Woordenlijst en Bladwijzer.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De uitspraak van Keltische namen.
Het is onmogelijk de namen nauwkeurig weer te geven zonder de levende stem. Maar met behulp van de phonetische teekens hier gegeven, waar dat noodig is, en lettend op de volgende algemeene regelen, zal de lezer de juiste uitspraak zoo nabij komen als dat voor hem noodig kan zijn.
I. Galisch.
Klinkers worden uitgesproken als in het Fransch of Duitsch: dus i (lang) als ee, e (lang) als a in “date” u (lang) als oo. Een schrapje boven een letter beteekent dat die lang is; dūn wordt dus uitgesproken “doon” (niet “dewn”).
ch is een keelklank, zooals in het woord “loch.” Hij wordt nooit uitgesproken met een t klank, zooals in het Engelsch “chip”.
c is altijd gelijk k.
gh is stom, zooals in het Engelsch.
II. Kimbrisch.
w als medeklinker wordt uitgesproken als in het Engelsch; is zij een klinker als oo.
yals ee zoo ze lang is, als u in “but”, zoo ze kort is.
ch en c als in het Galisch.
dd is als th in “breathe”.
f is als v; ff als Engelsche f.
De Engelsche lezer wage zich maar liever niet aan den klank ll. Het is een dikke l, zooiets tusschen cl en th.
A.
Abred. De binnenste van drie concentrische cirkels voorstellende al het bestaande in de Kimbrische theorie van de schepping der wereld—het stadium van strijd en evolutie, 307.
Aeda (ay’da). 1. Dwerg van Koning Fergus mac Leda, 226; 2. Koninklijke aspirant naar de hand van Vivionn; Vivionn gedood door, 264.
Aeduans. Bedreven in het pletten van koper en tin, 27.
Aegira. Gewoonte van de priesters der Aarde te, in Achaea, alvorens te waarzeggen, 150.
Aesun. Godheid der Umbriërs, 71.
Aesus. Godheid door Lucanus vermeld, 71.
Aed de Blonde (Aed Finn). Voornaamste wijze van Ierland; schrijver van “De reis van Maeldūn”, 304.
Aei. Vlakte van, waar de Bruine Stier van Quelgny den Stier van Ailell ontmoet en doodt, 206.
Afrikaansche Oorsprong. De primitieve bevolking van Groot-Brittannië en Ierland; taalgetuigenis doet denken aan, 62.
A’gnoman. Vader van Nemed, 83.
Aideen. Vrouw van Oscar, sterft van smart na Oscar’s dood, wordt begraven op Ben Edar (Howth), 240.
Aifa. Prinses van het Land der Schimmen, oorlog tegen haar gevoerd door Skatha, Cuchulain overwint haar door een list; haar leven voorwaardelijk gespaard door Cuchulain, zij brengt een zoon ter wereld, Connla geheeten, 171–175.
Aileach. Vesting in het graafschap Donegal, waar Ith Mac Cuill hoort en zijn broeders de verdeeling van het land regelen, 117.
Ailill, of Ailell. 1. Zoon van Laery, verraderlijk door zijn oom Covac gedood, 136. 2. Broeder van Eochy; zijn wanhopige liefde voor Etain, 143–144. 3. Koning van Connacht, 106; Angus Ōg zoekt zijn hulp, 106; Fergus zoekt zijn hulp, 185; helpt in een rooftocht tegen de provincie Ulster, 185; de witgehoornde Stier van, gedood door den Bruinen Stier van Quelgny, 206; sluit voor zeven jaren vrede met Ulster, 207; jachthond van mac Datho zet den wagen achterna van, 223; gedood door Conall, 224.
Ailill Rand van den Slag. Van den stam van de Owens van Aran; vader van Maeldūn, gedood door roovers uit Leix, 286.
Ailill Olum. Koning van Munster; schaakt Ainé en wordt door haar gedood, 112.
Ainé. Een minnegodin, dochter van den Danaan Owel, Ailill Olum en Fitzgerald haar minnaars, moeder van Graaf Gerald, nog vereerd op den avond voor St. Jan, verschijnt op een St. Jan’s avond te midden van meisjes op den Heuvel, 112, 113.
Ainlé. Broeder van Naisi, 180.
Alexander de Groote. Beweging van Hellas tegen het Oosten onder, 6; verbond met de Kelten door Ptolemeus Soter vermeld, 7.
Allen, Romilly. Over Keltische kunst, 14.
Allen, Heuvel van. In Kildare; Finn’s voornaamste vesting, 244, 251.
Amasis I. Menschenoffers afgeschaft door, 70.
Amathaon. Zoon van Dōn en de ploegtaak, 359.
Amergin. Milesische dichter, zoon van Miled, echtgenoot van Skena, zijn vreemd lied, gezongen toen hij voor het eerst den Ierschen bodem betrad, zijn uitspraak tusschen de Milesiërs en de Danaans; zingt een bezwering tot het land van Erin, 118–20; als Druïde doet hij uitspraak aangaande aanspraken op oppermacht van Eremon en Eber, 132; Ollar Fōla vergeleken met, 134.
Ammianus Marcellinus. Galliërs beschreven door, 26.
Amorgin. Vader van Conall van de Overwinningen, 160.
Amyntas II. Koning van Macedonië, verslagen en verbannen, 6.
Angel-Saksisch. Wace’s Fransche vertaling van “Historia Regum Britaniae”, vertaald door Layamon in het, 311.
Angus. Godheid der Danaans, 127. Zie Angus Ōg.
Angus Ōg (Angus de Jonge). Zoon van den Dagda, Iersche minnegod, dingt naar Caer en krijgt haar, Dermot met den Liefde-vlek grootgebracht met, Dermot met den Liefde-vlek weer in het leven geroepen door, 106, 107; vader van Maga, 164; Dermot en Grania verlost door tooverkunsten van, 276; Dermot’s lijk weggedragen door, 279.
Ankh, de. Gevonden op insnijdingen bij steenen, 62; zinnebeeld van levenskracht of opstanding, 62.
Anluan. Zoon van Maga; doet mee aan den aanval van Maev op Ulster, 187; Conall laat Ket het hoofd zien van, 223.
Annwn. Overeenkomend met Afgrond, of Chaos; het vernielend beginsel in de Kimbrische theorie van het ontstaan der wereld, 306.
Aoife. Lir’s tweede vrouw; haar jaloerschheid op haar stiefkinderen, haar bestraffing door Bōv de Roode, 123, 124.
Aonbarr. Mananan’s tooverros, 110.
Apollo. Keltisch equivalent, Lugh. Diensten ter zijner eere, beschreven door Hecataeus, 42; door de Galliërs beschouwd als de godheid der geneeskunst, 72.
Aquitani. Een van de drie volken die Gallië bewoonden toen Caesar’s verovering begon, 42.
Arabië. Dolmens gevonden in, 37.
Arawn. Een koning in Annwn; roept de hulp van Pwyll in tegen Havgan, 329; ruilt zijn rijk met Pwyll voor een jaar, 330.
Ard Marcha (Armagh). Emain Macha thans vertegenwoordigd door groene wallen van een heuvelvesting in de nabijheid van, 134; beteekenis, 230.
Ard Righ (d.i. Opper-Koning). Dermot Mac Kerval, van Ierland, 31.
Ardan. Broeder van Naisi, 180.
Ardcullin. Cuchulain brengt takken aan om den zuil van, 189.
Ardee. Beteekenis, 229.
Arend van Gwern Abwy. De, 360.
Arianrod. Zuster van Gwydion; voorgesteld als maagd om de voeten van Māth in haar schoot te houden; Dylan en Llew zonen van, 349–51.
Aristoleles, Kelten en, 1.
Armagh. Onzichtbare woning van Lir op Slieve Fuad in het graafschap, 109.
Arnold, Matthew. Verwijzing naar, in verband met de Keltische legenden-literatuur, 386.
Arrian. Keltische kenmerken, zijn getuigenis betreffende, 20.
Artaius. Een god in de Keltische mythologie die de plaats van Gwydion inneemt, 321.
Arthur. Gekozen leider tegen de Saksers, die hij tenslotte verslaat in den slag bij Berg Badon; Geoffrey van Monmouth’s “Historia Regum Britaniae” herdenkt de wapenfeiten van, zoon van Uther Pendragon en Igerna; Modred, zijn neef, maakt zich meester van de kroon van, Guanhumara, vrouw van, trekt zich terug in een klooster, 309, 310; stamboom, 324; verhalen van, in de literatuur van Wales, 355; Kilhwch aan het hof van, 356; de “Droom van Rhonabroy” en, 361; Owain, zoon van Urien, speelt schaak met, 361–62; avontuur van Kymon, ridder aan het hof van, 362–63; Gwenhwyar, vrouw van, 362; Owain aan het hof van, 367; Peredur aan het hof van, 369, 70.
Arthur-sage. Vermelding van vroege Britsche legende doet denken aan, 308; de sage in Bretagne en Marie de France, 311, 12; Miss Jessie L. Weston’s artikel over, in de “Encycl. Britann.”, 314; Chrestien de Troyes draagt er toe bij de A. sage in de poëtische literatuur van Europa te brengen, 315; over verschillende bronnen van de, 315; de sage in Wales, 315; kwam nooit in Ierland, 316; waarom er zoo weinig van wordt vernomen in berichten over Kimbrische mythen, 316.
Asa. Scandinavische godheid, 71.
Asal. Van de gouden pilaren, Koning, 100.
Asura-Masda. Perzische godheid, 71.
Athnurchar, of Ardnurchar. Doorwaadbare plaats in de rivier waar Ket Conall’s “hersen-bal” slingert tegen Conor mac Nessa, 219; beteekenis, 230.
Atlantische Oceaan. Aiofe’s wreedheid tegen haar stiefkinderen op de, 124.
Avagddu. Zoon van Tegid Voel, beroofd van bovennatuurlijk inzicht, 380.
Avalon. Land van de Dooden; verwant met het Noorsche Walhalla, 310; wordt later voor Glastonbury gehouden, 310.
Avon Dia. Tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia doet de wateren van, teruggaan, 105.
B
Babylonië. Het schip-symbool in, 61.
Balkans. Het vroegste thuis van Keltische bergbewoners was in ketens van de, 41.
Balor. Voorvader van Lugh, 73; Bres wordt gezonden om zijn hulp te vragen, 94; verneemt dat de Danaans weigeren schatting te betalen, 98; kampioen der Fomorians, vecht hij met Nuada met de zilveren hand en wordt hij gedood door Lugh, 102; een van de namen van den god des Doods, 115; behoort tot Finn’s voorouders, 234.
Banba. Vrouw van Mac Cuill, koning der Danaans, 116.
Bann, de rivier. Mac Cecht bezoekt, 159.
Barbarossa, Kaiser. Overlevering dat Finn ergens in een hol betooverd ligt, evenals, 284.
”Barddas”. Compilatie van denkbeelden der Druïden, 305; Christelijke personen en episoden komen voor in, 306; uittreksel in catechismus-vorm, 307.
Bardische. Verschilt van de populaire voorstelling van Danaan-godheden, 89.
Barrow, de rivier. Mac Cecht bezoekt, 159.
Baruch. Een edelman van de Roode Tak; ontmoet Naisi en Deirdre bij zijn landing in Ierland, 181; overreedt Fergus in zijn huis te eten, 181; burcht, aan de straat van Moyle, 230.
Bave. Dochter van Calatin; doet Niam door betoovering verdwalen, 211.
Beälcu. Een kampioen uit Connacht; redt Conall, 223; wordt door zijn zonen gedood tengevolge van een list van Conall, 224; Conall doodt de zonen van, 224.
Bebo. Vrouw van Jubdan, Koning van het Kleine Volkje, 226.
Bedwyr. Equivalent: Sir Bedivere. Een van Arthur’s dienaren die Kilhwch vergezellen op zijn tocht om Olwen te zoeken, 357.
Beker- en Ring-teekens. Beteekenis van, in verband met megalithische gedenkteekens, nog niet verklaard, 51; voorbeeld in Dupaix’ “Gedenkteekens” van Nieuw-Spanje”, 52; reproductie in lord Kingsborough’s “Oudheden van Mexico”, 52
Beker van Het Laatste Avondmaal. Identisch met de Graal; equivalent: de Tooverketel, 378.
Belgae. Een van de drie volken die Gallië bewoonden, toen Caesar’s verovering begon, 41.
Beli. Kimbrische god des Doods, echtgenoot van Dōn; komt overeen met den Ierschen Bilé, 320; Lludd en Llevelys, zonen van, 354.
Bell, Arthur. Verwijzing naar een teekening, waaruit aanbidding van steenen blijkt, 50.
Beltené. Een van de namen van den God des Doods; de 1e Mei is hem gewijd, 118.
Ben Bulben. Dermot met den Liefdevlek gedood door het wilde zwijn van, 107, 277, 278; Dermot en het Zwijn van, 267, 68.
Bendigeid Vran (of “Bran de Gezegende”). Koning van het eiland der Machtigen (Brittannië); Manawyddan, zijn broeder; Branwen, zijn zuster 336; geeft Branwen tot vrouw aan Matholwch, doet boete voor den smaad van Evnissyen door Matholwch den tooverketel te geven, doet een inval in Ierland om Branwen te helpen, 337–42; het wonderlijke hoofd van, 342.
Bergen van Mourne. Cuchulain op de, 175.
Bertrand, A. Zie blz. 39, 48, 55, 67.
Bilé. Een van de namen van den God des Doods (i.e.van de onderwereld), 115; vader van Miled, 115; komt overeen met den Kimbrischen god Beli; echtgenoot van Dōn, 320.
Birōg. Een vrouwelijke Druïde die Kian helpt zich te wreken op Balor, 96.
Bloi. De Danaan moeder van Oisīn, 259.
Blanid. Vrouw van Curoi; zet haar zinnen op Cuchulain, 210; haar dood, 210.
Blanke Mane. Vrouw die vele van de Fianna grootbracht, 241.
Bleheris. Een dichter in Wales, identisch met Bledhericus, vermeld door Geraldus Cambrensis, en met Breris, aangehaald door Thomas van Bretagne, 314.
“Blerwm, Blerwm”. Geluid door Taliesin gemaakt, waardoor barden aan Arthur’s hof werden betooverd, 382, 383.
Bodeuwedd, of Bloemgezicht. De bloem-vrouw van Llew, 352, 353.
Boanna (de rivier Boyne). Moeder van Angus Ōg, 106.
Boek van Armagh. Verwijzingen naar, 89, 131.
Boek van Caermarthen (Het Zwarte). Gwyn ap Nudd komt voor in het gedicht dat daarin is opgenomen, 325.
Boek van de Dun-Koe. Verwijzing naar, 82; Cuchulain verschijnt weer in een legende van Christelijken oorsprong, 218; “De reis van Maeldūn” wordt er in gevonden, 215.
Boek van Hergest (Het Roode). Vormt de hoofdbron van verhalen in de “Mabinogion”, 316; het verhaal van Taliesin wordt er niet in gevonden, 379.
Boek der Invallen. Verwijzing naar, 91.
Boek van Leinster. Verwijzingen naar, 8, 69, 190.
Bōv de Roode. Koning van de Danaans van Munster, broeder van den Dagda; zoekt naar de maagd in Angus Ōg’s droom, 106; goudsmid van, genaamd Len, 107; Aoife’s reis naar, met haar stiefkinderen, 123, 124.
Boyne, De Rivier. Angus Ōg’s paleis aan, 106; Angus en Caer aan, 107; Milesiërs landen aan de wijde monding van, 120; Ethné verliest haar onzichtbaar makenden sluier terwijl zij in de rivier baadt, 128; kerk, Kill Ethné, aan den oever van, 129.
Bran. Zie Bendigeid.
Branwen. Zuster van Bran, 336; wordt tot vrouw gegeven aan Matholwch, moeder van Gwern, wordt vernederd wegens Evnissyen’s misdrijf, wordt naar Brittannië gebracht; haar dood en begrafenis aan den oever van de Alaw, 336–42.
Brea. Slag van; herinnering aan Finn’s dood bij, 253.
Bregia. Vlakte tusschen de Boyne en de Liffey, 152; Cuchulain bezag die, 176; St. Patrick en volk van, 259.
Bregon. Zoon van Miled, vader van Ith, 115; toren van, door Ith gezien, 116.
Brenos (Brian). De god aan wien de Kelten hun overwinningen bij de Allia en bij Delphi toeschreven, 110.
Bres. 1. Gezant tot de Firbolgs gezonden, door volk van Dana, 91; gedood in den slag van Moytura, 92. 2. Zoon van de Danaansche vrouw Eri, gekozen tot Koning van het Danaansch gebied in Ierland, 92; zijn wanbeheer en afzetting, 93. 3. Zoon van Balor; verneemt dat de glans van de zon is het gelaat van Lugh met den langen arm, 108.
Bretagne. Mané-er-H’oeck, merkwaardige tumulus in, 47; teekens op den tumulus van Locmariaker in, gelijk aan die op den tumulus te New-Grange in Ierland, 56; voet-symbool gevonden in, 61; boek door Walter, aartsdeken van Oxford, gebracht uit, was de grondslag voor Geoffrey van Monmouth’s “Historia Regum Britania”, 309; Arthur-sage in, 310.
Bri Leeth. Tooverpaleis van Midir de Trotsche te, in het graafschap Longford, 108; Etain wordt gebracht naar, 147.
Brian. Een van de drie zonen van Turenn, 99.
Brian. Equivalent: Brenos. Zoon van Brigit (Dana), 110.
Briccriu met de Vergiftige Tong. Edele uit Ulster, veroorzaakt twist tusschen Cuchulain en de Roode Tak-helden over het kampioenschap van Ierland, 178; roept een demon ter hulp genaamd De Verschrikkelijke, 178; stelt voor mac Datho’s zwijn voor te snijden, 222.
Brug van de Sprongen. Cuchulain bij, 170; Cuchulain springt over, 171.
Brigindo. Equivalenten: Brigit en “Brigantia”, 88.
Brigit. Iersche godin identisch met Dana en “Brigindo” etc., 88; dochter van den god Dagda, de Goede, 110; Ecne, kleinzoon van, 88.
Brittannië. Zie Groot-Brittannië. Handel van Carthago met, door de Grieken geruïneerd, 6; Keltisch element in plaatsnamen, 11; onder het juk van Rome, 18; tooverij inheemsch in, 47; herinneringsinscripties aan Aesus, Teutates en Taranus, 71; dooden uit Gallië gebracht naar, 115; Ingcel, zoon van den Koning van, 152; bezoek van Demetrius aan, 326–27; Bran, Koning van, 336; Caradawc heerscht in naam zijns vaders over, 339; Caswallan verovert, 242; de “Derde Noodlottige Onthulling” in, 343.
Britan. Hoofd der Nedimeërs die zich in Groot-Brittannië vestigde en zijn naam gaf aan dat land, 87.
Britsche Eilanden. De eenige overblijfselen van het Keltische rijk, toen het onderging, 18; Maev, Grania, Findabeir, Deirdre en Boadicea, vrouwen voorkomend in mythen van de, 26.
Britten. Evenals Nennius geeft Geoffrey van Monmouth een fantastischen oorsprong aan voor de, 310.
Brogan. Schrijver van St. Patrick, 104, 266.
Bron van Kesair. Mac Cecht bezoekt de, 159.
Bron van Kennis. Equivalent: Connla’s bron. Sinend’s noodlottig bezoek aan, 114.
Bruine Stier. Zie Quelgny.
Brugh na Boyna. Wordt Cuchulain aan gewezen, 176.
Buddha. Voetafdruk van, gevonden in Indië als zinnebeeld, 61; de kruislings gezetene, komt vaak voor in de godsdienstige kunst van het Oosten en Mexico, 71.
Buic. Zoon van Banblai; gedood door Cuchulain, 193.
Burney’s Geschiedenis der Muziek. Verwijzing naar een Egyptische legende daarin, 103.
Bury, Professor. Opmerkingen aangaande de Keltische wereld, 43.
C.
Caer. Dochter van Ethal Anubal; Angus Ōg dingt naar haar hand, haar dubbel leven, zij aanvaardt de liefde van Angus Ōg, 106, 107.
Caerleon aan de Usk. Arthur houdt daar zijn hof, 310.
Caesar, Julius. Critisch bericht over de Galliërs, 20; godsdienstige meeningen der Kelten vermeld door, 35; gebied aangewezen aan de Belgen, Kelten en Aquitaniërs door, 42; verzekert dat het geloof in de onsterflijkheid door Druïden werd aangewakkerd om den moed te verhoogen, 66; vermeldt dat Druïden toezicht houden over de cultuur, 68; goden van de Arische Kelten vergeleken met Mercurius, Apollo enz. door, 71.
Cairbry. Zoon van Cormac mac Art, van Licht van Schoonheid, 280; weigert schatting aan de Fianna, 281; de Clan Bascna voert oorlog met, 281, 282.
Caliburn (in de taal van Wales Caladvwlch). Tooverzwaard van Koning Arthur, 310. Zie Excalibur, 205 noot.
Cambrensis, Giraldus. Kelten en, 4.
Campbell. Verhaal van den slag van Gowra, in zijn “The Fians”, 281.
Caradawc. Zoon van Bran; regeert Brittannië bij afwezigheid van zijn vader, 339.
Carell. Gehouden voor den vader van Tuan, 83.
Carthagers. De Kelten veroverden Spanje op de, 5; de Grieken maken een eind aan het handelsmonopolie van de, met Brittannië en Spanje, 6.
Cascorach. Zoon van een minstreel van het Danaan-volk, en St. Patrick, 104.
Caswallan. Zoon van Beli; verovert Brittannië tijdens Bran’s afwezigheid, 342.
Cathbad. Druïde, gehuwd met Maga, vrouw van Ross de Roode, 164; zijn raadselbezwering door Cuchulain afgeluisterd, 167; hij trekt Deirdre’s horoskoop, 179; zijn booze bezweringen over Naisi en Deirdre, 183.
Cato, M. Porcius. Opmerkingen omtrent de Galliërs, 20.
Celtchar. Zoon van Hornskin; onder den vloek van zwakheid, 187.
Cenchos. Of de Voetlooze; verwant met Vitra, den God van het Kwaad in de fabelleer van de Vedas, 82.
Ceridwen. Vrouw van Tegid, laat Gwion Bach en Morda passen op den tooverketel, 380, 381.
Ceugant (Oneindigheid). De buitenste van drie concentrische cirkels voorstellende al het bestaande in de Kimbrische voorstelling van de Schepping, door God alleen bewoond, 306.
Chaillu, Du. Zijn “Viking Age”, 56, 57.
Charlemagne. Verbiedt aanbidding van boomen en steenen, 50.
Chrestien de Troyes. Fransche dichter die bewerkte dat de Arthur-sage in de poëtische letterkunde van Europa werd gebracht, 312; Gautier van Denain, vroegste voorzetter van, 314; variant van zijn “Le Chevalier au lion” in de “Vrouw van de Bron”, 362–368; het verhaal van “Enid en Geraint” berust op “Erec” van, 367; Peredur komt overeen met Perceval van, 368; zijn “Conte del Graal” of “Parceval le Gallois”, 372; Manessier een voortzetter van, 376.
Christelijk(e). Symbolisme, de hand als zinnebeeld van macht in, 49; geloof waarvan Koning Cormac hoort voordat het in Ierland wordt gepreekt door St. Patrick, 53; invloeden in Ierland, en de Milesische mythe, 122, 123; begrippen over Cuchulain en zijn Heer, Koning Conor van Ulster, 218; heidensche idealen vergeleken met, in Oisīn-dialogen, 266; Myrddin krimpt onder Chr. invloeden, 326.
Christendom (’t). Verwijzing naar de bekeering van Ierland tot, 67; Volk van Dana in hun nederlaag, en houding van, 120, 121; Cuchulain uit de Hel ontboden door St. Patrick om aan den Opper-Koning Laery te bewijzen de waarheden van, 218; invloed op de Iersche letterkunde, 272.
Chrysostomus, Dion. Getuigenis betreffende de macht der Druïden, 68.
Clan Bascna (De). Een van de afdeelingen van de Fianna van Erin, 234; Cumhal, vader van Finn, hoofd van, 234; Cairbry verwekt een veete tusschen de Clan Morna en, 281.
Clan Calatin (De). Door mannen van Erin tegen Cuchulain gezonden, 197; Fiacha, zoon van Firaba, snijdt de achtentwintig handen af van, 197; Cuchulain doodt Calatin, 198; de weduwe van Calatin brengt zes kinderen voort, door Maev in tooverkunsten onderwezen en tegen Cuchulain losgelaten, doen Cuchulain zijn geise breken, 209–213.
Clan Morna (de). Een van de afdeelingen van de Fianna van Erin, 234; Lia wordt schatbewaarder van, 234; Cairbry verwekt een veete tusschen de Clan Bascna en, 281.
Clastidium. Slag van; Polybius’ beschrijving van de houding der Gaesaten in, 24.
Clecna. Danaansch meisje, dat in Mananan’s land leefde; de geschiedenis van, 111.
Clusium. Beleg van. De Romeinen verraden de Kelten bij het beleg van, 9; wraak door de Kelten geëischt, 9.
Coffey, George. Zijn werk over den tumulus te New-Grange, 54.
Columba, St. Symbool van de voeten en, 62.
Comyn, Michael. Verwijzing naar “Lied van Oisīn in het land der Jeugd”, door, 232.
Conall van de Overwinningen. Lid van Conary’s gevolg in het Roode Verblijf, 156; hij vindt Amorgin, zijn vader, te Teltin, 160; deinst terug voor de proef om het kampioenschap van Ierland, 178; onder den vloek van zwakheid, 187; wreekt Cuchulain’s dood door Lewy te dooden, 215; zijn “hersen-bal” veroorzaakt den dood van Conor Mac Nessa, 219, 220; mac Datho’s zwijn en, 222, 223; doodt Ket, 223.
Conan Mac Lia. Zoon van Lia, heer van Luachar; Finn sluit een verdrag met hem, 237, 238.
Conan Mac Morna, of De Kale. Zijn avontuur met het Toovervolk, 238, 239; hij doodt Liagan, 239; avontuur met het ros van Gilla Dacar, 271, 272.
Conann. Koning der Fomorians, 86.
Conary Mōr. De legenden-cyclus van den Opper-Koning, 139–159; hij stamt af van Etain Oig, dochter van Etain, 149; Messbuachalla, zijn moeder, 149, 150; Desa, zijn pleegvader, 150; Ferlee, Fergar en Ferrogan, zijn pleegbroeders, 150; Nemglan beveelt hem naar Tara te gaan, 151; uitgeroepen tot Koning van Erin, 151; Nemglan somt zijn geise op, 151; verbanning van zijn pleegbroeders, 152; verlokt tot het schenden zijner geise, 153; de drie Rooden en, in Da Derga’s Verblijf, 153, 154; wordt bezocht door de Morrigan in Da Derga’s Verblijf, 155; leden van zijn gevolg, 156, 157; komt om van dorst, 158.
Condwiramur. Een maagd gehuwd door Parzival, 375.
Conn. Een van de kinderen van Lir, 126.
Connacht. Ethal Anubal, vorst van de Danaans van, 106; Ailell en Maev, Koning en Koningin van, Angus Ōg vraagt hun hulp bij zijn pogingen om Caer te krijgen, 106; oorsprong van den naam, 138; Cuchulain’s strooptocht in, 175; Cuchulain trekt op tegen een leger van, onder Maev, 191; Ket kampioen van, 220; Koningin Maev regeerde over, achtentachtig jaar, 245.
Connla. Zoon van Cuchulain en Aifa, 173; zijn geise, 173; Aifa zendt hem naar Erin; zijn gevechten met de mannen van Ulster, 174; gedood door Cuchulain, 174.
Connla’s Bron. Equivalent: Bron van Kennis. Sinend’s noodlottig bezoek aan, 114.
Conor Mac Nessa. Zoon van Fachtna en Nessa; wordt uitgeroepen tot Koning van Ulster, met voorbijgaan van Fergus, 163; Cuchulain wordt groot gebracht aan het Hof van, 166; hij geeft wapens aan Cuchulain, 168; bij een feestelijke bijeenkomst aan het Strand van de Voetafdrukken wordt hij Connla gewaar, 173; zijn list om Cuchulain in hechtenis te nemen, 177; Deirdre en, 179–184; zijn wachten grijpen Naisi en Deirdre, 183; lijdt pijn door den vloek der zwakheid, 187–203; de vloek wordt van hem afgenomen, 203; hij roept Ulster onder de wapenen, 204; Christelijke begrippen over zijn uiteinde, 218, 19; zijn dood veroorzaakt door Conall’s “hersen-bal”, 220; hij komt voor in het verhaal: “Het snijden van mac Datho’s zwijn”, 220; hij laat mac Datho om zijn hond vragen, 220.
Constantine. Arthur draagt zijn koninkrijk over op, 310.
“Conte del Graal”. Zie Graal.
Coranians. Een demonisch ras; teistert het land van Brittannië, 354.
Cocadyna. Ith landt met zijn negentig krijgers te, in Ierland, 115.
Cormac. 1) Zoon van Art, Koning van Ierland; zijn begrafenis, 53; historische figuur, 205; Finn en, onthaald in Burcht Grania, 277; 2) Koning van Ulster, huwt Etain Oig, 149; verstoot haar wegens haar onvruchtbaarheid, 149; 3) Zoon van Conor mac Nessa; doet mee aan Maev’s aanval op Ulster, 187.
Corpe. Dichter aan het hof van Koning Bres, 92.
Cosmogonie. 1. De Keltische, 79, 80; 2. De Kimbrische, 306–308; God en Cythrawl, beteekenend leven en verwoesting in, 306.
Cotterill, H. B. Aanhaling uit zijn vertaling in hexameters van “Odysseus”, 64.
Craftiny. Harpenist van Koning Scoriath; zingt Maon Moriath’s minnelied voor, 137; ontdekt Maon’s geheim gebrek, 139.
Credné. De kunstsmid van de Danaans, 101.
Creudylad. Dochter van Lludd; gevecht elken Meidag om haar bezit, tusschen Gwythur ap Greidawl en Gwyn ap Nudd, 321, 356.
Crīmmal. Verlost door zijn neef Finn, 235.
Crom Cruach. Gouden afgodsbeeld (overeenkomende met de Bloedige Halvemaan) vermeld in het “Boek van Leinster”, 69; eeredienst van, door Koning Tiernmas ingevoerd, 133.
Cromlechs. Zie Dolmens, 37.
Crundchu. Zoon van Agnoman; Macha komt wonen bij, 161.
Cuailgné. Zie Quelgny.
