HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.
Reading edition
Het waren niet alleen de Engelschen, met wie de Noordsche Compagnie te strijden had om hare plaats in de IJszee te behouden. Reeds het jaar na hare oprichting trad eene andere natie met nieuwe aanspraken op het door Nederlanders ontdekte Spitsbergen te voorschijn.
De lezer zal zich herinneren, dat Barendsz. zelf, en op zijn voetspoor de meerderheid der geographen, gedurende vele jaren Spitsbergen voor een deel van Groenland hield, eene dwaling, die eerst langen tijd nadat de walvischvangst meer en meer bezoekers naar de IJszee had gelokt overtuigend weerlegd schijnt te zijn[852]. Uit deze vrij algemeen aangenomen meening leidde eerlang de koning van Denemarken zijn recht af om zich zelven als heer van Spitsbergen te beschouwen en andere natiën van daar te weren. Groenland, dus redeneerde hij waarschijnlijk, behoorde van ouds aan de kroon van Noorwegen; elk deel van Groenland was dus het eigendom van Denemarken, dat sinds lang met Noorwegen vereenigd was[853]. Het is geheel onnoodig de ongegrondheid van deze aanmatiging te bewijzen. Ieder springt het in het oog, dat ook al ware het toen alleen ontdekte westelijke gedeelte van Spitsbergen een deel van Groenlands oostkust geweest, het enkele feit, dat twee landstreken, waarvan de eene aan Denemarken behoorde, niet door de zee van elkander gescheiden waren, den koning geen recht hoegenaamd kon geven op eene kust, die nooit bekend was geweest, voordat de Nederlanders ze in 1596 ontdekten,—eene kust, die na dien tijd door Denen niet bezocht veel min in bezit genomen was[854].
Het was dus op gelijksoortige gronden, dat Engeland en Denemarken aan vreemde natiën het bevaren van Spitsbergen verboden. Een ander punt van overeenkomst is de houding van de vorsten der beide landen tegenover de Europeesche politiek. Beide koningen waren door de banden des bloeds en der godsdienst evenzeer als door neiging nauw verbonden. Beiden namen in den godsdienststrijd, die de eerste helft der zeventiende eeuw verontrustte, eene geheel gelijke plaats in. Weifelend als hunne houding van het begin tot het einde was, kon zelfs het krachtig optreden van beiden als kampvechters voor de protestantsche belangen,—eene inspanning, waartoe beiden slechts eenmaal gedurende hunne geheele regeering in staat waren,—hen niet bevrijden van de voortdurende verdenking, dat zij Spaansche sympathiën koesterden en dat zij slechts in de katholieke mogendheden hunne ware vrienden zagen. Deze veranderlijke houding aan de eene zijde, dat wantrouwen aan de andere, oefenden natuurlijk op de betrekkingen van beiden met eene zuiver protestantsche mogendheid als Nederland een machtigen invloed. Met de gedurige wisseling der politieke gezindheid veranderden ook de onderhandelingen over andere zaken dikwijls van karakter.
Men zou lichtelijk meenen, dat dan ook de betrekkingen van Nederland tot Engeland en Denemarken gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw van volkomen denzelfden aard waren. Toch was dit volstrekt niet het geval. Terwijl tusschen Engelschen en Nederlanders de rivaliteit op commerciëel gebied gedurig tot hoogloopende onaangenaamheden aanleiding gaf,—onaangenaamheden, die gelijkheid van belangen toch steeds weder tot diplomatieke geschillen beperkte,—droegen de betrekkingen van Nederland en Denemarken eene minder bepaalde kleur. Ook Denemarken had zijnen mededinger, maar Zweden, niet Nederland was de mogendheid, die de afgunst der Denen gold. Bij veel overeenkomst in de zuiver politieke betrekkingen is er dan ook in de onderhandelingen, die den handel betreffen, een groot verschil tusschen Jakob I en Christiaan IV in de houding door hen tegenover Nederland aangenomen. Bij beiden bestond een machtige drijfveer, die de commerciëele betrekkingen steeds tot hetzelfde doel leidde; maar terwijl Jakob I bij al zijne vertoogen op den bloei van den Engelschen handel het oog moest hebben, bezielde slechts de zucht om zooveel mogelijk voordeel van de vreemde natiën te trekken den koning van Denemarken, wanneer hij met hen in aanraking kwam. De twisten over de tollen in den Sond en te Glückstadt zijn daar om van het streven van den inhaligen Noordschen vorst te getuigen. Het is natuurlijk, dat ook de geschillen over de vaart op Spitsbergen datzelfde karakter vertoonen. Aan dit doel werden gedurende twintig jaren de krachten der Deensche diplomatie dienstbaar gemaakt; hevige vertoogen, gewelddadige handelingen, commerciëele knoeierijen, list noch geweld werd gespaard om te bewerken, dat de Europeesche natiën zich cijnsbaar aan Denemarken erkenden. Toen eindelijk de eischen der schatkist door ruimere inzichten werden tot zwijgen gebracht, en ook de belangen der Deensche onderdanen gewicht in de schaal begonnen te leggen, was de Nederlandsche handel in het noorden aan de voogdij van Denemarken geheel ontwassen en de aangematigde souvereiniteitsrechten moesten wel ter zijde gesteld worden. Zoo behielden ook hier de Nederlanders het veld: ook tegenover Denemarken bleven de Staten-Generaal standvastig in hunne ontkenning der uitsluitende rechten van anderen. In het bewustzijn hunner macht handhaafden zij hun standpunt, en terwijl zij niet schroomden handelend op te treden, waar zij hunne rechten geschonden oordeelden, versmaadden zij ook de hulp der diplomatie niet, waar zij meenden, dat die hun goede diensten kon bewijzen. Slechts éen vlek ontsiert hunne overigens even waardige als verstandige houding: de vrijzinnige politiek, over het geheel tegenover Engeland gevolgd, kenmerkte hier hunne daden niet. Hadden zij de vrijheid der zee bijna altijd tegen Jakob I verdedigd; tegenover Denemarken, de minder machtige staat, was hun gedragslijn in theorie niet minder onvrijzinnig dan die van Christiaan IV zelven. Slechts de eischen der praktijk en van eene verstandige politiek verzachtten hunne onrechtmatige beweringen. Het resultaat, door de wrijving van beide machten verkregen, was echter zeer bevredigend: de beide volken verkeerden eindelijk volkomen vrij naast elkander aan Spitsbergen.—Laat ons nu de handelingen van beide regeeringen en volken wat meer van nabij beschouwen.
In het begin van Juli 1615 werden de op Spitsbergen aanwezige walvischvaarders verrast door de aankomst van drie Deensche oorlogschepen. Ook ditmaal waren het onderdanen van koning Jakob I, die den vreemdelingen den weg naar het nooit bezochte eiland hadden gewezen. Kapitein op een der schepen was de Schot Sir John Cunningham[855], stuurman was James Vadun[856], beiden beproefde reizigers in de IJszee. De Deensche admiraal liet het anker vallen in Crossroad en, zeer voorzichtig in eene zaak van zooveel belang, poogde hij den Engelschen kapitein Fotherby, die daar weldra aankwam, over te halen om met hem mede te varen als getuige van wat er tusschen hem en de Engelsche bevelhebbers zou voorvallen. Fotherby had daartoe echter geen tijd, en geweld schijnen de Denen toch niet te hebben durven gebruiken[857]. Zij besloten alleen Sir Thomas Smiths-bay in te zeilen en vonden daar Thomas Edge met zijn schip. Men eischte van hem betaling van eene recognitie onder beroep op het recht, dat de koning van Denemarken op Spitsbergen had. Edge weigerde bepaald en beweerde van zijne zijde, dat Spitsbergen aan zijnen vorst behoorde[858]. De Denen schijnen zich daarop tot de Nederlanders gewend te hebben, ten minste ook dezen werden met dergelijke eischen lastig gevallen. Bij de groote macht, die de Noordsche Compagnie echter juist dit jaar op Spitsbergen had (elf schepen en drie groote oorlogschepen tot konvooi), is het niet te verwonderen, dat de Denen hier geen beter onthaal vonden dan bij de Engelschen: commandeur Schrobop antwoordde, dat men niets wist van een recht van Denemarken, waarop de Nederlandsche walvischvaarders inbreuk maakten door volgens het gemeene recht in de IJszee te visschen[859]. Dit was de eerste stap, door Denemarken tot handhaving van zijn recht gedaan[860]; langs diplomatieken weg zette men weldra het begonnen werk voort.
Den 11 April 1616 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van Christiaan IV van 18 Februari, waarin zijne pretensiën en plannen uitvoerig werden uiteengezet. Z. M. ving aan met de uitvoerig beredeneerde mededeeling, dat de walvischvangst aan de Noordkaap, bij IJsland en de Fär-öer eilanden voortaan aan vreemdelingen verboden zou zijn[861]. Deze maatregel was alleszins te billijken: als vorst van Noorwegen en de in den brief genoemde eilanden, als beheerscher der aan die landen grenzende territoriale zeeën had Christiaan IV volkomen recht, allen die hij wilde uit deze wateren te weren; het belang zijner onderzaten, wier visscherij aan de Noordkaap niet onbelangrijk schijnt geweest te zijn, ontnam aan den harden maatregel zelfs den schijn van onbillijkheid. Bedenkelijker was echter het verder in den brief gezegde. »Was weitter vnnser Grönlandt, oder nach etlicher nennung Grünlandt[862] anreichet,” dus vervolgde de koning, »Nachdem der missbrauch vber den Walfischfang derer örtter, so E. L. vnd euren vnderthanen, aus vnnser mit E. L. vnnd euren beijderseits wolhergebrachten freundtschafft, daheuer gestattet werden endlich dahin gerathen, das man vnnser vnleugbar Vhraltes Recht, daselbst mit Neuen Nahmen zuuerkehren, vnnd vnsere darüber habende proprietet zuuerwenden sich befliessen. So haben wir hingegen obener gestalt vnnsers Ambts erachtet, auch diesen excessen mass zusezen, vnd E.L. vnnd euren vnderthanen, welche sich ohn fürhergehende recognition vnnser hocheit, zu solchem ende ferner dahin finden würden, nicht weniger den Walfischfang zu prohibirn, Jedoch sein wir nicht vngeneigt, diese piscatur denn jenig zu indulgirn, so beij leistung vnd erlegung der gebühr, vnsere Passbrief darüber impetrirn vnnd solche vnnsere beampten fürzeigen werden, Worauff E.L. vnnd Ihr die Ihrige, vnd das Sie anderer massen auf Grünlandt nicht lauffen mögenn noch sollen, zu werschauen, crafft dero auctoritet geruhenn wollten[863].”
Reeds boven zette ik uiteen, hoe belachelijk de in deze regels vervatte aanmatiging heeten mocht. En toch waren de Staten-Generaal, die wel begrepen, dat het hier meer eene quaestie van macht dan van recht gold, een oogenblik met de zaak verlegen: de resolutie op den brief werd niet dadelijk genomen. Maar er was haast bij de zaak: de schepen der Noordsche Compagnie waren nagenoeg gereed om uit te zeilen. Holland nam dan ook weldra een kloek besluit en adviseerde zeer lakoniek: »op de Brieven beleefdelyck te antwoorden en te continueren het gebruyck ende vryheyt van visschen, sulcx als tot noch toe is gedaen[864].” In dien zin arresteerden dan ook de Staten-Generaal 13 April een antwoord aan Christiaan IV, dat wel is waar niet minder uitvoerig was dan de brief van den koning geweest was, maar dat toch eigenlijk niets anders dan eene beleefde weigering inhield. De Staten-Generaal meenden, dat de Nederlanders door hunne schepen naar verschillende streken ter vischvangst uit te zenden, niets anders gedaan hadden »als tgeene volgende die gemeene gebruyckte rechten van allen ouden tyden byden ondersaten deser Landen soo ter See, als anderssints was gedaen, ende gepleecht.” Zij beweerden dan ook, dat door hunne onderdanen, toen zij de gevraagde betaling weigerden, »nyet tot obbreuck ofte verminderinge van Sijne Mats. rechten, ofte tot syner ondersaten schade int voorszeide visschen gedaen was.” Op deze gronden verklaarden zij »vastelyck te vertrouwen ende oock seer vriendelyck dienstelyck ende naebuerlyck te versoucken, Dat syne Mat. deur syne beampte Officieren ende Dienaren te water nochte te landen den onsen nyet alleen geen verhinderinge ofte belet, maer veel eer nae gelegentheyt alle assistentie ende bevorderinge soude willen doen[865].”
