groote vogels vóór zich zag, schitterend van kleur en schoonheid. Hij joeg ze in zijn wagen achterna, maar de vogels gingen steeds een speerworp voor hem uit, daalden neder en vlogen verder, zoodat hij ze, voordat zij de zeekust bereikten, niet kon inhalen. Daarna steeg hij uit zijn wagen en nam zijn slinger om ze te treffen, doch plotseling veranderden zij in gewapende mannen, en gingen met speren en zwaarden op hem af. Doch één van hen beschermde hem, en zeide: “Ik ben Nemglan, de koning der vogels van uw vader; en u is verboden naar de vogels te werpen, want er is geen enkele onder, die u niet verwant is.” “Tot heden,” zeide Conary, “wist ik daar niets van.”
“Ga vannacht naar Tara,” zeide Nemglan; het stierenfeest wordt daar gevierd, en daardoor zult gij koning worden. Een spiernaakt man, die tegen het einde van den nacht langs één der wegen naar Tara zal gaan, die een steen en een slinger heeft,—die zal koning worden.
Daarom trok Conary zijn kleeren uit, en ging des nachts naakt naar Tara, waar alle wegen bewaakt werden door hoofden, die koninklijke kleeren bij zich hadden, om hem te kleeden, die in overeenstemming met de voorspelling zou komen. Zoodra Conary hen bereikte, kleedden zij hem en brachten hem naar binnen, waarna hij tot koning van Erin wordt uitgeroepen.
De geise van Conary.
Hier volgt een lange lijst van zijn geise, welke hem zoo luidt het verhaal, door Nemglan zijn gegeven. “De regeering der vogels zal edel zijn,” zoo sprak hij, “en dit zullen uw geise zijn:
Daarna aanvaardde Conary de regeering, die zich kenmerkte door de schoone jaargetijden en de rijke oogsten, die altijd in den geest der Ieren samenvielen met de regeering van een goeden koning. Vreemde schepen kwamen in de havens, Iederen herfst was er overvloed van eikels tot voeding der varkens; de rivieren wemelden van visch. “Tijdens zijn regeering doodde niemand een ander in Erin en voor iedereen in Erin scheen de stem van zijn makker even liefelijk als de snaren van luiten. Van het midden van de lente tot het midden van den herfst bewoog geen windje den staart van een koe.
Begin der wraak.
Doch er kwam stoornis uit een andere bron. Conary had alle plundering en roof onderdrukt, en zijn drie pleegbroeders, die geboren roovers waren, namen hem dat kwalijk. Vol trots en eigenzinnigheid zetten zij hun slechte gewoonten voort, en werden ten slotte gevangen genomen, terwijl hun handen rood van bloed waren. Conary wilde hen niet ter dood veroordeelen, zooals het volk hem verzocht, maar spaarde hen ter wille van hun pleegbroederschap. Zij werden echter uit Erin verbannen, en hun werd gezegd, dat, als zij dan toch wilden rooven, zij het dan maar over zee moesten doen. Op zee ontmoetten zij een ander verbannen hoofd, Ingcel den Eenoogige, den zoon van den koning van Brittannië, en terwijl zij zich met dezen vereenigden, vielen zij de vesting aan, waarin de vader, de moeder en de broeders van Ingcel toen juist als gasten aanwezig waren, en allen werden in één nacht gedood. Toen was het de beurt van Ingcel om hun hulp in te roepen, ten einde het land van Erin te plunderen, en na een troep van andere vogelvrij verklaarden bijeengebracht te hebben, waartoe de zeven Manes, de zonen van Ailell en Maev van Connacht behoorden, behalve Ferlee, Fergar en Ferrogan, deden zij een inval in Ierland, waarbij zij aan land stegen aan de kust van Dublin, bij Howth.
Intusschen was Conary door de listen van het Volk van Dana verlokt, om één voor één al zijn geise te breken. Hij legt een twist bij tusschen twee van zijn ondergeschikten in Munster, en toen zij terugreisden naar Tara, zien zij, dat het land rondom verlicht is door de flikkering van vuur en in wolken van rook gehuld. Zooals zij meenden, plunderde een troep uit het noorden het land, en om daaraan te ontkomen, moet de troep van Conary rechts om Tara en links om de vlakte van Bregia heen draaien. Maar de rook en de vlammen waren een zinsbedrog, door het Toovervolk veroorzaakt, dat nu de strikken steviger om den veroordeelden koning heenhaalt. Op zijn tocht voorbij Bregia maakt hij jacht op de “booze dieren van Cerna”—wie zij ook waren—“maar hij merkte het niet, voordat de jacht geëindigd was.”
De pleisterplaats van Da Derga en de Drie Rooden.

Conary in de Netten van het Toovervolk
Verzameling der gasten.
Van nu af aan neemt het verhaal van Conary Mōr het karakter aan van bovennatuurlijke ontzaglijkheid en geheimzinnigheid, waarbij als het ware de verbeelding van den bard toeneemt naarmate de crisis nadert. De nacht is gevallen en de rooverbende van Ingcel is gekampeerd op de oevers der Baai van Dublin. Zij hooren het geraas van den koninklijken stoet, en een bode met een bijzonder goed gezicht wordt uitgezonden, om te onderzoeken wat dat beteekent. Hij brengt tot antwoord de mededeeling, dat een schitterende en talrijke menigte Conary naar de pleisterplaats heeft gevolgd. Men hoort een eigenaardig krakend geluid. Ingcel vraagt Ferrogan wat dit kan zijn—het blijkt veroorzaakt te zijn door een reuzenkrijgsman mac Cecht, die met een vuursteen op staal slaat, om voor het feest van den koning vuur te maken. “God geve, dat Conary daar van nacht niet is”, roepen de zonen van Desa; “Wee hem, als hij in de macht van zijn vijanden is gevallen.” Maar Ingcel herinnert hen aan hun overeenkomst—hij had hen zijn eigen vader en broeders ter plundering overgegeven; zij kunnen dus niet weigeren, hem te helpen bij den aanval, dien hij tegen Conary in de woning van Da Derga beraamt. Een flikkering van het vuur, door Mac Cecht ontstoken wordt nu door den troep roovers gezien, terwijl het schijnt tusschen de wielen der wagens, die geplaatst zijn langs de open deuren der woning. Weer was één der geise van Conary gebroken.
Ingcel en zijn bende richten nu een grooten steenhoop op, waarbij ieder één steen aandraagt, opdat er een herinnering aan het gevecht overblijve, en tevens een middel om te weten, hoeveel van hen sneuvelen, daar ieder overlevende zijn eigen steen weer weghaalt.
De Morrigan.
Het tooneel verplaatst zich nu naar de pleisterplaats van Da Derga, waar de vrienden van den koning gekomen zijn en zich voor den nacht gereed maken. Een eenzame vrouw komt aan de deur en verzoekt te worden toegelaten. “Ieder van haar scheenen waren zoo lang als een weversboom, en zij waren zoo donker als de rug van een vliegend hert. Zij droeg een grijsachtigen wollen mantel. Het haar reikte haar tot de knieën. Haar mond was verdraaid naar één kant van haar hoofd.” Zij was de Morrigan, bij het Volk van Dana de godin van Dood en Vernietiging. Zij leunde tegen den deurpost van het huis en zag boosaardig op den koning en zijn gezellen neer. Conary zeide, “vrouw, als gij een tooverheks zijt, wat ziet gij dan voor ons?” “Ik zie voor u” antwoordde zij, “dat noch vel, noch vleesch van u zal ontkomen uit de plaats, waarin gij gekomen zijt, behalve wat vogels in hun klauwen zullen wegdragen.” Zij vraagt toegelaten te worden. Conary zegt, dat zijn geis hem verbiedt, een eenzamen man of een eenzame vrouw na zonsondergang binnen te laten. “Indien de koning inderdaad geen plaats heeft in zijn huis, om een eenzame vrouw een maaltijd of een te bed te geven, zal zij dit wel zonder hem krijgen van iemand, die edelmoediger is.” “Laat haar dan maar binnen komen,” zegt Conary, hoewel het een geis van mij is.
Conary en zijn gevolg.
Nu volgt een langen en schitterende beschrijving, hoe Ingcel den stand van zaken in de woning gaat bespieden. Terwijl hij door de wielen der wagens kijkt, let hij op alles wat hij ziet en geeft aan de zonen van Desa een beschrijving van het uiterlijk en de uitrusting van iederen vorst en iederen aanzienlijke in het gevolg van Conary, terwijl Ferrogan en zijn broeder dan vertellen wie het is, en hoe hij in het aanstaande gevecht verderf zal aanbrengen. Daar is Cormac, de zoon van Comor, de koning van Ulster, de schoone en goede; daar zijn drie ontzaglijke, zwarte en in het zwart gekleede krijgslieden der Picten; daar is de rentmeester van Conary, met overeind staand haar, die iederen twist beslecht—men kan een speld hooren vallen als hij zijn stem verheft om te spreken, en de dienststaf, dien hij draagt, heeft de groote van een molenwiek; daar is de krijgsman mac Cecht, die op zijn rug ligt met opgetrokken knieën—deze gelijken op twee kale heuvels, zijn oogen zijn als meren, zijn neus een bergtop, zijn zwaard schittert als een rivier in de zon. Daar zijn ook de drie zonen van Conary, goudgelokt, met zijden kleeren, door het geheele dienstpersoneel bemind, met “manieren als volwassen meisjes, met harten als broeders, met den moed van beren”. Als Ferrogan over hen hoort spreken, weent hij en kan hij niet verder gaan voordat verscheidene nachtelijke uren voorbij zijn. Drie gijzelaars der Fomoriërs met een afschuwelijk uiterlijk zijn daar ook; en Conall van de Overwinningen met zijn bloedrood schild; en Duftach van Ulster met zijn tooverspeer, die zoodra er een strijd aanstaande is, in een brouwsel van slaapverwekkende kruiden moet gehouden worden, daar zij anders aan haar greep gaat vlammen en wegvliegt, overal moord verspreidend; en drie reuzen van het Eiland Man met paardenmanen, die tot aan hun hielen reiken. Er wordt nog een vreemde en bovenaardsche eigenaardigheid aan toegevoegd door de beschrijving van drie naakte en bloedende gedaanten, die aan touwen van de zoldering afhangen—het zijn de dochters van de Bav, een andere naam voor de Morrigan, of godin van den oorlog, “drie, die ijzingwekkende voorgevoelens opwekken,” zegt het verhaal raadselachtig, “het zijn de drie, die op ieder oogenblik gedood worden.” Wij moeten ze waarschijnlijk beschouwen als onlichamelijke wezens, die oorlog en dood voorspellen en alleen voor Ingcel zichtbaar zijn. De voorzaal met haar verschillende kamers is vol krijgslieden, schenkers, spelende muzikanten en goochelaars, die wonderbaarlijke kunsten verrichten, terwijl Da Derga met zijn dienaren spijze en drank uitdeelen. Conary zelf wordt als een jong man beschreven; “hij heeft de vurigheid en de geestdrift van een koning en het beleid van een wijze; de mantel, dien ik om hem heen zag is zoo effen als de nevel van een dag in Mei—in iedere tint liefelijker dan deze.” Zijn zwaard met gouden gevest ligt naast hem—te armslengte is het uit de scheede vrijgekomen en schittert als een lichtstraal. Hij is de zachtzinnigste en vriendelijkste en meest volmaakte koning, die ooit ter wereld is gekomen, zelfs Conary, de zoon van Eterskil .... groot is de teederheid van den slaperigen, eenvoudigen man, totdat hij een daad van dapperheid heeft te verrichten. Maar als zijn woede en zijn moed zijn opgewekt, als de kampioenen van Erin en Alba bij hem in huis zijn, zal de verwoesting niet plaats hebben zoolang hij binnen is—het ten onderbrengen van die regeering zou droevig zijn.”
Kampioenen in het huis.
Daarop trokken Ingcel en de zonen van Desa op ten aanval en omsingelden de pleisterplaats.
“Een oogenblik stilte!” zegt Conary, “wat is dit?”
“Kampioenen in het huis”, zegt Conall van de Overwinningen.
“Er zijn voor hen krijgslieden hier,” antwoordt Conary.
“Zij zullen van nacht noodig zijn,” hervat Conall.
Eén der zonen van Desa stormt het eerst het huis binnen. Zijn hoofd wordt afgeslagen en weer naar buiten geworpen. Daarop begint de groote strijd. Het huis wordt in brand gestoken, maar het vuur wordt gebluscht met wijn en alle mogelijke vloeistoffen, die binnen zijn. Conary en zijn volk springen te voorschijn—honderden worden verslagen en de roovers worden voorloopig op de vlucht gejaagd. Evenwel Conary, die wonderen van dapperheid bij den strijd heeft verricht, versmacht van dorst en kan niets meer uitrichten, voordat hij water heeft gedronken. Maar de roovers hebben op raad van hun toovernaars de rivier de Dodder, die door het terrein van het huis stroomde, afgeleid, en alle vloeistoffen in het huis waren verbruikt voor het blusschen van den brand.
De dood van Conary.
De koning, die van dorst versmacht, vraagt mac Cecht hem water te verschaffen, en mac Cecht wendt zich tot Conall met de vraag, of hij voor den koning water wil halen of wil achterblijven om hem te beschermen, terwijl mac Cecht water haalt. “Laat de verdediging van den koning aan ons over,” zegt Conall, “en ga gij het water halen, want het is u verzocht.” Nu holt mac Cecht met den gouden beker van Conary weg, zich een weg banend door de omsingelende troepen, en gaat naar water zoeken. Daarop komen Conall en Cormac van Ulster en de andere kampioenen op hun beurt naar voren en dooden een groot aantal vijanden, sommigen keeren gewond en vermoeid terug naar den kleinen troep in huis, terwijl anderen zich door den kring van vijanden heenslaan. Conall, Sencha en Duflach houden tot het laatst toe bij Conary stand; maar het duurt lang eer mac Cecht terugkeert, Conary komt van dorst om en daarop slaan de drie helden er zich door heen en ontsnappen, gewond, gebroken en verminkt.”
Intusschen was mac Cecht over Ierland voortgehold, terwijl hij als een razende naar water zocht. Maar het Toovervolk, waarmede hier blijkbaar de elementaire machten bedoeld worden, die de natuurkrachten beheerschen, hebben alle bronnen tegen hem verzegeld. Tevergeefs gaat hij naar de Bron van Kesaiz in Wicklow; hij gaat naar de groote rivieren, Shannon en Slayney, Bann en Borrow—alle verbergen zich als hij nadert, ook de meren laten hem in den steek; eindelijk vindt hij een meer, Loch Gara in Roscommon, dat verzuimde zich in tijds te verbergen, en daar vult hij zijn beker. Des morgens keerde hij terug met het kostbare en met moeite veroverde vocht, maar vond, dat alle verdedigers gesneuveld of gevlucht waren, terwijl twee der roovers juist bezig waren het hoofd van Conary af te slaan. Mac Cecht sloeg er één het hoofd af, en wierp een ontzaglijken steenen pilaar den tweeden achterna, die juist met het hoofd van Conary ontsnapte. De roover viel op de plaats dood, en mac Cecht nam het hoofd van zijn meester op, en goot het water in zijn mond. Daarop sprak het hoofd, en prees en bedankte hem voor zijn daad.
De wond van mac Cecht.
Een vrouw kwam naderbij en zag mac Cecht uitgeput en gewond op het slagveld liggen.
“Kom hier, vrouw,” zeide mac Cecht.
“Ik durf niet naderbij te komen,” zeide de vrouw, “uit afgrijzen en vrees voor u.”
Maar hij overreedt haar te komen, en zegt: “Ik weet niet, of het een vlieg of een mug of een mier is, die in mijn wond steekt.”
De vrouw keek er naar en zag dat een harige wolf met de twee schouders in de wond begraven was. Zij pakte het dier bij den staart en trok het uit de wond, maar het dier trok van hem zooveel af, “als zijn kaken konden bevatten.”
“Ja,” zeide de vrouw, “dit is een mier van het Oude Land.”
En mac Cecht nam het bij den strot en sloeg het voor op het hoofd, zoodat het dood viel.
“Leeft uw Heer nog?”
Het verhaal eindigt in een werkelijk heldhaftigen toon. Conall van de Overwinningen had, zooals wij gezien hebben, zich na den dood van den koning door de vijanden heengeslagen en was naar Teltin getrokken, waar hij zijn vader Amorgin in den tuin vóór zijn deur vond. De arm van Conall, die het schild droeg was door driemaal vijftig speren gewond, en hij bereikte nu Teltin met een half schild, en zijn zwaard en de overblijfselen van zijn twee speren.
“Vlug zijn de wolven, die u hebben achterna gezeten, mijn zoon,” zoo sprak zijn vader.
“Het is een heftige strijd met krijgslieden, waarin wij gewond zijn, o oude held,” antwoordde Conall.
“Is uw heer nog in leven?” vroeg Amorgin.
“Hij leeft niet meer,” zegt Conall.
“Ik zweer bij God, wat de groote stammen van Ulster zweren; hij die levend den strijd verlaat, na zijn heer bij zijn vijanden in den dood te hebben achtergelaten, is een lafaard.”
“Mijn wonden zijn niet wit, oude held,” zegt Conall. Hij liet hem zijn arm zien, waaraan hij zijn speer had gedragen, en waarop driemaal vijftig speerwonden waren. De arm, waarmede hij zijn zwaard hanteerde, en die niet door zijn schild beschermd was, verminkt en verbrijzeld en gewond en doorboord, zoodat hij alleen nog maar door enkele pezen aan het lichaam vastzat.
“Die arm heeft van nacht gevochten, mijn zoon,” zegt nu Amorgin.
“Dat is waar, oude held,” zegt Conall van de Overwinningen. “Velen zijn het, die door dien arm van nacht tegenover de pleisterplaats in den dood zijn gevoerd.”
Zoo eindigt de vertelling van Etain en van den overval van het Tooverland, en van de wraak der toovermannen op den achterkleinzoon van Eochy den Opperkoning.