Note 999 — HOOFDSTUK VII. DEENSCHE PRETENSIËN.
Reading edition
De juiste toedracht van het in 1615 en 1616 over de walvischvangst met Denemarken voorgevallene schijnt aan beide zijden vergeten geweest te zijn. De Nederlanders, meenende dat Spitsbergen in 1594 ontdekt was, beweerden, dat de Denen 23 jaar na hen op het eiland aangekomen waren (Instr. der ambass. v. 1639, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 638 vgl. p. 442); terwijl de Denen van hunnen kant het over de souvereiniteitsrechten van Christiaan IV in 1615 en 1616 voorgevallene terugbrachten tot de komst van den eersten Deenschen walvischvaarder op Spitsbergen. (1617.) Zij verwezen dan ook naar eenen volgens hen in 1617 door Z. M. geschrevenen brief, als „van de welcke de reden sonderling soude dienen tot esclaressement ende decisie van dit geheele stuck.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambass. v. 1639.) De Stn.-Gen. antwoordden echter, dat zich in hun archief zulk een brief niet bevond, maar dat zij een afschrift zonden van de missive van 18 Februari 1616. (Miss. v. de Stn.-Gen. aan de ambass. in Denem. dd. 26 Aug. 1639, in: L. D. 1639.)
[1000] „Instructie vande. . . Staten Generael. . . voor de Heeren . . . Burgh. . . ende . . . Conders van Helpen . . . gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken” dd. 14 Mei 1639. (Ook afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629 vlg.)