Terecht meende echter de Noordsche Compagnie in het »vaste vertrouwen” der Staten-Generaal op de welwillendheid van Christiaan IV niet te moeten deelen. Reeds den 28 April hielden zij den Staten voor, dat een subsidie van de regeering tot handhaving van de Nederlandsche walvischvangst onmisbaar was. Zij hadden vernomen, dus verhaalden de bewindhebbers, dat in Denemarken reeds zeven »cloucke” schepen, allen van 36 »lepelstucken”, uitgerust waren om hun de visscherij te beletten; de vrees dat de Engelschen, die gezegd werden »genoechsaem mette Mateyts. van Denemarckens Onderdanen een te zyn,” zich daarbij zouden voegen, maakte de zaak zeer bedenkelijk. Een konvooi van niet minder dan zes oorlogschepen scheen dus noodig om de Noordsche Compagnie dit jaar tegen de aanvallen harer vijanden te beschermen[866]. Ook de Staten-Generaal begrepen, dat het aannemen van eene krachtige houding noodig was om aanvallen te voorkomen. Na lange deliberatiën en aanmaningen van vele zijden besloten zij der compagnie eenig geschut ter wapening harer schepen toe te staan en vijf oorlogschepen om de walvischvaarders »naer haeren vuytersten vermogen” te verdedigen; ja, zij schreven zelfs de admiraliteit te Amsterdam aan nog meer schepen te zenden, zoo dit eenigszins mogelijk was[867]. De Instructie, voor Jan Jacobsz. Schrobop als hoofd van het konvooi den 23 Mei 1616 door de Staten-Generaal gearresteerd, lastte hem 1o. om aan ieder die het vroeg te verklaren, dat de Nederlanders van plan waren vreedzaam aan Spitsbergen te visschen zonder iemand te hinderen, 2o. om met alle macht te beletten, dat iemand de schepen der Noordsche Compagnie in hare nering lastig viel, 3o. om geweld aan die schepen aangedaan zooveel mogelijk te keeren en de plegers daarvan volgens de commissie der Staten-Generaal aan te tasten, 4o. om de schepen der compagnie, die in handen van vijanden gevallen waren, met geweld te bevrijden, en de veroveraars te dwingen de schade te vergoeden of bij weigering hen gevangen in een Nederlandsche haven op te brengen, om de quaestie door Nederlandsche rechters te doen beslissen[868]. Gelukkig was Schrobop niet in de gelegenheid deze Instructie uit te voeren[869], iets wat de krachten zijner schepen zeker te boven gegaan zou zijn: de berichten over de groote uitrustingen der Denen bleken onjuist en het schijnt zelfs, dat dit jaar geen Deensch schip zich op Spitsbergen vertoond heeft[870].
Ook de eerstvolgende jaren bleef de zaak hangende[871]. De besliste afwijzing van Engelschen en Nederlanders had den Denen den moed voorloopig ontnomen. Toch waren de geruchten over eene Engelsch-Deensche combinatie in zooverre juist geweest, dat van Deensche zijde zulk eene combinatie bepaald gewenscht werd. Maar lang duurde het eer men het eens was: eerst in 1621 kwamen Jakob I en Christiaan IV, naar het schijnt met terzijdestelling der wederzijdsche aanspraken, overeen, gezamenlijk alle vreemde natiën uit de IJszee te weren[872]. De Staten-Generaal, in groote ontsteltenis toen hun dit tractaat bekend was geworden, gaven dadelijk hunne gezanten, die naar Kopenhagen vertrokken (Pauw, Liclama, Haersholte en Schaffer), den geheimen last mede: »dat sy met alle goede circumspectie ende voorsorge letten souden, dat d’Ingesetenen deser Landen int stuck vande vrije Schip ende Zeevaerdt niet verhindert off gesloten werden uyt eenige plaetsen, landen, eylanden, revieren, hauenen ende stroomen, daer sij voor desen gevaren, gehandelt, off gevischt hadden, ende ouersulcx niet gedoogen, dat eenige plaetsen by d’Ingesetenen deser Landen hierbeuoorens beuaeren off gefrequentreert in dispute ofte controuersie soude(n) worden getrocken, als off het plaetsen waeren, daermen niet gewoon soude syn te handelen[873].” Gelukkig was deze voorzorgsmaatregel der Nederlandsche regeering overbodig: men schijnt het gezantschap van 1621 niet van de zaak gesproken te hebben[874]. Het geheele heerschzuchtige plan der beide zwagers was trouwens bestemd om niet uitgevoerd te worden. Terwijl van Engelsche zijde eene enkele zwakke poging beproefd werd om de bepalingen van het tractaat na te leven[875], schijnt het belang der Deensche walvischvangst Christiaan IV zelfs verhinderd te hebben, aan de gemaakte plannen een begin van uitvoering te geven.
Want terwijl de Deensche vorst de belangen zijner schatkist meende te behartigen, hadden zijne onderdanen een beteren weg ingeslagen om zich voordeel te verwerven. Reeds spoedig hadden zij besloten van de gewaande Deensche bezitting op eene andere wijze zooveel mogelijk partij te trekken en terwijl vroeger alleen van oorlogschepen, die eene belasting kwamen opeischen, sprake was, vinden wij dan ook reeds in 1617 twee Deensche walvischvaarders op Spitsbergen. Zonder dat de koning zijne pretensie opgaf, werden zijne onderdanen het eerlang met de Nederlanders eens. De Deensche walvischvaarders werden door de Noordsche Compagnie bereidwillig toegelaten om met twee schepen hun bedrijf te oefenen aan den noordhoek van Spitsbergen, waar de Nederlanders zich gevestigd hadden en juist de grondslagen van het latere Smeerenburg begonnen te leggen. Tegen de gemeenschappelijke vijanden, de Engelschen, genoten de Denen de bescherming der Nederlanders. Ieder der beide natiën had voortaan op het Amsterdamsche eiland zijne afzonderlijke vestiging voor de traankokerij, met palen afgescheiden en met de wapens der beide mogendheden voorzien. Den Nederlanders, nog zelven slechts noode door de Engelschen op Spitsbergen geduld, kon het niet dan aangenaam zijn, zoo zij versterking van andere natiën tegen hunne vijanden kregen; Christiaan IV, die zijne pretensie nergens erkend zag, handelde verstandig, toen hij oogluikend toeliet, dat zijne onderdanen zich den steun van een der beide twistende partijen op Spitsbergen verzekerden[876]. Was er reeds in 1617 zulk een nauw verbond tusschen Denemarken en Nederland, dat slechts een der beide voor Deensche rekening met traan en baarden bevrachte schepen naar Kopenhagen vertrok, terwijl het andere naar Amsterdam gezonden werd[877], een geregeld verkeer bestond er toen nog zoo weinig, dat Jakob I in het voorjaar van 1619 aan de Nederlandsche gezanten verklaren kon, dat de Denen evenals alle andere natiën behalve de Nederlanders van de walvischvangst op Spitsbergen hadden »gedesisteert[878]”. Eerst met 1619 begonnen de Deensche walvischvaarders het eiland jaarlijks te bezoeken, in 1620 werd er te Kopenhagen eene compagnie voor de walvischvangst opgericht[879] en tot 1622 toe verschenen hare schepen geregeld met de Nederlandsche aan den noordelijken hoek van Spitsbergen[880]. In deze omstandigheden ware het voor Christiaan IV eene dwaasheid geweest het tractaat van 1621 uit te voeren en vereenigd met de Engelschen, die nog zoo kort geleden zijne onderdanen vijandig behandeld hadden, de ieder jaar in kracht toenemende Nederlandsche walvischvangers, de vrienden en beschermers der Denen, aan te vallen. Toen echter het recht der Denen om naast de Nederlanders in de Mauritius-baai te visschen eenmaal goed bevestigd scheen, veranderden de betrekkingen der beide volken weldra geheel. Christiaan IV meende nu veilig zijne vroegere houding weder te kunnen aannemen. Eerlang maakten de Denen van de goedwilligheid der Nederlanders misbruik en bleek het aan de Staten-Generaal, dat de Deensche pretensie wel is waar gesluimerd had, maar dat zij nog volstrekt niet dood was.
Den 27 Maart 1622 had Christiaan IV aan de Deensche compagnie voor de walvischvangst, waarvan Johann Braem, een voornaam Duitsch koopman te Kopenhagen[881], het hoofd was, een uitsluitend[882] octrooi verleend »omme op de Noortcaep ofte in de havenen ofte eijlanden van Travisont ende Souroij[883] mitsgaders opt Lant van Groenlant te mogen de walvischerije doen.” Dat jaar had Braem in de Mauritius-baai, waar Denen en Nederlanders gewoon waren naast elkander te visschen, de walvischvangst in vrede geoefend en er zijne schuren en gereedschappen voor het volgende jaar achtergelaten. Maar de visscherij der Denen schijnt op den duur onvoordeelig geweest te zijn; ten minste Braem trof in het voorjaar van 1623 eene overeenkomst met Jean De Heraneder en Michel De Laralde, kooplieden van St. Jean de Luz en Siboure[884] in Biscaaie, waarbij hij hen tegen een aandeel in hunne vangst in zijne compagnie voor de walvischvangst opnam. Volgens dit contract kwamen in het begin van Juni 1623, terwijl de Denen zich dit jaar niet op Spitsbergen vertoonden, twee Biscaaische schepen op naam van Braem en zijne compagnie bij de Nederlanders aan, openden de Deensche schuren en wilden de walvischvangst beginnen. De Nederlandsche commandeur Cornelis Ys vroeg hen echter dadelijk om hunne papieren te zien. Toen zij niets anders konden toonen dan »een slecht cartabelleken,” door hunne Baskische reeders in het Nederlandsch geschreven, dat alleen het verzoek aan den commandeur inhield den brenger goed te behandelen, verbood Ys hem het visschen. Hij beweerde, dat de door de Biscaaiers bezochte baai aan de Nederlanders en de Denen gezamenlijk behoorde, dat geen ander recht had daar te visschen en dat hij zich dus verplicht gevoelde zijne vrienden de Denen in hunne afwezigheid tegen roof en overweldiging te verdedigen. De Basken mochten zich daartegen op hunne overeenkomst met Braem beroepen, Ys hield zich als geloofde hij van het geheele verhaal niets en bleef er bij, dat hij niet verantwoord was, zoo hij de Biscaaiers »op soodanigen Imperfecten bescheijt” tot de visscherij toeliet. Dezen moesten erkennen, dat zij »niet wel en waren versorcht;” zij stelden aan Ys voor, dat hij hen zou laten visschen op voorwaarde, dat de geheele vangst ten bate der Noordsche Compagnie zou komen, zoo het in Nederland bleek, dat hunne reeders geen recht op de visscherij hadden. Ys antwoordde, dat hij hun wel voor dit jaar alleen en met behoud van het recht der Noordsche Compagnie aan eene andere plaats op Spitsbergen in vrede wilde laten visschen, maar de visscherij in de Mauritius-baai bleef hij hun weigeren. De twee schepen waagden het niet elders te gaan: de Engelschen, die nog dit jaar hunne uitsluitende pretensie tegen de Nederlanders hadden trachten te handhaven, toonden genoegzaam, dat zij ook anderen vreemden niet genegen waren. Na eenig vertoef waren de Basken dus genoodzaakt zich naar de Noordkaap te begeven[885].
Daarmede was eene quaestie ontstaan, die gedurende tien volle jaren de Staten voortdurend tot last zou zijn, en waarover nog bijna twintig jaar na het plegen van het feit nu en dan geklaagd worden zou. Wat was de reden, dat over zulk eene kleinigheid zoolang onderhandeld werd? Het komt mij voor, dat er in deze zaak meer gezocht moet worden, dan er bij oppervlakkige beschouwing in ligt. Ik zal trachten mijne uit enkele verspreide aanwijzingen opgemaakte meening duidelijk te maken.
De koning van Denemarken, wiens pretensie op de souvereiniteit over Spitsbergen wel nergens erkend, maar daarom niet opgegeven was, had de handelwijze van Braem niet ongaarne gezien. Het was met zijne toestemming, dat de Basken in de Deensche compagnie waren opgenomen. De walvischvangst zijner onderdanen was van weinig belang. Sinds 1617 was het getal der Deensche schepen, die op Spitsbergen kwamen, bijna niet toegenomen: het octrooi van Braems compagnie, die de eenige reederij ter walvischvangst was en blijven moest, verleende hem slechts verlof om met drie schepen daarop uit te gaan. En nu bleek het bovendien, dat Braem zelf de winsten, die de visscherij hem beloofd had, na eene proefneming geringschatte. Wat wonder was het dan, dat Christiaan IV het voordeeliger oordeelde, dat zijne reeds in 1616 op den voorgrond gestelde rechten door vreemde natiën erkend werden, dan dat de walvischvangst zijner onderdanen een kwijnend bestaan voortsleepte en aan éene compagnie karige winst verschafte? In het door Braem beraamde contract meende de koning nu een uitnemend middel te hebben om dit grootere voordeel te verkrijgen. De Baskische reeders zouden visschen op naam van Braem en op gezag van Deensche paspoorten; een gedeelte van den opbrengst der vangst zou schijnbaar als aandeel in de winst, eigenlijk als koopprijs, misschien als belasting aan de Deensche compagnie worden uitgekeerd. Het plan was niet slecht bedacht en had kans van slagen. Op eene weigering van toelating door de Nederlanders was echter volstrekt niet gerekend; dit blijkt genoegzaam uit de onvoldoende bewijsstukken, die men den Basken naar Spitsbergen medegaf. Toch was de handelwijze der Noordsche Compagnie zeer redelijk. Sinds jaren in het bezit van de Mauritius-baai, die daarnaar zelfs den naam van Hollandsche baai gekregen had, eerlang door de Engelschen niet meer in dat bezit gehinderd, was het reeds veel, dat zij in die beperkte ruimte nog de Denen mede tot de walvischvangst had toegelaten. Naar het schijnt was die toelating dan ook alleen geschied als »een Accommodatie uyt Nabuyrlycke Vruntschap” en onder eene beperking, wat het aantal schepen betrof[886]. Het was nu eindelijk wat veel gevergd, dat zij tot de walvischvangst, die toenmaals uit haren aard niet in de volle zee kon geoefend worden, nog andere natiën zou toelaten, terwijl het geheele overige gedeelte van het eiland toch voor de weinige schepen der Engelschen niet noodig was. Ook al bleek het, dat de indringers op naam en gezag van de met de Nederlanders bevriende Denen kwamen, dan nog was het niet twijfelachtig, dat Braem misbruik maakte van de goedheid der Noordsche Compagnie[887],—een misbruik, waartegen deze recht had te waken. Uit een zuiver juridiek oogpunt beschouwd komt het mij zelfs voor, dat de Noordsche Compagnie recht had tot wat zij deed. Terwijl in haren strijd met Engeland de vrijheid der zee haar hoofdargument geweest was,—al werd de ontdekking van Spitsbergen te dikwijls vermeld om aan de vrijzinnigheid der compagnie in veranderde omstandigheden te gelooven,—werd in de Deensche onaangenaamheden de quaestie der vrije zee door geen van beide partijen aangeroerd. Beiden kenden zich op even onhoudbare gronden[888] de souvereiniteit over geheel Spitsbergen toe, maar beiden namen ook zonder gronden voor hunne bewering op te geven, eenstemmig hun gemeenschappelijk, alle andere natiën uitsluitend bezit van de Mauritius-baai aan. En die bewering schijnt mij volkomen juist. Al hadden de Nederlanders ook de Denen alleen uit vriendschap en »provisioneel” verlof gegeven om nevens hen te visschen; zulk een verlof, verleend in eenen tijd toen niemand hun uitsluitend recht op de Mauritius-baai erkende, ja toen zij zelven daarop misschien nog geen aanspraak maakten, kon niet herroepen worden, toen de Denen door jarenlange visscherij, door inbezitneming en omheining van den grond, door vestiging eindelijk nevens de Nederlanders op de aan niemand toebehoorende plaats een even goed recht hadden verkregen als dezen, die alleen de oudheid van het hunne boven de Denen voorhadden. De meening, dat de Mauritius-baai uitsluitend aan de Nederlanders en Denen behoorde, werd destijds algemeen gedeeld, zooals blijkt uit het feit, dat noch de Denen noch de Basken zelven gedurende verscheidene jaren er ooit in ernst aan schijnen gedacht te hebben, dat deze laatsten daar krachtens een eigen recht zouden mogen visschen. De handelwijze der Noordsche Compagnie tegen de Basken was dan ook volgens de Denen zelven alleen in strijd met de beweerde souvereiniteit van Christiaan IV over Spitsbergen; werd die niet erkend, dan hadden de Nederlanders het recht allen behalve de Denen uit de Mauritius-baai te weren. Ook Christiaan IV beschouwde de zaak zoo. Hij beweerde, dat het verdrijven der Basken een inbreuk op zijne kroonrechten was, dat hem de souvereiniteit over Spitsbergen toekwam en dat dit recht door de Noordsche Compagnie geschonden was.
Deze aanmatigende houding, die de Deensche koning gedurende den geheelen loop der zaak bleef aannemen, had meer dan een reden. Hij had de handelwijze van Braem goedgekeurd en moest dus nu zijnen onderdaan beschermen. Maar bovendien, wilde hij door de Basken zijne souvereiniteit erkend zien, dan was het zaak, die ook tegenover de Nederlanders te handhaven, en te toonen, dat dezen, die niet schroomden zich op hunne ontdekking van Spitsbergen te beroepen, niet straffeloos de maatregelen door den koning van Denemarken genomen konden verijdelen. Juist naar het tegenovergestelde doel streefden de Staten-Generaal. Zij wilden alles vermijden, wat aan de zaak het karakter van eene politieke quaestie kon geven; dreigde een enkele maal dit gevaar van nabij, dan drongen zij bij de Noordsche Compagnie steeds ernstig op eene minnelijke schikking aan. Deze eindelijk volgde als derde betrokkene partij nagenoeg dezelfde gedragslijn als de Nederlandsche regeering, maar zij trad minder omzichtig op. In het bewustzijn van hare macht en van haar recht was zij steeds onverzettelijk in haren wensch om de zaak door den gewonen rechter afgedaan te zien. Ook al dreigden politieke verwikkelingen haar, zij bleef volhouden en weigerde hardnekkig iedere schikking. Gaan wij nu zoo kort mogelijk den loop der zaak na.
De Baskische reeders wendden zich natuurlijk tot Johann Braem, die hun zijn recht had overgedaan, en deze klaagde dadelijk aan den koning van Denemarken, dat de Nederlanders zijne paspoorten niet hadden geëerbiedigd en zijnen onderdanen het visschen op Spitsbergen hadden willen verhinderen. Braem begrootte zijne schade op ƒ 135.000 en verzocht daarvan vergoeding.
Niet lang duurde het, of de Staten-Generaal kregen kennis van het gebeurde. Reeds den 2 November 1623 ontvingen zij uit Elseneur bericht van ’s konings woede[889], een bericht weldra (15 December) door eenen brief van Z. M. zelven gevolgd[890]. Van alle kanten kwamen de klachten in; de eene mededeeling over het misnoegen van den koning volgde de andere[891], men dreigde zelfs met represaille-maatregelen in den Sond[892]. Van Deensche zijde werd erkend, dat Braem met goedvinden van den koning de Baskische reeders in zijne compagnie had opgenomen, maar tevens bepaald ontkend, dat de schepen op Spitsbergen geen pas van Denemarken hadden medegebracht. Men stelde het tevens zoo voor, alsof de Nederlandsche commandeur in voor den koning van Denemarken beleedigende bewoordingen de Denen niet tot de walvischvangst had willen toelaten; terwijl hij verklaard zou hebben, dat slechts zij, die van de Noordsche Compagnie verlof hadden bekomen, recht hadden op Spitsbergen hun bedrijf te oefenen. De voorslag, door de Staten-Generaal dadelijk gedaan, om te zorgen voor eene billijke behandeling van Braem, wanneer hij zich aan de Nederlandsche rechters wilde onderwerpen, werd dan ook dadelijk door Christiaan IV van de hand gewezen. Z. M. meende, dat dit eene quaestie was, »darahn seine Königl. hoheit (over Spitsbergen) mit Interessirt,” die hij volstrekt niet wilde opgeven. Van een gewoon proces kon dus zoowel om deze reden, als omdat hij »wegen allerhande weitleuffigkeiten” een ongunstigen afloop vreesde, geen sprake zijn. De koning stelde integendeel den eisch, dat de zaak door commissarissen uit de Staten-Generaal »summarie absque strepitu judicii” zou worden afgedaan. Voor het vervolg wenschte Z. M., dat de Noordsche Compagnie niet meer dan twee of drie schepen naar Spitsbergen zou zenden; hij van zijne zijde beloofde, dat de Denen er ook slechts drie of vier zouden uitrusten, »damit nicht etwa durch menge der Schiffe der fang gehindert vnnd beide theile darüber verkürzet werden[893].”
De Staten-Generaal namen de zaak dadelijk ijverig ter hand. Zij zonden een nauwkeurig verhaal van het gebeurde naar Denemarken en boden hunne hulp aan om het geschil ten einde te brengen[894]. Maar tevens beraadslaagde men, om de Noordsche Compagnie »ten regarde van de Denen off andere Natien” door een konvooi van drie oorlogschepen te beschermen[895]. In afwachting van eene beslissing van den koning werd er verder eene commissie uit de Staten-Generaal benoemd, die echter natuurlijk na maandenlange conferentiën met de bewindhebbers der Noordsche Compagnie de zaak niet verder bracht, en zoo bleven de zaken slepen. Eindelijk verscheen 1 Juni 1624 Dr. Cornelis Vinck, agent van Denemarken, in de vergadering der Staten-Generaal en verklaarde last te hebben om over de zaak te onderhandelen. Na eindelooze conferentiën met de Staten-Generaal, die meer woorden dan daden gaven, en met de bewindhebbers, die hardnekkig op hun stuk bleven staan[896], gelukte het dezen eindelijk eene schikking te treffen. De Denen hadden iets toegegeven en de zaak werd ter beslissing in handen van het Hof van Holland gesteld. (1 Maart 1625.)[897]
Men meende een middel gevonden te hebben, om de rechtszaak met verwijdering der politieke quaestie door de gewone rechters te doen behandelen. Van weerszijden kwam men overeen, het geschil over de souvereiniteit van Spitsbergen te laten rusten en de zaak te behandelen als hadden beide partijen door hunne jarenlange visscherij in de Mauritius-baai gelijke rechten op het bezit dier zeeboezem verkregen. Op dien grond klaagden nu de Denen over het niet toelaten hunner schepen. Van Nederlandsche zijde werd toen echter dadelijk geantwoord, dat de vreemde schepen, die in den zomer van 1623 op Spitsbergen verschenen waren, van geen enkel geldig bewijs voorzien waren, dat zij uit naam van Denemarken kwamen, en dat dus de Nederlandsche commandeur het recht van Denemarken in geen geval moedwillig aangetast had. De Denen ontkenden dit en beweerden, dat de koning aan Johann Braem een octrooi en paspoort gegeven had om aan Spitsbergen te visschen. Terwijl de Noordsche Compagnie dit feit niet tegensprak, beschuldigde zij echter Braem, dat hij dien pas aan eenige Baskische reeders verkocht had. De uitspraak over beide quaestiën was beslissend voor Braems eisch tot schadevergoeding. Was de eerste bewering der Noordsche Compagnie waar, dan had de eischer door zijne nalatigheid zijn recht verbeurd en hadden de Nederlanders gehandeld zonder het gewicht hunner daad te kunnen beseffen; werd de tweede beschuldiging juist bevonden, dan had Braem eene met het sustenu van gelijke uitsluitende rechten voor Nederland en Denemarken strijdige handeling gepleegd en was dus tegenover beide natiën schuldig.
Ik ben na eene aandachtige studie der nog voorhanden gegevens tot de overtuiging gekomen, voor zoover het mogelijk is eene overtuiging over deze zaak uit te spreken, dat de Noordsche Compagnie in beide beweringen gelijk had. De Basken schijnen werkelijk, hoe zonderling het schijne, het octrooi, dat aan Braem volmacht verleende om bij Spitsbergen te visschen, en een bewijs, dat deze hun zijn recht overgedragen had, niet bij zich gehad te hebben[898]. Wat den verkoop van het octrooi door Braem betreft, het is moeielijk zonder het contract zelf gezien te hebben een oordeel te vellen. Het komt mij echter voor, dat de compagnie in het wezen der zaak het recht aan hare zijde had. Bij herhaling verklaarden de Denen wel, dat de bewering der Nederlanders onwaar was en dat Braem den Basken slechts een aandeel in zijne compagnie had gegeven, maar deze verklaring schijnt meer naar de letter dan naar den geest juist geweest te zijn. Braem had met de Basken een contract van compagnieschap gesloten, waarbij hij voor zich een aandeel in de vangst bedong en zich daarentegen verbond de Basken vrij te laten visschen. Reeds de eerste uitrusting bewees echter, wat dit contract bedoelde. Terwijl het Deensche octrooi aan Braem verlof gaf om drie schepen naar Spitsbergen te zenden, kwamen daar de Basken toen met twee schepen; terwijl het derde, te Kopenhagen (of volgens de Nederlanders te Hoorn) bevracht met »coolen tot het branden van den traen noodich”, de beide andere op hunne terugreis aan de Noordkaap zou opwachten. Feitelijk trokken de Basken dus het voordeel van het octrooi, terwijl Braem hun zijnen naam en zijne hulp voor geld leende. Het contract tusschen beide gesloten was dan ook van dien aard, dat Christiaan IV, die zijnen onderdaan steeds tegen de beschuldiging van verkoop verdedigd had, na de toezending van een afschrift van het stuk uit Den Haag niet meer van de zaak repte[899].—Wanneer men dus eenmaal aannam, dat de Mauritius-baai aan Denemarken en Nederland gezamenlijk behoorde,—en dat dit algemeen het geval was, blijkt uit de geheele geheime knoeierij van Braem met de Basken,—dan komt het mij niet twijfelachtig voor, dat de veroordeeling van Braem door de Nederlandsche rechters onmiddellijk volgen moest.
Zoo spoedig gebeurde dit echter niet; de politieke zijde der quaestie, die toch altijd bedenkelijk was, belemmerde waarschijnlijk de vrije handeling der rechters, en de Noordsche Compagnie zelve deed haar best om de zaak op de lange baan te schuiven. Reeds anderhalf jaar had het proces geduurd en nog steeds was er geen einde aan te zien: het Hof talmde voortdurend met zijne beslissing. Toen oordeelden de Staten-Generaal, door den Deenschen gezant Thomasius aangemaand en ziende, dat de quaestie over de souvereiniteit van Spitsbergen tegen de afspraak herhaaldelijk in het debat gemengd werd, dat het wenschelijk was nogmaals eene poging aan te wenden, om deze zaak, die zoo licht tot politieke verwikkelingen aanleiding kon geven, in der minne te schikken. Zij maanden de Noordsche Compagnie nogmaals met nadruk tot toegeven aan, onder mededeeling »dat sij de Deensche geinclineert vonden tot affdoeninge vande saecke bij accoort”[900]. Maar te vergeefs! »Het is notoir,” dus schreven de bewindhebbers hoog terug, »dat soo wie in eenich accoort condescendeert dat by de selue schult bekentenis beuonden wert, ende alsoo wy int minste niet en connen beuinden in eeniger deel yets schuldich te sijn, ende ter wyle dese saecke de Justitie beuolen is ende dat wy weduwen ende weesen goederen administreren soo connen wy in het voorgestelde accoort niet en treden[901].” Toen werden de Denen ongeduldig: zeer dikwijls werd er bij de Staten-Generaal op spoed aangedrongen[902], totdat eindelijk het Hof na rijpe overweging van het van weerszijden aangevoerde den 29 Juni 1629 een einde maakte aan de zaak, die meer dan vier jaren aanhangig geweest was, en Johann Braem zijnen eisch tot schadevergoeding ontzegde, terwijl de kosten gecompenseerd werden[903].
Het liet zich voorzien, dat de koning van Denemarken met deze beslissing niet tevreden zou zijn. Werkelijk ontvingen de Staten-Generaal den 26 April 1630 eenen brief van Z. M. met een »wijtlopich verhael” van de zaak van Braem en den loop van het proces. Christiaan IV klaagde hevig over den langen duur der rechtszaak en verwaardigde zich verschillende punten aan te wijzen, waarop het Hof z. i. bij zijn vonnis niet genoeg gelet had; het hoofdpunt was ook nu weder de quaestie, of de Basken een Deenschen pas dan wel een eenvoudig briefje bij zich gehad hadden. De koning noemde het vonnis kortweg »ein vnbillig Vrtheill,” en weigerde in appèl bij den Hoogen Raad te komen, daar de Denen nu genoeg ondervinding hadden »das Ihr gegentheil dortt im lande ihnen viell zu mechtig, undt dergestallt supportirt würde, das Sie daselbst weiter zu Rechte zu gehen nicht vermüchten.” Hij verzocht dus de Staten-Generaal dringend, aan Braem op andere wijze vergoeding te doen geworden; gebeurde dit niet, dan dreigde hij de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam met represailles[904]. Maar er was meer: de koning had nog een andere ernstige grief tegen het vonnis. Wij hebben gezien, dat Christiaan IV, aanvankelijk weigerachtig om het geschil aan de gewone rechters te onderwerpen, daarin eindelijk alleen toestemde, op voorwaarde dat de quaestie over zijne souvereiniteitsrechten op Spitsbergen buiten het proces zou blijven. Tegen dit voorschrift hadden beide partijen herhaaldelijk gezondigd. De twist over het verkoopen van het octrooi, of volgens de Deensche lezing over het opnemen van eenige Basken in de compagnie voor de walvischvangst door Braem met goedkeuring van den koning, had allicht de eischers tot het wrevelig antwoord gebracht, dat Z. M. ten slotte vrij was, aan wie hij wilde paspoorten te verleenen om op zijn land te varen, al waren onder de bevoorrechten ook vreemdelingen met de Denen vermengd geweest. Van Nederlandsche zijde was men het antwoord op zulk eene opmerking geen oogenblik schuldig gebleven: men had zich beroepen op de ontdekking van Spitsbergen door Heemskerck en Rijp en dat beroep door eene eenigszins onjuiste voorstelling van de geschiedenis der Nederlandsche walvischvangst gestaafd. Daaruit waren wederom langdurige onaangenaamheden voortgekomen. Christiaan IV had reeds in 1626 geklaagd, dat men hem zijne kroonrechten wilde betwisten, en verklaard, dat hij »geenssints goet vont in dispute te laeten trecken zyne Superioriteyt ouer Spitsberghen, veel weyniger dat daer ouer alhier gedecideert soude werden[905].” Slechts met moeite was de zaak toen geschikt door het aanbod om alle deze zaak betreffende stukken uit het proces te lichten[906], en nu bleek het plotseling uit het vonnis van het Hof, dat aan deze belofte niet voldaan was. Aan het hoofd van de beweringen van ieder der beide partijen vond men in het vonnis een uitvoerig betoog, dat Spitsbergen haar toebehoorde,—eene bijvoeging, waardoor ter loops opgemerkt de redeneering van beiden niet aan logische helderheid gewonnen had. Het laat zich denken, dat Christiaan IV hevig vertoornd was.
Z. M. was zeer verontwaardigd, dus schreef hij, dat niettegenstaande de herhaalde beloften der Staten-Generaal toegelaten was, »das man Unsere hoheit uber die lande nicht allein streitig zu machen, Sondern so weit an ihnen gewesen, Vns gar zu entziehen sich unterstanden, Den die Compagnie in ihrer antwortt undt duplica aussdrücklich vorgebt, das sie die hoheit derselben den vereinigten Provintzen acquirirt[907].” Den 29 Januari en 21 Juni 1631 kwam Z. M. hierop terug en klaagde, dat de Noordsche Compagnie »ihre vorige vnbegründete einwürffe weittläufftig wiederholett, besondern auch seine vff seinem Landt Spizbergen habende hoheit vnnd bottmässigkeit fast mehr vnnd mehr in Zweiffell zuziehen vnnd disputirlich zu machen sich vnterstandenn.” Eerlang werd nu het eiland Spitsbergen »Christiansbergen”, de Mauritius-baai »Christianshaffen” verdoopt als bewijzen van het Deensche eigendomsrecht, en nadrukkelijk verzocht de koning de Staten-Generaal te verhoeden, »das seine hoheit über dieselbe Lande, da der Walfischfang geübet wird, in eintzig disputat gezogen werde[908].” In September 1631 kwam daarop een gezant met nieuwe klachten aan[909], en de Staten begrepen iets te moeten doen. Zij schreven dus aan den koning bij herhaling[910], dat »wat belanght de hoogheyt ende gerechtigheyt die sijn Majesteyt over de Landen van Groenlandt, ende andere quartieren om den Noort ghelegen souden mogen hebben, ofte pretendeeren, en is haer Hoogh Mog: meeninge ende intentie gansch niet dat alhier te Lande daer over sal werden gedisputeert, gelijck haer Ho: Mog: sulcks hier bevorens expresselijck hebben verbooden daer ’t behoort, al hoe wel het schijnt dat eenige gepoogt hebben, zijn Majesteyt contraerie opinie te doen suscipieeren, die nochtans met de waerheyt niet over een en komen, volgens dese haer Ho: Mog: ronde en sincere iterative verklaringe[911].”
Maar hierbij bleef het ook[912]. Men was minder dan ooit gezind ’s konings recht te erkennen en ook de eisch, dat de Staten aan Braem op de eene of andere wijze vergoeding zouden bezorgen, werd niet voor inwilliging vatbaar geoordeeld. Juist het herhaaldelijk bespreken van de souvereiniteitsrechten der Deensche kroon had het gevaar aangetoond om zich eene zaak als deze officiëel aan te trekken en de Staten waren dan ook vast besloten, dat zij als eene partikuliere quaestie met de Noordsche Compagnie zou afgehandeld worden. Daarop was dus de geheele gedragslijn der regeering ingericht. Braem wendde zich eindelijk tot de Noordsche Compagnie, maar na maanden onderhandelens was de zaak nog niet verder gekomen[913]. Een zeer heftige brief van den koning had ten gevolge, dat de quaestie toen nog eenmaal in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld werd, maar ook daardoor vorderde men niet[914]. Eene laatste poging der Staten-Generaal om de zaak te schikken stuitte af op de onverzettelijkheid der Noordsche Compagnie, die niet van haar door het vonnis verkregen recht wilde wijken, al dreigde Christiaan IV ook met krasse maatregelen, al deed Johann Braem ook de verleidelijkste beloften[915]. Er schoot dus eindelijk voor de regeering niets anders over, dan aan Denemarken en aan de compagnie beiden definitief te schrijven, dat de quaestie eene partikuliere was en als zoodanig moest behandeld worden.
Aan de Noordsche Compagnie ontzeiden dus de Staten-Generaal hunnen steun, nu zij geweigerd had de pretensie van Braem voor eene kleine som geld af te koopen; den koning verzocht men, zich de zaak evenmin aan te trekken en de rechters te laten beslissen[916]. Geheel overeenkomstig met dit plan weigerden de Staten-Generaal ook in de Instructie van de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer, die in September 1631 naar Kopenhagen vertrokken, de redeneeringen der Noordsche Compagnie over deze quaestie op te nemen[917] en werd de Deensche gezant Claus Daa, die in dezelfde maand herwaarts kwam met last om bij de Staten over de zaak te klagen, onbevredigd weggezonden met eene verwijzing naar den Hoogen Raad[918]. Een tweede Deensche gezant, Gunter, die in 1632 te ’s-Gravenhage verscheen en op nieuw ernstige klachten deed hooren, verkreeg van de regeering evenmin iets meer dan een algemeen antwoord[919], en ook Gödert Braem, die in hetzelfde jaar herwaarts kwam om zijnen broeder Johann door onderhandelingen met de Noordsche Compagnie de verlangde schadevergoeding te bezorgen, moest onverrichter zake weder vertrekken[920].
Toen begreep Christiaan IV, dat hij een anderen weg moest inslaan. Het verkrijgen van schadevergoeding voor Johann Braem werd opgegeven; slechts een enkele maal werd er nu en dan in latere jaren van gesproken[921]. De zaak zelve was van weinig belang, nu de koning in plaats van door de schadevergoeding eene erkenning van zijne rechten te verkrijgen, door de Nederlanders integendeel zijne souvereiniteit bestreden zag. Maar de hoofdzaak, het binnenleiden der Basken op Spitsbergen, werd op nieuw het doel, waarnaar Christiaan IV streefde; en al wilde de Noordsche Compagnie haar ongelijk niet erkennen, de koning had besloten den tegenstand te breken.
In 1624 had de Deensche compagnie noch hare Baskische deelgenooten uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Nederlanders tot eene uitrusting durven besluiten[922]. Wel schijnt het volgende jaar Gödert Braem, Johanns broeder, op Spitsbergen geweest te zijn[923], maar terwijl het proces onbeslist was, kon het verblijf op Spitsbergen naast de machtige Nederlanders voor de Denen toch niet wenschelijk zijn. De vereeniging had zich ontbonden[924] en sinds 1625 was het eiland door Denen niet meer bezocht[925]. Toen echter het vonnis uitgesproken was en alle aanvragen om op andere wijze voldoening te krijgen vruchteloos waren, verleende Christiaan IV in 1630 aan Johann Braem een nieuw octrooi, waarbij het hem geoorloofd werd, met vijf of zes schepen in de Mauritius-baai te visschen. Onder die schepen zouden er twee uit Biscaaie mogen zijn[926]. Zoo was aan de Staten-Generaal elk voorwendsel ontnomen, om Braem van verkoop van octrooi of oneerlijkheid te beschuldigen: de koning zelf billijkte openlijk zijne compagnieschap met de Baskische reeders. Toch was de nieuwe knoeierij erger dan de eerste. Toen de Biscaaiers er aan begonnen te wanhopen om de verzochte schadevergoeding van Braem machtig te worden, had Jean Vrolicq, een zeekapitein in hunnen dienst, van den koning van Frankrijk octrooi verzocht om op Spitsbergen te mogen varen. Wel begrijpende, dat de Nederlanders de Franschen op hun eigen naam nog minder in de Mauritius-baai zouden toelaten dan onder Deensche vlag, schijnt hij echter met Johann Braem op nieuw een contract gesloten te hebben, waarbij deze beloofde te gelijk met de Basken eene uitrusting op Spitsbergen te zullen doen. Voor de hem door de Denen verleende vergunning en de te genieten bescherming zou Vrolicq aan Braem en zijne compagnie een zeker gedeelte van zijne vangst afstaan. De geheele compagnieschap was dus evenals de vorige slechts een bedekt middel om van de Franschen eene soort van recognitie te verkrijgen, en de Noordsche Compagnie had volkomen gelijk toen zij aanmerkte, dat »alhoewel het selve pas op naem van Braem van de Maj. van Denemarcken is verkreegen, soo is het eyghentlijcken ende in der daedt voor en tot behoef van de Biscayers”[927].
In den zomer van 1631 verscheen nu Gödert Braem met een wel toegerust schip op Spitsbergen en weldra volgde Vrolicq met een klein scheepje uit Havre de Grace. Aanvankelijk scheen het geluk hen niet te begunstigen. Gedurende de jarenlange afwezigheid der Denen van Spitsbergen hadden de Nederlanders zich niet alleen meester gemaakt van het na het overhaast vertrek der Basken in 1623 achtergelaten gereedschap, maar ook langzamerhand het door hunne deelgenooten aan de Mauritius-baai gebruikte terrein in bezit genomen en met hunne schuren bezet. In de meening, dat de Denen niet terug zouden komen, hadden zij zelfs een fort ter verdediging daarbij gebouwd. Toen Gödert Braem dus in 1631 aankwam, vond hij zijne plaats grootendeels ingenomen[928]. Klachten baatten natuurlijk niet en hij koos dus met zijnen medgezel de Robbenbaai op het later naar de Denen genoemde eiland voor zijne vestiging[929]. Deze baai was wel is waar binnen het beweerde Nederlandsche gebied, maar toch op eenigen afstand van de Mauritius-baai gelegen, en er was geen het minste gevaar, dat beide natiën elkaar hinderen zouden. Toch waren de beide schepen daar nauwelijks met de walvischvangst begonnen, of de Nederlandsche commandeur naderde Braem, verzocht zijne paspoorten van den koning van Denemarken te zien en vroeg tevens of Vrolicq bij hem behoorde en door hem beschermd en gehandhaafd zou worden. Braem, reeds korzelig gestemd, antwoordde, dat hij niet verplicht was de eerste vraag te beantwoorden, en wat de tweede betrof verklaarde hij eenigszins ontwijkend, dat Vrolicq »son inthime amij” was en als zoodanig door hem behandeld zou worden. Vrolicq zelf weigerde na overleg met Braem zijne papieren te toonen. De Nederlandsche commandeur verbood hem toen te visschen en bedreigde hem met gewelddadige verhindering in zijn voornemen, maar toen Braem daarop dadelijk eenige kanonnen liet zien en zich gereed maakte Vrolicq te verdedigen, waren de Nederlanders toch te onzeker over de betrekking, die tusschen Denen en Franschen bestond, om het na al het over de gebeurtenis van 1623 voorgevallene tot geweld te durven laten komen. Zij hielden af en de beide schepen vischten verder gerust[930].
Naar mijn inzien had de Noordsche Compagnie dan ook geen recht, om Braem of Vrolicq over hun gedrag lastig te vallen. De geheel toevallige omstandigheid, dat de beide schepen dit jaar niet in de Mauritius-baai maar in de Robbenbaai terecht kwamen, schijnt mij voor het recht der Denen beslissend. Het gebied der Nederlanders op Spitsbergen toch was wel niet, zooals Vrolicq later verklaarde, »soo onseecker als hare begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten gaende,” maar het kon toch niet ontkend worden, dat de Nederlanders, hoe klein het gedeelte van Spitsbergens kust, waarop zij aanspraak maakten, ook was, zich meer aanmatigden dan de geringe omvang hunner visscherij wettigde. Van de geheele uitgestrektheid van Fairhaven tot Maudlensound toch werd alleen de Mauritius-baai en het Amsterdamsche eiland door hen jaarlijks bezocht; bepaaldelijk in de Robbenbaai schijnen zij zich vóor 1631 niet vertoond te hebben[931]. En de beweerde overeenkomst met de Engelschen, waarbij hun de geheele noordwesthoek van Spitsbergen afgestaan heette te zijn, mocht tegen dezen als wapen gebezigd kunnen worden; de Denen noch eenig ander volk zouden zich zeker storen aan eene regeling, waardoor eene geheele uitgestrektheid lands, waar veel winst te behalen was, aan het verkeer onttrokken werd ter wille van eene natie, die misschien de noodige formaliteiten vervuld had, maar zeker de eigenlijk gezegde inbezitneming van verreweg het grootste gedeelte van het haar afgestane land achterwege gelaten had. Volkomen met hetzelfde recht als de Nederlanders zich indertijd nevens de Engelschen op door dezen niet gebruikte plaatsen gevestigd hadden, namen nu de Denen op hunne beurt weder van de eenzame Robbenbaai bezit. De toestand van onverdeeld gemeenschappelijk bezit der Mauritius-baai door Nederlanders en Denen nam dus een einde, maar terwijl de Nederlanders voortaan dien zeeboezem voor zich alleen behielden, hadden dan ook de Denen het recht in de door hen ingenomen Robbenbaai allen toe te laten, die zij wilden.
Hoewel dus de verplaatsing der Deensche walvischvangst naar de Robbenbaai het gunstige gevolg scheen te zullen hebben, dat de koning in zijne plannen met de Basken bij beter recht ook meer kans van slagen hebben zou, was Christiaan IV echter niet geneigd zich zonder protest te laten verdringen. Weldra verscheen Gödert Braem in Den Haag met brieven van den koning, die klaagde, dat de Noordsche Compagnie zich niet ontzien had een groot gedeelte van de plaats »vff der von vnserm Königreich Norweg dependirenden Grönländischen Insull Christiansbergen, von anderen Spitzbergen genand,” waar de Denen van ouds gewoon waren te visschen, zich toe te eigenen en te bebouwen. Onder bedreiging met krachtige maatregelen verzocht de koning kort en goed »restitution und demolition[932].” De zaak werd nog nader aangedrongen[933], maar de Staten-Generaal gaven niet dan uitstellend antwoord en er kwam ook verder niets van eenige voldoening. Ook scheen dit onnoodig: de Deensche walvischvaarders vestigden zich voor goed in de Robbenbaai; zij hadden daar en misschien in het nabijgelegen Deensche gat even goede gelegenheid voor hun bedrijf als vroeger, zonder ooit met de Nederlanders te behoeven in aanraking te komen.
De gelegenheid om de Baskische walvischvaarders op Spitsbergen binnen te leiden scheen dus nu schooner dan ooit. Ongelukkig liet juist op dit oogenblik de ondankbare Vrolicq zijne beschermers in den steek. Hoewel hem in 1631 ongetwijfeld alleen door de tusschenkomst van Gödert Braem het verblijf in de Robbenbaai gegund was, schijnt hij gemeend te hebben, dat hij nu ook voortaan wel zonder van zijne daden rekenschap te geven op Spitsbergen zou kunnen verkeeren. Dadelijk na zijne terugkomst in Frankrijk verkondigde hij dan ook, dat de Nederlanders de Fransche paspoorten erkend hadden en hij maakte zich gereed zelfstandig op Spitsbergen te verschijnen. Wij zullen spoedig zien, dat zijne onafhankelijkheid hem ten minste aanvankelijk slecht bekwam[934]; voorloopig houden wij ons alleen met de Denen bezig.
Johann Braem liet zich niet ontmoedigen: nu Vrolicq hem ontvallen was, knoopte hij dadelijk onderhandelingen met andere Franschen aan. Het gelukte hem werkelijk eenige Basken, wien de walvischvangst aan Spitsbergen door het uitsluitend octrooi, dat Richelieu aan Vrolicq verleend had, gesloten was, voor zijn plan te winnen en in den zomer van 1632 verschenen nevens Gödert Braem twee Biscaaische schepen, de »Pigeon blanc” kapitein Pierre Bathon[935] en de »Ste. Marie” kapitein Jean De Sigaroy in de Robbenbaai. Commandeur Jacob Jansz. Duynkercker, doortastender maar ook minder nauwgezet dan het vorige jaar, gelastte hun echter dadelijk te vertrekken. Braem schijnt zijne beschermelingen niet tegen den bepaalden wil der Nederlanders in de Robbenbaai te hebben kunnen handhaven en de Basken moesten voor de overmacht bukken en zich naar de Noordkaap begeven. Om zich te wreken wachtten zij echter daar het vertrek der Nederlandsche walvischvaarders van Jan Mayen-eiland af en zeilden toen daarheen. Den 31 Augustus 1632 landden zij, braken de verlatene schuren der Nederlanders open, roofden niet minder dan 600 quarteelen van de daar achtergelatene traan en meer dan 200,000 pond walvischbaarden. Ook gereedschappen tot de walvischvangst werden medegevoerd; wat niet draagbaar was werd vernield[936] en toen de schepen der Noordsche Compagnie in 1633 weder op het eiland aankwamen, begrootten zij de schade op veel meer dan ƒ 100,000. Van eenige Basken vernam men al spoedig, wie de daders waren[937].
Het was eene netelige zaak, waarover men van verschillende kanten en bij verschillende rechters klagen kon. De Nederlanders schijnen dan ook met de zaak verlegen geweest te zijn. Terwijl de Noordsche Compagnie volhield, de toegebrachte schade als van Baskischen oorsprong te schrijven op rekening der Fransche compagnie voor de walvischvangst, die natuurlijk tegen de daders even vijandig gezind was als zij zelve[938], klaagde zij toch bij de Staten-Generaal over de »molestie”, hun door de Denen op Spitsbergen aangedaan door het herhaalde invoeren van Fransche walvischvaarders[939]. Tevens verzocht zij met nadruk, om door de Staten »by haer recht ende octroy gemainteneert te worden[940].” De Staten zeiden der compagnie wel hunne bescherming toe[941], maar durfden bij Christiaan IV, met wien men juist bezig was over eene schikking te onderhandelen, niet te klagen uit vrees voor nieuwe moeielijkheden. De koning van zijne zijde wilde niet spreken van den inbreuk, op zijn recht gemaakt door de weigering van toelating der Basken uit vrees voor eischen tot vergoeding der door hen aangerichte schade. Blijkbaar was ook Z. M. met de zaak verlegen. Hij sprak Van Cracouw een enkele maal daarover aan, en vroeg zeer naïef: »waer wil dat eijntelick heen?” Maar toen de Nederlandsche resident hem op de verkeerde gevolgen van Braems knoeierijen met de Basken wees, liet hij zich toch weldra tot eene betere regeling voor het vervolg vinden[942]. Een eisch tot vergoeding der geledene schade werd eerst in 1641, toen de juiste toedracht der zaak vergeten was, in zeer overdrevene termen aan de Nederlandsche ambassadeurs op de conferentie te Staden gedaan. Weder werd de zaak zóo voorgesteld, alsof de Noordsche Compagnie Gödert Braem zelven van Spitsbergen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd van de »hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et dominij” van Denemarken over de zeeën, »die van Norwegen ende Groenlant dependeren.” Ook over deze grief verwees men echter de Denen naar de gewone rechters[943], en van de zaak, die zoolang gerust had, werd niet verder gesproken.
Terwijl alzoo Christiaan IV door zijne herhaalde verzoeken aan de Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving der Basken een stap verder gekomen was tot zijn doel, de erkenning van zijne souvereiniteit over Spitsbergen door de Biscaaiers en vooral door Nederland, had Johann Braem zelf langs omwegen hetzelfde doel trachten te bereiken. Reeds in 1631 had hij aan de Noordsche Compagnie als een groot voordeel aangeboden, dat zij tegen vergoeding der door hem in 1623 geledene schade deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den koning verleend, ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de walvischvangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen[944]. Het komt mij weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschijnende aanbieding, zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan, niets anders bedoeld werd dan de compagnie tot eene daad te verlokken, waardoor zij minst genomen den schijn op zich zou laden, dat zij van den koning van Denemarken het recht op de walvischvangst tegen betaling verkregen had. De Staten-Generaal liepen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde echter kortaf[945]. Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede list. Den 26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche koopman, Pelt genaamd, een handelsvriend van Braem en waarschijnlijk voor deze zaak zijn compagnon[946], tot de Staten-Generaal met verzoek om een te Amsterdam voor Johann Braem tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken te mogen laten vertrekken[947]. Op advies der Amsterdamsche admiraliteit werd het verzoek echter afgeslagen[948] en weinige dagen later gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over tot het arresteeren van een plakkaat tegen alle »directe ofte indirecte lorrendrayerien[949].” »Wij komen in ervaringe,” dus schreven de Staten-Generaal daarin, »dat deur toedoen van eenige ongeruste Menschen, de welvaert deser Vereenichde Landen benijdende, ghetracht wort de Walvisscherije, by directe ende indirecte wegen ende middelen, te contramineren, om de goede Ingesetenen deser Landen van de voorszeide Neeringe t’ ontsetten, ende de verwachte Vruchten selfs te genieten, poogende tot dien eynde in dese Vereenichde Provintien tot hen te trecken veele Inghesetenen ende Inwoonderen deser Landen, om by andere wegen als deur directie ende beleydt van de Noortsche Compagnie, binnen de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen, ende de Neeringe van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te plegen, exerceren, ende de selve elders buyten dese Lande te diverteren. Ende dat oock vele onser Ingesetenen hun vervorderen soodanige diensten aen te nemen, andere daer toe te induceren ende helpen aennemen, mitsgaders in Uytheemsche Compagnien ende voyagien te participeren, ende de selve met hun middelen te helpen formeren, streckende alle ’t selve tot groot naedeel van de voorszeide Compagnie, interest van de gemeene welvaert deser Landen, ende uyt-nemende groote schade van veele Ingesetenen van dien, daer uyt de voorszeide Compagnie is gheformeert, waer jegens nae behooren dient voorsien, ende alle mogelijcke ordre gestelt.” Op deze gronden verboden de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 1o. om in vreemde dienst ter walvischvangst uit te varen, 2o. om Nederlandsche schepen te verhuren aan vreemde walvischvaarders, en 3o. om aandeelen te nemen in vreemde compagniën voor de walvischvangst[950]. Toen de Staten hunne gedragslijn zoo openlijk hadden afgebakend, was er natuurlijk aan geen inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel dan ook niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resident in Denemarken Carel Van Cracouw, maar ook de koning zelf het verzoek nog dringend aanbevalen, stuitte ook deze toeleg om Nederlandsche walvischvaarders onder de Deensche vlag te scharen af op de besliste houding der Staten-Generaal. De aanbeveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving aangenomen[951], Braem verwees men naar het plakkaat[952]; de booze brief van den koning eindelijk werd ter zijde gelegd als »niet geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen hare Ho. Mo. te schryven.” Het stuk werd zelfs later teruggezonden met de vraag, »waerom datmen in dese den gewoonlicken styl was te buyten gegaen, ende hare Ho: Mo: niet gequalificeert (had) met den titul die deselve competeert[953].”
Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning, hetzij ze zijdelings of direct verzocht werd, stoutweg durfden weigeren, trachtten zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere aanzoeken verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen van Christiaan IV over zijne »Hoocheit ende Regalia” moede, wenschte men langs diplomatieken weg den koning van het impolitieke zijner handelwijze te overtuigen, toen het bleek dat de standvastige weigering hem het gekozene standpunt niet deed verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbij het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onderworpen, had de Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de zaak een goed einde zou nemen, van de gelegenheid gebruik gemaakt om er bij Christiaan IV op aan te dringen, dat hij alle reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het vervolg zou voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen te willen uitreiken en wel onder beding, dat verkoop aan vreemden ongeoorloofd zou zijn[954]. Ofschoon dit verlangen zeker zeer billijk was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, wien de zaak in handen gegeven was[955], door den koning geantwoord, dat de voorstelling door de Noordsche Compagnie van Braems handelingen gegeven geheel onjuist was. Zoo de Nederlanders mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn octrooi werkelijk verkocht had, wilde de koning hem »ten exemple van anderen sonder genade straffen[956].” De Noordsche Compagnie antwoordde op deze vordering door het overleggen van een afschrift van Braems contract met de Basken, waaruit de oneerlijke handelwijze van ’s konings beschermeling duidelijk bleek. De Staten-Generaal zonden dit stuk naar Kopenhagen met eene begeleidende missive, waarin zij nader op het ophouden van alle betrekkingen met de Biscaaiers en het intrekken van Braems octrooi aandrongen. Wij kunnen niet gelooven, dus schreven de Staten, »d’jntentie van uwe Con. Mat. te syn de Walvischerije ende neringe daer an dependerende uyt uwe Mateyts Coninckrijck te doen diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale redenen ende de nature zelver van alle octroijen, daer toe streckende, omme de onderdanen selver ende niet vremde ende uytheemsche te gratificeren[957].” De koning moest zich met deze overtuigende bewijzen wel tevreden houden, maar aan het verzoek der Staten werd voorloopig niet voldaan. Waarschijnlijk heeft Braem »met sijne fauoriten” de zaak gesust. De onaangename toon, door Christiaan IV aangeslagen, belette verder geruimen tijd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle pogingen in dezen geest. Eerst de memorie, door de Noordsche Compagnie in 1631 aan de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer medegegeven[958], behandelde de politieke quaestie weder zeer uitvoerig. Het was eene geheime mededeeling, alleen ter instructie van de gezanten bij eventueele klachten bestemd, en laat ons dus een diepen blik in de politieke drijfveeren der twistende partijen slaan.
De Noordsche Compagnie begon met de handelwijze van Braem in deze zaak kortelijk te verhalen. Eerst had deze zijn octrooi aan de Biscaaiers verkocht en daardoor een lang en nadeelig proces met de Noordsche Compagnie moeten voeren. Daarna, toen hij zag dat zijn toeleg niet gelukte, had hij een nieuw octrooi van den koning verzocht met volmacht om de Basken daarin te mogen opnemen. Dit octrooi, schijnbaar aan Braem verleend, was in werkelijkheid alleen den Franschen voordeelig geweest, want Jean Vrolicq had tegelijkertijd een octrooi van Frankrijk gevraagd, en terwijl het zeker was, dat de Deensche onderdanen in de Fransche compagnie »niet eenen stuyver” aandeel hadden, kregen dezen alleen een zeker gedeelte van de vangst voor het verlof om op de Deensche passen te mogen varen.—Aan dit verhaal werden nu de gevolgtrekkingen vastgeknoopt, dat 1o. door het vragen van een Fransch octrooi de souvereiniteit der Denen over Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer gesteld was, twijfelachtig gemaakt werd, en 2o. dat door de slinksche streken van Johann Braem de nering der walvischvangst uit Denemarken werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste punt waren de bewindhebbers vooral uitvoerig. Uit het medegedeelde bleek voldoende, schreven zij, »met wat studie” de Basken, die vroeger meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de Noordsche Compagnie op Spitsbergen te worden toegelaten,—een verzoek, steeds »om gewichtige redenen met beleeftheyt afgeslagen,”—»van tijdt tot tijdt hadden getracht hen selven in te dringen in de Visscherie om alsoo metter tijdt de andere natiën daer van te depossederen.” Het hoofdpunt der memorie bleef dan ook het betoog »hoe schaedelijck dat het soude wesen, niet alleen voor dese Landen, maer oock voor die van Denemarcken selven, het inruymen van de Biscayers, Francoisen, ofte andere Natien, in den Walvisch-vanckst op Spitzberghen: ende dat daer mede die gantsche neringe niet alleen uyt dese Landen, maer oock uyt Dennemarcken soude werden gediverteert, en in de andere Koninckrijcken ende Landen getransporteert”[959].
Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel schijnt men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben, maar waarschijnlijk lieten zij het stuk in handen van den Nederlandschen resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebruik van maakte. De onafhankelijke stelling in 1632 door Vrolicq aangenomen, die niet schroomde tegen de Denen, die hem op Spitsbergen binnengeleid hadden, uit kracht van zijn Fransch octrooi op te treden,—de ongelukkige uitslag der proefneming door Braem met andere Basken gewaagd, openden de oogen van den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner handelwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw dadelijk een behendig gebruik; de eerste gelegenheid greep hij aan, om den koning voor de redenen der Noordsche Compagnie te winnen. De »meededelinge” der paspoorten aan de Biscaaiers, dus betoogde Van Cracouw, was de eenige oorzaak van de onaangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De Noordsche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen »alle hulpe ende assistentie” verleend, en was nog bereid daarmede voort te gaan; maar de Basken, die nu met twee schepen gekomen waren en zeker in volgende jaren met hoe langer hoe grooter uitrusting Spitsbergen zouden bezoeken, wilde men niet toelaten, »alsoo sij bij alle weegen ende middelen sochten de Neeringe ende vischerie der Compaignie te ontrecken, niet alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaignie maer oock tot Sijne Mats. onderdanen selffs”[960]. Deze redeneering vond dadelijk een gunstig onthaal. Z. M. verzocht den resident bij gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. Reeds die tweede audientie had door de behendigheid van Van Cracouw het gelukkige resultaat, dat de koning aan Braem verbood zijne paspoorten aan de Biscaaiers over te doen of met hen in compagnie te zijn. Z. M. besloot voortaan geene paspoorten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit te geven en beloofde aan Van Cracouw, dat hij de reeds verleende zou intrekken[961]. Het belang der Deensche walvischvangst schijnt eindelijk de overhand behouden te hebben op ’s konings begeerte om zijn voorgewend recht erkend te zien, een recht, dat hem toch zeker minder voordeel zou opbrengen dan de handel zijner onderdanen zelf, wanneer het gelukte dien te doen bloeien.
Johann Braem bukte voor den bepaalden wil des konings; hij beloofde »de Basques te willen affsnijden ende met haer geen handel meer te hebben.” Weldra bracht hij aan Van Cracouw een bezoek en betuigde voortaan weder in »goede vrundtschap ende correspondentie” met de Noordsche Compagnie te willen leven; hij zou daartoe evenals vroeger met twee Deensche schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van de compagnie hoopte hij dan ook weder de toestemming te verkrijgen, om met die twee schepen in vrede naast de hare te mogen visschen[962]. De Noordsche Compagnie van hare zijde had zich reeds lang daartoe »ouerboodich” verklaard en alle moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het verzoek begroet en zoo was de quaestie eindelijk in der minne geschikt[963].
Gedurende de eerstvolgende jaren na 1633 werd de walvischvangst tusschen de beide mogendheden niet besproken. De Deensche visscherij ontwikkelde zich langzamerhand en de Nederlanders dachten er niet aan, hunne bondgenooten in hun vreedzaam bedrijf te hinderen. Langzamerhand bedreigde echter een nieuw gevaar de goede verhouding der twee natiën. Ditmaal waren het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding waren, dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende. Terwijl gedurende den geheelen tijd van haar bestaan de uitrustingen der Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schijnen gebleven te zijn, zag men kort na 1633 het getal der Nederlandsche schepen in de IJszee plotseling toenemen. Niet de Noordsche Compagnie gaf door grootere inspanning aanleiding tot die vermeerdering; concurrenten waren in Nederland zelf tegen de bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen het altijd betrekkelijk kleine getal »interlopers”, niet alleen de sinds 1634 door acht concurreerende Hollandsche steden openlijk naar Spitsbergen gezondene schepen[964], vooral de op eenigen afstand van dit eiland gedrevene zeevisscherij deed het getal walvischvaarders klimmen. Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe, de vangst in de volle zee bleek eerlang, toen de walvisschen de baaien meer en meer verlieten, zoo voordeelig, dat de compagnie zelve eenigszins bezorgd begon te worden. De koning van Denemarken, sinds 1631 reeds uit de Mauritius-baai verdreven, begon dan ook bevreesd te worden, dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden overvleugelen en langzamerhand geheel verdringen. Hij besloot op afdoende wijze aan de zoo ras toenemende concurrentie een einde te maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: »alleen in Vreede sittende, ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende, dede hy wat hem beliefde, ende meende hem konde geen Zee te hoogh gaen”[965].
Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen slechts volgens haar goedvinden en door hare welwillendheid op het aan Nederland toebehoorende Spitsbergen vischten, wel eens te kennen had gegeven, dat zij ongaarne meer dan het van ouds gebruikelijke getal van twee Deensche schepen tot de visscherij zou toelaten[966], zoo had ook Christiaan IV uit kracht van zijne beweerde souvereiniteit reeds een paar maal verzocht, dat de Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar de Mauritius-baai zouden zenden, opdat zijne onderdanen niet binnen den kleinen omvang der baai in hunne walvischvangst gehinderd zouden worden[967]. Nu echter scheen het noodzakelijk dien eisch met kracht door te zetten, opdat niet ook de Robbenbaai voor de Denen gesloten zou worden. De Noordsche Compagnie had zich echter in de jaren, die sinds de quaestie met Braem verloopen waren, een goede en weinig hinderlijke nabuur getoond en Christiaan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder op Spitsbergen toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche walvischvaarders was niet van de compagnie uitgegaan, maar hoofdzakelijk van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop van Nederlandsche visschers wenschte de koning paal en perk te stellen. Geen beter middel was er om dit doel te bereiken, dan om zijne souvereiniteitsrechten, die, tot nog toe alleen een middel tot geldafpersing, sinds dat streven nutteloos gebleken was bijna niet meer genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voorgrond te stellen. Daartoe werd dan ook weldra besloten.
Den 10 April 1637 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van Christiaan IV van 12 Februari, waarin hij aandrong op vermindering en regeling van de uitrustingen der Nederlanders op Spitsbergen, daar de Noordsche Compagnie meer schepen uitzond »als de plaets leedt”, en vooral daar schepen niet aan de compagnie behoorende te gelijk met de hare aankwamen. Z. M. beweerde, dat zijn uitsluitend recht op het eiland door alle natiën erkend was; hij meende, dat het eene slechte vergelding was voor het verlof, den Nederlandschen walvischvaarders boven anderen »by conniventie” en uit vriendschap verleend, dat men nu door de grootere uitrustingen de Denen belette hun bedrijf te oefenen, en hij eindigde met de verklaring, dat hij vertrouwde, dat de Staten-Generaal deze handelwijze zouden afkeuren en, voordat hij tot andere maatregelen overging, zorgen, dat er voortaan niet meer Nederlandsche schepen op Spitsbergen verschenen dan tot nog toe het geval geweest was[968].
De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch, die nog nooit met zooveel nadruk gesteld was, zeer verlegen. De resolutie op den brief des konings werd uitgesteld en de Noordsche Compagnie om inlichting gevraagd over de daarin besproken zaak[969]. Weldra kwam er bij de Staten-Generaal eene remonstrantie van de compagnie over den Deenschen eisch in[970]. Zij betoogde in dat stuk, dat de Nederlanders krachtens hunne ontdekking en gerust bezit sinds 1596 heeren van Spitsbergen waren geweest; dat de aanspraak der Denen op het eiland van 1617 dagteekende, toen de Noordsche Compagnie een Deensch schip uit vriendschap tot de walvischvangst had toegelaten, en dat het aan Denemarken toebehoorende Groenland een geheel ander land was dan het hier bedoelde Spitsbergen. Van hare zijde klaagde de compagnie nu, dat de Denen sinds 1617 langzamerhand het getal hunner schepen hadden vermeerderd en zoowel hierdoor als door het verkoopen der passen aan de Basken den Nederlandschen walvischvaarders veel schade hadden toegebracht; dat zij nu tegen de plakkaten der Staten-Generaal hunne uitrustingen in de Vereenigde Provinciën deden en ook hunne vangst daar verkochten tot groot nadeel der compagnie en als een blijkbare inbreuk op haar octrooi. In de hoofdgrief van den koning deelde de compagnie zelve volkomen: ook zij klaagde, dat vele schepen niet aan haar toebehoorende tegen het octrooi der Staten-Generaal aan Spitsbergen kwamen visschen en dat daardoor een voordeelige vangst onmogelijk werd. Op al deze gronden werd van de Staten-Generaal handhaving van het octrooi der Noordsche Compagnie, hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken daarop en verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden door vreemden verzocht[971].
