← Table of contents
Keltische Mythen en Legenden

Note 31 — Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger van was. Zoo zegt Caesar: “Het voornaamste punt van hun (de Druïden) leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne lichaam in het andere overgaat.” En Diodorus zegt: “Onder hen is de leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na een nieuw lichaam te hebben aangenomen.” Zeker is het nu, dat sporen van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning, Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta, die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen “Wij waren bij u”, en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat hij verder: “Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen...” “Stil” zegt Morgan, “het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken.” Het geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was.31 Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het kon gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld, dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide, niet in het volle licht mocht worden gebracht.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings