Note 9 — Hoofdstuk VII: De reis van Maeldūn.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Des middags kwamen twee arenden uit het zuidwesten en streken neer voor den grooten vogel en na een poos te hebben uitgerust begonnen zij de insecten weg te pikken, waarvan het op zijn kaken, oogen en ooren wemelde. Zij gingen daarmee voort tot ’s avonds, toen aten alle drie nu van de bessen. Den volgenden dag, toen het groote beest geheel was gereinigd, sprong het in het meer en begonnen de twee arenden hem weer te pikken en te reinigen. Tot den derden dag bleef de groote vogel zijn veeren gladstrijken en zijn vleugels schudden en zijn veeren werden glanzig en dik, en toen, zich hoog in de lucht verheffend, vloog het driemaal het eiland rond en terug naar het verblijf vanwaar hij was gekomen, en zijn vlucht was nu vlug en krachtig; zoodat het hun duidelijk werd dat dit was geweest zijn vernieuwing van ouderdom tot jeugd, overeenkomstig de woorden van den profeet: Uw jeugd is vernieuwd als die van den adelaar.9