Note 38 — Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
“Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden geofferd), meent te verzoenen.” (Lucanus, “Pharsalia” I, 444). Een altaar, aan Æsus gewijd, is te Parijs ontdekt.