Cuchulain. Held uit Ulster in Iersche sagen; tweegevecht met Ferdia, 105; Lugh, vader van, verwekt bij Dectera, 108, 166; bemind en gesteund door godin Morrigan, 111; zijn zonderlinge geboorte, 165; vroegste naam Setanta, zijn erfenis, zijn naam afgeleid van den hond van Cullan, eischt wapens van Conor, 165–67; dingt naar de hand van Emer, 168, 169; Laeg, zijn wagenmenner, 168; Skatha’s onderricht in het land der Schimmen, 170, 71; overwint Aifa, die hem een zoon baart, Connla, 172, 73; hij doodt Connla, 174; keert terug naar Erin, 145; doodt Foill en zijn broederen, 176; ontmoet vrouwen van Emania, 177; doet “des helden zalmsprong”, 177; bemeestert Emer, 178; wordt door den Verschrikkelijke uitgeroepen tot Kampioen van Ierland, 179; brengt Maev’s leger onder geise, 188, 89; doodt Orlam, 191; zijn vecht-razernij en riastradh, 191; verdrag met Fergus, 193; de Morrigan biedt hem haar liefde aan, dreigt hem op den bodem van de rivier, valt hem aan, terwijl hij met Loch vecht, 194, 195; hij doodt Loch, 195; Ferdia stemt er in toe tegen hem op te trekken, hij doet Ferdia verwijten, hun strijd, hij doodt Ferdia, die hem zwaar verwondt, 198–200; uit zijn verdooving opgewekt door het zwaardgekletter van Fergus, in den slag van Garach, 205; in het Tooverland, bemind door Fand, 207, 208; wraak van Maev op, 209; andere vijanden: Erc en Lewy zoon van Curoi, 210; Blanid, vrouw van Curoi, zet haar zinnen op, 210; zijn krankzinnigheid, Bave vertoont zich als Niam voor, de Morrigan krast (als raaf) over oorlog voor. Dectera en Cathbad dringen er bij hem op aan op Conall te wachten alvorens ten strijde te trekken, hij ziet het Waschmeisje aan de rivier, Clan Calatin doet hem zijn geise verbreken, vindt zijn vijanden te Slieve Fuad, de Schimmel van Macha doodelijk gewond, hij wordt doodelijk gewond door Lewy, zijn paard Zwarte Sainglend loopt van hem weg, Lewy doodt hem, 210–215; zijn dood gewroken door Conall, 214; hij treedt weer op in latere legende van Christelijken oorsprong, gevonden in het “Boek van de Dun-koe”, St. Patrick’s opontbod uit de Hel, 217–218.
Cullan. Zijn feest voor Koning Conor te Quelgny, 166; Cuchulain doodt zijn hond, 166; Cuchulain genaamd de Hond van, 167; zijn dochter verantwoordelijk verklaard voor Finn’s betoovering, 256.
Cumhal. Hoofd van de Clan Morna, zoon van Tranmōr, echtgenoot van Murna met den Blanken Hals, vader van Finn, 234; gedood in den slag bij Knock, 234.
Curoi. Vader van Lewy, echtgenoot van Blanid, 210; gedood door Cuchulain, 210.
Cuscrid. Zoon van Conor mac Nassa; onder den vloek der zwakheid, 187; mac Datho’s zwijn en, 222.
Custennin. Broeder van Yspaddaden; helpt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, 357.
Cyclen. De, van Iersche legenden, 80; de Mythologische, 80–129; de Ultoniaansche, 161–230; de Ossian’sche, 231–84; sommige verhalen van den Ultoniaanschen cyclus concentreeren zich niet om Cuchulain, 225; tijd van de gebeurtenissen van den Ulton. cyclus, 231; de Ossian’sche en Ultoniaansche tegenover elkaar gesteld, 232–34.
Cythrawl. God en, twee elementaire wezens, de beginselen van leven en verwoesting in de Kimbrische theorie der schepping, 306; verwezenlijkt in “Annwn” (Afgrond of Chaos), 306.
D.
Da Derga. Een edele uit Leinster in wiens verblijf Conary gastvrijheid vraagt, 153; Conary’s gevolg bij, 156; Ingcel en zijn eigen zonen vallen het verblijf aan, 157.
Dagda. “De Goede”, of misschien = Doctus, de “Wijze”. God, en opperste hoofd van het Volk van Dana, Vader van Brigitta (Dana), 88; de Ketel van de, een van de schatten der Danaans, 90; de tooverharp van, 103; vader en hoofd van het Volk van Dana, 103–05; de Koningin Mac Cuill, Mac Cecht en Mac Grané kleinzoons van, 116; verdeelt het onstoffelijke Ierland onder de Danaans, 120.
Dal van de Lijsters. Oisīn’s betoovering opgeheven in het dal, 251.
Dalan. Een Druïde, die aan Eochy bekend maakt dat Etain is gevoerd naar den tooverberg van Bri-Leith, 146.
Dalny. Koningin van Partholan, 81.
Dancan. De Firbolg, vader van Ferdia, 170.
Damayanti en Nala. Hindoelegende, vergeleken met het verhaal van Etain, 147.
Dana. Het Volk van, Nemediaansche overlevenden die naar Ierland terugkeeren, 87; letterlijke beteekenis van Tuatha de Danann, 88; equivalent Brigitta, 88, 110; naam van Goden gegeven aan het Volk van, door Tuan mac Carell, 88; Milesiërs overwinnen het Volk van, 89; oorsprong van Volk van, volgens Tuan mac Carell, 90; de steden Falias, Gorias, Finias en Murias, 90; schatten van het Volk van, 90; de Firbolgs en het Volk van, 91–103; gave van bedrevenheid in muziek, het voorrecht van, 103; dochter van den Dagda en de voornaamste godin der Danaans, 110; Brian (oudste vorm Brenos), Juchar en Jucharba, haar zonen, 110; Firbolgs en het Volk van, 121; equivalent van Don, Kimbrische moeder-godin, 320.
Danaans. Weigeren schatting aan Balor, 98; gevecht met de Fomorians, 101; macht uitgeoefend door middel der muziek, 102; voornaamste goden en eigenschappen der, 104–130; hun verdringing in Ierland door Milesiërs, 114; koningen, Ierland geregeerd door drie, Mac Cuill, Mac Cecht en Mac Grene, 116; de drie koningen verwelkomen Ith in Ierland, 117; wonen in het onstoffelijk Ierland, 120; mythe, beteekenis van, 121; de, na de overwinning der Milesiërs, 130, 131; Donn zoon van Midir voert krijg met, 262; betrekkingen van de Kerk met, zeer hartelijk, 263.
Dara. Zoon van Fachtna, bezitter van den Bruinen Stier van Quelgny, 185; Maev vraagt den Bruinen Stier ter leen, 186.
Dauw-rood. Paard van Conall, 215.
Decies. Zoon van den Koning van de, vraagt Licht van Schoonheid (Sgeimh Solais) ter huwelijk, 280.
Dectera. Moeder van Cuchulain, 108; dochter van den Druïde Cathbad, 164; verschijnt voor Conor mac Nessa na drie jaren afwezigheid, 165; schenkt Ulster een zoon, Cuchulain, 165.
Dee, de Rivier. Thans de wadde van Ferdia.
Deirdre. Dochter van Felim, de Druïde Cathbad trekt haar horoskoop, Conor besluit haar te trouwen als zij huwbaar zou zijn, groot gebracht door Levarcam, 179; zij bemint Naisi, die haar wegvoert, 180; keert met Naisi naar Ierland terug, 180–82; gedwongen met Conor te trouwen, verpletterde zij zich tegen een rots, 183, 84; de verhalen van Grania en, vergeleken, 273.
Demetrius Bezoek aan Brittannië, vermeldt eiland waar “Kronos” in slaap bevangen gehouden werd, terwijl Briareus over hem de wacht hield, 326, 27.
Demna. Oftewel Finn. Zijn geboorte, 234, 35.
Denen. Plunderen Iersche monumenten, 53.
Deoca. Een prinses van Munster; kinderen van Lir en, 126.
Dermot Mac Kerval. Regeering van, in Ierland, en de verwensching van Tara, 31; neemt Hugh Guairy gevangen en laat hem terecht staan, 31; droom van de vrouw van, 31, 32.
Dermot met den Liefde-vlek. (Dermot O’ Dyna). Volgeling van Finn mac Cumhal, minnaar van Grania, opgevoed met Angus in het paleis aan de Boyne, 106; de typische minnaar in de Iersche legende, 106; gedood door het wilde Zwijn van Ben Bulben, 106, 211, 278; vriend van Finn, 239; beschreven als een Keltische Adonis, 267; Donn vader van, 267; Roc en; hoe Dermot den Liefde-Vlek kreeg, 269; avontuur met het ros van Gilla Dacar, gevecht met den Ridder van de Bron, 269–71; liefdesgeschiedenis van Grania en, 273–75.
Derryvaragh, Meer. Aoifé’s wreedheid jegens haar stiefkinderen bij, 123, 124.
Desa. Pleegvader van Conary Mōr, 150.
Dialogen. Verwijzing naar Oisīn-en-Patrick, en Keelta-en-Patrick, 265, 266.
Diancecht. Geneesheer bij de Danaans, 93.
Dineen’s Iersch Woordenboek. Verwijzing naar, 148.
Dinnsenchus. Oud document bewaard gebleven in het Boek van Leinster, 70.
Dinodig. Land van, waarover Llew en Blodeuwedd regeerden, 352.
Dinrigh. Maon doodt Covac te, 137.
Diodorus Siculus. Tijdgenoot van Julius Caesar; beschrijft de Galliërs, 25; Pythagoras en, 65.
Dis. Equivalent: Pluto, 72.
Dithorba. Broeder van Rooden Hugh en Kimbay, gedood door Macha, 135; vijf zonen van, gevangen genomen door Macha, 135, 136.
Diuran de Rijmer. Germān en, metgezellen van Maeldūn op zijn wonderreis, 288; keert terug met een stuk van het zilvernet, 304.
Dodder, De Rivier, 158.
Dolmens. Cromlechs, tumuli en, verklaring van, 37.
Dōn. Kimbrische moeder-godin, vertegenwoordigende de Keltische Dana, 322; Penardun, een dochter van, 323; Gwydion, zoon van, 323; stamboom, 324.
Donau (De). Bronnen van, oorsprong van de Kelten, 3, 40.
Donkere (De). Druïde verandert Saba in een hinde; zijn latere slechte behandeling van Saba, 245–248.
Donn. 1. Mac Midir, zoon van Midir de Trotsche, 262. 2. Vader van Dermot, geeft zijn zoon om door Angus Ōg te worden groot gebracht, 267.
Donnybrook. Da Derga’s verblijf te, 153.
Dooclone. Ailill gedood in de kerk van, 286; Maeldūn te, 287.
Dood. De Keltische opvatting van den, 73; namen Balor en Bilé komen voor als god van den, 115.
Dooden, Land van de. Iersche tooverland, 81; equivalent: Spanje, 87.
Dowth. Tumulus van, 59.
Druïde(N). Leer van de, 21; beschouwd als tusschenpersonen tusschen God en de menschen, 25; de opperste macht in Keltische landen, 30; geweerd door Keizer Tiberius, 46; Arische wortel van het woord, 66; getuigenis van Dion Chrysostomus aangaande de macht van de, 68; godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke cultuur onder hun toezicht, Caesar’s bericht hieromtrent, 68; met hun instelling verdween hun cosmogonische leer, 80.
Druïdisme. Bestaan er van in de Britsche eilanden, Gallië, 66; tooverritus van ’t, geloof er in leefde nog in de eerste Christelijke periode, 68.
Dublin. Conary gaat daarheen, 151; Conary’s pleegbroeders landen te, om te stroopen, 153.
Dupaix. Verwijzing naar beker- en ring-insnijdingen in Depaix’ “Monumenten van Nieuw-Spanje”, 51.
Dyfed. Pryderi en Manawyddan te, 344; Gwydion en Gilvaethwy te, 348.
Dylan. (“Zoon van den Golf”). Zoon van Arianrod; zijn kreunen toen hij stierf is het gehuil van den vloed bij de monding van de rivier Conway, 350.
E.
Eber Donn (Bruine Eber). Milesische edele; zijn ruw gejubel en wat er op volgde, 120; verwijzing naar, als een der Milesische leiders, 132.
Eber Finn (Blonde Eber). Een van de Milesische leiders, gedood door Eremon, 132.
Ecne. De god wiens grootmoeder Dana was, 88.
Eeuw, IJzeren. Het schip, goed herkenbare vorm van graf-afsluiting op kerkhoven in de, 60.
Egyptisch(e). Het schip-symbool in de kerkhofkunst, 63; de voeten van Osiris, symbool van bezoek, 61; begrippen over onsterfelijkheid, 61–71; menschenoffers afgeschaft door Amasis I, 70.
Eiland(en). Vreemde avonturen van Maeldūn en zijn makkers op wonderlijke eilanden, 288–304; van den Moordenaar, 288; van de Mieren, van de Groote Vogels, van het Woeste Beest, van de Reuzenpaarden, 289; van den Steenen Deur, van de Appels, van het Wonderlijke Beest, 290; van de Bijtende Paarden, van de Gloeiende Zwijnen, van de Kleine Kat, 291; van de Zwarte en Witte Schapen, 292; van het Reuzenvee, van den Molen, van de Zwarte Rouwenden, van de Vier Heggen, 293; van den Glazen Brug, 294; van de Schreeuwende Vogels, van den Kluizenaar, van de Wonderbron, van de Smidse, 295; van de Zee van Zuiver Glas, van de Onderzee, van de Voorspelling, 296; van het Spuitend Water, van de Zilveren Zuil, van het Voetstuk, 297; van de Vrouwen 298; van de Roode Bessen, 299; van den Arend, 299–301; van de Lachende Menschen, van den Vlammenden Wal, van den Monnik van Tory, 301–303; van de Valk, 303.
Eilanden van de Dooden. Zie Mananan, 109.
Eiland van Man. Gehouden voor den troon van Mananan, 110.
Eisirt. Bard van den Koning van het Kleine Volk, zijn bezoek aan Koning Fergus in Ulster, 226, 227.
Elphin. Zoon van Gwyddno, vindt Taliesin, 381; pocht op zijn vrouw en zijn bard, aan Arthur’s hof, 382; het gevolg daarvan, 382–84.
Emain Macha. De Morrigan gaat door, om Cuchulain te waarschuwen, 111; stichting van, met Kimbay als koning, 134; equivalent, de Doekspeld (rad) van Macha, 135; Macha dwingt vijf zonen van Dithorba wallen en grachten te maken van, 126; Dectera verschijnt in de velden van, 165; Cuchulain rijdt terug naar, 169; bericht van Cuchulain’s vechtwoede komt in, 177; Fergus keert terug naar, 184; het knapen-korps van, trekt uit om Cuchulain te helpen, 197; mannen van Ulster keeren terug naar, met grooten roem, 207; Conall’s “hersen-bal” te, 219.
Emailleeren. Kelten en de kunst van, 13, 14.
Emania. Vrouwen van, gaan Cuchulain te gemoet, 177; Cuchulain wreekt het verlies van het knapen-korps van, 197; Cuchulain neemt afscheid van de vrouwen van, 212. (Zie Emain Macha.)
Emer. Dochter van Forgall, begeerd door Cuchulain, 168, 69; Cuchulain ontvoert haar, zij wordt Cuchulain’s vrouw, 178; zij verneemt de afspraak tusschen Cuchulain en Fand, 208–209; Cuchulain meent haar lijk te zien, 212.
Enid. Het verhaal van Geraint en, 367, 368.
Eochy. 1. Zoon van Erc, een Firbolg-koning, echtgenoot van Taltiu of Telta, 88; Koning van Ierland; Midir de Trotsche verschijnt voor hem op den heuvel van Tara, 108; Opperkoning van Ierland, huwt Etain, 141, 42; Midir verschijnt voor hem en daagt hem uit met hem te schaken, 145–147.
Ephorus. Kelten en, 1, 20.
Erc. Koning van Ierland, Cuchulain’s vijand, 210; wondt doodelijk den Schimmel van Macha, 213.
Eremon. Eerste Milesische Koning van geheel Ierland, 127, 132.
Eri. Moeder van Koning Bres, 92; maakt Elatha bekend als vader van Bres, 93.
Erinn (Erin). Zie Eriu, 117; verwijzing naar het Opper-Koningschap van, 136.
Eriu. Vrouw van den Danaan Koning Mac Grené, 117; datief, Erinn, de poëtische naam voor Ierland, 117.
Erris Baai. De kinderen van Lir aan de, 125.
Etain. Tweede vrouw van Midir de Trotsche, door Fuamnach in een vlinder veranderd, door een tooverstorm gedreven in het tooverpaleis van Angus, en weer daaruit verdreven, door Etar opgeslokt, komt weer te voorschijn als een sterflijk kind, 140; wordt bezocht door Eochy, den Opper-Koning, die haar tot zijn vrouw maakt, 141, 142; Ailill’s wanhopige liefde voor, 142, 143; Midir de Trotsche komt haar opeischen als zijn Danaan vrouw, 143–146; Eochy krijgt haar terug, 147.
Etain Oig. Dochter van Etain, 147; Koning Conary Mōr stamt af van, 147; huwde Cormac, Koning van Ulster, 149; verstooten omdat zij geen zonen baart, 150; de koehoeder van Eterskel zorgt voor haar eenige dochter, 150.
Etar. Moeder van Etain, 141.
Eterskel. Koning van Ierland, wiens koehoeder zorgt voor Messbuachalla, 150; bij zijn dood opgevolgd door Conary Mōr, 151.
Ethal Anubal. Prins van de Danaans van Connacht, vader van Caer, 106.
Ethlinn, of Ethnea. Dochter van Balor, 94; schenkt haar liefde aan Kian, baart drie zonen, 96; een er van is Lugh, 97, 165; behoort tot Finn’s voorouders, 234.
Ethné. Het verhaal van, 127–129.
Etruskers. Kelten veroveren Noord-Italië op de, 5.
Europa. Kiemen van vrijheid en cultuur, door Keltische invloeden levend gehouden, 6; verbreiding van Keltische macht in Midden-, 10; Keltische plaatsnamen in, 10–12; wat het aan Kelten te danken heeft, 33; dolmens gevonden in Westersche landen van, 37.
Evnissyen. Zoon van Eurosswyd en Penardun, 336; verminkt paarden van Matholwch, 337; Bran’s vergoeding voor dat misdrijf, 338; doodt de krijgslieden in de meelzakken verborgen, 340; sterft in den tooverketel, 341.
Evrawc. Vader van Peredur. 368.
Evric. Pachter die Fionuala en haar broeders helpt, 125.
Excalibur. Zie Caliburn, 310, en noot, blz. 205.
F.
Fabiï. Romeinen gekozen tot militaire tribunen, 9.
Fabius Ambustus. Verraad van drie zonen van, tegen de Kelten, 9.
Fachtna. De reus, Koning van Ulster, Nessa vrouw van, vader van Conor, bij zijn dood opgevolgd door zijn stiefbroeder Fergus, 163.
Falios. De Stad (zie Dana), 90.
Fand. De Parel van Schoonheid, vrouw van Mananan, zet haar zinnen op Cuchulain, keert terug naar haar huis met Mananan, 207–09.
Faylinn. Het land van het Kleine Volk; Jubdan, Koning van, 225.
Fedelma. Profetes, van den Tooverburcht van Croghan, ondervraagd door Maev, haar vizioen van Cuchulain, 188.
Felim. Zoon van Dall, vader van Deirdre, 191; zijn onthaal van Conor en de Roode Tak-helden, 179.
Feramorc. Het koninkrijk waarover Scoriath regeert; Maon wordt daarheen gevoerd, 137.
Fercartna De bard van Curoi, doodelijke sprong met Blanid, 210.
Ferdia. Tweegevecht met Cuchulain vermeld, 105; zoon van den Firbolg, Daman, vriend van Cuchulain, 170; doet mee aan Maev’s aanval tegen Ulster, 187; stemt op verzoek van Maev er in toe met zijn vriend Cuchulain te vechten, 198; de strijd, 199–202; Cuchulain doodt, 202; begraven door Maev, 202.
Fergus. Nemediaansch hoofd die Conann doodt, 87.
Fergus de Groote. Zoon van Erc, steen van Scone gebruikt voor de kroning van, voorvader van de Britsche Koninklijke Familie, 90.
Fergus Mac Leda. Het Kleine Volk en, bezocht door Eisirt, bard van den Koning van het Kleine Volk, bezocht door Jubdan, Koning van het Kleine Volk, 225–28; de misvorming van Fergus, 228.
Fergus Mac Roy. Zoon van Roy, stiefbroeder van Fachtna, 164; wordt gezonden om Naisi en Deirdre te noodigen naar Ierland terug te keeren, 181; de opstand van, 184; Maev en, 185; overeenkomst met Cuchulain, 193; gaat door voor den auteur van de “Tain”, 217; gedood door Ailell, 224.
Fergus (dichter). Verlost uit het Tooverhol door Goll, 255.
Ferguson, Sir Samuel. Aangehaald (noot) 30, 215–17.
Feryllt. Vergilius in de taal van Wales, 380.
Fiacha. Zoon van Firaba, 197; snijdt achtentwintig handen af van den Clan Calatin, 197; geeft een speer aan Finn, 236.
Fiachra. Een van de kinderen van Lir, 126.
Fiel. Zuster van Emer, 169.
Fianna van Erin, De. Verklaring van deze orde, 231; gevormd door Clan Bascna en Clan Morna, 231; Goll, hoofd van, 236; Finn benoemd tot hoofd van, 237; toelatingseischen, 243; verhalen verteld door Keelta, 261; beproeft te vergeefs den hamel de baas te worden, 268–69; de vervolging van den Harden Gilly, 269, 70; bevrijding van het Tooverland door, 271; Cairbry weigert schatting, 281; bijna de geheele Fianna gedood in den slag van Gowra, 282.
Fians. Zie Fianna.
Finchoom. Zuster van Dectera, pleegmoeder van Cuchulain, 165; moeder van Conall, 222.
Finchory. Het eiland, 100, 101.
Findabair met de Mooie Wimpers. Dochter van Maev, aan Ferdia aangeboden als hij met Cuchulain vechten wil, 198.
Finegas. Druïde, van wien Finn poëzie en wetenschap leert, 235.
Fingen. Geneesheer van Conor mac Nessa; zijn uitspraak betreffende Conall’s “hersen-bal” waarmee Ket den Koning wondde, 219.
Finias. De Stad (zie Dana), 90.
Finn Mac Cumhal. Fothad wordt gedood in een gevecht met, 65; Dermot met den Liefde-Vlek, een volgeling van, 107; middelpunt van Ossian’schen cyclus, 231; Oisīn, zoon van, 231; zijn komst, zijn Danaansche afkomst, Murna met den Blanken Hals zijn moeder, Cumhal zijn vader, Demna zijn oorspronkelijke naam, oorsprong van zijn naam, doodt Lia, in poëzie en wetenschap onderwezen door Finegas, eet van den Zalm der Kennis, 234, 35; doodt den demon te Slieve Fuad, 237; wordt hoofdman van de Fianna van Erin, 237; sluit overeenkomst met Conan, 238; Dermot met den Liefde-Vlek zijn vriend, 239; huwt Grania, Oisīn, zoon van, Geena mac Luga, een van de mannen van, leert mac Luga de grondbeginselen van de Fianna, 240, 41; Murna moeder van, 244; Bran en Skolawn, honden van, 244–47; huwt Saba, 245; Saba hem ontnomen door tooverkunst, 246; Niam met het Gouden Haar komt bij hem, 248; wedervaren in het Tooverhol, 254, 55; Goll verlost, 256; geeft Goll zijn dochter Keeva, 256; “De Jacht bij Slievegallion”, 256–58; “De Maske van”, door Standish O’Grady, 258; de Harde Gilly (Gilla Dacar) en, 269, 70; Grania en, 273–380; treurt om Oscar’s dood, 282; in de geheele Ossian’sche literatuur geen volledig verhaal van den dood van, 283; volgens overlevering ligt hij bezwijmd in een tooverhol, evenals Keizer Barbarossa, 284.
Fintan. De Zalm der Kennis, waarvan Finn eet, 234.
Fionuala. Dochter van Lir en stiefdochter van Aoife, 123; wordt met haar drie broeders door Aoife in zwanen veranderd, 124.
Fir-bolg Zie Firbolgs, 88.
Firbolgs. Overlevende Nemediërs die naar Ierland terugkeeren, 87; naam beteekent “Mannen met de Zakken”, legende hen betreffende, de Fir-Bolg, Fir-Domnan en Galioin, groepen in het algemeen Firbolgs genoemd, 88; de Danaans en de, 91–104, 120.
Fir-domnan. Zie Firbolgs, 88.
Flegetanis. Een heidensch schrijver wiens Arabisch boek een bron opleverde voor den dichter Kyot, 376.
Fohla. Vrouw van den Danaan-Koning mac Cecht, 116.
Foill. Een zoon van Nechtan, gedood door Cuchulain, 176.
Follaman. Conor’s jongste zoon, voert het knapen-korps aan tegen Maev, 196.
Fomorianen. Wanstaltig woest volk vertegenwoordigend de booze machten, hun gevecht met de Partholanianen, 82; Nemediërs voortdurend in oorlog met, 86; hun tirannie over Ierland, 93; gevecht met de Danaans, 101, 102, 121.
Forbay. Zoon van Conor mac Nassa, doodt Maev, 224.
Forgall, De Slimme. Heer van Lusca, vader van Emer, 169; vindt den dood als hij Cuchulain ontkomt, 178.
Fothad. Koning, gedood in gevecht met Finn; Mongan’s weddenschap omtrent de plaats van den dood, 65.
Fragarach (“De Antwoordgever”). Geducht zwaard door Lugh meegebracht uit het Land der Levenden, 98.
Frankrijk. Keltisch element in plaatsnamen, 11.
Fuamnach. Vrouw van Midir, de Trotsche, haar jaloezie op diens tweede vrouw Etain, verandert door tooverkunst Etain in een vlinder, 140; Midir vertelt van haar dood, 144.
G.
Gae Bolg. Het gebruik van de, door Skatha aan Cuchulain geleerd, 171; Cuchulain doodt zijn zoon Connla met de, 174; Cuchulain doodt Loch met de, 195; Cuchulain doodt Ferdia met de, 202.
Gaesati. Keltische krijgslieden, in den slag van Clastidium, 24.
Galatia. Keltische Staat, getuigenis van St. Jerome dienaangaande, 18.
Galiërs. Offeren kinderen aan afgodsbeeld Crom Cruach, 69.
Galioin. Zie Firbolgs, 88.
Galisch (e). De Kimbrische taal en de, 19; indruk van legenden op dichters van het vasteland, 33; barden voorloopers van denkbeelden der ridderromantiek; vergelijking van Kimbrische legenden, met, 316; continentale en, romantiek, 317.
Galles, René. Tumulus van Mané-er-Hoeck, beschreven door, 47.
Gallië(rs). Onder Romeinsch juk, 18; Caesar’s bericht over, 20; beschreven door Diodorus Siculus, 25; beschreven door Ammianus Marcellinus, 26; dr. Rice Holmes beschrijft, 26, 27; hun handel op de Middellandsche zee, in de baai van Biscaye, 27; godsdienst en ritus beschreven door Julius Caesar, 36; menschen-offers, 69; inscripties ter herinnering van Aesus, Teutates, en Taranus, 71; Dis, of Pluto, een voorname godheid van de, 72; dooden van de Galliërs naar Brittannië gevoerd, 115; Maon naar, gevoerd, 137.
Garach. Mac Roth beziet de Ulstermannen op de vlakte van, 204; slag van, 205, 206.
“Gaulois, La Religion des”. Verwijzing naar, 39, 67.
Gauvain (Sir Gawain). Ridder, metgezel van Perceval, 376.
Gavrinis. Uit de hand lezen te, 48.
Geena Mac Luga. Zoon van Luga, een van Finn’s mannen, 240; Finn leert hem de grondbeginselen der Fianna, 241, 242.
Geise (enkelvoud, gaysh; meervoud gaysha). De wet van de, beteekenis van het Iersche woord, voorbeelden: Dermot, Conary Mōr en Fergus mac Roy, 148; Grania legt Dermot, op, 274
Gele Boek van Lecan. Verhaal van Cuchulain en Connla in, 175.
Gelon. Hamilcar te Himera door, verslagen, 6.
Genealogie. Conary Mōr van Eochy, 147; Conor mac Nessa van Ross de Roode, 164; Cuchulain en Conall van den Druïde Cathbad, 164; van Don, 320; van Llyr, 320; van Arthur, 321.
Geneeskunst. Zie Magie, 44; Plinius en, 45.
Geneir. Ridder aan Arthur’s hof, 369.
Geoffrey van Monmouth. Bisschop van St Asaph, zijn “Historia Regum Britaniae” geschreven om Arthur’s krijgsbedrijven te herdenken, 309.
Geraint. Verhaal van Enid en, 367.
Gerald, Graaf. Zoon van godin Ainé, 112.
Germaansche Woorden. Vele belangrijke, van Keltischen oorsprong, 15.
Germān. Diuran en, metgezellen van Maeldūn op zijn wonderreis, 288.
Germanen. Als Kimbren en Teutonen bedreiging voor de klassieke beschaving, 15; de Jubainville’s uitlegging betreffende, als onderworpen volk, 15; werpen de Keltische heerschappij omver, 17; hun begrafenisritus, 17; hun kuischheid, 25.
Germanië. Plaatsnamen van, Keltisch element in, 11.
Gesprek van de Ouden. Verzameling verhalen, waarin St. Patrick en Cascorach worden vermeld, 103, 258; gewicht er van, 261.
Gilla Dakar (de Harde Gilly). Verhaal van, 269–271.
Gilvaethwy. Zoon van Dōn; neef van Māth, 348; zijn liefde voor Goewin en de gevolgen daarvan, 348–350.
Giraldus Cambrensis. Getuigenis aangaande de blondheid van de Iersche Kelten, 4. Zie Bleheris.
Glen Etive. Woonplaats van Naisi en Deirdre, 181.
Gloucester. Mabon verlost uit de gevangenis in, 360; de negen toovenaressen van, 372.
Glower. De sterke man van het Kleine Volk, 225.
Glyn Cuch. Pwyll’s jacht in de bosschen van, 328.
Goban de Smid. Broeder van Kian en Sawan, komt overeen met Wieland de smid in de Germaansche legende, 95, 101; Ollav Fōla vergeleken met, 134.
God. Cythrawl en, twee primaire wezens in de Kimbrische cosmogonie, beginselen van leven en verwoesting, 306; de onuitsprekelijke Naam van, uitgesproken, en de “Manred” gevormd, 306.
Goden. De opvatting van het Megalitisch Volk omtrent hun, 71; van Arische Kelten door Caesar vergeleken met Mercurius, Apollo, Mars, etc., 72; Lugh of Lugus, de Licht-god, 73.
Godheden. Caesar over de Keltische, 72; hoe het volk en de barden zich de Danaan-, voorstelden, 110.
Godsdienst. De Keltische, 29; die der Magie, 45; in Perzië, door Zoroaster ingesteld, 46.
Goewin. Dochter van Pebin; Gilvaethwy’s liefde voor haar en de gevolgen er van, 348–350.
Golasecca. Een groote kolonie van de Kelten uit de vlakten, in Cisalpijnsch Gallië, 40.
Goleuddydd. Vrouw van Kilydd; moeder van Kilhwch, 355.
Golf van Cleena. Zie Tonn Cliodhna.
Goll Mac Morna. Zoon van Morna, hoofdman van de Fianna van Erin, 236; zweert trouw aan Finn, 237; Finn herinnert aan zijn groot gezegde, 246; hij verlost Finn uit het tooverhol, 256; Keva met den Blanken Huid hem tot vrouw gegeven, 256; avontuur met den hamel, 268, 269.
Gonemans. Ridder die Perceval (Peredur) opvoedt, 372.
Gorboduc. “Historia Regum Britaniae” leverde stof voor, 311.
Gowra. Verwijzingen naar Oscar’s dood te, 240, 253; slag van, tusschen Clan Bascna en Clan Morna, 281; Oscar’s dood te, 282; dood van den Koning van Ierland te, 282.
Graal. Legenden van den, 368; verhaal van Peredur en den, 368; Chrestien de Troyes’ verhaal van den, 372; identisch met den Beker van het Laatste Avondmaal, 374; Wolfram von Eschenbach’s opvatting van het verhaal van den, 374; bewaard in het kasteel van Munsalvāsche, 375; talisman van overvloed, 376; verkeerde afleiding van gréable, 376; juiste afleiding, 377 noot; combinatie van Keltische poëzie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid en oude Zonne-mythen, 379.
