Note 9 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Laat ons hier de opmerking maken, dat die strijd om den stier, die het schijnbare onderwerp van het belangrijkste der Keltische legenden is, de “Tain Bo Cuailgné”, een diepere beteekenis heeft dan oppervlakkig lijkt. Hierin is een oud stuk Arische mythologie vastgelegd. De Bruine Stier is het Keltische tegenstuk van de Hindoe lucht-godheid, Indra, die in de Hindoemythen wordt voorgesteld als een machtige stier, wiens loeien is als de Donder, en die de regenvlagen loslaat “als koeien, die naar de weiden stroomen.” Het optrekken der vijanden uit het Westen (Connacht), om den stier te grijpen is een zinnebeeld van het invallen van den Nacht. De stier wordt verdedigd door den zonnegod Cuchulain, die echter ten slotte overwonnen wordt, waarna de stier voor één jaargetijde wordt gevangen. De beide dieren in de Keltische legende vertegenwoordigen de lucht in verschillende gedaanten. Zij werden met een pracht en een omhaal van woorden beschreven, die bewijzen, dat het geen gewone dieren zijn. Eertijds waren zij, zoo luidt het verhaal, zwijnenhoeders van het Volk van Dana. Zij waren eerst veranderd in twee raven, dan in twee zeemonsters, twee krijgslieden, twee booze geesten, twee wormen, en ten slotte in twee koeien9. Van den Bruinen Stier wordt verteld, dat hij een rug had, breed genoeg voor vijftig kinderen, om er op te spelen; als hij boos is op zijn bewaarder, stampt hij den man dertig voet in den grond; hij wordt vergeleken met een zeegolf, een beer, een draak, een leeuw, terwijl de schrijver voorstellingen van zijn kracht en woestheid ophoopt. Wij hebben dus niet te doen met een gewonen strooptocht om vee, maar met een mythe, waarvan de trekken te herkennen zijn onder de voorstelling daaraan gegeven door de gloeiende verbeeldingskracht van den onbekenden Keltischen held, die de “Tain” vervaardigde, hoewel de nauwkeurige beteekenis van iedere bijzonderheid moeilijk te ontdekken is.