Note 8 — Hoofdstuk VI: Verhalen uit den Cyclus van Ossian.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Toen het volk zag, dat het gericht dat voltrokken was niet hun gold, kwam het terug en vond den ouden man voorover liggen op den grond, het gezicht in de armen verborgen. Zij lichtten hem op en vroegen wie hij was en wat hem was overkomen. Oisīn keek met doffen blik om zich en zeide toen: “Ik was Oisīn, de zoon van Finn, en ik bid u, zeg mij waar hij woont, want zijn burcht op den Heuvel van Allen is nu een wildernis en ik heb hem niet gezien of zijn jachthoorn gehoord van de westelijke tot de oostelijke zee”. Toen keken de mannen elkander en Oisīn vreemd aan, en de opzichter vroeg: “Welken Finn bedoelt gij, want daar zijn velen van dien naam in Erin?” Oisīn zeide: “Natuurlijk Finn mac Cumhal mac Trenmōr, hoofdman van de Fianna van Erin”. Toen zeide de opzichter: “Gij zijt gek, oude man, en ge hebt ons gek gemaakt, dat we u hielden voor een jongeling, zooals wij straks deden. Maar wij althans zijn nu weer bij ons verstand, en wij weten dat Finn zoon van Cumhal en zijn geheel geslacht al drie honderd jaren dood zijn. In den slag van Gowra viel Oscar, zoon van Oisīn, en Finn in den slag van Brea, zooals de geschiedschrijvers ons vertellen, en de liederen van Oisīn, van wien niemand weet hoe hij gestorven is, worden op groote lui’s feesten door onze harpspelers gezongen. Maar nu is de Talkenn8, Patrick, in Ierland gekomen en heeft ons gepreekt van den Eenigen God en van Christus zijn Zoon, door wier macht een einde is gemaakt aan die vroegere tijden en gebruiken; en Finn en zijn Fianna, met hun festijnen en jachten en krijgs- en minnezangen, worden niet zoo bij ons geëerd als de monnikken en de maagden van den Heiligen Patrick en de psalmen en gebeden die dagelijks opgaan om ons te reinigen van zonden en ons te redden van het vuur van het laatste oordeel”. Maar Oisīn antwoordde, slechts half hoorend en nog minder begrijpend wat tegen hem was gezegd: “Indien uw God Finn en Oscar heeft gedood, zou ik zeggen dat God een sterk man is”. Toen gingen zij allen tegen hem te keer en sommigen namen steenen op, maar de opzichter verzocht hen hem met rust te laten totdat de Talkenn met hem had gesproken en totdat hij zou gelasten wat met hem zou geschieden.