Note 10 — Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
“Zij hield een zilveren kam in haar hand, de kam was met goud versierd; en naast haar stond, om zich te wasschen, een zilveren waschbekken, waarop vier vogels gedreven waren, en er waren kleine schitterende karbonkels op den rand van het bekken. Een heldere purperen mantel golfde om haar heen; en daar onder was een tweede mantel versierd met zilveren franje; de buitenste mantel was op haar boezem vastgemaakt met een gouden gesp. Zij droeg een kleed, waaraan een kap bevestigd was, die haar hoofd kon bedekken; dit kleed was stijf en glimmend met groene zijde onder rood borduursel, en was over haar borsten bevestigd met prachtig bewerkte zilveren en gouden gespen, zoodat men het schitterende goud en de groene zijde tegen de zon kon zien glinsteren. Op het hoofd had zij twee vlechten van gouden haar, en iedere vlecht bestond uit vier strengen; aan het uiteinde dier strengen was een kleine bol van goud. En daar was de maagd bezig het haar los te maken, om het te wasschen, terwijl haar armen staken door de armsgaten van haar hemd. Ieder van haar beide armen was even wit als de sneeuw van één enkelen nacht, en ieder van haar wangen was even rose gekleurd als het vingerhoedskruid. De tanden in haar mond waren gelijk en klein, en schitterden als paarlen. Haar oogen waren blauw als een hyacinth, haar lippen fijn en gekleurd als karmozijn; haar schouders waren hoog, zacht en wit. Haar polsen waren teeder, glad en wit, haar vingers lang en blank; haar nagels schoon en rose. Wit als sneeuw, of als het schuim eener golf was haar nek; lang, slank en zoo zacht als zijde. Haar dijen waren zacht en wit; haar knieën rond, stevig en blank; haar enkels zoo recht als de liniaal van een timmerman. Haar voeten waren smal en wit als het schuim van den oceaan; haar oogen stonden gelijk in de oogkassen; haar wenkbrauwen waren blauwachtig zwart, zooals men ziet op het schild van een kever. Nooit was een maagd schooner dan zij, of meer beminnenswaardig, door menschenoogen gezien, en het scheen hem toe, dat zij één van diegenen moest zijn, die van de tooverhoogten gekomen waren”.10