Note 36 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Het verhaal opent te Faylinn, of het Land en het Volk der dwergen, een ras van Kaboutermannetjes, die een aardige periode voorstellen van menschelijke instellingen op verkleinde schaal, maar die (evenals dwergen in de literatuur der primitieve rassen meestal worden gedacht) begiftigd zijn met toovermacht. Jubdan36, de koning van Faylinn, bluft, als hij bij een feest zich ruim aan wijn heeft te goed gedaan, op de grootheid van zijn macht en de onoverwinnelijkheid van zijn gewapende troepen—behoort daartoe niet ook de sterke man Glower, die er om beroemd is dat hij met één slag van zijn bijl een distel kon afhakken? Maar Eisirt,de bard van den koning, heeft iets hooren verluiden van een reuzenvolk aan de overzijde der zee, in een land, Ulster genoemd, van wie één man een geheel bataljon van het Volk der dwergen kan vernietigen, en onvoorzichtig geeft hij daaromtrent den pochenden vorst een wenk. Onmiddellijk wordt hij om zijn vermetelheid in de gevangenis geworpen, en alleen vrijgelaten onder voorwaarde, dat hij dadelijk naar het land dier machtige mannen zal gaan, en de bewijzen zal leveren van de waarheid van zijn ongeloofelijk verhaal.