Note 22 — Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Daarop draaide Sualtam woedend zijn paard om en was op het punt te vertrekken, toen zijn nek door een beweging van zijn schimmel, viel tegen den scherpen rand van het schild op zijn rug, waardoor zijn hoofd werd afgesneden en op den grond viel. Maar toch bleef het zijn boodschap zelfs toen nog herhalen, en eindelijk liet Conor het op een pilaar zetten, opdat het rustig zou zijn. Maar toch ging het door met schreeuwen en vermanen, totdat eindelijk in den verduisterden geest van den koning de waarheid begon door te dringen, en de verglaasde oogen der krijgslieden begonnen te glinsteren, en langzaam de betoovering van den vloek van Macha van hun geesten en lichamen wegtrok. Daarop rees Conor op en zwoer een krachtigen eed, waarbij hij zeide: “De hemelen zijn boven, de aarde onder ons, en de zee is om ons heen; en als de hemelen niet op ons neerstorten, en de aarde niet opengaapt om ons te verzwelgen en de zee de aarde niet overstroomt, zal ik zoo zeker als ik leef iedere vrouw naar haar haardstede, en iedere koe naar haar stal terugvoeren.”22 Zijn Druïde kondigde af, dat het weer gunstig was, en de koning beval zijn boden in iedere richting uit te trekken en Ulster te wapen te roepen, en hij noemde hun zoowel krijgslieden, die reeds lang dood waren, als de levenden, daar de nevel van den vloek nog niet van zijn hersenen was opgetrokken.