Note 15 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Cuchulain volgde nu onmiddellijk hun spoor, en daarbij schatte hij, naar de sporen, die zij hadden achtergelaten, het aantal der troepen op achttien triucha cét (54000 man). Na om den troep heen getrokken te zijn, ontmoette hij hen nu van voren, en zag hij spoedig twee wagens, die spionnen bevatten, welke door Maev vooruitgezonden waren. Deze versloeg hij, iederen man met zijn wagenmenner, en na met één slag van zijn zwaard een vertakten paal met vier vorken uit het bosch te hebben gehakt, dreef hij den paal diep in een wadde der rivier, en plaatste op iedere vork een bloedig hoofd. De plaats waar dit geschiedde, heette van toen af aan Athgowla15. Toen het leger kwam, waren zij verbaasd en verschrikt over het gezicht, en Fergus verklaarde, dat zij onder geise stonden, de wadde niet te mogen overtrekken, voordat één van hen den paal op dezelfde wijze had uitgetrokken als hij er in was geslagen, met de vingertoppen van één hand. Daarom reed Fergus het water in, om dien kunstgreep te beproeven, en zeventien wagens braken onder hem, terwijl hij aan den paal trok, doch ten slotte trok hij hem uit; en daar het reeds laat was geworden, kampeerde het leger op die plek. Deze listen van Cuchulain hadden ten doel, de indringelingen tegen te houden, totdat de mannen van Ulster zich van hun zwakheid hadden hersteld.