Note 17 — Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Conary moest nu een rustplaats voor den nacht vinden, en hij herinnert zich, dat hij niet ver af is van de pleisterplaats van den Heer van Leinster, Da Derga, naar wien dit bardengedicht genoemd is.17 Conary was edelmoedig jegens hem geweest toen Da Derga op bezoek gekomen was te Tara, en hij besloot daarom zijn gastvrijheid voor dien nacht in te roepen. Da Derga woonde in een groot paleis met zeven deuren, bij het tegenwoordige Dublin, waarschijnlijk te Donnybrook aan den straatweg naar het Zuiden. Toen de stoet daarheen reisde, had er een onheilspellende gebeurtenis plaats—Conary zag vóór zich op den weg drie ruiters geheel in het rood gekleed, die op roode paarden reden. Hij herinnert zich zijn geis ten opzichte van de “drie Rooden”, en zendt een bode naar voren, om hen te verzoeken dat zij achter zullen blijven. Maar hoewel de bode zijn paard opzweept, kan hij de drie Roode Ruiters niet dichter naderen dan tot op een speerworp. Hij roept hen toe om te keeren en achter den koning aan te rijden, maar één van hen, vraagt hem ironisch terwijl hij omkijkt, “uit te zien naar belangrijk nieuws uit een pleisterplaats.” Herhaaldelijk wordt de bode naar hen toegezonden met beloften van een ruime belooning, als zij in plaats van Conary voor te gaan, achter hem willen rijden. Eindelijk zingt één van hen een mystiek, een vreeseliik lied. “Zie mijn zoon, belangrijk is het nieuws. Vermoeid zijn de paarden die wij berijden—de paarden van de tooverheuvelen. Hoewel wij leven, zijn wij dood. Groot zijn de ketenen: verwoesting van het leven; verzadiging van raven; voeding van kraaien; wedijver in het dooden; het wetten van het zwaard; schilden met gebroken knoppen na zonsondergang. Zie, mijn zoon!” Daarop rijden zij voort, en na van hun roode paarden te zijn afgestegen, maken zij die vast aan het portaal van de pleisterplaats van Da Derga, en gaan binnen zitten. “Ter verklaring voegen wij hieraan toe, dat “Derga” “rood” beteekent. Zoo was dus Conary door drie roode ruiters voorgegaan naar Het Huis van de Roode. En vol voorgevoelen zegt hij: “Al mijn geise hebben mij van nacht gegrepen.”