← Table of contents
Keltische Mythen en Legenden

Hoofdstuk VI: Verhalen uit den Cyclus van Ossian.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

De Fianna van Erin.

De kroniekschrijvers van het oude Ierland behandelden de geschiedenis van Finn en de Fianna, in hare voornaamste trekken, als gewone geschiedenis. Dit kan zeker niet juist zijn. Ierland had geen vreemde overweldigers gedurende de periode, toen de Fianna geacht werden gebloeid te hebben, en de verhalen werpen geen spoor van licht op de werkelijke geschiedenis van het land; zij hebben veel meer betrekking op een tooverland, dat bevolkt is door bovennatuurlijke wezens, schoon of verschrikkelijk, dan met een werkelijk deel der aarde, dat door echte mannen en vrouwen bewoond wordt. De moderne critische lezer van die verhalen zal spoedig inzien, dat het ijdel zou zijn te willen zoeken naar eenigen op feiten berustenden grondslag in die glinsterende luchtspiegeling. Maar die luchtspiegeling werd geschapen door dichters en vertellers van zoo buitengewone gaven voor die soort van literatuur, dat zij onmiddellijk een stevig houvast kreeg op de verbeelding der Iersche en der Schotsche Galiërs.

De Ossian-Cyclus.

Verschil met den Cyclus van Ulster.

Laat ons beginnen met de opmerking, dat de lezer zich in een geheel andere atmosfeer zal vinden dan die waarin de helden van den Cyclus van Ulster leven en zich bewegen. Alles spreekt van een latere periode, toen het leven liefelijker en zachter was, toen men meer in steden en nederzettingen leefde, toen het Volk van Dana duidelijker feëen en minder godheden waren, toen in de letterkunde de elementen van wonderen en romantiek de overhand hadden, en de ijzeren snaar van heldenmoed en zelfopoffering, niet zooveel meer meeklonk. Er is in de Ossian litteratuur een bewust genot in de woeste natuur, in landschappen, in het gezang van vogels, de muziek der jacht in de bosschen, in geheimzinnige en romantische avonturen, wat alles onmiskenbaar spreekt van een tijd, toen op het vrije leven in de open lucht “onder de groene boomen” werd terugzien en dat geïdealiseerd werd, maar dat leven niet meer als regel werd geleefd door hen die het bezingen. Ook is er een gewichtig verschil in de plaats der handeling. De verhalen van Conor waren het uitvloeisel van een litteraire beweging, die haar oorsprong had te midden van de frissche heuvelen of op de sombere door rotsen omgeven kusten van Ulster. In den Ossian-Cyclus bevinden wij ons in de binnenlanden van het zuiden van Ierland. Veel van de handeling heeft plaats te midden der zachte betoovering van het landschap Killarney, en het verschil tusschen de beide streken weerspiegelt zich in het ethische karakter der vertellingen.

In den Cyclus van Ulster zal men opmerken, dat hoe buitensporig men gebruik gemaakt heeft van het bovennatuurlijke element, de eindbeteekenis van bijna ieder verhaal, het einddoel, waarop de geheele bovennatuurlijke opzet uitloopt, iets werkelijks en menschelijks is, iets wat in verband staat met de deugden of de ondeugden, de hartstochten of de plichten van mannen en vrouwen. Dit is, in het algemeen gezegd, bij den Ossian-Cyclus niet het geval. De edeler ader der literatuur schijnt uitgeput te zijn, en wij hebben nu schoonheid alleen ter wille van de schoonheid, romantiek ter wille der romantiek, afgrijzen of geheimzinnigheid ter wille van de spanning, die zij opwekken. De Ossian-verhalen zijn “liefelijke verschijningen, gezonden om een oogenblik tot sieraad te strekken.” Zij missen dat eigenaardige, dat in de edelste kunst, zoowel als in de edelste persoonlijkheden wordt gevonden, dat de gave heeft “te waarschuwen, te troosten, te beheerschen.”

De komst van Finn.

Koning Cormac mac Art was ongetwijfeld een historische figuur, wat misschien meer is dan wij van Conor mac Nessa kunnen beweren. Of er een werkelijke persoonlijkheid schuilt achter de roemrijke figuur van zijn grooten legeraanvoerder Finn, is moeilijker te zeggen. Maar het is voor ons doel niet noodig, ons in dit vraagstuk te verdiepen. Hij was een schepping van den Keltischen geest in één land en in één periode van zijn ontwikkeling, en het is hier onze taak, na te gaan, wat voor soort van karakter de Iersche geest wenschte te idealiseeren en te dramatiseeren.

Onder den Clan Morna was een man, Lia genaamd, heer van Luachar in Connacht, die de schatmeester der Fianna was, en die den zak met schatten bewaarde, een zak vervaardigd van de huid van kraanvogels, en waarin hij tooverwapenen en kostbare juweelen had, die nog afkomstig waren uit den tijd van het Volk van Dana. En hij werd ook schatbewaarder van den Clan Morna en bewaarde nog steeds den zak in Rath Luachar.

Daarna werd Finn even wijs als hij krachtig en dapper was, en men verhaalt, dat zoo dikwijls hij wenschte te raden, wat zou gebeuren, of wat op een afstand geschiedde, hij slechts zijn duim in den mond behoefde te steken, en daarop te bijten, waarna de kennis, die hij wenschte te verwerven, de zijne zou zijn.

Finn en de booze geest.

In dien tijd was Goll, de zoon van Morna, de aanvoerder der Fianna van Erin, maar toen Finn den mannelijken leeftijd had bereikt, wilde hij de plaats van zijn vader Cumhal innemen. Daarom ging hij naar Tara, en zat hij tijdens de Groote Vergadering, als niemand zijn hand tegen een ander mocht opheffen binnen het grondgebied van Tara, neder onder de krijgslieden des konings en de Fianna. Eindelijk merkte de koning hem als vreemdeling onder hem op, en vroeg hem zijn naam en afkomst te noemen. “Ik ben Finn, de zoon van Cumhal”, zeide hij, “en ik ben hier gekomen om onder u dienst te nemen, zooals mijn vader gedaan heeft, o koning.” De koning nam hem gaarne op, en Finn legde een eed af, dat hij hem trouw zou dienen. Niet lang daarna kwam de tijd van het jaar, waarop Tara verontrust werd door een boozen geest, die tegen het aanbreken van den nacht kwam en vuurkogels wierp tegen de koninklijke stad en die in vlam zette, en niemand kon den strijd tegen hem opnemen, want zoodra hij kwam speelde hij zóó liefelijk op de harp, dat ieder die het hoorde, in droomen werd gehuld, en alles op aarde vergat, om naar die muziek te kunnen luisteren. Toen dit Finn was medegedeeld, ging hij tot den koning en zeide: “Zal ik, als ik den boozen geest dood, de plaats van mijn vader krijgen, als hoofd der Fianna?” “Ja zeker,” zeide de koning en bij eede verbond hij zich daartoe.

Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch
Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch

Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch

Onder de krijgslieden behoorden ook een oude volgeling van Cumhal, den vader van Finn, die een tooverspeer bezat met een bronzen kop en klampen van Arabisch goud. De kop was omhuld door een leeren foedraal, en zij had de eigenschap, dat als het bloote lemmer tegen het voorhoofd van iemand gehouden werd, deze een zóó groote kracht en krijgswoede zou krijgen, dat hij in iederen strijd onoverwinnelijk zou worden. Fiacha gaf die speer aan Finn, en leerde hem hoe die te gebruiken, en daarmede wachtte hij de komst af van den boozen geest op de wallen van Tara. Toen de nacht viel en de nevelen zich in de wijde vlakte rondom den heuvel begonnen te verzamelen, zag hij een donkeren vorm snel naar hem toekomen en hoorde hij de tonen der tooverharp. Maar door de speer tegen zijn voorhoofd te houden, schudde hij de betoovering van zich af, en het spook vluchtte voor hem weg naar den Tooverheuvel van Slieve Fuad, en daar haalde Finn hem in en doodde hem, en bracht zijn hoofd naar Tara terug.

Daarop plaatste koning Cormac Finn voor de Fianna, en beval hen allen, hem gehoorzaamheid te zweren als hun hoofd of anders ergens anders dienst te nemen. En het eerst van allen legde Goll mac Morna den eed af, en daarop volgden al de overigen, en Finn werd het hoofd van de Fianna van Erin, en regeerde over hen totdat hij stierf.

De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.

Met de komst van Finn bereikten de Fianna van Erin den hoogsten bloei, en na zijn dood taande hun roem weer. Want hij regeerde zooals geen ander aanvoerder ooit had gedaan, zoowel krachtig als verstandig, en nooit koesterde hij tegen iemand een wrok, maar vergaf iemand gaarne alle overtredingen behalve trouweloosheid tegen zijn heer. Zoo verhaalt men, dat Conan, de zoon van den heer van Luachar, die den zak met schatten in bezit had, en die door Finn bij Rath Luachar was verslagen, gedurende zeven jaar vogelvrij verklaard en een strooper was, die de Fians voortdurend lastig viel, en hier een man, daar een hond doodde, woningen in brand stak en het vee weg voerde. Eindelijk werd hij te Carn Lewy in Munster in een hoek gedreven, en toen hij zag, dat hij niet meer kon ontsnappen, sloop hij achter Finn toen deze na een jacht ter neder zat en sloeg van achteren zijn armen om hem heen, waarbij hij hem zóó vast hield, dat beweging onmogelijk was. Finn wist, wie hem zoo vast hield, en zeide: “Wat wilt gij Conan?” Conan antwoordde: “Ik wil met u een verdrag sluiten, dat ik u trouw zal dienen, want ik kan uw toorn niet langer ontloopen.” Finn lachte daarop en zeide; “Het zij zoo, Conan, en als gij blijkt trouw en dapper te zijn, zal ik mijn belofte houden.” Conan diende hem daarna dertig jaar lang, en van al de Fianna was er niemand dapperder en kloeker in den strijd.

“Finn hoorde de tonen der Tooverharp”
“Finn hoorde de tonen der Tooverharp”

“Finn hoorde de tonen der Tooverharp”

Conan mac Morna.

Er was nog een andere Conan, en wel mac Morna, die zwaar en kaal was, en lomp in mannelijke oefeningen, maar wiens tong bitter en gemeen was; er werd geen edele of dappere daad verricht, die niet door Conan den Kale belachelijk werd gemaakt of naar beneden gehaald. Men verhaalt, dat hij langs zijn rug en zijn kruis de vacht van een zwart schaap droeg in plaats van de huid van een man, en dit kwam op de volgende wijze voor den dag. Op zekeren dag, toen Conan met enkele anderen van den Fianna in het bosch op jacht was kwamen zij bij een statige dūn met witte muren, met gedekt gekleurd riet en zij traden naar binnen, om daar gastvrijheid te zoeken. Maar toen zij binnen gekomen waren, vonden zij er niemand, alleen een groote ledige zaal met pilaren van cederhout en zijden behangsels, zooals men die vindt in de zaal van een rijken edele. In het midden der zaal was een tafel, gedekt met een rijken voorraad zwijnenvleesch en wild, en een groot vat van taxishout, vol met rooden wijn, en bekers van goud en zilver. Zij zetten zich dus vroolijk neder om te eten en te drinken, daar zij na de jacht hongerig waren, en zij spraken en lachten luide rondom de tafel. Maar één van hen sprong na korten tijd overeind met een kreet van vrees en verbazing, en allen keken om en zagen voor hun oogen, dat de met tapijten behangen muren veranderden in ruwe houten balken, en de zoldering in gewoon, roetachtig stroo, zooals men dat vindt in de hut van een veehoeder. Hieruit bleek het, dat zij door een betoovering van het toovervolk waren gevangen, en allen sprongen overeind en spoedden zich naar den uitgang, die niet langer hoog en statig was, maar verminderd was tot de grootte van een vossegat—behalve Conan de Kale, die gulzig de lekkere spijzen op de tafel verslond en nergens anders op lette. Nu schreeuwden zij hem toe, en toen de laatste van hen naar buiten trad, trachtte hij op te staan en te volgen, maar hij bleek vastgeplakt aan zijn stoel, zoodat hij zich niet kon bewegen. Daarom holden twee der Fianna, toen zij zagen in welke moeilijkheid hij verkeerde, terug, pakten hem bij de armen en trokken zoo hard zij konden en bij het wegrukken bleef het grootste deel van zijn kleeding en van zijn huid aan den stoel hechten. Niet wetend wat anders met hem te doen in zijn pijnlijken toestand, sloegen zij toen op zijn rug wat zij het dichtst in hun bereik vonden, namelijk de huid van een zwart schaap dat zij namen van de kudde van een boer in de nabijheid, en deze groeide daaraan vast en Conan droeg die tot hij stierf.

Dermot O’Dyna.

En een van de voornaamste vrienden van Finn was Dermot van de Liefde-Vlek. Hij was zoo schoon en edel van aanblik, dat geen vrouw hem liefde kon weigeren, en men zegt dat hij nooit van moeheid afwist en dat zijn stap even licht was aan het eind van den langsten dag van strijd of jacht, als aan het begin. Tusschen hem en Finn bestond warme genegenheid, tot op den dag dat Finn, toen een oud man, Grania, dochter van Cormac den Opperkoning, zou huwen; maar Grania deed Dermot bij de gewijde verordeningen van de ridderschap van Fian beloven in haar bruiloftsnacht met haar te vluchten, hetgeen hij, zeer tegen zijn wil, deed en wat hem het leven kostte. Maar Grania ging terug tot Finn en toen de Fianna haar zag, werd door het heele kamp in bitteren spot gelachen, want zij zouden niet een van de vingers van den doode hebben gegeven voor twintig levenden als Grania.

Keelta mac Ronan en Oisīn.

Een ander van Finn’s hoofdmannen was Keelta mac Ronan, een van zijn opzichters en zoowel krachtig krijgsman als welsprekend voordrager van verhalen en gedichten. En daar was Oisīn, de zoon van Finn, de grootste dichter der Kelten, over wien later meer.

Oscar.

Oisīn had een zoon, Oscar genaamd, van alle Fians de geweldigste krijger. In zijn eersten slag doodde hij drie koningen en in zijn onstuimigheid doodde hij ook bij ongeluk zijn eigen vriend en medeleerling Linné. Zijn vrouw was de schoone Aideen, die van verdriet stierf na Oscar’s dood in den slag van Gowra en Oisīn begroef haar op Ben Edar (Howth) en richtte op haar graf de groote dolmen op, die men daar nu nog vindt. Oscar treedt in deze literatuur op als een type van harde kracht, met een hart “als van gedraaid hoorn in een schede van staal”, een karakter even zuiver voor den oorlog geschapen als een zwaard of speer.

Geena mac Luga.

Een ander van Finn’s sterke mannen was Geena, de zoon van Luga; zijn moeder was de krijgshaftige dochter van Finn en zijn vader na verwant aan haar vader. Hij was opgevoed door een vrouw die den naam droeg van Schoone Mane, die velen van de Fianna had groot gebracht. Toen de tijd om de wapens te dragen voor hem gekomen was, verscheen hij voor Finn en legde den eed van trouw af en Finn stelde hem aan tot kapitein over een afdeeling. Maar mac Luga bleek lui en zelfzuchtig te zijn, steeds snoevend op zich zelf en zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapens, nooit zijn mannen oefenend in de jacht op hert of everzwijn en hij placht zijn honden en dienstknechten te slaan. Ten slotte begaf zich de geheele afdeeling van de Fians onder hem tot Finn, te Loch Lena, in Killarney, en daar dienden zij hun beklag tegen mac Luga in, zeggend: “Kies nu, o Finn, of ge ons wilt hebben of den zoon van Luga alleen.”

Toen liet Finn mac Luga bij zich komen en ondervroeg hem, maar mac Luga kon niets afdoende zeggen over de reden waarom de Fianna niets met hem te maken wilde hebben. Toen leerde Finn hem de dingen die pasten voor een jongeling van edele geboorte en een aanvoerder, en zij waren deze:

Leerstellingen van de Fianna.

“Zoon van Luga, indien krijgsdienst uw doel is, houd u dan rustig in de huishouding van een groot man, wees flink in een moeilijk geval.

“Sla uw hond niet als hij geen schuld heeft; klaag uw vrouw niet aan tenzij ge zeker zijt van haar schuld.

“Laat u in het gevecht niet in met een potsenmaker, want o mac Luga, hij is slechts een dwaas.

“Gisp niemand die een degelijken naam heeft; meng u niet in een twist; bemoei u niet met een dolleman, of een slecht mensch.

“Bewaar twee derden van uw vriendelijkheid voor vrouwen en voor hen die op den grond kruipen (kleine kinderen) en voor dichters, en wees niet heftig tegen den gemeenen man.

“Voer geen blufferige taal en zeg ook niet dat ge niet wilt toegeven wat billijk is; het is schandelijk te boud te spreken tenzij het doenlijk is aan uw woorden kracht bij te zetten.

“Verzaak uw heer niet zoolang ge leeft; laat noch voor goud noch voor andere belooning in de wereld iemand in den steek dien ge u verbonden hebt te zullen beschermen.

“Spreek tegen een hoofd geen kwaad van zijn volk, want dat is geen werk voor iemand van goede afkomst.”

“Wees geen verklikker, of kwaadspreker; wees geen babbelaar of overijld vitzuchtig. Haal u geen strijd aan, al zijt ge nog zulk een goed man.”

“Wees geen kroeglooper, bedil oude menschen niet, bemoei u niet met den minderen man.”

“Wees vrijgevig met uw kost; kies geen vrek tot vertrouwd vriend.”

“Dring u niet op bij een hoofd en geef hem ook geen aanleiding kwaad van u te spreken.”

“Blijf uw zaak getrouw; leg uw wapens niet af voordat de harde kamp met zijn wapengeschitter is afgeloopen.”

“Wees eer bereid te geven dan te weigeren en laat vriendelijkheid voorgaan, O zoon van Luga.”

En de zoon van Luga, zoo staat geschreven, nam deze raadgevingen ter harte en gaf zijn verkeerde gewoonten op, en hij werd een van Finn’s beste mannen.

Karakter van Finn.

Dergelijke dingen prentte Finn ook al zijn volgelingen in en de besten dezer werden als hij zelf in dapperheid, vriendelijkheid en edelmoedigheid. Elk hunner was de goede naam zijner makkers meer waard dan zijn eigen en elk placht te zeggen dat in edele eigenschappen geen man op de geheele wereld waard was naast Finn te worden gesteld.

Men zeide van hem dat “hij goud weg gaf als waren het bladen uit het bosch en zilver als ware het schuim der zee”; en dat wat hij ook aan eenig man had geschonken, hij dat nooit als wapen tegen hem gebruikte, wanneer hij later twist met hem kreeg.

De dichter Oisīn bezong hem eens tot St. Patrick, als volgt:

Dit is wat Finn’s oor een vreugde was— Als de veldslag raasde’, als aan ’t maal men genoot, Als door ’t bergdal weerklonk zijner doggen gebas, Als de zwarte lijster in Letter Lee floot.

Als knersend schuurde’ over ’t strand het grind Bij het zeewaarts sleepen van zijn oorlogsboot, Als zijn speren doorgierde de morgenwind, Als des meistreels mond hem zijn tooverzang bood.

Eischen van de Fianna.

Ten tijde van Finn werd niemand ooit tot de Fianna van Erin toegelaten tenzij hij aan vele zware proeven van zijn voortreffelijkheid kon voldoen. Hij moest vertrouwd zijn met de Twaalf Dichtboeken en zelf bedreven zijn in het maken van gedichten in het rijm en metrum van de meesters der Keltische poëzie. Daarna werd hij tot aan zijn middel in den grond begraven en moest hij, met een schild en een hazelaarstok zich aldus verdedigen tegen negen krijgslieden, die speren naar hem wierpen; werd hij gewond, dan werd hij niet toegelaten. Daarna werd zijn haar in vlechten gescheiden en werd hij door de Fians door het bosch achterna gezet. Werd hij ingehaald, of indien een haarvlecht los ging, of een droge stok onder zijn voet kraakte, dan werd hij niet toegelaten. Hij moest in staat zijn over een lat te springen ter hoogte van zijn voorhoofd en in volle vaart te loopen onder een ter hoogte van zijn knie, en hij moest in staat zijn al loopend een doorn uit zijn voet te halen, zonder zijn vaart te verminderen. Hij mocht als hij huwde geen bruidschat aannemen.

Keelta en St. Patrick.

Men zeide dat een van de Fians, namelijk Keelta, hoog bejaard werd en St. Patrick zag, door wien hij gedoopt werd in het geloof van Christus en wien hij verhalen deed van Finn en zijn mannen, die de schrijver van Patrick opteekende. En eens vroeg Patrick hem hoe het kwam dat de Fianna zoo machtig werd en roemrijk dat geheel Ierland hun daden bezong gelijk het sedert dien steeds heeft gedaan. Keelta antwoordde: “Waarheid was in onze harten en kracht in onze armen en wat we zeiden dat volbrachten wij.”

Dat werd ook van Keelta verteld nadat hij St. Patrick had gezien en het Geloof had aangenomen. Eens was hij bij Leyney, in Connacht, waar het Toovervolk van de Duma-Hoogte elk jaar geducht placht te worden verontrust en geplunderd door roovers van over de zee. Zij riepen Keelta ter hulpe en door zijn raad en dapperheid werden de roovers overwonnen en verdreven, maar Keelta werd zwaar gewond. Toen vroeg Keelta Owen, den ziener van het Toovervolk, hem te voorspellen hoe lang hij nog had te leven, want hij was reeds een zeer oud man. Owen zeide: “Het zal over zeventien jaar zijn, o Keelta die gunstig bekend zijt, dat ge zult vallen bij den poel van Tara, en dat zal de geheele huishouding des konings smarten.” “Datzelfde voorspelde mij mijn hoofd en heer, mijn leider en liefhebbend beschermer, Finn,” sprak Keelta. “En welke belooning zult ge mij nu geven omdat ik u verloste van de zwaarste ramp, die u ooit trof?” “Een groote belooning,” zeide het Toovervolk, “namelijk jeugd, want door onze macht zult ge weer een jong man worden met al de kracht en levendigheid van uw bloeitijd.” “Neen,” zeide Keelta, “dat verhoede God dat ik een gedaante zou aannemen door betoovering, of eenige andere dan die mijn Schepper, de ware en roemrijke God, mij schonk.” En het Toovervolk zeide: “Dat is de taal van een waar krijgsman en held en wat ge zegt is juist.” En zij heelden zijn wonden en alle lichaamskwalen en hij wenschte hun zegen en zege en ging zijns weegs.

“Ik ben Saba, O Finn”
“Ik ben Saba, O Finn”

“Ik ben Saba, O Finn”

De geboorte van Oisīn.

Eens, toen Finn met zijn makkers en honden van de jacht terugkeerde naar hun burcht op den Heuvel van Allen, kwam een mooi jong hert opdagen, de jacht snelde het achterna terwijl het den weg insloeg die naar hun huis leidde. Weldra bleven al de vervolgers ver achter, op Finn zelf na en zijn twee honden Bran en Skolawn. Nu waren deze honden van een vreemd ras; want Tyren, zuster van Murna, Finn’s moeder, was in een hond veranderd geworden door de betoovering van een vrouw van het Toovervolk, die Tyren’s echtgenoot Ullan beminde; en de twee honden van Finn waren de kinderen van Tyren, haar in die gedaante geboren. Van alle honden in Ierland waren zij de beste en Finn had ze zeer lief, zoodat, naar men zegt, hij slechts tweemaal in zijn leven schreide en eens was toen Bran stierf.

Ten laatste, toen de jacht een heuvelrug afging, zag Finn dat het hert stil hield en ging liggen, terwijl de twee honden er om heen begonnen te spelen en gezicht en lijf te likken. Hij gelastte toen dat niemand het dier zou kwaad doen en het volgde hen naar den Heuvel van Allen, onder het gaan met de honden spelend.

Denzelfden nacht werd Finn wakker en zag bij zijn bed de schoonste vrouw staan, die hij ooit had aanschouwd.

“Ik ben Saba, o Finn,” sprak ze, “en ik was het jonge hert dat ge heden achterna zette. Omdat ik mijn liefde niet wilde geven aan den Druïde van het Toovervolk, de Donkere geheeten, deed hij mij door zijn tooverkunst die gedaante aannemen, en ik heb die de drie laatste jaren gedragen. Maar een van zijn slaven, die medelijden met mij had, openbaarde mij eens, dat indien ik uw grooten Heuvel van Allen kon bereiken, o Finn, ik veilig zou zijn voor alle betooveringen, en dat ik mijn natuurlijke gedaante terug zou krijgen. Maar ik vreesde door uw honden in stukken te worden gescheurd, of door uw jagers te worden gewond, totdat ik mij ten laatste liet inhalen door u alleen en Bran en Skolawn, die menschenaard hebben en mij geen kwaad zouden doen.” “Vrees niet, jonge maagd,” zeide Finn, “wij, de Fianna, zijn vrij en onze gast-vrienden zijn vrij; er is niemand die u hier dwang zal aandoen.”

Zoo bleef dan Saba bij Finn en hij maakte haar tot zijn vrouw; en zoo vurig was zijn liefde voor haar, dat hij noch in den strijd, noch in de jacht eenig behagen vond en maanden lang niet van haar zijde week. Zij beminde hem even vurig en hun vreugde in elkander was als die der Onsterflijken in het Land der Jeugd. Maar eindelijk kreeg Finn bericht, dat de oorlogsschepen van de Noormannen in de baai van Dublin waren en hij riep zijn helden ten strijde op. “Want,” zoo sprak hij tot Saba, “de mannen van Erin geven ons schatting en gastvrijheid om hen te verdedigen tegen den vreemdeling, en het zou schande zijn die van hen aan te nemen en niet te geven dat waartoe wij ons van onzen kant hebben verbonden.” En hij riep in herinnering dat groote woord van Goll mac Morna, toen zij eens hard bestookt werden door een machtig heir. “Een man,” zeide Goll, “overleeft zich zelf, niet zijn eer.”

Zeven dagen bleef Finn weg en hij verdreef de Noormannen van de kusten van Erin. Maar den achtsten dag keerde hij terug en toen hij zijn verblijf binnentrad zag hij droefheid in de oogen zijner mannen en van hun schoon vrouwenvolk en Saba was niet op den wal zijn terugkomst verbeidend. Hij verzocht hun dus hem te vertellen wat er gebeurd was en zij zeiden:

“Terwijl gij, onze vader en heer, ver weg waart en den vreemdeling versloegt en Saba steeds naar u uitkeek over den heuvelweg, zagen wij op zekeren dag iemand naderen die op u scheen te gelijken, met Bran en Skolawn aan uw hielen. En we schenen ook te hooren de tonen van den jachthoorn van Fian. Toen spoedde zich Saba naar de groote poort en wij konden haar niet tegenhouden, zooveel haast had zij de spookverschijning te bereiken. Maar toen zij die naderde, bleef zij stil staan en deed een luiden en bitteren kreet hooren, en uw schijnbeeld sloeg haar met een hazelaarroede en ziet, er was daar geen vrouw meer, maar een hert. Toen maakten deze honden daar jacht op en telkens als het opnieuw de poort van de burcht trachtte te bereiken, keerden zij terug. Wij grepen nu allen zooveel wapens als waarop wij de hand konden leggen en snelden naar buiten om den toovenaar weg te jagen, maar toen wij ter plaatse kwamen was er niets te zien, wel hoorden wij nog het geluid van vluchtende voeten en hondengeblaf, en de een dacht dat het van dezen, de ander dat het van een anderen kant kwam totdat ten laatste het rumoer wegstierf en alles stil werd. Wat wij konden doen, o Finn, dat deden wij; Saba is weg.”

Toen sloeg Finn zich op de borst, maar hij sprak geen woord en hij ging naar zijn eigen vertrek. Niemand zag hem dien dag nog, of den dag daarna. Toen kwam hij te voorschijn en leidde de aangelegenheden van de Fianna als van ouds, maar nog zeven jaren daarna bleef hij naar Saba zoeken in elk afgelegen dal en donker woud en spelonk van Ierland en hij wilde geen andere honden meenemen dan Bran en Skolawn. Ten slotte liet hij alle hoop varen haar terug te vinden en ging hij als van ouds jagen. Eens, toen hij de jacht volgde op Ben Bulban, in Sligo, hoorde hij het muzikaal geblaf der honden eensklaps in woest grommen en keffen overgaan, alsof zij met een of ander beest aan het vechten waren, en ijlings toesnellend zagen hij en zijn mannen, onder een grooten boom, een naakten jongen met lang haar, en de honden om hem wilden hem beetpakken, maar Bran en Skolawn vochten met hen en hielden hen tegen. En de knaap was groot en welgemaakt en toen de helden opdaagden, keek hij onverschrokken naar hen, zich niet bekommerend om het gevecht der honden aan zijn voeten. De Fians joegen de honden weg en namen den knaap mee naar huis, en Finn was heel stil en zag steeds vorschend naar het gelaat van den knaap. Na een wijle kon hij zich verstaanbaar maken en dit was het verhaal dat hij deed:

Hij had geen vader gekend, en geen moeder dan een vriendelijke dienstmaagd, waarmede hij leefde in een zeer groen en bekoorlijk dal aan alle kanten ingesloten door torenhooge rotsen, die niet konden worden beklommen, of door diepe kloven in den grond. Des zomers leefde hij van vruchten en dergelijken en des winters werd voorraad van levensmiddelen voor hem neergelegd in een hol. En soms kwam een lange man, met een donker gezicht, die zijn moeder toesprak, nu eens teeder, dan weer luid dreigend, maar zij deinsde altijd in vrees terug en de man ging toornig heen. Eindelijk kwam er een dag dat de donkere man heel lang met zijn moeder sprak in alle tonen van smeken, van teederheid en van woede, maar zij bleef steeds op een afstand van hem en gaf slechts teekenen van vrees en afschuw. Toen kwam de donkere man ten laatste naderbij en sloeg haar met een hazelaarroede; daarna keerde hij zich om en ging zijns weegs, maar ditmaal volgde zij hem, steeds omkijkend naar haar zoon onder weeklachten. En hij, toen hij wilde volgen, was niet in staat een vin te verroeren, en schreeuwend van woede en jammer, viel hij op den grond neer en hij verloor het bewustzijn. Toen hij tot zichzelf kwam bevond hij zich aan den bergkant op Ben Bulban, waar hij eenige dagen bleef, zoekend naar dat groen en verborgen dal, dat hij nimmer terug vond. En eenigen tijd later vonden hem de honden; maar niemand weet wat er geworden is van de dienstmaagd zijn moeder en van den Donkeren Druide.

Oisīn en Niam
Oisīn en Niam

Oisīn en Niam

Finn gaf hem den naam Oisīn (Klein Hert) en hij werd een befaamd krijgsman, maar veel meer beroemd werd hij door de zangen en verhalen die hij maakte; zoodat van alle dingen die nu worden verteld over de Fianna van Erin, de menschen plegen te zeggen: “Aldus zong de bard Oisīn, zoon van Finn.”

Oisīn en Niam.

Het geschiedde dat op een neveligen zomermorgen toen Finn en Oisīn met vele metgezellen jaagden aan de oevers van Loch Lena, zij een jonge maagd op hen af zagen komen, zeldzaam schoon, een sneeuwwit ros berijdend. Zij droeg het gewaad eener koningin, op het hoofd een gouden kroon en een donkerbruine zijden mantel, met rood gouden sterren bezet, viel om haar heen en sleepte op den grond. De hoeven van haar paard waren met zilver beslagen en op zijn hoofd wuifden gouden manen. Toen zij naderbij kwam, zeide zij tot Finn: “Van heel ver ben ik gekomen en nu heb ik u eindelijk gevonden, Finn, zoon van Cumhal.”

Toen zeide Finn: “Wat is uw land en van welken stam zijt gij, jonge maagd, en wat wenscht ge van mij?”

“Mijn naam”, sprak zij, “is Niam met het Gouden Haar. Ik ben de dochter van den koning van het Land der Jeugd en wat mij hier heeft gebracht is liefde tot uw zoon Oisīn.” Daarop wendde zij zich tot Oisīn en zij sprak tot hem met de stem van iemand die nooit iets vroeg of het werd haar toegestaan.

“Wilt ge met mij gaan, Oisīn, naar het land mijns vaders?”

En Oisīn zeide: “Ik ben bereid, en tot het eind der wereld”; want de betoovering had zoo machtig gewerkt, dat hij om niets op aarde meer gaf, dan om de liefde te hebben van Niam met het Hoofd van Goud.

Toen vertelde de jonge maagd van het land over de zee, waarheen zij haar minnaar had geroepen en terwijl zij sprak viel een droomerige stilte over alle dingen, geen paard schudde zijn toom, geen hond blafte, geen windzuchtje deed de bladen der boomen bewegen voordat zij had geëindigd. En wat zij zeide scheen liefelijker en wonderbaarlijker terwijl zij het uitsprak, dan wat zij zich later konden herinneren ooit te hebben gehoord, maar voor zoover zij zich konden herinneren was het als volgt:

“Verheven boven alle droomen, schooner Dan ooit uw oogen zagen is het land. Daar draagt de vruchtboom heel het jaar zijn vrucht, En heel het jaar staat bloeiend daar de bloem.

“Daar druipt de woudboom van den wilden honig; Nooit wordt de vloed van mede’ en wijn er schaars. Hij die daar woont kent pijn of ziekte niet, Dood en verval genaakt hem nimmermeer.

“Hij wordt het feest niet zat, de jacht niet moe, Nooit zal muziek verstommen in de hal; Goud en kleinoden van het Land der Jeugd Verduistren wat een mensen ooit droomde aan glans.

“Gij zult er paarden van den wonder-stam En honden hebben sneller dan de wind; U volgen honderd eedlen in den strijd En honderd maagden zingen u in slaap.

“Uw voorhoofd zal een kroon der hoogste macht Uw zijde dragen tooverkrachtig zwaard, Heer zult gij zijn van heel het Land der Jeugd En heer van Niam met het Hoofd van Goud.”

Toen het tooverlied ophield zagen de Fians Oisīn het tooverros bestijgen en de jonge maagd omvatten, en voordat zij zich konden verroeren of spreken, wendde zij het paard en trok aan den rinkelenden teugel, en door de boschvlakte spoedden zij zich, zooals een lichtstraal over het land schiet wanneer wolken over de zon heen trekken; en nimmer kreeg de Fianna Oisīn, zoon van Finn, op aarde wederom te zien.

Wat hem later wedervoer echter is bekend. Vreemd als zijn geboorte was ook zijn einde, want hij zag wonderen van het Land der Jeugd met sterflijke oogen en beleefde het die met sterflijke lippen te kunnen vertellen.

De reis naar het tooverland.

Toen het witte ros met zijn berijders de zee bereikte, liep het luchtig over de golven en weldra verdwenen de groene wouden en voorgebergten van Erin uit het gezicht. En nu scheen de zon met kracht en de berijders gingen door een gouden nevel, waarbij Oisīn alle bewustheid verloor van waar hij was en of hij zee of land onder de hoeven van zijn paard had. Maar soms verschenen hun vreemde gezichten in den mist, want torens en poorten van paleizen doemden op en verdwenen en eens snelde hen een ree zonder horens voorbij nagezet door een witten hond met een rood oor; en later zagen zij een jonge maagd op een bruin ros voorbijrijden, die een gouden appel in de hand hield, en vlak achter haar volgde een jonge ruiter op een wit ros, met een purperen mantel op zijn rug hangend en een zwaard met goud gevest in de hand. En Oisīn zou de prinses hebben gevraagd wie en wat deze verschijningen waren, maar Niam verzocht hem niets te vragen en te doen alsof hij niet lette op eenig spooksel dat zij zouden zien voordat zij in het Land der Jeugd waren gekomen.

Oisīn’s terugkomst.

Het verhaal meldt verder hoe Oisīn verschillende avonturen beleefde in het Land der Jeugd, o.a. de bevrijding van een gevangen prinses van een reus van Fomor. Maar ten slotte, na een verblijf van wat hem drie weken leek in het Land der Jeugd, was hij verzadigd van geneugten van allerlei aard en verlangde hij zijn geboorteland weer te bezoeken en zijn oude kameraden weer te zien. Hij beloofde daarna terug te keeren en Niam gaf hem het witte tooverros, dat hem over de zee naar het tooverland had gebracht, maar maande hem aan om wanneer hij weer in het land van Erin was gekomen, niet af te stijgen en den aardschen grond niet met zijn voeten aan te raken, anders zou de terugkeer naar het Land der Jeugd hem voor altijd zijn afgesneden. Toen maakte Oisīn zich op en stak andermaal den mystieken oceaan over, zoodat hij zich ten slotte bevond aan de westkust van Ierland. Hier gekomen, sloeg hij dadelijk den weg in naar den Heuvel van Allen, waar Finn gewoon was te legeren, maar door de bosschen trekkend, verwonderde het hem dat hij niets merkte van de jagers van Finn en hij verbaasde zich over de kleine gestalte van de menschen die hij den grond zag bebouwen.

Ten laatste, komend van het boschpad op de groote vlakte waar de Heuvel Allen placht te verrijzen, breed en groen, met zijn wal die vele woningen met witte muren omsloot en het groote hooge gebouw in het midden, zag hij alleen groene hoogten begroeid met weelderig onkruid en doornstruiken en koeien weidden er. Toen beving hem een vreemd afgrijzen en hij dacht dat een of andere betoovering van het Tooverland zijn oogen met valsche vizioenen misleidde. Hij strekte de armen uit en riep de namen Finn en Oscar, maar niemand antwoordde, en hij dacht dat de honden hem misschien zouden hooren, hij riep derhalve Bran en Skolawn en spitste de ooren om het flauwste geritsel of gefluister op te vangen van de wereld, waarvan de aanblik hem werd onthouden, maar hij hoorde slechts den wind in de doornen zuchten. Toen reed hij ontsteld van de plek, met het gezicht gekeerd naar de oostelijke zee, want het was zijn plan Ierland dwars door te trekken en van het eene eind tot het andere, om aan zijn betoovering te ontkomen.

De betoovering verbroken.

“Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel”
“Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel”

“Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel”

Oisīn en Patrick.

Zij brachten hem aldus bij Patrick, die hem vriendelijk en gastvrij behandelde en hij vertelde Patrick alles wat hem was wedervaren. Maar Patrick gelastte zijn schrijvers alles nauwkeurig op te teekenen, opdat de herinnering aan de helden die Oisīn had gekend, en aan het vroolijke en vrije leven dat zij hadden geleid in de bosschen en dalen en wildernissen van Erin, nimmer door de menschen zou worden vergeten.

“Zij vonden zich plotseling verward in draden garen”
“Zij vonden zich plotseling verward in draden garen”

“Zij vonden zich plotseling verward in draden garen”

Deze merkwaardige legende is alleen bekend door het moderne Iersch gedicht, omstreeks 1750 door Michael Comyn geschreven, een gedicht dat de zwanenzang van de Iersche literatuur kan worden genoemd. Ongetwijfeld bediende Comyn zich van vroeger overleverde stof; maar hoewel de oude gedichten van Ossian ons vertellen van de verlenging van Oisīn’s leven, zoodat hij St. Patrick kon ontmoeten en hem verhalen doen van de Fianna, zijn de episoden van Niam’s liefde en het verblijf in het Land der Jeugd ons alleen bekend uit het gedicht van Michael Comyn.

Het betooverde hol.

Dit verhaal, dat ik put uit S. H. O’Grady’s uitgave in “Silva Gadelica”, meldt dat Finn eens een groote jacht hield in het district Corann, in Noordelijk Connacht, waarover zekere Conaran heerschte, een heer van het volk van Dana. Vertoornd over het binnendringen der Fianna in zijn jachtgebied, zond hij zijn drie dochters, toovenaressen, om wraak te nemen op de stervelingen.

Finn, zoo luidt het verhaal, en Conan de Kale, met Finn’s twee lievelingshonden, sloegen de jacht gade van den top van den heuvel van Keshcorran en luisterden naar het geschreeuw van de opjagers, de hoornstooten en het hondengeblaf, toen zij, op den heuvel loopend, kwamen aan de opening van een groot hol, waarvoor drie tooverkollen waren gezeten met een boos en terugstootend uiterlijk. Zij hadden om drie kromme stokken van hulst naar links strengen draad gewonden en waren daarmede aan het spinnen toen Finn met zijn gevolg kwam. Om hen meer van nabij te zien, naderden de krijgslieden, toen zij zich opeens verstrikt vonden in strengen van het draad dat de tooverkollen over de plek hadden gesponnen als de web van een spin en doodelijke flauwte en beving kwam over hen, zoodat zij zonder moeite door de tooverkollen konden worden vastgebonden en in de donkere schuilhoeken van het hol gebracht. Toen kwamen anderen van de jacht naar Finn zoeken. Allen wedervoer hetzelfde—zij verloren al hun kracht en dapperheid bij de aanraking van het betooverde draad, en werden gekneveld en het hol binnengedragen, totdat de geheele partij gebonden lag, terwijl de honden buiten blaften en huilden.

Nu grepen de heksen hun scherpe, breed gegroefde harde zwaarden en waren op het punt om de gevangenen aan te vallen en hen te dooden, maar eerst keken zij bij de opening van het hol rond, om te zien of er ook een achterblijver was op wien zij nog niet de hand hadden gelegd. Op dat oogenblik kwam Goll mac Morna, “de woedende leeuw, de aanval-toorts, de grootzielige”, aanzetten, en er volgde een wanhopig gevecht, dat daarmee eindigde dat Goll twee der tooverkollen in tweeën kliefde en dat hij de derde, Irnan geheeten, bedwong en knevelde. Toen hij op het punt stond haar te dooden, smeekte zij om genade—“Voorzeker, het ware beter voor u de geheele Fianna te hebben”—en hij schonk haar het leven op voorwaarde dat zij de gevangenen zou verlossen.

Zij gingen het hol binnen en eén voor eén werden de gevangenen los gemaakt, te beginnen met den dichter Fergus Truelips en de “mannen der wetenschap”, en allen gingen op den heuvel zitten om weer bij te komen, terwijl Fergus een loflied zong ter eere van den redder Goll; en Irnan verdween.

Weldra naderde hun een monster, een toornige furie, met vurige, met bloed beloopen oogen, een wijde muil met brokkelige slagtanden, nagels als die van een wild dier en gewapend als een krijgsman. Zij legde Finn de geise op haar zijn mannen in tweegevecht te geven, totdat zij er genoeg van had. Het was niemand anders dan de derde zuster Irnan, die door Goll was gespaard. Te vergeefs verzocht Finn Oisīn, Oscar, Keelta en de andere voornaamste krijgers van de Fianna tegen haar te vechten; allen verklaarden zich niet daartoe in staat, na de slechte behandeling en den smaad die zij hadden ondergaan. Ten slotte, toen Finn zelf op het punt stond tegen Irnan op te treden, zeide Goll: “O Finn, het betaamt u niet met een oud wijf te vechten” en voor den tweeden keer trok hij zijn zwaard tegen deze afschuwelijke vijandin. Ten slotte, na een wanhopig gevecht, doorboorde hij haar schild en haar hart, zoodat het lemmet aan den anderen kant uitstak, en zij viel dood neer. Toen legde de Fianna de burcht van Conaran in de asch en nam alle schatten daar in bezit, terwijl Finn aan Goll zijn eigen dochter gaf, Keva met de Blanke Huid, en terwijl zij de burcht als een hoop gloeiende sintels achterlieten, keerden zij terug naar den Heuvel van Allen.

“Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven”
“Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven”

“Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven”

De jacht van Slievegallion.

Deze mooie geschiedenis, die in dichtvorm is gegeven als zijnde verteld door Oisīn, in de Handelingen van het Ossian’sch Genootschap, verhaalt dat Cullan de Smid (hier voorgesteld als een Danaansche godheid), die op of bij de bergen woonde van Slievegallion, in het graafschap Armagh, twee dochters had, Ainé en Milucra, die beiden Finn mac Cumhal beminden. Zij waren jaloersch van elkander; en toen Ainé zich eens liet ontvallen dat zij nimmer een man met grijs haar zou willen hebben, zag Milucra de kans schoon Finn’s liefde voor zich alleen te winnen. Zij verzamelde haar vrienden onder de Danaans, om het kleine grijze meer dat ligt op den top van Slievegallion en zij betooverden het water er van.

Deze inleiding, draagt, zooals kan worden opgemerkt, sterke sporen van later aan het oorspronkelijk verhaal te zijn toegevoegd in een tijdperk van mindere ontwikkeling, of door een minder denkende klasse in wier handen de legende was gekomen. De werkelijke beteekenis van de gedaanteverwisseling, die daarin wordt verhaald, is waarschijnlijk veel dieper.

Finn deed aldus, en na in elken schuilhoek van het meer te hebben gedoken, vond hij den ring, en alvorens hij uit het water kwam, gaf hij dien aan de vrouw. Onmiddellijk daarop sprong zij in het meer en verdween. Finn vermoedde toen, dat een of andere betoovering op hem werd bewerkt, en weldra wist hij wat het was, want toen hij op het droge stapte viel hij van louter zwakte neer en toen hij weer opstond was hij een waggelende, zwakke en oude man, met sneeuwwit haar en uitgedroogd, zoodat zelfs zijn trouwe honden hem niet kenden, maar om het meer liepen zoekend naar hun verloren meester.

Inmiddels werd Finn vermist in zijn paleis op den Heuvel van Allen en weldra begaf zich een troep op het spoor waarop men hem het hert had zien jagen. Zij zochten aan het meer op Slievegallion en vonden daar een ellendigen en verlamden ouden man, dien zij ondervroegen, maar die niets anders kon doen dan zich op de borst slaan en jammeren. Ten laatste wenkte de oude man Keelta naderbij te komen, fluisterde hem zwakjes eenige woorden in het oor, en ziet, het was Finn zelf! Toen de kreten van verbazing en gejammer der Fianna ophielden, fluisterde Finn Keelta het verhaal van zijn betoovering toe en hij zeide dat de bewerker er van moest zijn de dochter van Cullan de Smid, die woonde in den tooverheuvel van Slievegallion. De Fianna, Finn op een baar dragend, begaf zich onmiddellijk naar den heuvel en begon met kracht te graven. Drie dagen en nachten achtereen groeven zij in den Tooverheuvel en drongen ten slotte in de binnenste wijkplaatsen; plotseling stond een jonge maagd voor hen, die een drinkbeker van rood goud in de hand hield. Hij werd aan Finn gegeven, die er uit dronk en aanstonds kreeg hij zijn gedaante en zijn schoonheid weer, maar zijn haar bleef nog wit als zilver. Ook dit zou door een anderen dronk in zijn vroegeren staat zijn gebracht, maar Finn liet het blijven zooals het was en zilverwit bleef zijn haar tot den dag van zijn dood.

Op dit verhaal is een zeer treffend, allegorisch drama gebouwd, “De Maske van Finn”, door Standish O’Grady, die, ongetwijfeld terecht, de geschiedenis opvat als symboliseerend het verwerven van wijsheid en verstand door lijden. Een leider van mannen moet afdalen tot het meer van tranen en zwakheid en wanhoop kennen, alvorens zijn geest hen kan gebruiken tot groote doeleinden.

Er is een antiek grafmonument op den bergtop dat de boeren van het district nog houden—of hielden in de dagen voor de Openbare Lagere scholen—voor het verblijf van de “Heks van het Meer”, en een eigenaardig pad, dat nooit door menschelijke voeten is afgesleten en dat van het rotsgraf voert naar het meer, wordt toegeschreven aan het heen en weer gaan van dat bovennatuurlijk wezen.

Het “Gesprek der Ouden.”

Een van de belangwekkendste en aantrekkelijkste overblijfselen van Ossiansche literatuur is het “Gesprek der Ouden”, Agallamk na Senorach, een lang stuk in verhaaltrant van omstreeks de dertiende eeuw. Het werd uitgegeven met een vertaling in O’Grady’s “Silva Gadelica”. Het is niet zoozeer een vertelling dan wel een verzameling van vertellingen handig in een mythisch kader geplaatst. Het “Gesprek” begint met ons Keelta mac Ronan en Oisīn zoon van Finn voor te stellen, elk vergezeld van acht krijgslieden, al wat overbleef van de groote corporatie der Fianna na den slag van Gowra en de daarop volgende verstrooiing van de Orde. Een levendige beschrijving wordt ons gegeven van de grijze oude krijgers, die hun tijd hebben overleefd en voor het laatst bijeenkomen op de burcht van een vroeger vermaarde aanvoerster Camha geheeten, en van hun melancholiek gesprek over vervlogen dagen, totdat ten slotte een langdurig zwijgen intrad.

Keelta ontmoet St. Patrick.

Ten laatste besluiten Keelta en Oisīn van elkander te gaan; Oisīn, van wien wij verder weinig hooren, gaat naar den Tooverberg, waar zijn Danaansche moeder (hier Blai geheeten) woont, terwijl Keelta over de vlakte van Meath trekt, totdat hij te Drumderg komt, waar hij St. Patrick en zijn monnikken aantreft. Hoe dit chronologisch mogelijk is, de schrijver geeft zich geen moeite dat te verklaren en hij toont geen bekendheid met de legende van Oisīn in het Land der Jeugd. “De geestelijken”, aldus het verhaal, “zagen Keelta en zijn troep naderen en vrees beving hen voor de lange mannen met de groote wolfshonden die hen vergezelden, want zij waren niet van denzelfden tijd en een met de geestelijkheid.” Patrick besprenkelt daarop de helden met gewijd water, ten gevolge waarvan legioenen van demonen, die over hen heen hadden gezworven, vluchten in de heuvels en dalen, en “de geweldige mannen zetten zich.” Na den naam van zijn gast te hebben gevraagd, zegt Patrick dan dat hij een gunst van hem te verzoeken heeft—hij wenschte een bron van zuiver water te vinden om het volk van Bregia en Meath mee te doopen.

De bron van Tradaban.

Keelta, die elke beek en heuvel en sterkte en bosch in het land kent, neemt daarop Patrick bij de hand en geleidt hem “totdat,” zooals de schrijver zegt, “zij vlak voor zich een bron zagen, parelend en doorschijnend helder. De grootte en dikte van de kers en van de fothlacht, of eereprijs, die er bij groeide bracht hen in verbazing.” Toen begon Keelta te vertellen van de vermaardheid en schoonheden van de plek, en droeg een verrukkelijk gedichtje voor tot lof er van.

St. Patrick en Iersche legende.

Nadat de krijgslieden waren onthaald vraagt Patrick: “Was hij, Finn mac Cumhal, met wien ge waart, een goed heer?” Keelta prijst Finn’s edel karakter en beschrijft verder in bijzonderheden de heerlijkheden van zijn huishouding, waarop Patrick zegt:

“Ware het niet dat het vrome leven daaronder lijdt, dat het aanleiding geeft het gebed te verwaarloozen en gemeenschap met God te verzaken, wij zouden, al pratend met u, krijgsman, den tijd snel voelen voorbijgaan!”

Keelta doet een ander verhaal van de Fianna, en Patrick, nu geheel geboeid door den betooveraar, roept uit: “Geluk en zegen mogen met u zijn, Keelta! Dit is voor mij een verlichting van geest en gemoed. En doe ons nu een ander verhaal.”

Aldus besluit de inleiding van het “Gesprek.” Zooals doorgaans het geval is bij den aanhef van Iersche vertellingen, kon het moeilijk beter zijn aangelegd; de toets is zoo licht, en is zulk een gelukkige mengeling van pathos, poëzie en humor en er is zooveel waardigheid in het schetsen der voorgestelde menschelijke karakters. De rest van het stuk bestaat in het tentoonspreiden van een groote massa topographische en legendaire kennis door Keelta, gevolgd door het onveranderlijke: “Geluk en zegen mogen met u zijn!” van Patrick.

De Brugh van Slievenamon.

Eens toen Finn en Keelta en vijf andere kampioenen van de Fianna te Torach, in het noorden, op de jacht waren, joegen zij een mooi ree op dat voor hen uit vluchtte en dat zij den ganschen dag achterna zetten, totdat zij tegen den avond den berg van Slievenamon bereikten, toen het ree plotseling onder de aarde scheen te verdwijnen. Zulk een jacht is, in de Ossian’sche literatuur, het gewone voorspel van een avontuur in het Tooverland. De nacht viel nu snel in met zwaren sneeuw en storm, en zoekend naar een schuilplaats, ontdekte de Fianna in het bosch een groote verlichte Brugh, of woon, waar zij toegang vroegen. Toen zij binnen kwamen bevonden zij zich in een ruime hal, sterk verlicht, met acht-en-twintig krijgslieden en evenveel schoone maagden met blonde haren: een dezer was gezeten op een zetel van kristal en deed op een harp prachtige muziek hooren. Nadat de Fian-krijgers waren onthaald op de heerlijkste spijzen en dranken, wordt hun verteld dat hun gastheeren zijn Donn, zoon van Midir den Trotsche, en zijn broeder, en dat zij oorlog voeren met de rest van het Danaansche volk en driemaal jaarlijks slag daarmee te leveren hebben op de vlakte voor de Brugh. In den beginne had elk van de acht-en-twintig duizend krijgers onder zich. Nu zijn allen verslagen op de aanwezigen na, en de overlevenden hebben een van hun maagden uitgezonden in de gedaante van een ree, om de Fianna naar hun paleis te lokken en hulp te krijgen in den slag die morgen moet worden geleverd. Feitelijk heeft men hier een variant op het welbekende thema van de bevrijding van het Tooverland. Finn en zijn metgezellen zijn altijd bereid tot een gevecht en er volgt een wanhopige slag die van den avond tot den morgen duurt, want het Tooverheir valt ’s nachts aan. De aanvallers worden teruggeslagen, en verliezen meer dan duizend van hun mannen; maar Oscar, Dermot en mac Luga worden zwaar gewond. Zij worden door tooverkruiden genezen en er volgen meer gevechten en avonturen, totdat, een jaar later, Finn den vijand dwingt vrede te sluiten en gijzelaars te geven wanneer de Fianna naar de aarde terugkeert en zich bij hun makkers voegt. Nauwelijks heeft Keelta zijn verhaal geëindigd, staande op dezelfde plaats waar zij het Tooverpaleis hadden gevonden in den stormnacht, of men ziet een jong krijgsman naderen. Hij wordt aldus beschreven: “Een hemd van vorstelijk satijn omsloot zijn huid; daarover een tuniek van dezelfde stof en een scharlaken mantel met franje, door een gouden speld op zijn borst bevestigd; in zijn hand een zwaard met goud gevest en een gouden helm op zijn hoofd.” Zeer kenmerkend voor deze literatuur is behagen in kleur en stoffelijke praal. Deze schitterende persoonlijkheid blijkt te zijn Donn mac Midir, een van de achtentwintig die Finn had geholpen, en hij komt voor zichzelf en zijn volk hulde brengen aan St. Patrick, die voor den nacht zijn gastvrijheid aanvaardt; want in het “Gesprek” zijn de betrekkingen tusschen de Kerk en de Tooverwereld zeer hartelijk.

“Zij joegen hem naar het strand”
“Zij joegen hem naar het strand”

“Zij joegen hem naar het strand”

De drie jonge krijgers.

Nergens in de Keltische literatuur komt het behagen in wonderen en mysterie zoo merkwaardig tot uiting als in het “Gesprek”. De schrijver van dit stuk was een meester in de kunst om, als het ware, de stevige omlijsting der dingen doorzichtig te maken en laat ons er door heen schijnsels van een andere wereld zien, met de onze samenhangend en toch op zich zelf staande, met andere wetten en kenmerkende eigenschappen. Welke die wetten waren komt men nooit te weten. De Kelt maakte, althans in Ierland, geen systeem van het onbekende, maar liet het voor een oogenblik door het ondoorzichtige van onze aarde heen schijnen en het schijnsel dan verdwijnen voordat we begrepen wat wij hadden gezien. Daar is bijv. dit incident in Keelta’s beschrijving van de Fianna. Drie jonge krijgers komen bij Finn dienst nemen, vergezeld van een reusachtigen hond. Zij treffen een overeenkomst met hem, zeggend welke diensten zij kunnen bewijzen en welke belooning zij verwachten en stellen als voorwaarde dat zij afgezonderd van de rest van het heir zullen kampeeren en dat wanneer het nacht is geen man bij hen zal komen en hen zien zal.

Finn vraagt de reden van dit verbod en die is: van de drie krijgers moet er elken nacht een sterven en de beide anderen moeten hem bewaken; daarom wilden zij niet gestoord worden. Een verklaring hiervan wordt niet gegeven; de schrijver laat ons onder den indruk van het mysterie.

De schoone reuzin.

Daar is, om een ander voorbeeld te kiezen: het verhaal van de schoone reuzin. Op zekeren dag toen Finn en zijn krijgslieden aan het middagmaal van de jacht uitrustten, zagen zij een reusachtige gedaante naderen. Het bleek te zijn een jonge reuzenmaagd, die zeide te heeten Vivionn (Bebhionn), dochter van Treon, uit het Land der Maagden. De gouden ringen aan haar vingeren waren zoo dik als het juk van een os en zij was verblindend schoon. Toen zij haar vergulden, met juweelen bezetten helm afzette stroomde haar mooi, golvend gouden haar in zeven maal twintig krullen uit elkaar en Finn riep: “Groote Goden, die wij aanbidden, Cormac en Ethné en de vrouwen van de Fianna zouden het een geweldig wonder achten Vivionn, de bloeiende dochter van Treon, te zien.” De maagd verhaalde dat zij tegen haar zin was verloofd met een minnaar, Aeda geheeten, de zoon van een naburigen koning; dat zij van een visscher, die door den storm naar haar kust was gedreven, had vernomen van Finn’s macht en edelen aard, en nu was gekomen om zijn bescherming in te roepen. Terwijl zij sprak merkte de Fianna opeens, dat een tweede reusachtige gedaante nabij was. Het was een jonge man met fijne trekken en boven beschrijving schoon, die een rood schild en een geweldige speer droeg. Zonder iets te zeggen naderde hij en voordat de verbaasde Fianna hem kon toespreken dreef hij zijn speer door het lijf der maagd en ging verder. Woedend over deze schending van zijn bescherming, riep Finn zijn hoofden op om den moordenaar te achtervolgen en te dooden. Keelta en anderen zetten hem achterna naar het zeestrand en volgden hem in de branding, maar hij schreed voort in de zee en een groote galei kwam hem tegemoet en voerde hem weg naar onbekende streken. Ontmoedigd bij Finn terugkomend, vonden zij de maagd stervend. Zij verdeelde haar goud en juweelen onder hen en de Fianna begroef haar onder een grooten heuvel, en richtte een steenen pilaar op haar graf op met haar naam in Ogham schrift, op de plaats sedert dier, geheten de Hoogte van de Doode Vrouw.

“De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters”
“De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters”

“De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters”

In dit verhaal vindt men naast het geheimzinnige element, dat der schoonheid. Deze vereeniging komt vaak voor in dit tijdperk der Keltische literatuur; en hieraan is het misschien te danken dat, hoewel deze verhalen van nergens schijnen te komen en nergens heen te leiden, maar zich bewegen in een droomwereld waar geen jacht is of hij schijnt te eindigen in het Tooverland en geen gevecht dat eenig verband houdt met aardsche nooden of doeleinden, waar al wat wezenlijk is geneigd is zich op te lossen in een tooverlicht en van gedaante verandert als een ochtendnevel, zij toch in het geheugen blijven hangen, met die steeds werkende bekoring die ze gedurende vele eeuwen in leven heeft gehouden aan den haard van den Galischen boer.

St. Patrick, Oisīn en Keelta.

Alvorens van het “Gesprek” af te stappen moet een ander belangrijk punt worden vermeld in verband er mee. Voor het gewone publiek zijn vermoedelijk de meest bekende dingen in Ossian’sche literatuur—ik heb hiermede natuurlijk op het oog de echte Keltische poëzie onder dien naam, niet den pseudo-Ossian van Macpherson—die dialogen waarin de heidensche en de christelijke idealen tegenover elkander worden gesteld, vaak in een geest van luimige overdrijving, of van satire. De vroegste van die stukken worden gevonden in het manuscript geheeten “Het boek van den Deken van Lismore”, waarin James Macgregor, Deken van Lismore in Argyllshire, eenigen tijd vóór het jaar 1518, neerschreef al wat hij zich kon herinneren of op het spoor komen van traditioneele Galische poëzie in zijn tijd. Het valt op te merken dat tot op die periode en, trouwens, lang daarna Schotsen en IerschKeltisch eén taal en een literatuur vormden, waarvan de groote geschreven monumenten in Ierland waren, al behoorden zij evenzeer aan den Kelt van de Hooglanden, en de twee takken van het Keltisch hadden een volstrekt gemeenschappelijken voorraad van dichterlijke overlevering. Deze Oisīn-en-Patrick dialogen worden in grooten getale gevonden zoowel in Ierland als in de Hooglanden, hoewel, zooals ik zeide, “Het boek van den Deken van Lismore” het eerste thans bestaande geschrift is, waarin ze zijn opgeteekend. Welk verband bestaat er dan tusschen deze dialogen en de Keelta-en-Patrick dialogen waarmede wij kennis maken in het “Gesprek.” De vragen welke inderdaad het oudst waren, waar zij respectievelijk ontstonden en welke strooming van gedachte of gevoel elk vertegenwoordigde, vormen een letterkundig probleem van het grootste gewicht, zooals Alfred Nutt heeft aangetoond; en een dat geen criticus tot hiertoe heeft getracht op te lossen, of zelfs—tenzij heel kort geleden—aan de orde te stellen. Want hoewel deze beide pogingen om, in fantastischen en artistieken vorm, de voeling tusschen heidendom en Christendom voor te stellen bijna identisch zijn in bewerking en omlijsting, behalve dat de eene in verzen is, de ander in proza, verschillen zij toch sterk in hun opvatting.

Aldus zijn de aangename verhoudingen die in het “Gesprek” overheerschend zijn, tusschen de vertegenwoordigers der twee tijdperken. Keelta vertegenwoordigt al wat hoffelijk, waardig, edelmoedig en dapper is in het heidendom, en Patrick al wat liefderijk en beminnelijk is in het Christendom; en in plaats dat de twee tijdperken in heftig antagonisme tegenover elkander staan en door een niet te overbruggen kloof zijn gescheiden, blijken al de schoonste trekken in elk met elkander overeen te stemmen en elkander aan te vullen.

Verhalen van Dermot.

Een aantal eigenaardige legenden hebben tot middelpunt Dermot O’ Dyna, die vermeld is als een van Finn mac Cumhal’s bekendste volgelingen. Hij zou kunnen worden beschreven als een soort Galische Adonis, een type van schoonheid en aantrekkelijkheid, de held van tallooze liefde-verhalen; en, evenals Adonis, werd zijn dood veroorzaakt door een wild zwijn.

De ever van Ben Bulben.

De ever was geen gewoon beest. Ziehier de geschiedenis van zijn afkomst: Donn, de vader van Dermot, gaf het kind aan Angus Ōg om het groot te brengen in zijn paleis aan de Boyne. Zijn moeder, die Donn ontrouw was, baarde een ander kind, waarvan Roc, de opzichter van Angus, de vader was. Eens, toen het kind van den opzichter tusschen de knieën van Donn liep om aan sommige honden te ontkomen die op den vloer van de hal vochten drukte Donn het zoo tusschen zijn knieën dat het onmiddellijk werd gedood en hij wierp toen het lijkje den honden toe. Toen de opzichter zijn kind dood vond en (met behulp van Finn) de oorzaak ontdekte, haalde hij de staf van een Druïde en sloeg er het lijk mee, waarop, in plaats van het doode kind, een groot wild zwijn verrees, zonder ooren of staart; en hij sprak tot het beest: “Ik draag u op Dermot O’ Dyna den dood te brengen”; en het beest holde de hal uit en zwierf rond in de bosschen van Ben Bulben in het graafschap Sligo tot de tijd kwam dat zijn bestemming zou worden vervuld.

Maar Dermot groeide op tot een prachtigen jongeling, onvermoeid op de jacht, onversaagd in den oorlog, geliefd door al zijn makkers van de Fianna, waarbij hij zich voegde zoodra hij daartoe den leeftijd had.

Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.

Toen zij gingen zitten om te eten, stond de hamel op en klom op tafel. Een na den ander van de Fianna trachtte hem er af te gooien, maar het dier schudde hen van zich af op den vloer. Goli slaagde er ten slotte in het van de tafel te smijten maar ook hem was het eindelijk de baas en het kreeg hen allen onder zijn voeten. Toen gelastte de oude man de kat den hamel weg te brengen en vast te binden en zij deed dat zonder moeite. De vier kampioenen wilden, diep beschaamd, de hut dadelijk verlaten; maar de oude man maakte hun duidelijk dat hun goede naam niet had geleden—de hamel waarmede zij hadden gevochten, was de Wereld, en de kat was de macht die de wereld zelf zou vernielen, namelijk de Dood.

Toen het nacht was begaven de vier helden zich ter ruste in een groote kamer en het jonge meisje kwam in dezelfde kamer slapen; en het heet dat haar schoonheid de muren van de kamer bestraalde als een kaars. Een na den ander van de Fianna ging naar haar bed, maar zij weerde allen af. “Ik behoorde u eenmaal toe”, zeide zij tot elk, “en zal dat nimmer weer doen”. Dermot kwam het laatst. “O, Dermot”, zeide zij, “ook u gaf ik mij eenmaal, en ik kan dat nooit weer doen, want ik ben Jeugd; maar kom hier en ik zal u zoo teekenen, dat geen vrouw u ooit kan zien zonder u te beminnen”. Toen raakte zij zijn voorhoofd aan en liet de Liefde-Vlek daar; en dat wekte de liefde der vrouwen voor hem zoolang hij leefde.

De vervolging van den harden knecht.

De vervolging van den Gilla Dacar is een ander Fian-verhaal waarin Dermot een hoofdrol speelt. De Fianna, zoo luidt de geschiedenis, was op zekeren dag op de jacht op de heuvels en door de bosschen van Munster en terwijl Finn en zijn kapiteins op een heuvelrug stonden te luisteren naar het blaffen der honden en de tonen van den jachthoorn uit het donkere bosch onder hen, zagen zij een kolossalen, leelijken, wanstaltigen boer naderen, die een groote grof gebouwde merrie bij den halster voort trok. Hij gaf te kennen dat hij bij Finn in dienst wenschte te treden. Men noemde hem, zoo zeide hij, Gilla Dacar (de harde Gilly) omdat hij de stugste knecht was van wien ooit een heer diensten en gehoorzaamheid kreeg. Ondanks dat weinig belovend begin, nam Finn, wiens beginsel was nooit eenig verzoeker af te wijzen, hem in zijn dienst; en de Fianna begon nu hun ruwen makker tot mikpunt van allerlei grove grappen te maken, die daarmee eindigden dat dertien hunner, o.a. Conan de Kale, allen het paard van den Gilla Dacar bestegen. De nieuweling klaagde hierop dat men hem voor den gek hield en hij schuifelde in groot misnoegen weg totdat hij over den heuvelrug was, toen stroopte hij zijn kleeren op en liep in westelijke richting, sneller dan de wind in Maart, naar het zeestrand in het graafschap Kerry. Het paard, dat tot dusverre met hangende ooren had stil gestaan terwijl de dertien berijders het te vergeefs afrosten om het aan het loopen te brengen, wierp nu opeens den kop omhoog en rende in een woest galop zijn meester achterna. De Fianna liep mee, zoo goed als het ging onder het lachen, terwijl Conan, verschrikt en woedend, hen uitschold, omdat zij hem en zijn makkers niet ter hulp kwamen. Ten slotte werd de zaak ernstig. De Gilla Dacar sprong in zee en de merrie volgde hem met haar dertien berijders en nog een die er in geslaagd was haar bij den staart vast te houden juist toen zij het strand verliet; en allen verdwenen weldra in het fabelland van het Westen.

Dermot nam den Horen en vulde dien
Dermot nam den Horen en vulde dien

Dermot nam den Horen en vulde dien

Dermot bij de bron.

Finn en de rest der Fianna berieden nu met elkander wat zij zouden doen, en zij kwamen ten slotte overeen een schip uit te rusten en hun makkers te gaan zoeken. Na vele dagen reizens bereikten zij een eiland door steile rotsen beveiligd. Als de vlugste van den troep, werd Dermot O’Dyna gezonden om ze te beklimmen en, zoo hij kon, een middel te vinden om de rest van den troep naar boven te helpen. Toen hij op den top kwam bevond hij zich in een heerlijk land vol vogelgezang en bijengegons en beekjesgemurmel, maar zonder teeken van te zijn bewoond. Een donker bosch ingaand, kwam hij spoedig aan een bron, waarbij een vreemd bewerkte drinkhoorn hing. Toen hij dien vulde om er uit te drinken kwam er uit de bron een dof, dreigend gemompel, maar hij had te veel dorst, om zich daaraan te storen, en hij dronk volop. Kort daarop kwam een gewapend krijgsman door het bosch, die hem heftige verwijten deed, omdat hij uit zijn bron had gedronken. Toen vochten de Ridder van de Bron en Dermot den geheelen namiddag met elkander, zonder dat de een den ander de baas kon worden; toen het avond werd sprong de ridder eensklaps in de bron en verdween. Den volgenden dag gebeurde hetzelfde; op den derden dag echter, sloeg Dermot, toen de ridder den sprong wilde doen, de armen om hem heen, en beiden gingen samen in de diepte.

De verlossing uit het Tooverland.

Dermot bevond zich nu, na een oogenblik van duisternis en bewusteloosheid, in het Tooverland. Een man met een waardig uiterlijk deed hem bijkomen en bracht hem naar het kasteel van een machtig koning, waar hij gastvrij werd onthaald. Men beduidde hem dat de diensten van een kampioen als hij noodig waren om strijd te voeren tegen een mededingend monarch. Het is hetzelfde motief dat men vindt in de avonturen van Cuchulain met Fand en dat zoo dikwijls in Keltische tooververhalen opduikt. Finn en zijn makkers, ziende dat Dermot niet tot hen terugkeerde, bereikten den top der klippen en na door het bosch te zijn getrokken, kwamen zij aan een groot hol, dat hen ten slotte voerde naar hetzelfde land waar Dermot was aangekomen. Ook vernamen zij dat daar waren de veertien mannen der Fianna, die met de merrie van den Harden Gilly waren meegevoerd. Hij was natuurlijk de koning die hun diensten noodig had en die dit middel had bedacht om een dertigtal van den bloem der Iersche krijgslieden tot zich te lokken. Finn en zijn mannen gaan met de grootste opgewektheid ten strijde en vernietigen den vijand als kaf; Oscar doodt den zoon van den mededingenden monarch (die de Koning van “Griekenland” is geheeten). Finn verwerft de liefde van zijn dochter, Tasha met de Blanke Armen, en het verhaal besluit met een aardige mengeling van vroolijkheid en mysterie. “Welke belooning verlangt ge voor uw goede diensten?” vraagt de Tooverkoning aan Finn. “Gij waart vroeger in mijn dienst,” antwoordt Finn, “en ik herinner me niet u eenige belooning te hebben gegeven. Laat de eene dienst tegenover de andere staan.” “Daar zal ik nooit in toestemmen,” roept Conan de Kale. “Zal ik geen vergoeding krijgen voor het wegvoeren op uw wilde merrie en over de zee?” “Wat verlangt ge?” vraagt de Tooverkoning. “Geen goud of bezittingen,” antwoordt Conan, “maar mijn eer heeft geleden en laat deze voldoening krijgen. Zet tien van uw mooiste vrouwen op de wilde merrie, o koning, en laat uw eigen vrouw haar bij den staart vasthouden, en laat hen naar Eria worden overgebracht, op dezelfde wijze als wij hierheen werden gesleept, en ik zal den smaad, dien wij ondergingen, voldoende geboet achten.” Daarop glimlachte de koning, en zich tot Finn wendend zeide hij: “O Finn, aanschouw uw mannen.” Finn keerde zich om, om naar hen te kijken, maar toen hij weer omkeek was het tooneel veranderd—de Tooverkoning en zijn heir en de geheele Tooverwereld waren verdwenen en hij bevond zich met zijn metgezellen en de schoonarmige Tasha, staande op den oever van de kleine baai in Kerry, van waaruit de Harde Gilly en de merrie in zee waren gegaan en zijn mannen hadden weggevoerd. En toen maakten allen zich blijde op naar het groote vaste kamp der Fianna op den Heuvel van Allen, om het bruilofsfeest van Finn en Tasha te vieren.

De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche literatuur.

Dit verhaal met zijn boeiende mengeling van humor, fantasie, tooverij en wilde liefde, kan worden beschouwd als een typisch staal van de Fian-legenden op hun best. Vergeleken met de Conoriaansche legenden wijzen zij, zooals ik heb aangeduid, op een eigenaardig gebrek aan eenig heroïsch of ernstig element. Deze edeler stemming stierf uit, naarmate het Christendom meer veld won, dat zich voor bepaalde godsdienstige doeleinden meester maakte van den ernstiger verhevener kant van den Keltischen geest, aan de wereldsche literatuur alleen de elementen van het wonderbaarlijke en romantische overlatend. Zoo volkomen geschiedde dit, dat terwijl de Finn-legenden tot op heden zijn blijven leven onder de Galisch sprekende bevolking en een onderwerp van letterkundige behandeling waren zoolang het Galisch nog werd geschreven, de vroegere cyclus bijna geheel uit de volksherinnering verloren ging, of alleen gebrekkig bleef leven; en zonder de eerste handschriften, waarin de verhalen gelukkig zijn bewaard gebleven, zou zulk een werk als de “Tain Bo Cuailgné”—ongetwijfeld het grootste dat de Keltische geest ooit in de literatuur voortbracht—thans onherroepelijk verloren zijn.

De verhalen van Deirdre en Grania.

Niets kan het onderscheid tusschen de beide cyclen beter toelichten dan een vergelijking van het Deirdre-verhaal met dat hetwelk wij nu moeten behandelen—het verhaal van Dermot en Grania. Dit laatste klinkt van een zeker standpunt beschouwd als een echo van het eerste, zoo groot is de overeenkomst tusschen beiden in de intrige. Daar hebt ge de volgende geschiedenis in geraamte: “Een schoone maagd is verloofd met een befaamd en machtig minnaar, veel ouder dan zij zelf. Zij wendt zich van hem af om een jonger minnaar te zoeken en vestigt haar keus op een van zijn volgelingen, een dappere en schoone jongeling, dien zij, hoewel tegen zijn zin, overreedt met haar te vluchten. Na aan de vervolging te zijn ontkomen, vestigen zij zich voor een poos op een afstand van den bedrogen minnaar, die zijn tijd afwacht, totdat hij ten slotte onder den schijn eener verraderlijke verzoening, den dood van zijn jongeren medeminnaar weet te bewerken en hij de vrouw weer in zijn macht krijgt”. Vroeg men een beoefenaar van Keltische legenden naar bovenstaand overzicht te luisteren en te zeggen op welk verhaal het sloeg, hij zou zeker antwoorden dat het moet zijn of het verhaal van de Vervolging van Dermot en Grania, of dat van het Lot der Zonen van Usna; maar welk van de beide zou hij bepaald onmogelijk kunnen zeggen. Toch zijn de beide verhalen in toon en karakter hemelsbreed verschillend.

Grania en Dermot.

In het Fian-verhaal is Grania de dochter van Cormac mac Art, Opperkoning van Ierland. Zij is verloofd met Finn mac Cumhal, dien we in dezen tijd hebben te beschouwen als een oud en in den oorlog vergrijsd, maar nog machtig krijgsman. De beroemde hoofdlieden der Fianna komen allen te Tara bijeen voor het bruiloftsfeest, en als zij aan het maal zijn gezeten, laat Grania haar blikken over hen gaan en vraagt hun namen aan haar vader’s Druïde, Dara. “Het is vreemd” zegt zij, “dat Finn mij niet voor Oisīn vroeg, in plaats van voor zich zelf. “Oisīn zou u niet durven nemen,” zegt Dara. Na de ronde te hebben gedaan door het gezelschap, vraagt Grania: “Wie is die man met de vlek op zijn voorhoofd, met de lieflijke stem, krullend donker haar en blozende wangen?” “Dat is Dermot O’Dyna,” antwoordt de Druïde, “met de witte tanden, helder gelaat, de beste minnaar van vrouwen en maagden in de geheele wereld.” Nu bereidt Grania een slaapdrank, dien zij door haar vrouwelijke bediende in een beker laat rondgaan bij den koning, bij Finn en het geheele gezelschap, met uitzondering van de hoofden der Fianna. Als de drank zijn werking heeft verricht, gaat zij tot Oisīn. “Wilt ge dat ik u minne, Oisīn?” vraagt zij. “Dat wil ik niet,” zegt Oisīn, “en ook geen andere vrouw die met Finn verloofd is.” Grania, die heel goed wist wat Oisīn’s antwoord zou zijn, wendt zich nu tot Dermot, op wien zij het in werkelijkheid begrepen had. Eerst weigert hij iets met haar te maken te hebben. “Ik leg u de verplichting (geise) op, o Dermot, mij hedenavond uit Tara te voeren.” “Dat is een slechte verplichting,” zegt Dermot, “en waarom legt ge mij die op en niet aan de koningszonen die aan deze tafel zijn gezeten?” Grania verklaart dan dat zij Dermot altijd heeft lief gehad sedert zij hem, jaren tevoren van uit haar zonnig prieel, zag deelnemen aan een grooten werpwedstrijd, op de weide te Tara, en dien winnen. Dermot, nog altijd zeer onwillig, bepleit Finn’s verdiensten en voert bovendien aan dat Finn de sleutels der koninklijke vesting heeft, zoodat zij die ’s nachts niet kunnen verlaten. “In mijn priëel is een geheime poort,” zegt Grania. “Ik ben onder geise niet door een poort te gaan,” antwoordt Dermot, nog worstelend tegen zijn noodlot. Grania wil niets van deze uitvluchten weten—men heeft haar gezegd dat elke Fian-krijgsman over een palissade kan springen met behulp van zijn speer als polsstok; en zij gaat alles in gereedheid brengen voor haar schaking. In groote verlegenheid wendt Dermot zich tot Oisīn, Keelta, Oscar en de anderen, om te weten wat hij moet doen. Allen heeten hem zijn geise na te komen—de verplichting die Grania hem had opgelegd om haar te helpen—en met tranen neemt hij afscheid van hen.

Dermot en Grania
Dermot en Grania

Dermot en Grania

De vervolging.

Den volgenden dag begeeft Finn, ziedend van woede, zich met zijn krijgers op weg en volgt hun spoor. Hij spoort elke stopplaats op, en vindt de steenen hut die Dermot voor hen maakte als schuilplaats, en het bed van biezen, en de overblijfselen van het maal dat zij hadden gegeten. En telkens vindt hij een stuk brood, of rauwe zalm—waardoor Dermot Finn op een fijne manier doet weten dat hij de rechten van zijn heer heeft geëerbiedigd en Grania als een zuster heeft behandeld. Maar deze kieschheid van Dermot is heelemaal niet naar den zin van Grania, en zij geeft hem haar wenschen te kennen op een wijze die merkwaardig overeenkomt met een episode in het verhaal van Tristan en Isolde van Bretagne, zooals dat door Heinrich von Freiberg wordt gedaan. Zij gaan door een natte plek en Grania wordt met water bespat. Zij wendt zich tot haar metgezel: “Gij zijt een geweldig krijgsman, o Dermot, in den slag, bij belegeringen en rooftochten, toch komt het mij voor dat deze waterdroppel meer durf heeft dan gij.” Deze wenk dat hij zich op een te eerbiedigen afstand hield, werd door Dermot begrepen. De teerling is nu geworpen en voortaan zal hij Finn en zijn vroegere makkers nooit meer ontmoeten dan met gevelde speer.

Het verhaal verliest nu veel van de oorspronkelijkheid en bekoring van het begin en somt een beetje droog een aantal episoden op, waarin Dermot door de Fianna wordt aangevallen of belegerd, en zich en zijn gezellen redt door wonderen van stoutheid of handigheid, of door middel van de tooverkunsten van zijn pleegvader, Angus Ōg. Zij worden over geheel Ierland achterna gezet en de dolmens in dat land worden door het volk met hen in verband gebracht, daar zij in de overleveringen van de boeren “Bedden van Dermot en Grania” worden genoemd.

Het karakter van Grania is steeds met groote consequentie geteekend. Zij is geen heldhaftige vrouw—zij heeft niet de eenvoudige, vurige aandriften en onwankelbare toewijding van een Deirdre. Deze laatste is veel primitiever. Grania is een merkwaardig modern en wat men noemen zou “hysterisch” type—eigenzinnig, ongedurig, hartstochtelijk, maar vol vrouwelijke bekoring.

Dermot en Finn sluiten vrede.

Maar Grania is niet tevreden voordat “de twee eerste mannen in Erin, namelijk Cormac zoon van Art en Finn zoon van Cumhal” in haar huis zijn onthaald. “En wie weet,” voegt zij er bij, “of onze dochter dan niet een geschikten echtgenoot zou vinden?” Dermot geeft een beetje angstig toe; de Koning en Finn nemen de uitnoodiging aan en zij en hun gevolg worden een jaar lang in Rath Grania ontvangen.

Finn’s wraak.

Op zekeren nacht, tegen het eind van jaar, wordt Dermot uit zijn slaap gewekt door het blaffen van een hond. Hij schrikt op, “zoodat Grania hem vast hield en haar armen om hem heen sloeg en vroeg wat hij gezien had.” Het is het geluid van een hond”, zegt Dermot, “en het is vreemd dat ik dat in den nacht hoor.” “De Goden mogen u beschermen,” zegt Grania; “dat is het Danaanschvolk, dat u verontrust. Ga weer liggen.” Maar driemaal maakt het hondengeblaf hem wakker en ’s morgens trekt hij gewapend met zwaard en slinger op, gevolgd door zijn hond, om te zien wat er gaande is.

Op den berg van Ben Bulben in Sligo ontmoet hij Finn met een jachtgezelschap van de Fianna. Zij zijn nu evenwel niet op de jacht, maar worden opgejaagd; want zij hebben het betooverd wild zwijn zonder ooren of staart, het Everzwijn van Ben Bulben, doen ontwaken, dat dien morgen dertig hunner heeft gedood. “En gij, maak u uit de voeten,” zegt Finn, wel wetend dat Dermot nimmer voor een gevaar zal terugdeinzen; “want gij zijt onder geise geen zwijn te jagen.” “Hoe zoo?” zegt Dermot en Finn vertelt hem de onheilspellende geschiedenis van den dood van het opzichterskind en zijn herleving in de gedaante van dit zwijn en zijn opdracht van wraak. “Op mijn woord,” sprak Dermot, “het is om mij te dooden dat gij deze jacht zijt begonnen, o Finn; en indien het mijn lot is dat ik hier zal sterven, heb ik nu niet de macht het te ontgaan.”

Het beest verschijnt op den berg en Dermot laat den hond op hem los, maar de hond vlucht verschrikt. Dan slingert Dermot een steen, die het zwijn precies in het midden van zijn voorhoofd raakt, maar het den huid zelfs niet schramt. Het beest is nu vlak bij hem en Dermot slaat het met zijn zwaard, maar het wapen vliegt in twee stukken en niet éen borstel van het zwijn is afgesneden. Bij den aanval op het zwijn valt Dermot er over heen en wordt een eindje gedragen, zich aan den rug vasthoudend; ten slotte echter schudt het zwijn hem af op den grond en hem “heftig met buitengewone kracht bespringend,” rijt het Dermot’s ingewanden uit zijn lijf, terwijl Dermot, die het gevest van zijn zwaard nog in de hand heeft, het beest de hersens inslaat, zoodat het dood naast hem neer valt.

“De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart”
“De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart”

“De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart”

Dood van Dermot.

Dan komt de onverzoenlijke Finn nader en bukt zich over Dermot in zijn doodsstrijd. “Het behaagt mij wel u in dezen toestand te zien, o Dermot,” zegt hij, “en ik zou willen dat alle vrouwen in Ierland u nu zagen; want uw uitnemende schoonheid is in leelijkheid en uw prachtige gestalte in mismaaktheid verkeerd.” Dermot herinnert Finn er aan, hoe hij hem eens van een doodelijk gevaar redde toen hij in het huis van Derc tijdens een feest werd aangevallen, en smeekt dat hij hem zal genezen met een dronk waters uit zijn handen, want Finn heeft het tooververmogen een gewonde gezond te maken met een dronk bronwater in zijn beide handen opgehaald. “Hier is geen bron,” zegt Finn. “Dat is niet waar,” zegt Dermot, “want negen schreden van u af is de beste bron van zuiver water in de wereld.” Ten slotte gaat Finn, op verzoek van Oscar en de Fianna en na herinnering aan de vele daden in vroeger dagen door Dermot om zijnent wil gedaan, naar de bron, maar voordat hij het water bij Dermot brengt, laat hij het door zijn vingers vallen. Hij gaat nogeens en andermaal laat hij het water vallen, “al denkend over Grania”, en Dermot slaakt een zucht van angst als hij dat ziet. Oisīn verklaart dan dat als Finn het water niet aanstonds brengt, hij of Finn den berg niet levend zal verlaten en Finn gaat nog eens naar de bron, maar het is nu te laat; Dermot is dood voordat de genezende dronk zijn lippen kan bereiken. Dan neemt Finn Dermot’s hond, de hoofden der Fianna leggen hun mantels over den doode en zij keeren terug naar Rath Grania. Grania, den hond ziende die door Finn wordt geleid, begrijpt wat er gebeurd is en valt in zwijm op den wal van de Rath. Als zij tot bewustzijn is teruggekeerd geeft Oisīn haar de hond, tegen den zin van Finn, en de Fianna trekt af, haar met haar smart alleen latend. Als de menschen van Grania’s huishouding naar buiten gaan om het lijk van Dermot binnen te halen vinden zij daar Angus Ōg en zijn troep van het Volk van Dana, die, na drie vreeselijke, smartelijke kreten te hebben aangeheven, het lijk op een vergulde baar wegdragen en Angus verklaart, dat hoewel hij den doode niet weer levend kan maken, “ik zal een ziel in hem brengen, zoodat hij elken dag met mij kan spreken.”

Grania’s einde.

Twee stroomingen van Fian-legenden.

Men zal opgemerkt hebben dat in deze legende Finn niet als een sympathieke figuur optreedt. Al onze belangstelling is voor Dermot. Van dit standpunt bezien is het verhaal typisch voor een zekere klasse van Fian-vertellingen. Zooals er twee mededingende stammen waren in de Fian-organisatie—de Clan Bascna en de Clan Morna—die soms om de oppermacht slaags raakten, zoo zijn er twee stroomingen van legenden, die respectievelijk uit de eene of de andere van die bronnen schijnen te komen; in een ervan wordt Finn verheerlijkt, terwijl hij in de andere wordt verkleind ten gunste van Goll mac Morna, of een anderen held met wien hij in botsing komt.

Einde van de Fianna.

De geschiedenis van het einde der Fianna wordt verteld in een aantal stukken, sommige in proza, andere in verzen, alle echter daarin overeenstemmend, dat zij deze gebeurtenis als een stuk zuivere geschiedenis weergeven, zonder iets van de bovennatuurlijke en mystieke atmosfeer, waarin bijna al de Fian-legenden zijn gedompeld.

Na den dood van Cormac mac Art werd zijn zoon Cairbry Opperkoning van Ierland. Hij had een schoone dochter genaamd Sgeimh Solais (Licht van Schoonheid) die ten huwelijk werd gevraagd door een zoon van den Koning der Decies. Tot het huwelijk werd besloten en de Fianna eischte een losgeld of schatting van twintig baren goud, wat hun, naar men zegt, in den regel bij zulke gelegenheden werd betaald. Naar het schijnt was de Fianna nu een bijzondere macht in den Staat geworden, en een drukkende macht, die zware schattingen en lastige privilegiën eischte van koningen en onderkoningen in geheel Ierland. Cairbry besloot haar er onder te krijgen en hij meende nu een goede gelegenheid daartoe te hebben. Hij weigerde daarom betaling van het losgeld en riep al de koningen der provincies op hem tegen de Fianna te helpen; de hoofdtroep daarvan kwam onmiddellijk in opstand voor hetgeen zij hun rechten achtten. Nu brak de oude veete tusschen Clan Bascna en Clan Morna opnieuw uit; laatstgenoemde koos de zijde van den Opperkoning, terwijl Clan Bascna, bijgestaan door den Koning van Munster en zijn troepen, die alleen hun zijde kozen, tegen Cairbry optrok.

De slag van Gowra.

“Mijn zoon spoedde zijn vaart Door de strijdscharen van Tara Als een havik schiet door een vogel-vlucht, Of een rotsblok wentlend een bergrug af.”

De dood van Oscar.

Het was een strijd op leven en dood en de slachting was aan beide zijden geweldig. Alleen oude mannen en knapen, zegt men, bleven in Erin over na dat gevecht. De Fianna werd bijna geheel uitgeroeid en Oscar kwam om. Hij en de Koning van Ierland, Cairbry, vochten met elkander en de een doodde den ander. Terwijl Oscar nog adem haalt, al was er op zijn lijf geen hand breedte meer zonder een wond, vond zijn vader hem:

“Ik vond hem liggend, mijn eigen zoon, Op zijn linker elboog, het schild aan de zij; Zijn rechter hand omknelde het zwaard, Door zijn kolder vloeide het bloed.

“Oscar blikte naar mij op— Wee was mij dat gezicht! Hij strekte beide’ armen naar mij uit, Trachtend op te rijzen en mij te gemoeten.

“Ik greep de hand van mijn zoon En zette mij aan zijn linker zij; En sinds ik daar zat bij hem, Kon niets op aarde meer mij deren.”

Wanneer Finn (in de Schotsche lezing) om zijn kleinzoon komt treuren, roept hij uit:

“Wee, dat niet ik het was die viel In den slag van het kaal zonnig Gavra. En dat gij schreedt rechts en links Voor de Fians uit, Oscar.

Maar Oscar antwoordt:

“Waart gij de gevallene In den slag van het kaal zonnig Gavra. Niet één zucht, rechts noch links, Zou om u gehoord zijn van Oscar.

“Niemand wist ooit Sloeg in mijn borst een hart van vleesch, Dan wel een van kronkelend hoorn En daar over een schede van staal.

“Maar het huilen der doggen naast mij, En de weeklacht der oude helden, En het beurlings weenen der vrouwen, Dat kwelt mij het hart.”

Oscar sterft na de goden te hebben gedankt voor zijn vader’s redding, Oisīn en Keelta lichten hem op een baar van speren en dragen hem weg onder zijn banier “De Vreeselijke Schoof”, om te worden begraven op het veld waarop hij stierf en waar een groote groene grafheuvel nog zijn naam draagt. Finn neemt geen deel aan den slag. Men zegt dat hij later “met een schip” kwam om het slagveld te overzien en dat hij schreide om Oscar, iets dat hij nog slechts eenmaal te voren had gedaan, om zijn hond Bran, dien hij zelf bij ongeluk doodde. Misschien is de vermelding van het schip een aanwijzing, dat hij toen niet meer tot de levenden behoorde en de aarde weer kwam bezoeken van uit het overzeesche rijk des Doods.

Er is in dit verhaal van den slag van Gowra een melancholieke grootschheid, die daaraan een bijzondere plaats geeft in de Ossian’sche literatuur. Het is een passende lijkzang voor een legendair tijdvak. Campbell vertelt ons dat de Schotsche boertjes en schaapherders gewoon waren hun mutsen af te zetten als zij het opzegden. Hij voegt er een zonderling en roerend brok modern folklore bij, dat daarmee in verband staat. Twee mannen, zoo heet het, waren ’s nachts uit, waarschijnlijk om schapen te stelen, of voor een andere roofexpeditie, en onder het gaan vertelden zij Fian-verhalen, toen zij twee reusachtige schimachtige gedaanten zagen die met elkander spraken over het dal heen. Een van de verschijningen zeide tot de andere: “Ziet ge dien man daar beneden? Ik was bij de tweede gevechtslijn op den dag van Gowra en deze man daar weet alles daarvan beter dan ik zelf”.

Het einde van Finn.

Wat Finn zelf aangaat, het is zonderling dat in al wat er bestaat van de Ossian’sche literatuur geen volledig verhaal van zijn dood voorkomt. In de dichterlijke legenden wordt er van gewaagd en schrijvers van annalen bepalen zelfs den datum er van, maar de berichten komen niet overeen en dat geldt ook van de data. Noch van de schrijvers van annalen, noch van de dichters kan over het onderwerp helder licht worden verkregen. Finn schijnt te zijn opgelost in den toovernevel, die zoovele van zijn daden bij zijn leven omgeeft. Maar volgens een volkoverlevering stierven hij en zijn groote metgezellen Oscar en Keelta en Oisīn en de rest nooit, maar worden zij, evenals Keizer Barbarossa, vastgehouden in een betooverd hol, waar zij den bepaalden tijd afwachten om roemrijk weer te verschijnen en hun land te verlossen van tirannie en onrecht.

Notes in this chapter

Note 1 · In het Engelsch uitgesproken als “mac Cool”.Note 2 · In het Engelsch uitgesproken als “Usheen”.Note 3 · Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat de tegenwoordige herleving van het Galisch als een gesproken taal, tot het begin van een nieuw hoofdsNote 4 · Nu Castleknock, bij Dublin.Note 5 · In de Graafschap van den koning.Note 6 · De heuvel draagt nog den naam, Knockanar.Note 7 · Glanismole, bij Dublin.Note 8 · Talkenn, of Houweel-hoofd, was een naam dien de Ieren aan St. Patrick gaven. Vermoedelijk sloeg dat op den vorm van zijn tonsuur.Note 9 · Uit te spreken als “Sleeve-na-món”, klemtoon op de laatste lettergreep. Het beteekent de Berg van de (Toover) Vrouwen.Note 10 · Naar de (Engelsche) vertaling van S. H. O’Grady.Note 11 · Zie blz. 90.Note 12 · Voorbeelden hiervan zijn met vertalingen opgenomen in de “Handelingen van het Ossian’sch Genootschap.”Note 13 · Ontleend aan het verhaal van een boer in het graafschap Galway en te Rennes uitgegeven in Dr. Hyde’s “An Sgeuluidhe Goadhalach”, vol. ii (geNote 14 · Thans Athlone (Atha Luain).Note 15 · Hoe kenmerkend is deze naïeve aanwijzing dat het houden van strooptochten bij zijn buren in Keltisch Ierland werd beschouwd als de natuurlijNote 16 · Dr John Todhunter alleen, geloof ik, heeft in zijn “Three Irish Bardic Tales,” zich gehouden aan het antieke slot van het verhaal van DeirdrNote 17 · Dit doet denken aan Shakespeare’s “Richard III” (Noot v.d.v.)Note 18 · “Waifs and Strays of Celtic Tradition”, Argyllshire-reeks. Het verhaal werd in verzen opgeteekend, woord voor woord, uit den mond van RoderiNote 19 · Evenals de verhalen van den Cyclus van Ulster zich concentreeren om de heldenfiguur van den hond van Cullan, zoo concentreeren zich die van Note 20 · De oudste verhalen van dezen cyclus, die nog zijn overgebleven, worden gevonden in handschriften der elfde en der twaalfde eeuw, en werden wNote 21 · Finn stamde, zooals de meeste Iersche helden, gedeeltelijk af van het Volk van Dana. Zijn moeder, Murna met den Witten Nek, was de kleindochNote 22 · Murna zocht na de nederlaag en den dood van Cumhal een schuilplaats in de bosschen van Slieve Bloom,5 en daar bracht zij een jongen ter wereNote 23 · Hoewel Conan een lafaard was en hij zich zelden in een gevecht waagde met de Fianna, viel toch eens, aldus luidt het verhaal, een sterk man Note 24 · Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op de plek geheeten het Dal van de Lysters7, zag hij op een veld op den heuNote 25 · Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold, kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen op den grond, het Note 26 · De geschiedenis vertelt verder dat kort daarna Finn’s honden, Bran en Skolawn, een hert opjoegen bij den Heuvel van Allen en het noordwaartsNote 27 · “O, bron van het Strand der twee Vrouwen, schoon is uw kers, weelderig en vertakt; sedert uw productie ongerept bleef, kan uw beekpunge nietNote 28 · Zij gaan samen, de krijgsman en de heilige, als Patrick naar Tara reist, en telkens wanneer Patrick of een ander van het gezelschap een heuvNote 29 · In de Oisīn-dialogen12 is veel ruwe scherts en onrijpe theologie, meer overeenkomstig die van een Engelsch mysteriespel dan eenig mij bekendNote 30 · Hij heette Dermot van de Liefde-Vlek en een eigenaardige en mooie volksmythe door dr. Douglas Hyde13 opgeteekend vertelt hoe hij aan die benNote 31 · Buiten het prieel gekomen smeekte hij Grania andermaal terug te keeren. “Ik zal zeker niet terug gaan,” zegt Grania, “of van u scheiden voorNote 32 · Na zestien jaar vogelvrij te zijn verklaard, wordt ten slotte voor Dermot vrede verkregen, door tusschenkomst van Angus, met Koning Cormac eNote 33 · Bij een verhaal als dit behoort voor den modernen smaak een romantisch en sentimenteel besluit; en dat is dan ook daaraan gegeven toen dr. PNote 34 · Dat alles klinkt zeer zakelijk en waarschijnlijk, maar hoeveel werkelijkheid daarin steekt is zeer moeilijk te zeggen. De beslissende slag v
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings