← Table of contents
Keltische Mythen en Legenden

Note 12 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Toch ging Maev naar den oppersten van haar Druïden, en vroeg hem wat haar eigen lot in den oorlog zou zijn. En de Druïde zeide alleen: “Wie ook veilig terugkomt, of niet terugkeert, gij zelf zult komen.” Maar op haar reis terug zag zij plotseling vóór den disselboom van haar wagen een jong meisje staan, met vlechten van geel haar, die tot onder haar knieën afhingen, en die gekleed was in een groenen mantel; en met een gouden weversspoel weefde zij een werk op een weversstoel. “Wie zijt gij, meisje?” vroeg Maev, “en wat doet gij?” “Ik ben de profetes, Fedelma, van de Tooverhoogte van Croghan,” zeide het meisje, “en ik weef de vier provincies van Ierland te zamen voor den strooptocht in Ulster.” “Hoe ziet gij onzen troep?” vroeg Maev. “Ik zie ze allen roodgekleurd,” antwoordde de profetes. “En toch zijn al de helden van Ulster in doodsangst—er is geen enkele die een speer tegen ons kan opheffen,” zeide Maev. “Ik zie den troep geheel roodgekleurd,” zeide Fedelma. “Ik zie een man van kleine gestalte, maar het licht van den held schijnt op zijn voorhoofd, het is een aankomende man, jong en bescheiden, maar een draak in den strijd, hij gelijkt op Cuchulain van Murthemney; hij doet met zijn wapenen schitterende krijgsdaden; door hem zullen slachtoffers in hoopen neerstorten.12 Daarop verdween het schijngezicht van het wevende meisje, en Maev vertrok naar huis naar Rathecrogan, verbaasd over wat zij had gezien en gehoord.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings