← Table of contents
Keltische Mythen en Legenden

Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Ierland en de godsdienst der Kelten.

Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.

Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit, dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van den Keltischen godsdienst.

Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.

De volksgodsdienst der Kelten.

Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij “Druïdisme” noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven.

Het megalithische volk.

Dolmens, cromlechs en tumuli.

Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa’s, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden—in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.

Dolmen te Proleek, Ierland.
Dolmen te Proleek, Ierland.

Dolmen te Proleek, Ierland.

(Naar Borlase).

Oorsprong van de megalithische bevolking.

Praehistorische Tumulus te New Grange
Praehistorische Tumulus te New Grange

Praehistorische Tumulus te New Grange

De Kelten der vlakten.

Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt “onder de Kelten oprijst.” Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking, waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen, die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van godsdienst en van de bardenpoëzie.

De Kelten uit de berglanden.

Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen.

De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats, die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie—zij speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige Kelten der oude geschiedenis—de plunderaars van Rome en van Delphi, de huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij teruggebracht; “plebs paene servorum habetur loco,” zooals Caesar ons verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende klasse.

Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac
Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac

Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac

De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij als een schande beschouwden), maar begraven.

De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten, maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.

Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen hij met zijn verovering begon: “zij verschillen onderling in taal, gebruiken en wetten”. Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen, de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch is het de aandacht waard,—en dat is volkomen in overeenstemming met de opvattingen van Bertrand,—dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.

De godsdienst der toovenarij.

Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden, zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken, die door de megalithische bevolking werden gevolgd—denkbeelden, die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne woord “toovenarij.” Wij moeten thans den aard van dien godsdienst der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn inaugureele redevoering te Cambridge in 1903:

“Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen, dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden.”

Plinius over den godsdienst der magie.

“De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen, dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste plaats uit de geneeskunde is ontstaan—een feit dat door niemand kan worden betwijfeld—en onder den schijn van bezorgdheid voor onze gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen, over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken, en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan.

Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen de Grieken, en die de “kiemen van zijn gedrochtelijke kunst” heeft verbreid overal waar hij in Europa kwam.

De magie was—zoo meende Plinius—noch inheemsch in Griekenland, noch in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt, dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.

Sporen van magie in megalithische monumenten.

Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.
Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.

Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.

(Sergi.)

Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr’inis.

In verband met het groote grafmonument te Gavr’inis was een zeer merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar—zooals gewoonlijk bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland—een aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt, zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat—een magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in het Christelijke symbolisme—zooals bij voorbeeld de groote hand, gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van Muiredach te Monasterboice.

Dolmen te Trie, Frankrijk.
Dolmen te Trie, Frankrijk.

Dolmen te Trie, Frankrijk.

(Naar Guilhabaud.)

Uitgeholde steenen.

Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening, die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden, die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de geslachten in verband staat.

Dolmens in Dekan, Indië.
Dolmens in Dekan, Indië.

Dolmens in Dekan, Indië.

(Naar Meadows-Taylor.)

Vereering van steenen.

Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.
Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.

Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.

(Naar Sir J. Simpson.)

Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne
Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne

Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne

Teekens in den vorm van schotels en ringen.

Verschillende vormen van schotels en ringen.
Verschillende vormen van schotels en ringen.

Verschillende vormen van schotels en ringen.

De tumulus te New Grange.

Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.

Het schipsymbool te New Grange.

Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.
Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.

Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.

Zonneschip van Locmariaker, Bretagne
Zonneschip van Locmariaker, Bretagne

Zonneschip van Locmariaker, Bretagne

(Naar Ferguson).

Ingang van den Tumulus te New Grange
Ingang van den Tumulus te New Grange

Ingang van den Tumulus te New Grange

Zonneschip van Halland, Zweden.
Zonneschip van Halland, Zweden.

Zonneschip van Halland, Zweden.

(Naar Montelius).

Schip (met Zeil?) van Ryxö.
Schip (met Zeil?) van Ryxö.

Schip (met Zeil?) van Ryxö.

(Naar Du Chaillu).

Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.
Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.

Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.

(Naar Du Chaillu).

Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen, met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden, Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland, hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden.

Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.
Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.

Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.

(Britsch Museum).

Het schipsymbool in Egypte.

Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven betreft. Het staat in verband met den dienst van Rā, die 4000 jaar vóór Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip, waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De zonnegod Rā wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum, zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen vinden van de levenwekkende stralen, die Rā op de boot en hare bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is, figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend.

Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.
Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.

Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.

Britsch Museum.

Egyptische schuit, met de figuur van Rā, die een Ankh vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie.
Egyptische schuit, met de figuur van Rā, die een Ankh vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie.

Egyptische schuit, met de figuur van Rā, die een Ankh vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie.

(Britsch Museum).

In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers, die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs na de komst der Kelten—zij komen het eerst voor in Gallië onder Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen, dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde “Keltische” leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden, waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die leer was typisch Egyptisch.

De “Navetas”.

Het schipsymbool in Babylonië.

Het symbool der voeten.

Het symbool der twee voeten.
Het symbool der twee voeten.

Het symbool der twee voeten.

De Ankh op megalithisch beeldhouwwerk.

De Ankh.
De Ankh.

De Ankh.

Bewijzen uit de taal.

Egyptische en “Keltische” denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.

De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving, stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten, met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd.

“Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen Van d’in ’t gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij betoovert D’oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt. Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf, Hermes leiding, Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in ’t diepste der holen, Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd zich houden. Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den Hades.”

De leer der zielsverhuizing.

Menschenoffers in Gallië
Menschenoffers in Gallië

Menschenoffers in Gallië

Caesar over de beschaving der Druïden.

De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover de Druïden het toezicht hielden, wordt door Caesar met den grootsten eerbied besproken. “Zij bespreken en behandelen met de jeugd,” zoo schrijft hij, “een aantal dingen over de sterren en haar bewegingen, over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard der dingen, over de macht en de majesteit der onsterfelijke goden” (VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige bijzonderheden konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt beschreven. Maar hoewel de Druïden goed op de hoogte waren van de schrijfkunst, verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want niet alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit krachtig kon worden betwist.

Menschenoffers in Gallië.

In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken, zelfs onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden, en daarin levend verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend een Druïdisch gebruik—het wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een zeker peil van beschaving, en was ongetwijfeld een overblijfsel uit den tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen moet hebben voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken worden met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de onbeperkte overheersching eener priesterkaste.

Menschenoffers in Ierland.

“Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen”
“Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen”

“Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen”

En in Egypte.

De namen van Keltische godheden.

Caesar over de Keltische godheden.

De god der benedenwereld.

De God van het licht.

De god van het Licht komt in Gallië en in Ierland voor als Lugh, of Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal plaatsnamen, zooals Lug-dunum (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als hij zijn leger aantreft vóór den grooten strijd tegen de Fomoriërs, krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien, een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn, de dochter van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.

De Keltische opvatting van den dood.

Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen, en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats van somberheid en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer de godheid van die wereld als van deze. Er waren daar ongetwijfeld ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen door de Iersche Kelten belichaamd waren in hun mythen van Balor en de Fomoriërs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in het bijzonder verbonden waren met het denkbeeld van den dood, is naar mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende vergelijkingen met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen gevolgd, dan die van de Ariërs uit Europa. Alleen als wij er ons voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij die in de geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche Keltische opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische met niet-Arische karaktertrekken, zullen wij tot een juist begrip komen van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van den invloed, dien zij op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.

De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.

De Kelten uit onzen tijd.

Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken, die in onze dagen “Keltisch” genoemd worden, heeft men dikwijls beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Gallië en in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet meer—zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van Alesia tot aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen de echte Kelten alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van Perthshire en het noordwesten van Schotland, en in enkele families van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland en in Wales zijn overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die opvattingen heel wat waarheid steekt. Toch moet niet worden vergeten, dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat hun physieke eigenschappen betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische overleveringen en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong daarvan, ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij men eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn een deel van de levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar; zij hebben verborgen mogelijkheden met een rijkdom van oorzaken, zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet te zeer afwijkenden stam, of—om een ander gebied te betreden—zooals het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal die op ieder oogenblik kan openen en in werking kan brengen.

De mythische literatuur.

Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo echt mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten. Wij hebben ons hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is voortgebracht—zooals in de Arthurlegende—op het gebied van mythen en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is, en hoeveel niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij dus geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal niets in zijn, dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat niet thans nog in de één of andere verscheidenheid der Keltische taal, zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.

Notes in this chapter

Note 1 · Van het Grieksche megas, groot, en lithos, steen.Note 2 · Zie Borlase, “Dolmens van Ierland,” blz. 605, 606, waar dit onderwerp wordt besproken.Note 3 · Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal sprak; anders zoNote 4 · Zie Holder, “Altceltischer Sprachschatz” sub voce “Hyperboreoi.”Note 5 · Men lette op het Grieksche woord pharmakon = geneesmiddel, vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika het woord vooNote 6 · Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de opvattingen, waarNote 7 · Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze “de bron van alle publieke en private recht.” Zij stonden op het forum tot aan de derde eeuw Note 8 · Zie “Revue Archéologique”, Deel XII, 1865, “Fouilles de René Galles.”Note 9 · Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat, gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.Note 10 · Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel van een gezantschNote 11 · Zie “Archaïsch beeldhouwwerk”, 1867 van Sir J. Simpson.Note 12 · Dit feit wordt vermeld in de “Annalen der Vier Meesters” onder het jaar 861 en in de “Annalen van Ulster”, onder het jaar 862.Note 13 · Zie “Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie,” Deel XXX, Afdeeling I, 1892, en “New Grange,” door G. Coffey, 1912.Note 14 · Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat de steenen inNote 15 · Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, “New Grange,” 1912.Note 16 · “Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie,” Deel VIII, 1863, blz. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.Note 17 · “Les Sculptures de Rochers de la Suède,” voorlezing gehouden op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey, aangehaald wNote 18 · “Dolmens van Ierland”, blz. 701–704.Note 19 · “De Godsdienst van Babylonië en Assyrië.”Note 20 · Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij Bertrand, “La Religion des Gaulois”, blz. 389.Note 21 · Sergi “Het Ras aan de Middellandsche Zee,” blz. 313.Note 22 · Te Lökeberget, Bohuslän; zie Montelius in zijn aangehaald werk.Note 23 · Zie Lord Kingsborough “Oudheden van Mexico” op verschillende plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk (weergegeven inNote 24 · Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh op een Franschen dolmen.Note 25 · “Bulletin de la Société d’Anthropologie,” Paris, April 1893.Note 26 · “De bevolking van Wales”, blz. 616–664, waar het onderwerp volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris Jones. “De prNote 27 · Flinders Petrie, “Egypte en Israël”, blz. 137, 899.Note 28 · Homerus, Odyssee XXIV, 1–11.Note 29 · Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken melding van dit gebruik.Note 30 · Boek V.Note 31 · De Jubainville, “Iersche Mythologische Cyclus” blz. 191 env.Note 32 · De etymologie van het woord Druïde is niet langer een onopgelost raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte van het woNote 33 · Zie Rice Holmes “De Verovering van Caesar”, blz. 15 en blz. 532–536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat het Druïdisme de godsdNote 34 · “La Religion des Gaulois,” leçon XX.Note 35 · Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.Note 36 · “De Iersche Mythologische Cyclus,” door d’Arbois de Jubainville, blz. 61. De genoemde “Dinnsenchus” is een oud Christelijk document. Geen spNote 37 · Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad, Meroë.Note 38 · “Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche altaren en TNote 39 · Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii), enz.Note 40 · Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele streken van Frankrijk uitdrukkingen als annuit, o’né, anneue enz., die alleNote 41 · De fili, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk vermelden, een onderdeel van de kaste der Druïden.Note 42 · Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, Viator “de Reiziger” genoemd, en FNote 43 · De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan metNote 44 · Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn overgeblevNote 45 · De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen—de Kelten en de megaliNote 46 · En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden, die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele en humane eigenNote 47 · De eigenlijke wortel van het woord “magie” is onbekend, maar het is onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië in Note 48 · “Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden—in Perzië en door Zoroaster6. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar is er niet meeNote 49 · De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen omtreNote 50 · Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen, bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering waren. DNote 51 · Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met megalithiNote 52 · Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te New GrangNote 53 · De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit Note 54 · Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham te New GranNote 55 · In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen dolmNote 56 · Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar 4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat van dNote 57 · Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen grNote 58 · Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het, geliNote 59 · Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche oorsprNote 60 · De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening, geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische betrekkingNote 61 · Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten inNote 62 · De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan dit begrip. ZijNote 63 · Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de zielsverhuizNote 64 · Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme.32 Caesar beveNote 65 · Bertrand tracht aan te toonen dat de Druïden buiten die practijken stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden, zegt “dat erNote 66 · In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke opwinding, vinNote 67 · Wat waren de namen en de attributen van de Keltische godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De megalithische bevolNote 68 · Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst der Romeinsche mythologie—wat volkomen hetzelfde was wat de Galliërs zNote 69 · Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den voorgrond tredende godheid der Galliërs Dis of Pluto, de god der benedenwerNote 70 · Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben, dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren onderscheidenNote 71 · Van één zaak zijn wij persoonlijk overtuigd—en wel dat aan het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling van h
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings