Note 31 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Na nog eens afscheid genomen te hebben van Conor en de vrouwen in Emania, ging hij weer naar Murthemney en den vijand. Maar op weg daarheen zag hij aan de kant van de weg drie oude vrouwen, ieder blind aan één oog, monsterachtig leelijk en deerniswaardig, zij hadden een klein vuur van stokjes gestookt, en braadden daarboven een dooden hond aan een spit van hout. Toen Cuchulain voorbij kwam, riepen zij hem toe, af te stijgen, bij hen te vertoeven en haar maal te deelen. “Dat zal ik werkelijk niet doen,” zeide hij. “Als wij een groot feest hadden,” spraken zij, “zoudt gij wel gebleven zijn; het past den aanzienlijke niet de geringen te minachten.” Daarop steeg Cuchulain af, daar hij niet wilde, dat men hem voor onwellevend hield tegenover ongelukkigen, en hij nam een stuk van het gebraden vleesch, en at dat op, maar de hand, waarmede hij het had aangenomen, werd tot aan den schouder verlamd, zoodat haar vroegere kracht gebroken was. Immers het was voor Cuchulain geis een haard te naderen, waarop gebraden werd, en daar voedsel van te nemen, en het was eveneens geis voor hem, van zijn naamgenoot te eten.31