Grania. Bemint Dermot, laat zich schaken door Dermot, 240; verhalen van Deirdre en, met elkander vergeleken, 273–280; gevoerd naar den Heuvel van Allen, als Finn’s vrouw, 280.
Grieken. Kelten en, 1; oorlogen in bondgenootschap met Kelten, 5; maken einde aan het monopolie van den Carthaagschen handel met Brittannië en Spanje, 6; verzekeren zich van den weg over land door Frankrijk naar Brittannië, 6; Grieksche beschaving bewaard in Keltische landen, 6.
Griekenland. Dolmens gevonden in, 37; onderdrukking van de Firbolgs in, 37.
Gronw Pebyr. Bemind door Blodeuwedd, 352; gedood door Llew, 353.
Groot-brittannië. Westelijk uiteinde = Land der Dooden, 115.
Guairy, Hugh. Voor moord in hechtenis genomen, en te Tara door Dermot gevonnist, 31.
Guary. Opper-Koning, hoont Sanchan Torpest wegens het verlies van den “Tain”, 215.
Guest, Lady Charlotte. Verzameling van verhalen, 379. Zie “Mabinogion”.
Gwalchmai. Neef van Koning Arthur, 365, 369.
Gwalw. Dingt met Pwyll naar de hand van Rhiannon, 332, 333.
Gwenhwyvar. Vrouw van Koning Arthur, 357.
Gwern. Zoon van Matholwch en Branwen, 339; aanvaardt de heerschappij van Ierland, 341.
Gwion Bach. Zoon van Gwreang; Ceridwen laat hem in den tooverketel roeren, hij doet als vroeger Finn, 380.
Gwlwlyd. De bruine ossen van, 359.
Gwreang. Vader van Gwion Bach, 380.
Gwrnach. Reus; zwaard van, 359.
Gwyddno Garanhir. Paarden van, drinken van den vergiftigden stroom, vandaar de stroom “Vergif van de Paarden van”, 380; zijn zoon Elphin vindt Taliesin, 381.
Gwydion. Zoon van Dōn; zijn plaats in de Kimbrische mythologie later ingenomen door den god Artaius, 321; neef van Māth, 348; de zwijnen van Pryderi en, 348–50.
Gwyn Ap Nudd. Een Kimbrische godheid, vergeleken bij Finn (Galisch) en Odin (Noorsch), 321; gevecht op elken Mei-dag tusschen Gwythur ap Greidawl en, 321, 356.
Gwynedd. Māth, heer van, 348.
Gwynfyd. Reinheid; de tweede van de drie concentrische cirkels die in de Kimbrische cosmogonie al het bestaande vertegenwoordigen, waarin het leven zich openbaart als een zuivere blijde kracht die over het kwaad zegeviert, 386.
Gwythur Ap Greidawl. (Victor, zoon van Schroeier). Gevecht elken Mei-dag met Gwyn ap Nudd, 321, 356.
H.
Hades. (of Annwn). De Tooverketel maakt deel uit van den buit van, 378
Hamilcar. Wordt te Himera door Gelon verslagen, 6.
Hamitisch, Het. Bewaard in de syntaxis bij de Keltische talen, 63.
Havgan. Mededinger van Arawn; doodelijk gewond door Pwyll, 329.
Hecathaeus van Abdera. Beschrijft muzikale diensten der Kelten (vermoedelijk van Groot-Brittannië), 42.
Hecathaeus van Miletus. Eerst bestaande vermelding van “Kelten” door, 1.
Heilyn. Zoon van Gwynn, 342.
Heinin. Bard aan Arthur’s hof, 383.
Hellanicus van Lesbos. Kelten en, 1.
Herodotus. Kelten en, 1, 40.
Hert van Redynvre, Het, 360.
Heuvel van Ainé. De naam van de godin Ainé verbonden aan den, 112; Ainé verschijnt in een St. Jan’s nacht onder meisjes op den, 113.
Heuvel van Allen. Finn’s honden herkennen Saba, als zij terugkeeren naar den, 245; Oisīn keert terug naar den, 253; Finn keert terug naar den, 258; terugkeer van de Fianna naar den, om de bruiloft te vieren van Finn en Taska, 272; Finn voert Grania als zijn vrouw naar den, 280.
Heuvel van Keshorran. Finn behekst op den, 254.
Heuvel van Macha. Beteekenis, 230.
Hevydd Hēn. Vader Rhiannon, 331.
“Historia Britonum”. Zie Nennius.
Historia Regum Britaniae. Zie Geoffrey van Monmouth, 309; Leverde stof voor “Gorborduc” en “Koning Lear”, 311; verbazend succes van, vertaald door Waca in het Fransch, door Layamon in het Angel-Saksisch, 311.
Homerus. Zijn sombere schildering van de zielen der afgestorvenen gevoerd naar de onderwereld, 64; verwijzing naar, 131.
Hond van Ulster. Zie Cuchulain, 199, 215; element in Galische namen, 167.
Hongarijë. Miled’s naam als god in een Keltische inscriptie uit, 115.
Hoogte van de Doode Vrouw. Vivionn begraven op de, 264.
Hugh. Een van de kinderen van Lir, 126.
Hull (Miss). Verwijzing naar, 108 noot, 186 noot.
Hyde, Douglas. Verwijzing naar zijn volksverhaal over Dermot, 268.
Hyperboreërs. Equivalent van Kelten, 1.
I.
Iberiërs. Aquitaniërs en, overeenkomst tusschen, 43.
Ierland. Eenige historische positie van, 19; Dermot mac Kerval, Opper-Koning van, 31; St. Patrick als apostel in, 35; Kelten van de vlakten bouwden paal-woningen in de meren in, 40; heilige bronnen van, 50; tumulus en symbolische insnijdingen te New Grange in, 53–56; bekeering tot het Christendom vermeld, 68; Lugh of Lugus, god van het Licht in, 73; geschiedenis van, verhaald door Tuan, 83–85; Nemed neemt, in bezit, 83; Fomorianen tiranniseeren, 86; Standish O’Grady’s “Critical History of”, 104; verdringing van Danaans door Milesiërs, 115; Ith komt in, 115–120; naam Eriu (datief Erinn) de poëtische naam van, 117; lied van Amergin gezongen bij het landen in, 119; Milesisch leger doet inval in, 120; de kinderen van Miled heerschers over, maar voortaan zijn er twee Ierlands: het geestelijke bezet door de Danaans, het wereldsche door de Milesiërs, 120–128; Eremon, eerste Milesisch koning van geheel, 127; Christendom en paganisme in, 129; Milesische verdeeling van, 132; Ollav Fola, de voornaamste Ollav van, 133; Maon regeert over, 138; inval van Conary’s pleegbroeders in, 181; De Verschrikkelijke beslist over het Kampioenschap van, 178; Naisi en Deirdre landen in, 181; Cairbry, zoon van Cormac mac Art, Opper-Koning van, 280; Maeldūn en zijn metgezellen keeren terug naar, 304; de Arthur-sage drong nooit door in, 316; inval van Bran, 339; Matholwch draagt op Gwern de heerschappij over, 341.
Iersch(e). Element van plaatsnamen gevonden in Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, enz., 11; Spenser’s opmerking over nieuwsgierigheid, 21; tooverritus van de Druïden overgebleven in vroege-Christendom, 68; vier hoofdafdeelingen in cyclus van, legenden, 80; de Coulin, een van de mooiste, volksmelodieën, 104; Angus Ōg de, Iersche god der Liefde, 106; de Jubainville’s verwijzing naar den Mythologischen Cyclus, 117; beteekenis van, plaatsnamen, 229; St. Patrick en, legende, 260; invloed van Christendom op, literatuur, 272.
Ildanach (Man van alle ambachten). Bijnaam van Lugh, den Zonnegod, 97.
Illyriërs. Kelten overwinnen de, 6.
Indië. Dolmens gevonden in, 37; voetsymbool gevonden in, 61; gebruik in, om aan de seizoenen van het jaar toonsoorten te verbinden, 103.
Indra. Indische hemellucht-godin overeenkomende met den Bruinen Stier van Quelgny, 185.
Ingcel. Eenoogig hoofdman, zoon van den Koning van Groot-Brittannië, een balling, 152, 53.
Invasie-mythen (Iersche). Zie Mythen.
Inverskina. Oude naam van de Kenmare-rivier, zoo genoemd naar Skena, 117.
Irnan. Legt Finn geise op tot tweegevecht, 255; gedood door Goll, 256.
Italië. Noord, Kelten veroveren, op de Etruskers, 5, 9; Sanchan Torpest zendt Murgen en Eimena naar, om de “Tain” op te sporen, 216.
Ith. Zoon van Bregon, grootvader van Miled, 115; gaat naar Ierland, ziet van Bregon’s toren de kusten van Ierland, verneemt dood van Neit, verwelkomd door mac Cuill en zijn broers, ter dood gebracht door de drie Danaan Koningen, 115–120.
Iubdan. Koning van het Kleine Volk, 225; Bebo, vrouw van, 226; Bebo en, bezoeken Koning Fergus in Ulster, 227.
Iuchar. Een van drie zonen van Turenn, 99; Brigit, moeder van, 110.
Iucharba. Een van drie zonen van Turenn, 99; Brigit, moeder van, 110.
J.
Japan. Dolmens gevonden in, 37.
Jerome, St. Verklaring van, over den Keltischen Staat Galatia, 18.
Jeugd. De maagd die aan Dermot de Liefde-Vlek gaf, 269.
John, Ivor B. Zijn meening over Keltische mystieke geschriften, 305.
Jones, Brynmor. Bevindingen over oorsprong van bevolkingen van Groot-Brittannië en Ierland, 62.
Joyce, Dr. R. W. Verwijzing naar zijn “Old Celtic Romances”, 279, 285, 288.
Jubainville, D’arbois de. Groot kenner van het Keltisch, 27; beschouwt Germanen als een onderworpen volk, 15; bericht betreffend Megalithisch Volk, 39; houdt Taranus (? Thor) voor god van den Bliksem, 71; meening over Dis, of Pluto, als vertegenwoordigend duisternis, dood en kwaad, 72; verwijzing naar den Gallischen god dien Caesar gelijk stelt met Mercurius, 98; hij acht Brigit identisch met Dana, 110; beschrijft Ith’s landing in Ierland in zijn “Iersche Mythologische Cyclus”, 115; vertaling van Amergin’s vreemd lied, 118.
K.
Kai. Koning Arthur’s hofmeester, 356; vergezelt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, 357; wijst Peredur af, 369.
Kampioen van Ierland. Proef op het feest van Briccriu, om te beslissen over den, 178; Chuculain als zoodanig uitgeroepen, 179.
Karpathen. Vroegste woonplaats van de berg-Kelten waren ketens van de, 41.
Kasteel der Wonderen. Peredur in het, 370, 371.
Katholieke Kerk. Middeneeuwsche verboden der, 30.
Keating. Verwijzing naar zijn “Geschiedenis van Ierland”, 134; zijn vermelding van Maon, 137; verhaalt Ket’s dood, 223; verhaalt Maev’s dood, 224.
Keelta Mac Ronan. Door Mongan van de dooden opgeroepen, 65; krijgsman en voordrager, een van Finn’s voornaamste mannen, 240; St. Patrick en, 243, 244, 266; Finn fluistert hem het verhaal van zijn betoovering toe, 257; Oisīn en, besluiten van elkander te gaan, 259; ontmoet St. Patrick, 259; helpt Oisīn Oscar begraven, 283.
Keevan met de Krullende Lokken. Minnaar van Cleena, 111.
Keltae. Een van drie volken die Gallië bewoonden toen Caesar’s verovering begon, 42.
Keltchar. Een edele uit Ulster; mac Datho’s zwijn en, 222.
Kelten. Woord het eerst gevonden bij Hecataeus, equivalent. Hyperboreërs, Herodotus en de woonplaats der, Aristoteles en, Hellanicus van Lesbos en, Ephorus en, Plato en, hun aanval op Rome, een mylpaal in de oude geschiedenis, 1; beschreven door dr. T. Rice Holmes, 2, 3; heerschappij over Midden-Europa, Gallië, Spanje, en de Britsche eilanden, hun plaats onder de rassen, Giraldus Cambrensis en, Spanje veroverd op de Karthagers, Noord-Italië veroverd op de Etruskers, Vergilius en de, overwinnen de Illyriërs, verbond met de Grieken, veroveringen in de dalen van Donau en Po, 4–6, Alexander sluit verdrag met, nationale eed van de, 6, 7; tot eenheid gebracht door Ambicatus, 8; verslaan de Romeinen, 10; Germaansche volken en, 10, 17; decoratieve motieven ontleend aan Grieksche kunst, 12; emailleerkunst door de klassieke volken geleerd van de, 13, 14; begrafenisritus, 17; karakterelementen, 20; Strabos beschrijving, 22, 23; praallievendheid en oorlogvoering, 23; Polybius’ beschrijving van krijgers in den slag van Clastidium, 24; invloed op Europeesche literatuur en philosophie, 33, 34; godsdienst van de, 35–74; ketens van de Karpathen hun oudste thuis in de bergen, 41; met muziek gepaarde plechtigheden, beschreven door Hecataeus, 42; Zwitserland, Bourgondië, het Palatinaat en Noord-Frankrijk, gedeelten van Brittannië, bezet door berg-, 42; oorsprong van onsterflijkheidsleer, 60; begrip van onsterflijkheidsleer en leer der zielsverhuizing, 65, 66; de tegenwoordige, 75, 76; geen niet-Christelijke opvatting van oorsprong der dingen, 79; overwinningen bij de Allia en te Delphi toegeschreven aan Brenos (Brian), 110; ware aanbidding der, van elementaire krachten vertegenwoordigd door werkelijke natuur-verschijnselen, 131.
Keltendom. De Gouden Eeuw van ’t, in continentaal Europa, 5.
Keltica. Nimmer bewoond door een enkel zuiver, homogeen ras, 2; Grieksch type van beschaving bewaard door, 6; emailleer-kunst had haar oorsprong in, 13, 14; de Druïden waren de hoogste macht in, 30; Brigitta (Dana) meest algemeen aangebeden godin in, 110.
Keltisch(e). Verbreiding van, macht in Midden-Europa, 10; plaatsnamen in Europa, 10, 11; wat overblijfselen van kunstwerken vertellen, 12; Keltisch element in Germaansche woorden, 15, 16; ondergang van, Rijk, 18; zwakke politiek der, volkeren, 28; De, godsdienst, 29; traditioneele begraafplaatsen der, Opper-Koningen, 53; oorsprong der zoogenaamde Keltische onsterflijkheidsleer, 60; begrippen over onsterflijkheid, 63, 64; godheden, namen en eigenschappen van, 70, 71; opvatting van den dood, 73; vijf factoren in, cultuur, 74; tegenwoordige bevolkingen, 75–77; cosmogonie, 79, 80; “Barddas”, werk van belang voor den beoefenaar van ’t Keltisch, 305.
Kenmare, Rivier. In graafschap Kerry; oude naam Inverskena, naar Skena, 117.
Kennis. Noten van, 235; de Zalm van, 235.
Kenverchyn. De drie honderd raven van, 367.
Kerry. Murna huwt den Koning van, 235.
Kesair. Gallische prinses, vrouw van Koning Ugainy de Groote, grootmoeder van Maon, 136.
Ket. Zoon van Maga; doet mee aan Maev’s aanval tegen Ulster, 187; werpt Conall’s “hersen-bal” tegen Conor mac Nessa, wat zeven jaren later diens dood veroorzaakt, 219, 220; “het Zwijn van mac Datho” en, 220–23; dood van, verhaalt in Keating’s “Geschiedenis van Ierland”, 123.
Ketel van Overvloed. Zie equivalent = Steen van Overvloed; zie ook Graal.
Keva met den Blanken Huid. Dochter van Finn, aan Goll tot vrouw gegeven, 256.
Kian. Vader van Lugh, 95; broeder van Sawan en Goban, 95; einde van, 99.
Kicva. Dochter van Gwyn Gohoyw, 336; vrouw van Pryderi, 343.
Kilhwch. Zoon van Kilydd en Goleuddydd; verhaal van Olwen en, 355–60; bij zijn zoeken (naar Olwen) vergezeld door Kai, enz., 357–60.
Killarney, Meren van. Oude naam Locha Lein, door Len gegeven aan, 107.
Kilydd. Echtgenoot van Goleuddydd, vader van Kilhwch, 355.
Kimbay (Cimbaoth). Iersche Koning; regeering van, en de stichting van Emain Macha, 134; broeder van Rooden Hugh en Dithorba, gedwongen Macha te huwen, 135.
Kimbrisch(e). 1. Volken; werking van legenden van, op continentale dichters, 33. 2. Mythen; Druïdsche gedachten in Llewellyn Sion’s “Barddas”, uitgegeven door J. N. Williams ap Ithel voor het M.S. Genootschap van Wales, 305; cosmogonie, de, 306–8; God en Cythrawl in, 306; waarom zoo weinig van Arthur-sage in, 316; vergelijking tusschen Galische en, legenden, 316 enz.
Kinderen van Lir. Verwijzing naar, 106.
Kingsborough, Lord. Staaltjes van beker-en-ring-insnijdingen gereproduceerd in zijn “Oudheden van Mexico”, 52.
Kleine Volk, Het. Fergus mac Leda en, 225–28; Iubdan, Koning van, 225.
Koning Lear. “Historia Regum Britaniae” leverde de stof voor, 311.
Kroningssteen. Thans in de Westminster Abdij, is de beroemde Steen van Scone, 90.
Kymideu Kymeinvoll. Vrouw van Llassar Llaesgyvnewid, 339.
Kymon. Ridder aan Arthur’s hof; het avontuur van, 362–65.
Kynddelig. Een van Arthur’s dienaren; vergezelt Kilhwch bij zijn zoeken naar Olwen, 357.
Kyot (Guiot). Provencaalsch Dichter; Wolfram van Eschenbach en, 375.
L.
La Tène-cultuur. Overblijfselen in Oostenrijk gevonden ontwikkelen zich tot, 13.
Labra de Zeeman. Zie Maon, 137.
Laeg. Cuchulain’s vriend en wagenmenner, 168; door Cuchulain gezonden om de mannen van Ulster op te wekken, 195; bezoekt Tooverland om bericht uit te brengen over Fand, 208; de Schimmel van Macha wil niet worden opgetuigd door, 211; gedood door Lewy, 213.
Laery. 1. Zoon van Koning Ugainy de Groote; verraderlijk gedood door zijn broeder Covac, 136. 2. De Zegevierende; deinst terug voor de Kampioen-proef, 178; mac Datho’s Zwijn en, 222. 3. Zoon van Neill; heeft een vizioen van Cuchulain, 218.
Lavignan. Hoofd in Connacht, verloofd met Deoca; maakt zich meester van de kinderen van Lir, 126.
Land der Dooden. Synoniem met Spanje, 115; het westelijk uiteinde van Groot-Brittannië is, volgens een oud schrijver door Plutarchus geciteerd, en ook volgens Procopius, het, 115.
Land der Levenden = Land van de gelukkige dooden, 81; geschenken die Lugh bracht uit het, 98.
Land der Schimmen. Woonplaats van Skatha; Cuchulain in het, 169–71.
Land van het Kleine Volk. Zie Kleine Volk (of Faylinn), 225, etc.
Land der Jeugd. Identisch met “Land der Dooden”, “Land der Levenden”, zie Mananan, 93, 109; Cleena woonde eens in, 111; nog levend in de verbeelding van den Ierschen boer, 121; mystisch land van het Volk van Dana, nadat dit door de Kinderen van Miled was verdreven, 140; heidensche voorstelling van, 144; minnaar uit het, bezoekt Messbuachalla, dien zij een zoon baart, 150; Oisīn ziet wonderen van, Oisīn keert terug uit, 250; de “Vrouw van de Bron” en het, 363.
Layamon. Vertaler. Zie “Historia Regum Britaniae”.
Legende(n). Cyclen van Iersche, 80.
Leicester. Zie Llyr.
Leinster. Boek van, en de Jubainville, 8; oude verhandeling, de “Dinnsenchus”, bewaard in, 69; traditioneele afleiding van den naam, 138; mannen van, doen mee aan Maev’s aanval op Ulster, 187; Mesroda, zoon van Datho, woonde in de provincie, 220.
Leix. Roovers uit, dooden Ailill van den Rand van den Slag, 286; Maeldūn’s reis naar, 287–304.
Len. Goudsmid van Bōv de Roode; gaf ouden naam Locha Lein aan de meren van Killarney, 107, 108.
Levarcam. Deirdre’s voedster, 179; Conor ondervraagt haar, 180.
Lewy. Zoon van Curoi, Cuchulain’s vijand, 210; gedood door Conall, 215.
Lia. Heer van Luacher, schatmeester van de Clan Morna, 234; gedood door Finn, 235; vader van Conan, 237.
Lia Fail, De. De Steen van het Noodlot, 105.
Liagan. Zeeroover gedood door Conan mac Morna, 239.
Licht van Schoonheid. Zie Sgeimh Solais.
Lir. 1. Zeegod, vader van Mananan, 98–123; Mananan en Lir, 109; identisch met het Grieksche Oceanus, 109; vader van Lodan en grootvader van Sinend, 114; komt overeen met de Kimbrische godheid Llyr, 323. 2. De Kinderen van, hun gedaantewisseling, hun dood, 123–26.
Lismore. Beschrijving van het boek van James Mac Gregor, deken van, 265.
Llassar Llaesgyvnewid. Echtgenoot van Kymideu Kymeinvoll, geeft den tooverketel aan Bran, 339.
Llevelys. Zoon van Beli; verhaal van Ludd (Nudd) en, 354, 55.
Llew Llaw Gyffes. Of “de Leeuw met de Vaste Hand.” Een held, onderwerp van het verhaal “Māth Zoon van Māthonwy”, 319, 20; identisch met de Keltische godheid Lugh met den Langen Arm, 320; hoe hij aan zijn naam kwam, 350, 51; zijn bloem-vrouw genaamd Blodeuwydd, 352; doodt Gronw Pebyr, die hem had bedrogen, 353.
Lludd. Zie Nudd.
Llwyd. Zoon van Kilcoed, een toovenaar; heft de betoovering op van zeven gebieden van Dyfed en van Pryderi en Rhiannon, 347.
Llyr. In legenden van Wales vader van Manawyddan; Iersche equivalenten Lir en Mananan, Llyr-cester (nu Leicester) vroeger een centrum van den eeredienst van, 319; Huis van, komt overeen met Keltische Lir; Penardun, dochter van Dōn, vrouw van, stamboom, 323.
Loch. Zoon van Mofebis, kampioen door Maerr uitgezonden tegen Cuchulain, wondt Cuchulain, maar wordt door hem gedood, 194, 195.
Loch Gara. Meer in Roscommon; mac Cecht’s bezoek aan, 159.
Loch Rury. Fergus mac Leda’s avontuur te, 328.
Loch Ryve. Maev trekt zich terug op het eiland op, en wordt daar gedood door Forbey, 224.
Lodan. Zoon van Lir, vader van de godin Sinend, 114.
Loherangrain. Ridder van de Zwaan, Zoon van Parzival, 375.
Loughcrew. Groote tumulus te, vermoedelijk de begraafplaats van Ollav Fōla, 134.
Lourdes. Vereering van de wateren van, 51.
Lucanus. Vermeldt trias van godheden, 71.
Luchad. Vader van Luchta, 97.
Luchta. Zoon van Luchad, 97; de timmerman van de Danaans, 101.
Ludgate. Voor afleiding zie Nudd.
Lugh, of Lugus. 1. De god van het Licht in Gallië en Ierland, 73. 2. Zoon van Kian, de Zonne-god per exellence van alle Keltische landen, komst van, 94–98; andere namen Ildánach (“De Man van alle ambachten”) en Lugh Lamfada (Lugh met den Langen arm), 97; zijn losprijs van de Zonen van Turenn voor den moord van zijn vader Kian, 100, 101; doodt Balor en wordt in zijn plaats koning, 102; vurige speer van, 105; zijn eeredienst wijd verspreid over ’t Keltisch vasteland, 108; verzoekt Cuchulain bij Dectera, 108, 165; Kimbrische godheid Llew Llaw Cyffes komt overeen met, 320.
Lugh met den Langen Arm. Zie Lugh. Zijn onoverwinlijk zwaard, 90; Bres, zoon van Balor, en, 108; echtgenoot van Dectera en vader van Cuchulain, 165; verschijnt aan Cuchulain en beschermt de rivier terwijl zijn zoon rust, vecht aan de zijde van zijn zoon, 196; Kimbrische held Llew Llaw Gyffes komt overeen met, 320.
Luned. Maagd die Owain bevrijdde, Owain bevrijdt haar, 365–67.
M.
“Mabinogion” De (enkelvoud Mabinogi). Verwijzing naar het verhaal van Kilhwch en Olwen in, 315; “Het Roode Boek van Hergest”, de voornaamste bron van de verhalen van, 316; “Māth zoon van Māthonwy”, verhaal in, 319; Alfred Nutt’s uitgave, 328; Vier Takken van de Mabinogi vormen het belangrijkst deel van, 353; Peredur’s verhaal in, en Fransche lezing, 373; het verhaal van Taliesin en, 379.
Mabon. Zoon van Modron, verlost door Arthur, 360.
Maccecht. Danaan Koning, echtgenoot van Fohla, 116; behoort tot Conary’s gevolg in Da Derga’s verblijf, 156; hij zoekt naar water, 158, 159.
Maccuill. Danaan Koning, echtgenoot van Banba, 116; in de vesting van Aileach, 117.
Macgrené. Danaan Koning, echtgenoot van Eriu, 116; mythische naam Zoon van de Zon, 116.
Mac Indoc, De Vlakte van. Laery en St. Benen op, 218.
Mackerval, Dermot. Regeering van, in Ierland, de verwensching van Tara, 31, 32. Zie Dermot.
Macpherson. Pseudo-Ossian’sche poëzie van, 265.
Mac Roth. Opzichter van Maev, en de Bruine Stier van Quelgny, 185; gezonden om te zien naar het leger van mannen van Ulster, 204.
Macedonië. Aangevallen door Thracische en Illyrische horden, 6.
Macha. Dochter van Rooden Hugh, doodt Dithorba en dwingt Kimbay haar te huwen, neemt vijf zonen van Dithorba gevangen, is een voorbeeld van de vereeniging van de eigenschappen van het Danaan- en het menschelijk geslacht, 135–36; bovennatuurlijk wezen, gaat bij Crundchu wonen, 161; haar wedren tegen paarden van Ultoniërs, brengt tweelingen ter wereld, en vloekt de Ultoniërs, 162, 163; haar vloek over de mannen van Ulster, 187–203; de vloek over de mannen van Ulster weggenomen, 204.
Maeldun. Zoon van Ailill, 286; gaat naar zijn eigen bloedverwanten, 287; zijn wonderreis, 287–304; Dr. Whitley Stokes’ vertaling van het reisverhaal voorkomend in het “Boek van de Berg Koe” (manuscript) in de “Revue Celtique”, stof voor Tennyson’s “Reis van Maeldune”, geleverd door Joyce’s lezing in “Oud-Keltische Vertellingen”, 285.
Maen Tyriawc. Begraafplaats van Pryderi, 349.
Maev. Koningin van Connacht, Angus Ōg zoekt haar hulp, 106; zwakheid der Ultoniërs gebleken bij den strooptocht van vee te Quelgny, 163; Fergus zoekt haar hulp, haar beroemde stier Finnbenach, 184; haar pogingen om den Bruinen Stier van Quelgny meester te worden, 186–210; haar leger richt verwoestingen aan in de gebieden van Bregia en Murthemney, 191; biedt Ferdia haar dochter Findabair met de Mooie Wenkbrauwen aan, zoo hij met Cuchulain wil vechten, 198; Conor roept mannen van Ulster op tegen, 204; wordt achterhaald, maar door Cuchulain gespaard, 206; sluit vrede voor zeven jaar met Ulster, 207; wraak op Cuchulain, 309–14; mac Datho’s hond en, 320–22; trekt zich terug op Loch Ryve, gedood door Forbay, 224.
Maga. Dochter van Angus Ōg, vrouw van Ross de Roode, ook gehuwd met den Druïde Cathbad, 164.
Magi. Woord magie afgeleid van, 44; Plinius, over, 45.
Magie. De Godsdienst van het Megalitisch volk, 43; oorsprong van het woord, Plinius over; oorsprong in Perzië, door Zoroaster bedacht, 44, 45; sporen in Megalithische gedenkteekenen, 47; de Clan Calatin leert in Ierland, Alba en Babylon magie, om tegen Cuchuiain op te treden, 209–213.
Maitre, Albert. Inspecteur van ’t Musée des Antiquités Nationales, 48.
Malory. Wace is hem vóór, 311; Kimbrische mythen en, 357.
Mananan. Zoon van den Zee-god Lir, 98, 123; Luch brengt zijn magische boot en zijn paard, benevens het zwaard Fragarach uit het Land der levenden, 98, 105; eigenschappen van den Zee-god meestal toegeschreven aan, de meest populaire godheid in de Iersche mythologie, heer over de zee waarachter het Land der Jeugd, of de Dooden-eilanden werden geacht te liggen; kende tooverkunsten, bezitter van tooverboot, tooverros en tooverzwaard, 109, 110; dochter van, gegeven aan Angus, een Danaan prins, 127; zijn vrouw Fand zet haar zinnen op Cuchulain, 207; hij krijgt Fand terug, zwaait zijn mantel tusschen Fand en Cuchulain, 209; Kimbrische godheid Manawyddan komt overeen met, 319.
Manawyddan. In de mythologie van Wales, zoon van Llyr; Iersche aequivalenten, Mananan en Lir, 319; Bendigeid Vran (“Bran de Gezegende”), zijn broeder, 336; verhaal van Pryderi en, 344–48; huwt Rhiannon, 343.
Mané-er-hoeck. Merkwaardige tumulus in Bretagne, 47.
Manes. Zeven verbannen zonen van Ailell en Maev, 153; doen mee aan Maev’s tocht tegen Ulster, 187.
Manessier. Zet Chrestien de Troyes voort, 376.
Manetho. Egyptisch geschiedschrijver, spreekt van menschenoffers, 10.
Manred. De onuitsprekelijke naam van God uitgesproken en zoo werd de primaire stof van het heelal gevormd, 306.
Maon. Zoon van Ailill; zijn ruwe behandeling door Covac, 136–38; wraak op Covac, 137; huwt Moriath en regeert over Ierland, 138; equivalent “Labra de Zeeman”, 138; zonderling verhaal omtrent zijn haar, 138, 139.
Marcellinus, Ammianus. Beschrijft de Galliërs, 26.
Marie de France. Anglo-Normandische dichteres; bronnen betreffende de Arthur-sage in haar geschriften, 311.
Māth zoon van Māthonwy. Titel van verhaal in de “Mabinogion”, 319; Llew Llaw Gyffes komt daarin voor, 319; broeder van Penardun, 320; het verhaal van, 347–52; Gwydion en Gilvaethwy, neven van, 348; zijn verwonderlijk gehoor, 355.
Matholwch. Koning van Ierland, komt Branwen ten huwelijk vragen, huwelijk voltrokken te Aberffraw, Evnissyen verminkt zijn paarden, 337; Bran geeft hem o.a. een tooverketel, 338; vader van Gwern, 339; verneemt Bran’s inval, 340; draagt de heerschappij over Ierland op Gwern over, 341.
Māthonwy. Voorvader van het Huis van Don, 321.
Matière de France. Bron voor de Tafelronde en ridderlijke instellingen aan Arthur’s hof toegeschreven, 313.
Maxen Wledig. Keizer van Rome; zijn droom, 353, 54.
Meath. In zijn vecht-woede slaat Fergus de toppen af van de drie Maela van, 206; St. Patrick en het volk van, 259.
Meer van den Ketel. Plaats waar Matholwch Lassar en Kymideu ontmoette, 339.
Meer van den Drakenmuil. Verblijfplaats van Caer; Angus Ōg vindt daar Caer, zijn geliefde, 106, 107.
Megalithisch Volk. Bouwt dolmens, cromlechs, 36–77; oorsprong van het, 38–42; Ridgeway’s bewering, 40; hun godsdienst die der magie, 43; voorstellingen van de goddelijke machten in menschelijke gedaante geheel onbekend bij, 60; het dwingt den Kelten het Druïdisme op, 67; menschenoffers een overblijfsel van het, 69; hun opvatting van hun godheden, 70.
Meidag. Gewijd aan Beltené, dag waarop de Zonen van Miled de verovering van Ierland begonnen, 118; elken Meidag gevecht tusschen Gwythur en Gwyn, 321; vreemde gil in Brittannië elken avond vóór Mei, 354.
Mercurius. Door de Galliërs beschouwd als hoofd der Goden, 72; Lugh Lamfada geïdentificeerd met, 98.
Merlin. Zie Myrddin. Zijn tooverkunsten 310; equivalent Myrddin, Geoffrey van Monmouth gelooft dat hij Stonehenge oprichtte, zijn verblijf, 326.
Mesgedra. Zijn wraak volbracht, 220.
Mesroda, Mac Datho. Zoon van Datho, 220; het voorsnijden van het zwijn, 221–22; Conor en Maev beiden gezonden om zijn hond te koopen, 220.
Messbuachalla. Eenige dochter van Etain Oig, beteekent “des koeherders pleegdochter”, 149; de aan Koning Eterskel beloofde zoon en, wordt bezocht door een Danaan minnaar, geboorte van Conary, 150.
Mexico. Beker- en ring-insnijding in, 52; voetsymbool gevonden in, 62; kruislings gezeten Buddha herhaaldelijk aangetroffen in de godsdienstige kunst van, 72.
Midir, De Trotsche. Een zoon van den Dagda; type van praal, verschijnt voor Koning Eochy, 108; zijn vrouw Fuamnach, zijn tweede vrouw Etain, 140; neemt zijn vrouw terug van Eochy, 144–46; staat Etain af, 147.
Miled. 1. Zonen van; overwinnen het Volk van Dana, 85; hun komst om de Danaans in Ierland te verdringen, 114, 115; Bregon, zoon van, 115; Amergin, zoon van, 117; beginnen de verovering van Ierland op 1 Mei, 118. 2. Als Godheid voorgesteld in een Keltische inscriptie uit Hongarije, zoon van Bilé, 115. 3. Kinderen van, besluiten wraak te nemen voor het dooden van Ith, 117; heerschers over Ierland, 120.
Milesiërs. Zie Zonen van Miled, 114; beteekenis van mythe, 122–28; eerste koningen, 132–133.
Minorca. Voorstellingen van schepen analoog met die in Ierland gevonden, 60.
Mochaen. Heuvel van, en Lugh’s losprijs, 100.
Modred. Koning Arthur’s neef; maakt zich meester van de kroon van zijn oom en huwt zijn vrouw Guanhamara, Arthur verslaat en doodt hem, 318.
Mongan. Iersch hoofd, reïncarnatie van Finn, weddenschap omtrent de plaats waar Koning Fothad stierf, 65.
Montelius, Dr. Oscar. Het schipsymbool, 56.
Moonremur. Een edele uit Ulster; mac Datho’s zwijn en, 222.
Morann. Druïde; zijn voorspelling betreffende Cuchulain, 166.
Morc. Fomorische koning, 86.
Morda. Een blinde door Ceridwen aangesteld om het vuur te onderhouden onder den tooverketel, 380.
Moriath. Dochter van Scoriath, Koning van Feramore; haar liefde voor Maon en wat ze deed om hem weer naar Ierland te lokken, 137, 138.
Morna. Vader van Goll, 236.
Morrigan, De. Buitengewone godin, belichamend al wat van bovennatuurlijke machten verdorven en verschrikkelijk is, haar liefde en vriendschap voor Cuchulain, 111; haar bezoek aan Conary Mōr in Da Derga’s verblijf, 155; verschijnt aan Cuchulain en biedt hem haar liefde aan, haar bedreiging, valt Cuchulain aan die haar wondt, 194; krast in den vorm van een kraai van oorlog en slachting voor Cuchulain, 211; gaat als kraai op den schouder van den dooden Cuchulain zitten, 214.
Moyrath. Slag van, maakte einde aan verzet van Keltische hoofden tegen het Christendom, 35.
Moyslaught. (“Vlakte der aanbidding”). Afgodsbeeld van Crom Cruach opgericht op, 69.
Moytura, Vlakte van. 1. Tooneel van eersten slag (graafschap Sligo) tusschen Danaans en Firbolgs, 91; 2. Tooneel van tweeden slag (graafschap Mayo) tusschen Danaans en Fomoriërs, 101, 114; de Dagda en, 105.
Munsalväsche (Montsalvat). Kasteel van, waar, in W. von Eschenbach’s gedicht, de graal wordt bewaard, 375.
Munster. Ailill Olum, Koning van, 112; “Heuvel van Ainé” en godin Ainé, 112, 113; oorsprong van naam, 138.
Murias. De Stad (zie Dana), 90.
Murna met den Blanken Hals. Vrouw van Cumhal, moeder van Finn, 234, 244; neemt de wijk in de bosschen van Slieve Bloom en brengt Demna (Finn) ter wereld, 234, 235; huwt den Koning van Kerry, 235.
Murtagh Mac Erc. Koning van Ierland, broeder van Fergus de Groote; leent den beroemden Steen van Scone aan Schotland, 90.
Murthemney. Kian gedood op de vlakte van, 99; Cuchulain van, in een visioen gezien door de profetes Fedelma, 188; de slachting van, 196; leger van Ulster verzamelt zich op de vlakte van, 210; Cuchulain in zijn burcht van, 212.
Mycenae. Een dolmen staat nog naast de begraafplaats der Atriden te, 37.
Myrddin. Zie Merlin. Godheid in Arthur’s mythologischen cyclus, komt overeen met den Zonne-god Nudd, professor Rhys meent dat hij de voornaamste godheid was te Stonehenge aangebeden, neemt de “Dertien Schatten van Brittannië”, 326.
Mythologische Cyclus, De, 80, 81.
Mythologie. Vergelijking tusschen Keltische en Kimbrische, 318; vergeleken met folklore, 384, 85.
Mythen. Beteekenis der Danaan-, 121; beteekenis der Milesische, 122; dringen in Ierland door, 122.
N.
Naisi. Zoon van Usna, bemind door Deirdre, ontvoert Deirdre, zijn broeders Ardan en Ainlé, Conor verzoekt hem terug te keeren, 180; zijn terugkeer onder bescherming van Fergus, 181; gedood door Owen zoon van Duracht, 181–83.
Naqada. Teekens op ivoren tafels door Flinders Petrie ontdekt op het kerkhof te, 62.
Narberth. Kasteel waar Pwyll zijn hof hield, 331; Pwyll’s avontuur op de Hoogte van Arberth bij Narberth, 331, 36; Pryderi en Manawyddan en hun vrouwen treurig achtergelaten in het paleis van, 343.
Natchrantal. Beroemd kampioen van Maev; helpt den Bruinen Stier pakken, 193.
Nechtan. Burcht van de Zonen van, 176; Cuchulain lokt een gevecht uit met de zonen van, zij worden gedood, 176, 77.
Nederlanden. Keltisch element in plaatsnamen van de, 11.
Neit. Danaan koning, gedood in slag met de Fomoriërs, 117.
Nemed. Zoon van Agnoman, neemt Ierland in bezit, 83; vecht zegevierend tegen de Fomoriërs, zijn dood, 86.
Nemediërs. Zeilen naar Ierland, 84; verwant met de Partholaniërs, 86; strijden zegevierend tegen de Fomoriërs, verslagen door de Fomoriërs, 86, 87.
Nemglan. Gebiedt Conary naar Tara te gaan, 151; bepaalt Conary’s geise, 151, 52.
Nennius. Britsch geschiedschrijver in wiens “Historia Britonum” (A.D. 800) de eerste vermelding van Arthur is gevonden, 309.
Nessa. Dochter van Echid Geel-hiel, vrouw van Fachtna, moeder van Conor, bemind door Fergus.
New Grange. Tumulus te, beschouwd als woonplaats van ’t Toovervolk, 53, 54; symbolische insnijdingen te, 55, 57; Angus Ōg’s paleis te 106; Angus’ tooverslot te Brugh na Boyna identisch met, 127.
Niam. 1. Vrouw van Conall; verpleegt Cuchulain, 211; Bave doet haar onder betoovering dwalen, 211, 2. Met het Gouden Haar; dochter van den Koning van het Land der Jeugd, 248; Oisīn vertrekt met, 249, 50; vergunt Oisīn het Land van Erin te bezoeken, 250.
Nissyen. Zoon van Eurosswyd en Penardun, 336.
Nodens. Zie Nudd.
Noten van Kennis. Vallen van hazeltakken in het meer waarin de Zalm der Kennis leefde, 235.
Nuada met de Zilveren Hand. Koning van de Danaans, 91, 92; zijn ontmoeting met Balor, kampioen der Fomoriërs, 102; behoort tot Finn’s voorouders, 234; identisch met de zonne-godheid in de Kimbrische mythologie, zie Nudd of Lludd, 319.
Nudd of Lludd. Romeinsch equivalent Nodens. Een zonne-godheid in de Kimbrische mythologie, identisch met Nuada, 319; had onder den naam Lludd, naar men zegt, een tempel op de plaats van St. Paul, 319; ingang van Lludd’s tempel geheeten Parth Lludd (Britsch), wat de Saksers vertaalden met Ludes Geat, het tegenwoordige Ludgate, 319; verhaal van Llevelys en, 355; steekspel van Edeyrn, zoon van, met Geraint om Enid, 367.
Nutt, Alfred. In verband met den “Heuvel van Ainé”, 113; in verband met de Oisīn-en-Patrick-dialogen, 266; bedoeling van het verhaal van Taliesin, 379.
Nynniaw. Peibaw en, broeders, twee Koningen van Brittannië, hun twist over de sterren, 327.
O.
O’donovan. Een groot Iersch oudheidkenner; volksverhaal gevonden door, 94–104.
O’dyna, Cantred. Dermot’s erfgoed, 276.
O’grady. 1. Standish, Over de stichting van Emain Macha in zijn “Critical History of Ireland”, 104, 135; zijn “Masque of Finn”, 258. 2. Standish Hayes, “Silva Gadelica”, 229, 254, 258.
Oceaan-veger. Mananan’s tooverboot, 109.
Odyssée, De. Aanhaling uit Cotterill’s vertaling in hexameters, 64.
Offers. Van menschen door Caesar bij de Kelten opgemerkt, 68; in Ierland, ook in Mexico en Carthago, 68; van kinderen aan Crom Cruach, door Galen, 68; menschenoffers in Egypte zeldzaam, 69.
Ogma. Krijger van Nuada, 97, 103.
Oisīn. Anders: Klein Hert. Zoon van Finn, grootste dichter van de Kelten, vader van Oscar, begraaft Aideen, 240; wordt door Saba ter wereld gebracht, 245–48; Niam met het Gouden Haar bemint hem, 248–50; keert terug uit het Land der Jeugd, 251; Keelta en, besluiten van elkander te gaan, 259; helpt Keelta Oscar begraven, 283.
Ollav. Beteekenis van het woord, 133.
Ollav Föla. Achttiende Koning van Ierland na Eremon; de voornaamste Ollav van Ierland, 133; vergeleken met Goban de Smid en Amergin de Dichter, 134.
Olwen. Het verhaal van Kilhwch en, 355–361; dochter van Yspaddaden, 356; hoe zij aan den bijnaam “Van het Witte Spoor” kwam, 358; vrouw van Kilhwch, 361.
Onderwereld. Keelta opgeroepen uit de, 65; Keltisch geloof aan, 66; Mercurius door de Galliërs beschouwd als gids der dooden naar de, 72; Dis, of Pluto, god van de, 72.
Onsterflijkheid. Oorsprong van zoogenaamd Keltische leer der, 60; Egyptische en Keltische begrippen over, 63, 64.
Onweerstaanbare (De). Tooverzwaard van Mananan, 110.
Oostenrijk. Ontwikkeling van vóór-Romeinsche doodenstad in, 12; overblijfselen gevonden in, tot de La Tène-cultuur ontwikkeld, 12.
Opperkoningen van Ierland. Steen van het noodlot, gebruikt bij kroning van, 90.
Orlam. Gedood door Cuchulain, 191.
Oscar. Zoon van Oisīn, doodt Linné, zijn vrouw Aideen, haar dood na den slag van Gowra, type van harde kracht, 240; dood in den slag van Gowra, 253; beschrijving van zijn dood, 281, 282.
Osiris. Voeten van, symbool van bezoek in Egypte, 61.
Ossian-genootschap. Verhandelingen van ’t, 256–58; slag van Gowra beschreven in, 280.
Osthanes. Vroegste auteur over magie, 47.
Oude Keltische Verhalen. Van dr. P. W. Joyce, 279, 285, 288.
Overvloed. Zie Steen van Overvloed.
Owain. Zoon van Urien; speelt schaak met Koning Arthur, 361; de Zwarte Ridder en, 364–67; gezien door Peredur, 369.
Owel. Pleegzoon van Mananan en een Druïde, vader van Ainé, 112.
Owen. Zoon van Duracht; doodt Naisi en andere zonen van Usna, 183.
Owens van Aran. Ailill van de, 286; Maeldūn gaat bij hen wonen, 287.
P.
Paarden van Mananan. Witgekuifde wolken, aldus genoemd, 110.
Patrick, St. Apostel in Ierland, 35; voet-symbool en, 62, 63.
Partholan. Komt in Ierland uit het Westen; zijn afkomst, 81.
Partholaniërs. Slag tusschen Fomoriërs en,; eind van het ras door pest op de Oude Vlakte, 82; Nemediërs verwant met, 86.
Peibaw. Nynniaw en, broeders, Koningen van Brittannië, hun twist over de sterren, 327.
Penardun. Dochter van Dōn, vrouw van Llyr, ook van Eurosswyd, zuster van Māth, 322, 336; moeder van Bran, ook van Nissyen en Evnissyen, 336.
Perdiccas II. Zoon van Amyntas II, gedood in den slag, 6.
Peredur. Het verhaal van, en de oorsprong van de Graal-legende, 368, 374; komt overeen met Perceval van Chrestien de Troyes, 368.
Pergamos. Zwarte Steen van, waarvoor een gezantschap uit Rome werd gezonden, tijdens den tweeden Punischen oorlog, 50.
“Peronnik”. Volksverhaal, 368, noot.
Perzië. Godsdienst der magie door Zoroaster ingesteld in, 46.
Petrie, Flinders. Ontdekkingen van, 62; over den Egyptischen oorsprong van het symbool van moeder en kind, 63.
Philip. Jongere broeder van Perdiccas, 6.
Philostratus Over emailleerkunst van de Britten, 13.
Plato. Kelten en, 1; zijn getuigenis over Keltische kenmerkende eigenschappen, 20.
Plinius. Over den godsdienst der magie, 45.
Plutarchus. Over het Land van de Dooden als westelijk uiteinde van Groot-Brittannië, 115.
Pluto (Pluton). Equivalent Dis; god van de Onderwereld, 72; in verband gebracht met rijkdom, 321.
Polybius. Beschrijving van de Gaesati in den slag van Clastidium, 24.
Polynesisch. Het, gebruik genaamd “tabu”, overeenkomst met de Iersche geis, 149.
Portugal. Keltisch element in plaatsnamen van, 11.
Posidonius. Over barden-instelling onder de Kelten, 41.
Procopius. Spreekt van Land van de Dooden als westelijke uithoek van Groot-Brittannië, 115.
Provincie van de Speermannen (Iersch Laighin). Zie Leinster, 138.
Pryderi (Onrust). Zoon van Pwyll en Rhiannon; hij wordt vermist, 334; Teirnyon brengt hem terug, 335, 36; Kicva zijn vrouw, 336; het verhaal van Manawyddan en, 343–48; Gwydion en de zwijnen van, 348; zijn dood, 349.
Pwyll (modern Powell). Prins van Dyfed; hoe hij aan zijn titel kwam Pen Annwn, of “Hoofd van Hades”, 328–31; zijn avontuur op den Berg van Arberth, bij het Kasteel van Narberth, 331–36; kiest Rhiannon tot vrouw, 332; Gwawl’s streek tegen hem, 332; Rhiannon’s plan om hem uit Gwawl’s macht te verlossen, 333; huwt Rhiannon, 334; legt zijn vrouw een boete op, 334; zijn zoon Pryderi gevonden, 336.
Pythagoras. Keltisch begrip van zielsverhuizing en, 65.
Pytheas. Vermeldt de Duitsche stammen omstreeks 300 v. Chr. 15.
Q.
Quelgny, of Cuailgné. Vee-strooptocht van, door Koningin Maev, 163; Bruine Stier van, eigendom van Dara. Het onderwerp van de “Tain Bo Cuailgné” is de Bruine Stier van,; Bruine Stier van, de Keltische tegenhanger van de Indische hemel-godheid, Indra, 185; Bruine Stier van, gevangen te Slievegallion, gr. Armagh, door Maev, 195; witgehoornde Stier van Ailell gedood door Bruine Stier van, 206; Fergus mac Roy gaat door voor den schrijver van de “Tain”, 215; Sanchan Torpest zoekt naar het verloren lied van, 215–17.
R.
Rā. Egyptische Zonne-god; schipsymbool in de Egyptische begraafplaats-kunst in verband met den eeredienst van, 58, 59.
Rath Grania. Koning Cormac en Finn onthaald in, 277.
Rath Luachar. Lia thesaurier te, 234.
Rathcroghan. Maev’s paleis te Roscommon, 184.
Revue Celtique. Dr. Whitley Stokes’ vertaling van de “Reis van Maeldūn” in, 285.
Rhiannon. Dochter van Hevydd Hēn; zet haar zinnen op Pwyll, 331, 32; huwt Pwyll, 333; de straf haar opgelegd, 334; haar zoon gevonden, 336; huwt Mannawyddan, 343.
Rhonabwy. De droom van, 361, 362.
Rhun. Van Koning Arthur’s Hof gezonden tot Elphin’s vrouw, 381, 382.
Rhys Ap Tewdwr. Prins uit Zuid-Wales; maakte de Tafelronde in Wales bekend, 315.
Rhys, Sir J. Zijn denkbeelden over den oorsprong der bevolking van Groot-Brittannië en Ierland, 62; over Myrddin en Merlin, 326, 327.
Ridderverhalen. Galische en continentale, 317.
Roc. Angus’ hofmeester, zijn zoon wordt dood gedrukt door Donn, daarna in een zwijn veranderd met opdracht Dermot ten slotte ter dood te brengen, 267.
Rome. Kelten trekken naar en plunderen, 9, 10; Brittannië en Gallië onder juk van, 18; Maxen Wledig’s rijk in bezit genomen, 354.
Romeinen. Arthur weigert schatting aan de, 310.
Roode Hugo. Vorst van Ulster, vader van Macha, broeder van Dithorba en Kimbay, 135.
Roode Ruiters. Conary’s reis met de, 153, 154.
Roode Tak. Bond van ridders, die zijn zetel had in Emain Macha, 161; zijn roemrijke tijd onder de regeering van Conor, 164; helden van de, en Cuchulain vechten om het kampioenschap van Ierland, 178, 179; Naisi en Deirdre in het Huis van de, 181; met Cuchulain en Conor gaat de roem van de, verloren, 220. Ross de Roode. Koning van Ulster, echtgenoot van Maga, een dochter van Angus Og, Roy zijn tweede vrouw, de Roode Tak stamt af van, 164.
Roy. Tweede vrouw van Ross de Roode, 164.
Ruadan, St. Verwensching van Tara door, 32.
Russell, G. W. Iersch dichter; mooie behandeling van de mythe van Sinend en Connla’s bron, 114.
S.
Saba. Vrouw van Finn, moeder van Oisīn, 245–248.
Samnieten-oorlog, Derde. Valt samen met instorten van het Keltisch Rijk, 10.
Sanchan Torpest. Voornaamste bard van Ierland;, en de “Tain”, 215–217.
Sawan. Broeder van Kian en Goban, 95.
Scandinavië. Dolmens gevonden in, 37; voetsymbool gevonden in, 61.
Schimmel van Macha. Cuchain’s paard bereden door Sualtam, 203; weigert zich door Laeg te laten inspannen, 211; doodelijk gewond door Erc, 213; verdedigt Cuchulain, 214.
Schip-symbool, Het. 56–61.
Semion. Zoon van Stariat, vestigt zich in Ierland; Firbolgs stamden af van, 85.
Sera. Vader van Partholan, 81; vader van Starn, 83.
Setanta. Vroegste naam van Cuchulain, 165; de “kleine leerling”, bemoeilijkt Maev’s troepen, 190.
Sgeimh Solais (Licht van Schoonheid). Dochter van Cairbry, door den zoon van den Koning der Decies ten huwelijk gevraagd, 280.
Shannon, De rivier. Mythe van Sinend en de Bron van Kennis verklaart den naam van, 113; Dithorba’s vijf zonen vluchten over de, 135; mac Cecht bezoekt, 159; Dermot en Grania steken bij Luan de rivier over, 275.
Siculus, Diodorus. Tijdgenoot van Julius Caesar, beschrijft de Galliërs, 25.
Sidhe (of Sprookjesvolk). Tumulus te New Grange (Ierland) beschouwd als woonplaats van, 53.
Silva Gadelica. Verwijzing naar S. H. O’Grady’s werk, 229, 254, 258.
Sinend. Godin, dochter van Lir’s zoon, Lodan; haar noodlottig bezoek aan de bron van Connla, 114.
St. Benen. Een metgezel van St. Patrick, 218.
St. Finnen. Iersch abt; legende betreffende Tuan mac Carell en, 82.
St. Patrick. Bericht over zijn zending naar Ierland, 35; het “Gesprek van de Ouden” over Cas’corach en, 103, 104; Brogan, zijn schrijver, 104; Ethné vijftienhonderd jaar oud toen Patrick kwam, 127; hij doopt Ethné, 128; roept Cuchulain uit de Hel op, 218; naam Talkenn door de Ieren gegeven aan, 253; hij ontmoet Keelta, 260; Iersche legende en, 261.
Sion, Llewellyn. Bard uit Wales, samensteller van “Barddas”, 305.
Skata. Een machtige amazone van het Land der Schimmen, 169; zij onderwijst Cuchulain haar twee bijzondere kunsten: over de Brug van de Sprongen te komen en de Gae Bolg te gebruiken, 170, 171.
Skena. Vrouw van den dichter Amergin; haar ontijdige dood, 117.
Slayney, De rivier. Bezocht door mac Cecht, 159.
Slieve Bloom. Murna neemt de wijk in de bosschen van, en daar wordt Demna (Finn) geboren, 234.
Slieve Fuad (later Slievegallion). Lir’s onzichtbare woning op, 109; Cuchulain vindt zijn vijand op, 213; Finn doodt den boozen geest op, 237. Slievegallion. Een tooverberg; de Jacht van, 256–8. Zie Slieve Fuad.
Slievenamon. De Brugh (paleis) van, Finn en Keelta jagen op, 261–62.
Sluier der illusie. Over Caradawc geworpen, 342.
Sohrab en Rustum. Verwijzing naar verhaal van, 175.
Spanje. Door de Kelten veroverd op de Carthagers, 5; de Grieken maken een eind aan den handel van Carthago met, 6; Keltisch element in plaatsnamen van, 11; dolmens gevonden aan de kust van de Middellandsche Zee, 37; equivalent: Land van de Dooden, 87.
Sprookjesvolk (het). Equivalent, Sidhe. De tumulus te New Grange (Ierland) beschouwd als verblijfplaats van, 53; de Coulin afgeluisterd door, 104; Conary Mōr door, verlokt om zijn geise te breken, 153; sluit alle waterbronnen voor mac Cecht af, 159; Fergus mac Leda en, 225–27; Conan mac Morna en, 231; Keelta en, 244; Gwyn ap Nudd, Koning van, in Wales, 325.
Sprookjesland (het). Land van de Dooden, 81; Cleena door een golf teruggevoerd naar, 111, 112; Connla’s bron in, 114; oorlog gevoerd tegen Eochy, die ten slotte zijn vrouw Etain terug krijgt, 146, 147; Cuchulain in, 207–209; Laeg’s bezoek aan, 207; Fergus mac Leda en, 225–27; verhalen van de Fianna betrekking hebbend op, 231; Oisīn’s reis naar, 250; de bevrijding van, door Finn en de Fianna, 270–71; bevrijding van, door Pwyll, 328, 29.
Squire. Schrijver van de “Mythologie der Britsche Eilanden”, 320, 325, 378.
Sreng. Gezant van de Firbolgs bij Volk van Dana, 91.
Starn. Zoon van Sera, broeder van Partholan, 83.
Steen (Kronings). In de Westminster Abdy, identiek met den Steen van Scone, 90.
Steen van overvloed. Equivalent: Ketel van Overvloed; de Graal in Wolfram’s gedicht als een, een dergelijke steen in “Peredur”, 377; hiermee overeenkomend: de Keltische Ketel van den Dagda, Bran krijgt den Ketel, 378; in een gedicht van Taliesin maakt de Ketel deel uit van de schatten van Hades, 383.
Steen van het Noodlot. Anders Lia Fail. Een van de schatten der Danaans, 90.
Steen van Scone. Fabelachtige oorsprong van, tegenwoordige bewaarplaats, 90.
Steen-aanbidding. Vermoedelijke aanleiding tot, de Synode van Arles verbiedt die, Karel de Groote verbiedt die, 50; Zwarte Steen van Pergamos en de tweede Punische oorlog, 50; de Graal een overblijfsel van de oude, 377.
Stokes, Dr. Whitley. Verwijzing naar, 149; zijn vertaling van de “Reis van Maeldūn” in de “Revue Celtique”, 286.
Stonehenge. Megalithisch gedenkteeken te, 38; volgens prof. Rhys werd Myrddin te, vereerd, Geoffrey van Monmouth en, 326.
Straat van Moyle (tusschen Ierland en Schotland). Aoife’s wreedheid jegens haar stiefkinderen, 124.
Strabo. Over kenmerkende eigenschappen van de Kelten, 22, 23.
Strand van de Voetafdrukken. Oorsprong van den naam, 174.
Sualtam. Vader van Cuchulain (zie Lugh), 188; tracht Ulster tot oproer te brengen, zijn dood, 203.
T.
Tafelronde, De. Zie 308, 310, 312, 314.
Tain Bo Cuailgné. Beteekenis, 185; verhaal van, geheel opgeschreven door Finn mac Gorman, Bisschop van Kildare, in 1150, 207; het terugvinden van de, als schrijver genoemd Fergus mac Roy, Sir S. Ferguson behandelt dat terugvinden in de “Liederen van de West-Kelten”, Sanchan Torpest, door den Opper-Koning Guary getart, besluit de verloren, te vinden, 215; oude Keltische handschriften en de, 272.
Taliesin. Een mythische bard; zijn voorspelling betreffende de gehechtheid van de Kimbren aan hun taal, 354; het verhaal van, 379–84; gevonden door Elphin, zoon van Gwyddno, 381; wordt hoofdbard van Brittannië, 384.
Talkenn. Naam door de Ieren aan St. Patrick gegeven, 253.
Taltiu of Telta. Dochter van den Koning van de “Groote Vlakte” (het Land van de Dooden), gehuwd door Eochy mac Erc, 88.
Tara. Zetel van de Opper-Koningen van Ierland; de verwensching van, 31, 32; Steen van Scone, naar Schotland gezonden, uit, 90; Lugh beschuldigt te, de zonen van Turenn van den moord van zijn vader, 100; Midir de Trotsche verschijnt voor Eochy op den Heuvel van, 108, 145; Milesisch leger te, 119; instelling van driejaarlijksch feest te, 133; stierenfeest te, om door raden te beslissen wie koning zou zijn in plaats van Eterskel, 150, 151; Nemglan beveelt Conary te gaan naar, 151; Conary tot Koning van Erin uitgeroepen te, 151; wordt aan Cuchulain gewezen, 176; Cuchulain’s hoofd en hand begraven te, 214; Finn te, 236, 237.
Taranus (?Thor). Godheid door Lucanus vermeld, 71.
Tegid Voel. Een man uit Penllyn, echtgenoot van Ceridwen, vader van Avagddu, 380.
Teirnyon. Een man uit Gwent Is Coed, hij vindt Pryderi, 334, 335; brengt Pryderi terug, 336.
Telltown (Teltin). Paleis te, van Telta, de vrouw van Eochy mac Erc, 88; groote slag te, tusschen Danaans en Milesiërs, 120; Conall begeeft zich na den dood van Conary naar, 160; wordt Cuchulain aangewezen, 176.
Tennyson, Lord. Bron voor zijn “Reis van Maeldune”, 285; Kimbrische mythen en, 357; zijn Enid, 367.
Teutates. Godheid door Lucanus vermeld, 71.
Teutonisch(e). Trouw van de, stammen, 29.
Tezcatlipoca. Zonne-god; feest van, in Mexico, 62.
Thomas van Bretagne. Zie Bleheris.
Tiberius, Keizer. Weert Druîden, profeten en bezweerders, 46.
Tierna. Abt van Clonmacnois, geschiedschrijver uit de elfde eeuw, 134.
Tiernmas. Vijfde Iersche Koning, die Eremon opvolgde, afgodsbeeld Crom Cruach en, zijn dood, 133.
Tonn Cliodhna. Of “Golf van Cleena”. Een van de voornaamste bakens van Ierland, 111.
Tor Mōr. Steil voorgebergte op Tory Eiland; Balor houdt Ethlinn gevangen in een toren op, 95, 96.
Tory Eiland. Versterkte plaats der Fomoriërs; door Nemediërs genomen, 86.
Tradaban, De bron van. Keelta’s lofzang op, 260.
Trendorn. Conor’s dienaar, bespiedt Deirdre, Naisi slaat hem een oog uit, hij maakt Deirdre’s schoonheid aan Conor bekend, 182.
Treon. Vader van Vivionn, 264.
Tristan en Isolde. Verhaal van Grania en Dermot komt overeen met de geschiedenis zooals die verteld is door Heinrich von Freiberg, 275.
Troyes. Zie Chrestien de Troyes.
Tuan mac Carell. De legende van, verhaald in het manuscript “Boek van de Berg Koe”, 81; koning van alle herten in Ierland, 84; naam van “goden” gegeven aan het Volk van Dana, door, 89.
Tuatha de Danann. Letterlijk: “Het volk van den god wiens moeder Dana is”, 88.
Tumuli. Zie dolmens, 37.
Turenn. De tocht van de zonen van, 98–101; Lugh en de tocht van de zonen van, 108.
Twrch Trwyth. Een koning in de gedaante van een monsterachtig zwijn, 359.
Tyler. In zijn “Primitive Culture”, gewaagt hij van het feest van den Zonne-god, Tezcatlipoca, 62.
Tylwyth Teg. Feeën in Wales; Gwyn ap Nudd, Koning van de, 325.
Tyren. Zuster van Murna, Ullan, echtgenoot van, door een vrouw van het Toovervolk in een hond veranderd, 244, 245.
U.
Ugainy de Groote. Heerscher over Ierland, echtgenoot van Kesair, vader van Laery en Covac, 136.