Note 16 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Nu volgen een aantal op zich zelf staande gebeurtenissen. Het leger van Maev verspreidt zich en verwoest het grondgebied van Bregia en van Murthemney, maar zij kunnen niet verder in Ulster doordringen. Cuchulain is voortdurend om hen heen, en verslaat hen bij twee of drie te gelijk, en niemand weet, waar hij een volgenden keer zal nederschieten. Maev zelf is bang, als door de worpen van een onzichtbaren slingeraar een eekhoorntje en een lievelingsvogel gedood worden, terwijl zij op haar schouders gezeten zijn. Later, als de woede van Cuchulain heftiger wordt, daalt hij met bovennatuurlijke kracht neer op heele troepen van het leger van Connacht, en honderden vallen onder zijn aanval. Er volgt een beschrijving van de karakteristieke vervorming of riastradh, die hem in zijn strijdwoede overviel. Hij werd een ontzagwekkend en veelvormig schepsel, zooals nooit te voren gezien was. Ieder deeltje van zijn lichaam beefde als een waterriet in stroomend water. Zijn kuiten en hielen en dijen kwamen aan zijn voorzijde, en zijn voeten en knieën van achteren, en de spieren in zijn nek stonden rechtuit als het hoofd van een jong kind. Zijn ééne oog zat diep in zijn hoofd, terwijl het andere naar buiten uitstak, zijn mond bereikte zijn ooren, het schuim stroomde uit zijn kaken als de wol van een hamel van drie jaar. Zijn hartslagen klonken als het gebrul van een leeuw, die zich op zijn prooi stort. Een licht scheen boven zijn hoofd, en zijn haar werd verward als ware het de takken van een rooden doornstruik, die in de opening van een haag was gestopt. Grooter, dikker, harder, langer dan de mast van een groot schip was de loodrechte straal van donker bloed, die uit het midden van zijn schedel opspoot en zich verspreidde in de vier hoofdrichtingen, waarbij een magische nevel van duisternis gevormd werd, die geleek op het berookte kleed, dat een koninklijk paleis omhult, als een koning tegen het vallen van den avond na een winterdag daar nadert.16 Dit was het beeld, waarin Galische schrijvers de voorstelling van bovenmenschelijke woede hulden. Men verhaalt dat eens, bij het gezicht van Cuchulain in zijn woede, honderd der krijgslieden van Maev dood van afgrijzen neervielen.