Niettegenstaande deze memorie in de vergadering der Staten-Generaal den 15 Mei eindelijk gelezen was[972], werd het antwoord op den brief van Christiaan IV steeds uitgesteld. Driemaal moest van Deensche zijde aangedrongen worden op bescheid[973]. Eindelijk besloten de Staten-Generaal, toen uitstel niet langer mogelijk scheen, op advies van Holland[974] uit den brief der Noordsche Compagnie eene missive aan Christiaan IV samen te stellen[975]. De Staten klaagden daarin over inbreuken op het octrooi der compagnie, die door Pelt en anderen sinds 1633 niettegenstaande het plakkaat van 11 Maart onverholen gepleegd werden[976]. Er was reden tot klagen over de Deensche walvischvaarders, dus luidde het, »vermits deselve onder hun laten schuilen vele jngesetenen deser Landen diewelcke in prejuditie en tegens het Octroy, ’t welck wy aende voornoemde onse Compaignie hebben verleent deselve onderstaen den walvischvanxt te ondercruipen, daertoe gebruikende verscheiden pretexten”[977]. Wanneer de koning geen orde op de zaak wilde stellen, dan werd met strenge handhaving van het plakkaat tegen de »lorrendrayerien” gedreigd. Den 26 Juni 1637 werd het stuk gearresteerd en verzonden[978].
Christiaan IV liet zich met zoo onvoldoend antwoord niet tevreden stellen. Zijne pretensie werd ontkend; in plaats van voldoening waren hem zelven klachten te gemoet gevoerd. Hij besloot de Staten-Generaal met geweld te dwingen, om den grooten toeloop van walvischvaarders, die niet eens tot de Noordsche Compagnie behoorden, te verhinderen. In den zomer van 1638 verscheen kapitein Corvitz Vhlefeldt met drie Deensche oorlogschepen in de IJszee. Nog in volle zee ontmoette hij twee schepen van de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam, genaamd de St. Pieter, kapitein Claes Melchiorsz., en de Eenhoorn, kapitein Adriaen Ollebrantsche (Hillebrantsz.?)[979], die in navolging hunner concurrenten daar met de walvischvangst bezig waren. De ontmoeting beloofde niets goeds. Immers de zeevisscherij zelve, tot nog toe alleen door mededingers der Noordsche Compagnie gedreven, was in de oogen van den Deen reeds een reden om de plegers te wantrouwen. Vhlefeldt dwong dan ook de bevelhebbers door eenige schoten met scherp dadelijk, hem hunne scheepspapieren te toonen. Hoe wel de schepen der compagnie, sinds jaren niet in hun vreedzaam bedrijf gehinderd en op niets dergelijks verdacht, de vereischte bescheiden niet bij zich hadden, schijnt het hun toch gelukt te zijn den Deen tevreden te stellen met de verzekering, dat zij Nederlanders waren en niets anders deden dan hun geoorloofd was. Tegen betaling van eene vergoeding van ƒ 10 voor elk gedaan schot liet Vhlefeldt hen gaan. Ongewoon als het echter toen nog was, de zeevisscherij door schepen der Noordsche Compagnie zelve te zien oefenen, schijnt het bedrijf der beide schepen den Deenschen kapitein toch nog altijd verdacht voorgekomen te zijn. Hij kon niet gelooven, dat de compagnie zelve de voordeelige kustvisscherij zou opgeven voor een bedrijf, dat tot nu toe alleen door hare mededingers gedreven was, en hij hield dus de beide schepen verder in het oog. En nauwelijks lieten zij het anker aan Fair foreland vallen, of hij legde beslag op schip en lading. Het was nu uitgemaakt, meende hij, dat zij door de visscherij aan Spitsbergen eene daad pleegden, die niet hun maar alleen de bevoorrechte compagnie bij uitzondering geoorloofd was. Het gelukte den Nederlanders ditmaal niet, Vhlefeldt van zijn ongelijk te overtuigen: een geheele maand bleven zij in arrest en eerst aan andere schepen der compagnie, die toen van de zaak kennis kregen, gelukte het de gevangenen in vrijheid te stellen. Daar het reeds ingeladen spek, onbereid als het was, gedurende het arrest meest gesmolten was, en de gelegenheid om dit verlies te herstellen hun door het langdurige oponthoud ontbrak, kwamen de beide schepen met groot verlies te Amsterdam aan[980].
De handelwijze van den Deenschen koning schijnt door de Nederlanders geheel verkeerd begrepen te zijn. Terwijl het Christiaan IV alleen te doen was om de in die jaren door de Staten van Holland begunstigde, veelvuldige inbreuken op het octrooi der Noordsche Compagnie te weren en zoodoende de walvischvangst zijner onderdanen voor te groote concurrentie te beveiligen, meende de compagnie, dat Z. M. niets minder bedoeld had, dan van alle Nederlandsche walvischvaarders Deensche verlofpassen voor de visscherij aan Spitsbergen te eischen en dus ook de compagnie zelve in haar jarenlang ongestoord bezit der walvischvangst te storen[981]. Zij klaagde dan ook hevig bij de Staten-Generaal en dadelijk werd door dezen aan Van Cracouw geschreven, dat hij zorgen zou voor spoedige voldoening[982].
De onderhandelingen, door dezen met Christiaan IV gevoerd, leidden aanvankelijk tot een gunstig gevolg. Van Cracouw stelde twee eischen. Hij verzocht 1o. reparatie van de schade, door Vhlefeldt aan de Nederlanders in hunne nering veroorzaakt, en 2o. handhaving van het recht der Noordsche Compagnie uit kracht van hare ontdekking van Spitsbergen en haar jarenlang bezit der walvischvangst. Hoewel Z. M. dit laatste punt volstrekt niet wilde toegeven en volhield, dat zelfs het geven van den naam Spitsbergen eene usurpatie was, daar het land behoorde tot de »Gronländischen Vtscheren” en »Christiansbergen” heette, toonde hij zich evenwel tot eene schikking geneigd[983]. Op verzoek van den kanselier Reventlow, met wien de onderhandeling werd voortgezet, deed Van Cracouw dadelijk eenige voorslagen, om de walvischvangst der twee volken en de verdeeling van de traan tusschen hen te regelen, opdat alle oneenigheden in het vervolg voorkomen worden en beide partijen daardoor meer voordeel dan tot nog toe trekken zouden. Van Cracouw stelde voor op hoop van de goedkeuring der Noordsche Compagnie: 1o. dat de twee volken overeen zouden komen om jaarlijks een bepaald getal schepen naar Spitsbergen te zenden in verhouding tot de krachten der wederzijdsche compagniën, 2o. dat beiden zouden blijven binnen de grenzen van het nu door hen op het eiland bezeten gebied, of 3o. dat de Deensche compagnie hare traan alleen in Denemarken zou invoeren, en dat haar dit land en »heel Oostlandt” (de landen aan de Oostzee) als débouché zou worden overgelaten; terwijl de Noordsche Compagnie de landen aan de Elbe, Weser en Eems benevens Nederland, Frankrijk en de overige zuidelijke en westelijke landen van traan zou voorzien. Op het eerste gezicht beviel deze regeling Christiaan IV wel; eerst na nader onderzoek van de verhouding der beide compagniën wenschte hij zich echter bepaald uit te laten. Wat de zaak van Vhlefeldt aanging, voorloopig beloofde Z. M. (9 November 1638) onderzoek te zullen doen naar het in den zomer aan Spitsbergen voorgevallene; reeds nu gaf hij aan Van Cracouw te kennen, dat het zijne bedoeling geheel niet was de Nederlanders hunne nu eenmaal gevestigde walvischvangst te beletten. Zijn verlangen was alleen, dat zij in hunne »gepürende schranken” blijven zouden, en hij was dan ook voornemens nieuwe vreemde indringers te weren. Mits de Nederlanders de Deensche walvischvaarders niet hinderden, wilde hij alles doen om de visscherij van beide natiën te bevestigen en te verzekeren. Inbreuken op zijne koninklijke rechten wenschte hij echter gestraft te zien[984].
Op deze gunstige verklaring volgde echter niets. Van Cracouw wachtte maandenlang eene nadere beslissing, maar te vergeefs. En weldra bleek het, dat de zaken weder geheel van aanzien veranderd waren en er niets goeds meer van den koning te hopen was. Het onderzoek, dat Z. M. aan Van Cracouw beloofd had in de zaak van Vhlefeldt te zullen doen, schijnt ten nadeele der Nederlanders afgeloopen te zijn: de admiraliteit van Kopenhagen besliste 25 Februari 1639, dat Vhlefeldt geheel volgens zijne Instructie gehandeld had en dat daarentegen de Nederlanders door het bevrijden der twee gearresteerde schepen gehandeld hadden als »meyneedige schelmen,” die ’s konings jurisdictie geschonden hadden[985]. Christiaan IV, om politieke redenen weder minder vriendschappelijk dan vroeger jegens de Staten-Generaal gezind, nam de houding aan als wilde hij volgens dit vonnis handelen; er liep een gerucht, dat de sterke uitrusting, dit voorjaar in Denemarken gedaan, tegen de Nederlandsche walvischvaarders gericht was[986]. Dadelijk werden nu de sinds lang rustende onderhandelingen door Van Cracouw op verzoek der Noordsche Compagnie weder opgevat[987]. Weder stelde hij de oude eischen, schadevergoeding en verzekering voor het vervolg, maar de zaak vorderde ditmaal geheel niet. Van de Nederlandsche voorslagen tot regeling der visscherij werd niet meer gerept, en terwijl men den resident na langdurige onderhandelingen met den kanselier Fries tot het verkrijgen van schadevergoeding naar den aanstaanden Deenschen rijksdag en vandaar weder naar de justitie verwees, bleef de koning eene nieuwe schriftelijke verklaring van zijne goede bedoelingen jegens de Noordsche Compagnie weigeren met de verzekering, dat hij zich aan de nota van 9 November bleef houden. Toch was het moeielijk door dergelijke betuigingen gerustgesteld te worden, terwijl de Deensche regeering hardnekkig weigerde aan het goede recht der beide schepen te gelooven, terwijl de verhalen over de uitrusting van Deensche oorlogschepen toenamen[988], en terwijl er zelfs voor de Kopenhaagsche admiraliteit geprocedeerd werd tusschen Vhlefeldt en Johann Braem, nog steeds het hoofd der Deensche compagnie voor de walvischvangst, wie de oorzaak was geweest van het ontsnappen der schepen en dus de schade aan den vertoornden koning moest vergoeden. De meest tegenstrijdige geruchten waren te Kopenhagen in omloop. Terwijl de een verzekerde, dat de Noordsche Compagnie, voorzien van »een nieuw vast Octrooij bij alle de Provintien geconfirmeert”, hare uitrustingen zou moeten »besnijden” en eene overeenkomst met de Deensche compagnie treffen over de onderlinge verhouding harer uitrustingen[989], wisten anderen te verhalen, dat niets dan het verkrijgen eener recognitie het geheime doel van den Deenschen vorst was; alle moeielijkheden, meenden dezen, zouden plotseling eindigen, wanneer men hiervan slechts repte[990]. De ware bedoelingen van Christiaan IV bleven zoodoende een geheim, maar toch scheen er reden om ernstig ongerust te zijn.
Geen wonder dan ook, dat de Noordsche Compagnie op maatregelen bedacht was om zich te verdedigen. Herhaaldelijk had zij reeds op het laatst van 1638 bij de Staten-Generaal op bijstand aangedrongen. In den beginne had zij alleen verzocht om voorlichting, hoe zich den volgenden zomer jegens de Denen te gedragen[991]; maar toen de Staten daarop geen voldoend antwoord konden geven, had zij bepaalde maatregelen tegen hare vijanden geëischt. Zij wenschte de hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken op haar octrooi, verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden, eindelijk bijstand met een oorlogschip[992], »niet soo seer tot assistentie (want sy waren den Deenen wel ghewassen) als om te toonen, dat sy aldaer vischten met kennis ende authoriteyt van den Staet”[993]. De prins van Oranje, wiens advies was ingewonnen, had deze maatregelen wel goedgekeurd, maar toch geraden, voordat men tot geweld overging, den koning van Denemarken nog eens nadrukkelijk het recht der Vereenigde Provinciën op de visscherij bij Spitsbergen voor te dragen[994]. Dienovereenkomstig hadden de Staten reeds dadelijk besloten, de ambassade, die gereed stond naar Denemarken te vertrekken, van last over deze zaak te voorzien[995]. Onder den indruk der ongunstige berichten uit Denemarken werden nu deze resolutiën met kracht doorgezet. De Staten besloten de Noordsche Compagnie bij te staan met het gevraagde konvooischip, welks kapitein last kreeg de walvischvaarders overal tegen ieder, die ze lastigviel, wie het ook wezen mocht, te beschermen[996]. En zoodra de onderlinge twisten der provinciën het toelieten, werd ook de Instructie voor de ambassade naar Denemarken gearresteerd[997]. Burch en Coenders Van Helpen waren tot gezanten benoemd[998].
Hunne Instructie behandelde de zaak, die ons bezig houdt, zeer uitvoerig. Na het verhaal van het met kapitein Vhlefeldt voorgevallene volgde de last om te bewerken: 1o. dat de koning den Nederlandschen walvischvaarders geen overlast meer aandoen zou, 2o. dat voortaan geen onderscheid gemaakt zou worden tusschen de leden der Noordsche Compagnie en andere Nederlandsche ingezetenen, hetzij zij octrooi hadden of niet, 3o. dat het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dat »nul ende van geender waerden en was”, daar men de Noordsche Compagnie niet behoorlijk ter harer verdediging had opgeroepen, niet uitgevoerd en dus op de twee schepen, die het vorige jaar gearresteerd en nu gereed waren om met de andere weder uit te varen, geen wraak genomen worden zou, zooals het gerucht wilde dat men voornemens was. Mocht Z. M. geene ronde en afdoende verklaring willen geven, dat hij de Nederlandsche walvischvaarders voortaan ongehinderd zou laten, dan werd den gezanten aanbevolen, de zaak »wat ernstiger” aan te dringen door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, op de erkenning van hun recht door alle mededingers zelfs de Engelschen, en op het feit, dat de Denen zeer vele jaren[999] na de Nederlanders komende uit vriendschap door dezen op Spitsbergen waren toegelaten[1000].
De voorbeeldeloos lompe behandeling, die deze ambassade van Christiaan IV had te verduren, verhinderde, dat deze last behoorlijk uitgevoerd werd. Den 16 Juli 1639 in Denemarken aangekomen, hadden de gezanten eerst 25 September gelegenheid om geheel volgens het eerste gedeelte hunner Instructie de klachten der Nederlandsche walvischvaarders aan Z. M. voor te houden. Den 7 October werd hun een antwoord gezonden, waarin de koning zijne verwondering betuigde, dat de Noordsche Compagnie, terwijl hij met zoo groote kosten de walvischvaarders op Spitsbergen beschermd en alle vreemden behalve de leden der compagnie van daar geweerd had, klaagde over eene handeling, die haar niet dan voordeelig kon zijn. De twee gearresteerde schepen toch, dus beweerde de vorst, behoorden niet aan de Noordsche Compagnie en hadden zelfs geene papieren bij zich gehad om hunne herkomst te bewijzen. Z. M. herhaalde de verklaring aan Van Cracouw gedaan, dat hij de compagnie volgens de oude gewoonte op Spitsbergen wilde toelaten, maar »der ferner unconditionnirter Fischfanck”, die tot nadeel van de compagnie en van de geheele. walvischvangst moest strekken, zou hij niet dulden, evenmin als de Staten-Generaal die zeker wilden begunstigen. Hadden de Nederlanders echter bezwaren tegen het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dan konden zij door beroep op den koning zelven spoedig eene beslissing verwachten. Alsof dit alles nog niet genoeg geweest ware om de Nederlanders teleur te stellen, werd de oude zaak van Johann Braem op nieuw opgerakeld en op voldoening aangedrongen.
Voordat de Nederlandsche ambassade een repliek gereed had, was Christiaan IV reeds weder vertrokken en de Staten-Generaal riepen hunne gezanten op het eerste bericht van hun wedervaren terug. (28 November 1639[1001].) In December ontvingen de Staten eene nadere verklaring van den koning, waarin hij echter over dit punt volkomen hetzelfde zeide als reeds aan de ambassadeurs in het kort geantwoord was[1002].
De Staten-Generaal stonden tegenover Denemarken dit jaar op een veel te weinig onafhankelijk standpunt, om den machtigen vorst, dien men evenals Karel I van sterke Spaanschgezindheid verdacht, te durven weerstreven. De behandeling, aan de ambassade van 1639 wedervaren, versterkte de Nederlandsche regeering echter in den weerzin, dien zij voor Christiaan IV had opgevat; het liet zich aanzien, dat men geene gelegenheid zou laten voorbijgaan, om zich op de inhalige mogendheid, die de Sondtollen steeds hooger opdreef, te wreken. Langzamerhand dreigde eene Zweedsch-Nederlandsche alliantie in het verschiet, en Christiaan IV begon dan ook in te zien, dat hij te ver gegaan was door de Staten-Generaal zoo grovelijk te beleedigen. Zelf deed hij eenen stap in de richting van verzoening en liet zijnen zoon, den aartsbisschop van Bremen, aan de Staten-Generaal voorstellen doen om tot eene schikking der tusschen Denemarken en Nederland hangende partikuliere quaestiën te geraken. De Staten toonden zich daartoe natuurlijk niet ongeneigd en zonden de heeren Boreel, Sonck en Van Weede in Mei 1641 als commissarissen naar eene conferentie, die te Staden gehouden zou worden. Onder de daar te behandelen punten trad wel de quaestie over den Sondtol bepaaldelijk op den voorgrond, maar ook de twisten over de walvischvangst namen eene aanzienlijke plaats in de onderhandelingen in. En geen wonder! De gedragslijn, door den koning van Denemarken in deze zaak sedert 1637 gevolgd, dreigde den Nederlandschen handel met ernstige moeielijkheden. Christiaan IV had herhaaldelijk verklaard, dat hij ter voorkoming van te groote en voor zijne onderdanen schadelijke concurrentie alleen de schepen der Noordsche Compagnie op Spitsbergen wilde toelaten. En nu was het zoo goed als zeker geworden, dat het octrooi dezer compagnie, wanneer het met het jaar 1642 eindigde, niet zou verlengd worden, ja bij de vele concurrenten, die van alle kanten waren opgedaagd,—concurrenten, die, sinds 1636 door de Staten van Holland krachtig gesteund, onbevreesd hunne nering aan Spitsbergen zelf oefenden,—kon men het octrooi der compagnie reeds voor feitelijk vernietigd houden. Wanneer Christiaan IV dus ernstig voornam, de schepen, die niet onder de compagnie behoorden, van Spitsbergen te verdrijven, dan stond den Nederlandschen walvischvaarders eene groote schade te wachten, en het was dan ook geen wonder, dat dezen zich tot de Staten-Generaal wendden met de klacht, »dat de Coninck van Denemarcken in Spitsbergen ende andere Eijlanden naer den Noort Pool gelegen, onder pretext dat het syne Mats. Landen syn, Voorneempt te verbieden daeromtrent het gebruyck van Zee ende Lant aende Ingesetenen deser Nederlanden.”[1003]
In de Instructie der commissarissen, die naar Staden vertrokken, werd overeenkomstig met deze klachten de last opgenomen om te bewerken, »dat de Vaert ende Walvischvanck int Noorden by Spitsbergen ende overall vry ende onbecommert werden gelaten aende Ingesetenen deser Lande volgens het recht van Natien, ende al waere Spitsbergen van des Rycke Norwegens dependentie, gelyck tselve niet en is[1004].” In dien zin waren dan ook Boreel en zijne ambtgenooten werkzaam. Tegenover het verzoek der Nederlanders om de walvischvangst in vrijheid te mogen oefenen zonder eenigen hinder van Deensche zijde en om eventueele quaestiën daarover bij tractaat te regelen, handhaafde Christiaan IV echter zijne oude stelling, dat hij niettegenstaande zijn recht op Spitsbergen de Nederlanders daar vrij wilde toelaten en alleen uit zorg voor den handel zijner eigene onderdanen wenschte te voorkomen, »dat de Commercie door altegrooten toeloop niet en mochte comen te niet te gaen.” Ook de Staten-Generaal zouden zeker met deze handelwijze instemmen, meende de koning, en hij stelde dus voor, dat beide partijen eene overeenkomst zouden treffen »op wat voet de Commercien te stabilieren ende jegens vremde die aldaer indringen wilden, te defenderen.” Vooraf eischte Z. M. echter de belofte, dat de Deensche compagnie niet als vroeger wel eens in hare nering gehinderd en dat de reeds toegebrachte schade haar vergoed zou worden[1005]. Na eenige onderhandelingen deed Z. M. zelf den eersten belangrijken stap en schreef, »dat gelyck haer Ho: Mo: dese commercie eenige jaren geleden door een sekere Compaignie gelimiteert hebben, Soo komt het syne Co: Mat. (voor) alderbest te wesen, tot verhoudinge van alle twist, ende tot meerdere profyt vande negocierende, dat men sigh te wedersyden veraccordere op een seker getael van schepen jaerlyx daerna toe te senden, ende dat buyten de genommeerde somme der Compaignie toebehoorende niemant anders toegelaten worde derwaerts te varen, Alsdan soude het aen byde perthyen connen toegestaen worden, ontrent Christiaenbergh ende het Eijlant van Johan May te mogen visschen sonder eenige verder exceptie ende condicie[1006].”
Niettegenstaande de uitdrukkelijke bijvoeging aan het einde van dezen voorslag, was echter daaraan reeds vroeger stilzwijgend de voorwaarde verbonden, dat Johann Braem vergoeding zou krijgen voor de schade, aan zijne schepen in 1623 en 1632 toegebracht. Van beide zijden werd deze zaak herhaaldelijk besproken, maar terwijl de Nederlanders steeds volhardden de klagenden naar de Nederlandsche rechters te verwijzen en hunne bemiddeling daartoe aan te bieden, werd dit voorwendsel door hen gebezigd voor het uitstellen van het beramen van een bepaald reglement op den door den koning voorgestelden voet. De bezwaren der Nederlanders tegen het sluiten van een tractaat zaten echter dieper: de commissarissen schijnen bij den twijfelachtigen toestand, waarin de Noordsche Compagnie verkeerde, niet recht geweten te hebben hoe zich te gedragen tegenover ’s konings voorstel, dat het bestaan eener Nederlandsche compagnie voor de walvischvangst onderstelde. Ook het bezit van Jan Mayen-eiland, dat nu voor het eerst in de onderhandelingen tusschen Denemarken en Nederland genoemd werd, kon licht tot zwarigheden aanleiding geven. Aitzema meent, dat de commissarissen ook oordeelden door verdere onderhandelingen bij veel tijdverlies niet dan nadeeliger voorwaarden te kunnen verkrijgen. Hoe dit zij, het is zeker, dat de Nederlanders aanvankelijk uitstellend, later bepaald onvoldoend antwoord gaven.
Christiaan IV volhardde echter aanvankelijk bij zijn plan. In September 1641 sloeg hij nogmaals voor, den band tusschen de wederzijdsche onderdanen nauw aan te halen door voortaan gezamenlijk »in Compaignie (buyten gemeene risico ofte winst nochtans)” de walvischvangst met een vooraf bepaald getal schepen aan Spitsbergen te oefenen en alle andere natiën van daar te weren. Ofschoon deze voorslag nagenoeg geheel overeenkwam met het door Van Cracouw in 1638 voorgestelde, wilden de commissarissen zich tot niets verbinden; zij beweerden nu stoutweg, dat eene regeling in den door den koning gewenschten geest onmogelijk was, daar er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer bestond[1007] en het hoogst onwaarschijnlijk heeten mocht, dat er eene nieuwe opgericht zou worden: elke regeling en beperking der Nederlandsche walvischvangst was dus ten eenenmale onmogelijk. Om die reden namen zij dan ook alleen op zich, den voorslag aan de Staten-Generaal mede te deelen. De koning uitte daarop wel den wensch, dat het octrooi der Noordsche Compagnie verlengd mocht worden, en betuigde zijne ontevredenheid, dat men niet dadelijk een tractaat wilde sluiten, maar toen de commissarissen bij hunne vroegere beweringen bleven en zelfs eene schriftelijke verklaring gaven, dat er geene compagnie voor de walvischvangst in Nederland meer bestond, gaf hij toe[1008]. Waarschijnlijk uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Staten-Generaal keurde de koning het nu eindelijk goed, dat voortaan alle Nederlandsche schepen met de Deensche vrijelijk de walvischvangst aan Spitsbergen zouden oefenen op voorwaarde, dat men zich goed gedragen en elkander niet door geweld hinderen of verdrijven zou. Het denkbeeld eener compagnie, uit leden van de beide natiën samengesteld, werd opgegeven: ook »de ongelimiteerde cours” werd door den koning vergund[1009].
Zoo hadden de Staten-Generaal eindelijk na bijna dertigjarige onderhandelingen hunnen zin volkomen gekregen; van de souvereiniteit van Denemarken over Spitsbergen werd niet meer gerept en de Nederlanders konden voortaan ongestoord aan het eiland visschen. Was er ook geen formeel tractaat over de quaestie gesloten, de commissarissen hadden »des Koninghs handt ende zegel” over het geslotene en hadden bij eene verdere onderhandeling slechts kunnen verliezen[1010]. Christiaan IV erkende de bindende kracht dezer regeling stilzwijgend, toen hij aan het einde van het verdrag van Christianopel (1645), dat over deze quaestie zweeg, instemde met de bewering, dat bij dit verdrag »alle differenten tusschen Denemarcken ende de Staeten Ghenerael geheelijck waren afghedaen ende afgehandelt[1011].”
Nu de zaak dus eindelijk definitief geregeld was, beproefde Denemarken ook later niet voordeeliger voorwaarden te bedingen[1012]; de alle verwachting overtreffende vermeerdering der Nederlandsche walvischvangst na de vernietiging van het octrooi der Noordsche Compagnie maakte dan ook gewelddadige handelingen tegen haar nagenoeg onmogelijk, en gedurende de geheele zeventiende eeuw bleven verder de betrekkingen tusschen Nederland en Denemarken over deze zaak van den meest vriendschappelijken aard[1013].