Note 7 — Hoofdstuk VI: Verhalen uit den Cyclus van Ossian.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Maar toen hij dicht bij de oostelijke zee kwam en zich nu bevond op de plek geheeten het Dal van de Lysters7, zag hij op een veld op den heuvelkant een aantal mannen, die een grooten rolsteen van hun beploegd land trachtten te wentelen, en een opzichter die hun bevelen gaf. Hij reed op hen af met het voornemen hun te vragen naar Finn en de Fianna. Toen hij naderde hielden allen met hun werk op om hem aan te staren, want hij leek hun een bode van het Toovervolk of een engel uit den hemel. Hij was langer en forscher dan de mannen die zij kenden, met staalblauwe oogen en gebruinde blozende wangen; in zijn mond als het ware rijen paarlen en blond haar krulde onder den helmrand uit. En toen Oisīn naar hun nietige gestalten keek, door arbeid en zorg gekromd, en naar den steen dien zij met moeite uit zijn bedding trachtte te lichten, werd hij door medelijden bezield en hij dacht bij zichzelf: “Zóó waren zelfs niet de lijfeigenen van Erin toen ik ging naar het Land der Jeugd” en hij bukte van uit zijn zadel om hen te helpen. Hij zette zijn hand tegen den steen en met een geweldigen ruk lichtte hij hem op en liet hem van den heuvel rollen. En de mannen juichten hem in verbazing toe; maar weldra ging hun gejuich over in kreten van schrik en verslagenheid, en zij vluchtten, elkander verdringend en omver gooiend in hun haast om weg te komen van de vreeselijke plek, want een verschrikkelijk wonder had plaats gehad. Oisīn’s zadelriem was gebroken terwijl hij den steen had opgelicht en hij viel met het hoofd voor op den grond. Oogenblikkelijk daarna was het witte ros uit hun oogen verdwenen als een kring van mist en dat wat zwak en waggelend van den grond oprees was geen jeugdig krijgsman, maar een hoogbejaard man, met witten baard en uitgedroogd, die tastend de handen uitstrekte en zwak en bitter kreunde. En zijn donkerroode mantel en geel zijden tuniek waren nu slechts grove eigengesponnen stof met een gordel van hennep bevestigd en het zwaard met goud gevest was een ruwe eiken stok, zooals bedelaars dragen, die de wegen afloopen van het eene boerenhuis naar het andere.