Note 14 — Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
In het “Iersche Woordenboek” van Dineen wordt als beteekenis van het woord geis14 gegeven een verplichting, een tooverbezwering, een verbod, een taboo, een magisch bevel, waarvan de schending tot ramp en dood leidde. In het woordenboek vindt men die beteekenissen onder het woord geas opgegeven. Ieder Iersch opperhoofd of man van gezag had enkele geise, die hem eigen waren en die hij niet mocht overtreden. Die geise hadden dikwijls betrekking op een verzameling van voorschriften voor ridderlijk gedrag—zoo staat Dermot van de liefdeplek, als Grania zich op hem beroept om haar van Finn weg te voeren, onder geise, om een vrouw geen bescherming te weigeren. Zij kunnen ook uitsluitend op bijgeloof of een hersenschim—zoo is het één der geise van Conary, dat het hem niet vrij staat drie roode ruiters op een weg te volgen, of om vogels te dooden (de reden hiervan is, dat, zooals wij zullen zien, zijn totem een vogel was). Voor den kampioen uit Ulster, Fergus mac Roy, is het een geis, dat hij geen uitnoodiging tot een feest mag afslaan; daarop grondt zich de Tragedie van de Zonen van Usnach. Het is volstrekt niet duidelijk, wie die geise oplegde, of hoe iemand ontdekte, wat zijn persoonlijke geise, waren—dit was zonder twijfel een zaak, die de Druïden moesten weten. Maar zij werden als heilige verplichtingen beschouwd, en het verbreken dier geise deed de ergste ongelukken vreezen. Oorspronkelijk werden zij zeker beschouwd als een middel, om de goede verhouding tot de andere wereld in acht te nemen—de Tooverwereld—en waren zij verwant met het welbekende gebruik der Polynesiërs ten opzichte van de “tabu.” Wij zullen echter de Iersche uitdrukking behouden, daar alleen deze op de Iersche gebruiken past.