HOOFDSTUK IV. DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Reeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzijden gesproken van de inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op de kusten der IJszee gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan zijn, dat die inrichtingen van blijvenden aard waren en dat men hier dus bepaaldelijk aan eene Nederlandsche vestiging, eene soort van kolonie te denken heeft. De gelegenheid ontbrak mij tot nog toe, daarover anders dan in het voorbijgaan te spreken en ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan ook hier in het bizonder behandelen,—te liever daar er over de uitgebreidheid en het belang daarvan »een ongelooflijk groot misverstand” heerscht. Terwijl de een spreekt van het gewoel, ja het gedrang, dat er alle zomers op Smeerenburg was, weet een tweede te verhalen, dat daar, bijna onder de Noordpool, de »weelderige” koopman der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zijn welgebouwd huis binnen Amstels wallen bood; een derde verheft den roem der kolonie tot in de wolken en verzekert, dat Smeerenburg, door vruchtbaargemaakte velden omringd, als handelsstad van even groot belang werd geacht als het jeugdige Batavia; een vierde eindelijk drijft de zaak tot het uiterste door te verhalen van prachtige winkels en »voortreffelijk ingerigte logementen” (!), die men onder de woningen der kooplieden op Smeerenburg vond[472]! Het is geoorloofd te vragen, wat de bij uitstek practische Nederlanders der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen van dergelijke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende een paar maanden bezochte kusten, tenzij archaeologische nasporingen de geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen, dat men hier met een asyl voor schipbreukelingen te doen heeft of met de prototypen dier hospitalen voor teringlijders, wier aanbouw op Spitsbergens stranden nog onlangs door aardrijkskundigen van naam voorspeld werd!
Het is zeker onaangenaam, dergelijke fantastische en uitlokkende voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik volkomen overtuigd ben, dat al deze verhalen niets meer zijn dan sprookjes, die de een den ander navertelt zonder dat het sommigen vertellers zelfs mogelijk zal zijn hun laatsten berichtgever te noemen, schroom ik niet deze onaangename taak op mij te nemen. Steunende op de berichten der Noordsche Compagnie, en vooral op de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de barren winter hebben doorgebracht,—niet in weelderige hotels, maar in hutten van planken, waarin zij zich in hunne houten kribben ter nauwernood voor den wind konden beschermen,—stel ik mij voor eene beschrijving der Nederlandsche vestigingen in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal misschien sterker getuigen voor de energie en de ondernemingszucht der Amsterdamsche kooplieden, dan de thans in omloop zijnde sprookjes voor hun practischen zin en hun gezond verstand!
Laat ons zien, waar wij het Nederlandsche gebied in de IJszee te zoeken hebben. Dat het tot Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beperkt was, wordt algemeen aangenomen. Vestigingen op Groenlands westkust werden eerst mogelijk sinds den aanvang der visscherij in straat Davis in 1719[473]. Zoo enkele schrijvers van vestigingen aldaar vóor 1642 gesproken hebben[474], dan berust dat op een verkeerd verstaan van den naam »Groenland,” die vroeger niet alleen bepaaldelijk ook op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland, maar zelfs in het algemeen wel eens op alle noordsche landen werd toegepast. Op Jan Mayen-eiland, waar de Noordsche Compagnie weinige of geene concurrenten had, schijnt het Nederlandsche gebied niet nauwkeurig begrensd geweest te zijn; des te meer echter op Spitsbergen, waar Engelschen, Denen en Franschen aan de Nederlanders den voorrang betwistten. Van zelf was het gebied der verschillende natiën beperkt door den loop der walvisschen, die hoofdzakelijk de westkust van het eiland bezochten: dáar was het dan ook, dat de wedijverende volken hunne ankerplaatsen kozen en hunne hutten opsloegen. Laat ons eerst onderzoeken, welke plaats zich de Engelschen, de eerste walvischvaarders, toeëigenden.
Het uitgangspunt der Engelsche bewegingen was reeds in 1612 Sir Thomas Smith’s-bay, ook wel Fair foreland geheeten[475]; het volgende jaar vischten zij daar weder en ook in Bellsound en Icesound[476], terwijl in 1614 Bellsound, Icesound (Greenharbour), Sir Thomas Smith’s-bay en Fairhaven alleen als hun uitsluitend eigendom werden aangeduid[477]. Reeds dadelijk was Deersound (Cross-road) door de Engelschen bezocht[478], en het blijkt, dat ook in Hornsound en Maudlensound door hen in den eersten tijd een enkele maal gevischt is[479]. In deze zeven baaien alleen vinden wij gedurende den geheelen duur der walvischvangst onder het land Engelsche schepen[480]; de drie noordelijkste werden echter weldra geheel door hen verlaten[481] en hoewel Greenharbour en ook Hornsound nog een enkele maal genoemd worden[482], waren Sir Thomas Smith’s-bay en Bellsound de hoofdpunten, waar zich de Engelsche walvischvangst vestigde. Dat deze vestiging echter niet veel te beduiden had, blijkt wel uit het feit, dat in Bellsound behalve eenige linnen tenten[483], die tot woning der »land-men” dienden en later door houten hutten vervangen werden[484], slechts een groote planken schuur stond met pannen gedekt, die tot bergplaats diende en door de kuipers tevens als woon- en werkplaats gebruikt werd[485]. Elders vond men alleen een steenen huis met houten dak, waarin zich eenige houten kribben bevonden, benevens eene kuiperij, die tegelijk woonhuis was[486]. Voor berging van gereedschappen gedurende den winter was dus slechts ter nauwernood gezorgd[487]. Bij elke vestiging bevonden zich verder natuurlijk een of meer vastgemetselde traanketels met of zonder steenen schoorsteenen[488]. Dit was nagenoeg alles, wat de Engelschen in hun uitgestrekt gebied, dat bijna de geheele westkust van Spitsbergen omvatte, voor woning en berging hadden gebouwd. Laat ons nu zien, of de Nederlandsche vestiging van meer belang was.
Hoewel Beeren-eiland in den aanvang een enkele maal bezocht werd, was reeds dadelijk Spitsbergen het doel van de tochten der Nederlandsche walvischvaarders. Terwijl Van Muyden in 1612 op zijn zwerftocht langs de kust Fair foreland aangedaan en in zuidelijker baaien zonder veel vrucht de visscherij beproefd had[489], was hij reeds dadelijk in 1613 gelukkiger. Behouden-haven in Icesound, Lowsound en vooral Schoonhaven (Bellpoint) in Bellsound verschaften hem toen rijken buit. Hornsound werd dat jaar door kapitein Thomas Bonner met een Nederlandsch schip bezocht[490]. Reeds in het eerste jaar der Noordsche Compagnie (1614) bereikten de Nederlanders daarop de plaats, waar zij naderhand hunnen hoofdzetel zouden opslaan: eenige schepen vertoonden zich in de noordelijke baai van Fairhaven[491], een der vischrijkste en veiligst gelegen baaien van het gansche eiland[492], die toch door de Engelschen tot nog toe niet bezocht was en daarom nu reeds dadelijk de »Hollandsche baai” genoemd werd[493]. Het volgende jaar (1615) werd deze baai weder bezocht; ook in Hornsound waren eenige schepen der compagnie, Bellsound was echter het hoofddoel van de reis[494]. Reeds datzelfde jaar deed men een belangrijken stap tot het verkrijgen eener duurzame vestiging.
Al dadelijk in 1612, en vooral in 1613 met behulp der gehuurde Basken, had de Noordsche Compagnie zich toegelegd op het bewerken der gevangen walvisschen tot traan[495]; de noodige ketels en gereedschappen had men in het schip medegevoerd en slechts tijdelijk aan land opgesteld[496]. Natuurlijk deed zich spoedig de behoefte gevoelen aan eene gelegenheid tot berging van de vele omvangrijke werktuigen, ten einde het lastige heen- en weêrvoeren te vermijden. Het was dus eene zeer eenvoudige zaak, dat de Noordsche Compagnie op het voorbeeld der Engelschen, die reeds in 1613 eene loge aan Fair foreland hadden, in 1615 bevel gaf een houten gebouw in Bellsound op te richten. De walvischvaarders gehoorzaamden aan dit bevel en borgen in de opgeslagen loods hunne sloepen, vaten en gereedschappen voor het volgende jaar[497]. Hoe natuurlijk deze handelwijze ook was, toch kon zij niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Men was midden in den strijd met de Engelschen, die zich den uitsluitenden eigendom van Spitsbergen toekenden; hoe kon men hopen, dat dezen de Nederlanders, die eerst sinds twee jaren het eiland bezochten, niet zouden verhinderen in eene handeling, die blijken gaf van hun voornemen om zich daar bij voortduring te vestigen en waarop zij zich later tegen Engeland zouden kunnen beroepen? En de kansen der Noordsche Compagnie werden nog ongunstiger, toen zij de macht niet had om zich te handhaven; het jaar 1615 was zeer onvoordeelig geweest en met de geringe krachten, waarover de compagnie dus in 1616 te beschikken had, oordeelde zij het raadzaam de Engelschen dit jaar te ontwijken en zich met de visscherij aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland te vergenoegen[498]. Natuurlijk maakten de Engelschen nu van de afwezigheid der Nederlanders gebruik om hunne loge te vernielen en zich den inhoud toe te eigenen[499]. Vier schepen der Noordsche Compagnie, die door de schrale vangst aan Jan Mayen-eiland gedwongen waren op Spitsbergen hun geluk te beproeven, waren te zwak om de euveldaad hunner vijanden te verhinderen; slechts éen kwam naar Bellsound, terwijl de anderen Greenharbour, Maudlensound en de Hollandsche baai bezochten[500]. Het ongeluk schrikte de Noordsche Compagnie af: voor het jaar 1617 werd hare geheele uitrusting weder naar Jan Mayen-eiland gezonden. Drie Zeeuwsche schepen, die Hornsound bezochten, brachten hun gereedschap zelve mede[501]. Veel te zwak om zich te vestigen werd een van hen zelfs door de Engelschen beroofd, en ook de anderen keerden overhaast terug.
Geheel anders was het in 1618: aan Jan Mayen-eiland was te weinig ruimte voor de vele schepen en de Noordsche Compagnie besloot dus, op nieuw haar geluk aan Spitsbergen te beproeven. De verschillende baaien op Spitsbergens westkust werden onder de kamers verloot en de schepen verspreidden zich in vier afdeelingen. De Amsterdammers begaven zich naar de Hollandsche baai[502]; de Zeeuwen en die van Delft vestigden zich onbeschroomd in Sir Thomas Smith’s-bay[503], waar nog nooit een Nederlander de Engelschen in hun bezit gestoord had[504]; aan die van het Noorderkwartier was Bellsound ten deel gevallen en Rotterdam moest zich met Hornsound tevreden stellen[505]. In het bewustzijn hunner overmacht besloten de Nederlanders nu, op nieuw te beproeven zich op Spitsbergen te vestigen: zonder vertoef begon men met het bouwen van loges. Maar het resultaat was even onvoldoende als de eerste maal. De schepen, die in Sir Thomas Smith’s-bay vischten, hadden nauwelijks hunne traanketels aan land gebracht of de Engelschen, die zich daar onbeperkte meesters waanden, verboden hun ze op te stellen en eene loge te bouwen[506]. Slechts met geweld konden zij zich handhaven en tot eene vestiging kwam het daar niet. Die van het Noorderkwartier kregen hunne loge in Bellsound gereed,—een houten huis 80 voet lang, 50 breed, gedekt met dakpannen,—maar slechts om weldra door de Engelschen verjaagd te worden, die het gebouw dadelijk weder afbraken en op eene andere plaats oprichtten »where more fit for their turne[507].” Toen het dus ten tweedenmale mislukt was, zich in de zuidelijke baaien van Spitsbergen te vestigen, schijnen de Nederlanders van het bezoeken dier vischplaatsen voor goed afgeschrikt te zijn. Zij lieten hunne geroofde loge in handen der Engelschen, die ze nog in 1630 als hun hoofdkwartier in Bellsound gebruikten[508] en trokken zich naar de Mauritius- of Hollandsche baai in Fairhaven terug, waar zij ongestoord konden visschen.
Fairhaven was wel niet de grootste, maar toch de rijkste »sound” van geheel Spitsbergen. Door twee vrij groote eilanden, die eerlang het Deensche en het Amsterdamsche zouden genoemd worden, verdeeld, bestond de baai uit twee boven elkander geplaatste rechte hoeken, die in elkander vloeiden. De zuidelijke hoek werd eerlang door de Engelschen verlaten en sedert niet meer gebruikt; in de beide armen der noordelijke (de »Noord-” en »Westbaai”) schijnen de Nederlanders zich reeds nu bij uitsluiting gevestigd te hebben. Zooveel ten minste is zeker, dat er in de »Hollandsche baai” in 1619 weder elf[509], in 1620 twee Nederlandsche walvischvaarders waren[510], terwijl de baai verder tot 1623 toe geregeld door Nederlanders bezocht werd[511]. Het staat ook vast, dat in 1623 en 1625 de schepen, die de Noordsche Compagnie naar Spitsbergen zond, allen in Fairhaven vischten[512]. Men zou zich echter vergissen, wanneer men meende, dat daarom de Noordsche Compagnie zich toen reeds uitsluitende rechten op die baai aanmatigde. Integendeel, terwijl zij sinds 1617 de Denen vrijwillig naast zich op het Amsterdamsche eiland toeliet[513], wees zij aan den anderen kant alle kamers behalve die van Amsterdam naar het zuidelijke gedeelte van Spitsbergen als het terrein, waarop zij de walvischvangst konden oefenen. Officiëel bleef zij nog steeds haar systeem handhaven, dat het geheele eiland Spitsbergen voor ieder openstond en dat alleen de Nederlanders als ontdekkers uitsluitende rechten zouden kunnen doen gelden.
Aan dien twijfelachtigen toestand, toen de pretensiën der compagnie in strijd waren met haar feitelijk bezit, werd volgens alle schrijvers een einde gemaakt door de overeenkomst, die de geheele westkust van het eiland tusschen de verschillende natiën, die ze bezochten, verdeelde[514]. Het bestaan dezer overeenkomst, waarop—als weleer op het contrat social—alle schrijvers zonder onderscheid zich beroepen zonder dat zij ooit opgeven, wat de juiste bepalingen daarvan waren, tusschen wie en wanneer ze gesloten werd, schijnt mij intusschen zéer twijfelachtig. Er zou volgens de Noordsche Compagnie zelve in bepaald zijn, dat de grens tusschen Engelschen en Nederlanders bij Fair foreland getrokken zou worden[515], terwijl anderen alleen Fairhaven met hare drie baaien als het Nederlandsche gebied aanwijzen[516]. Het is onmogelijk bij het gemis van alle bewijsstukken deze tegenspraak op te lossen, maar toch is het zeker, dat de Engelschen na 1623 langzamerhand van de visscherij ten noorden van Fair foreland afgezien hebben[517] en dat de Nederlanders zich na 1618 nooit meer ten zuiden van Fairhaven waagden. In de tusschen Engelschen en Nederlanders opengelaten ruimte vestigden zich in 1633 de Franschen en sedert 1640 de Hamburgers[518] zonder van eenige schriftelijke overeenkomst te weten[519]. Het komt mij daarom waarschijnlijk voor, dat door eene stilzwijgende schikking de grenzen dezer verschillende ligplaatsen zijn afgebakend, en dat deze schikking door langdurig gebruik bevestigd werd. De quaestie van het bestaan van het contract is dus van weinig belang. Ook al heeft het nooit bestaan, dan nog blijft het recht der Nederlanders op de twee noordelijke baaien van Fairhaven, waarop zij voornamelijk aanspraak maakten[520], even onbetwistbaar. Zij hadden zich de beide baaien, vóor hen nooit door iemand bezocht, reeds sinds 1614 toegeëigend; zij hadden door langdurig bezit den eigendom van dien »cleynen hoeck” gronds bevestigd, en het was dus eene dwaasheid om, zooals enkelen deden[521], Spitsbergen in zijn geheel voor een woest en vrij land te verklaren.
De grensregeling tusschen de Noordsche Compagnie en hare buitenlandsche mededingers kwam dus reeds in 1618 feitelijk tot stand; maar tegelijkertijd begon het twisten tusschen de kamers onderling over het ieder van haar toekomende gebied. Wij zagen reeds, dat de Noordsche Compagnie in 1618 nog stijf vasthield aan haar recht om ook buiten Fairhaven te visschen. Het gevolg was voor eenige harer leden allernoodlottigst. Bij de verloting der baaien onder de kamers was Fairhaven aan de Amsterdammers »toegecaveld;” aan de andere kamers was het ongeluk te beurt gevallen, in de zuidelijke baaien naast de Engelschen hun bedrijf te moeten oefenen[522]. Toen echter na de onaangenaamheden van 1618 de verhouding tusschen beide natiën gespannen was geworden en dus het bezoeken der zuidelijke baaien voor de Nederlanders gevaarlijk werd, schijnt de Amsterdamsche kamer haar verkregen recht op de Mauritius-baai toch gehandhaafd en hare zusters uitgesloten te hebben. Het blijkt ten minste, dat zij zich in 1622 reeds sinds verscheidene jaren in het uitsluitend bezit der baai verheugen kon[523] en dat zij zich ook in 1623 niettegenstaande de pogingen der andere kamers weder daar gevestigd had[524]. De baai zelve droeg dan ook destijds terecht den naam van »Amsterdamsche baai[525];” het eiland, waar de kamer zich neersloeg, heeft den naam van »Amsterdamsch eiland” steeds behouden. De andere kamers schijnen aanvankelijk in deze aanmatiging der Amsterdammers berust te hebben. De Zeeuwen vestigden zich in de aan Fairhaven in het noordoosten grenzende baai—gewoonlijk de Archypel genoemd naar de »Zeeuwsche Uitkyk” en andere eilandjes, die haar begrenzen,—en sloegen er hunne traanketels en hutten op[526]; de overige kamers, die van de Maas en van het Noorderkwartier, bezochten waarschijnlijk Spitsbergen gedurende eenige jaren niet en stelden zich met de visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden. De Amsterdamsche nederzetting nam ondertusschen in omvang toe. Op het naar het zuidoosten gekeerde smalle strand van het eiland, dat naar hen genoemd is, hadden de Amsterdammers, en sinds 1617 de Denen zich gevestigd. Men vond daar reeds in 1623 verscheidene hutten, schuren om de gereedschappen in te bergen, gemetselde traanketels, waarbij men onder bescherming van het aan een paal opgerichte wapen van stad of land zijn bedrijf oefende[527]. De vangst was zoo voordeelig, dat men dat jaar zelfs besloot eene uitbreiding aan de kolonie te geven door den aanbouw van eenige nieuwe woonhuizen[528].
Op den duur was echter zulk een ongelijke toestand natuurlijk onhoudbaar, en het was te voorzien, dat de verongelijkte kamers niet lang zouden toezien, dat hare Amsterdamsche zuster dus misbruik maakte van het voordeel, dat het toeval haar eenmaal verschaft had. Vooral wanneer het contract met Engeland gesloten is,—dat dan omstreeks 1625 moet hebben plaatsgehad,—was de onbillijkheid in het oog loopend. Vier kamers moesten zich dan tevredenstellen met hunne aanspraken op een gebied, waarvan de Noordsche Compagnie officiëel afstand gedaan had! Reeds in 1622 schijnen zich dan ook eenigen van haar in het Amsterdamsche gebied gedrongen te hebben; althans de kamer verzocht in het najaar de Staten-Generaal haar te handhaven in haar vorig bezit van de Mauritius-baai[529]. Eene uitnemende gelegenheid om de zaak door te drijven bood zich echter weldra den verongelijkten kamers aan. De Denen, die een gedeelte van het Amsterdamsche eiland in bezit hadden, lieten hunne plaats sinds 1623 geruimen tijd open. Er waren onaangenaamheden met de Amsterdammers ontstaan en toen de Denen zich in 1624 niet vertoonden, meende men zich gerechtigd tot de conclusie, dat zij van de walvischvangst hadden afgezien. Al stonden er dan ook nog de Deensche schuren en hutten, de kamers der Noordsche Compagnie te Hoorn, Enkhuizen en Vlissingen namen in 1625 bezit van het verlatene terrein, iets westelijker dan het gebied der Amsterdammers gelegen. Het Deensche gereedschap werd eenvoudig weggenomen en de overweldigers bouwden nieuwe loges voor hun gebruik; de Noordsche Compagnie, bewust van het onrecht dat zij pleegde, richtte bovendien een fort ter verdediging harer gezamenlijke bezittingen op het nieuw verworven grondgebied op[530]. De klachten der Denen baatten niet; zij moesten hunne vestiging naar de Robbenbaai op het Deensche eiland verplaatsen.
Nu dus eenmaal de eerste stoot gegeven was, volgden weldra de andere kamers. De overige Zeeuwen—die van Middelburg en Veere—schijnen met hunne kleine baai evenmin tevreden geweest te zijn als de Vlissingers; Delft en Rotterdam, tot nog toe naar het schijnt zonder bepaalde plaats op Spitsbergen, waren er natuurlijk op gesteld, die te verkrijgen. Spoedig werd aan hun verlangen voldaan. In 1633 waren alle kamers reeds eenigen tijd vreedzaam naast elkander gevestigd[531] aan de zuidoostelijke punt van het Amsterdamsche eiland op »een strant ontrent een kleyne Musquetschoot breed”, omringd door vrij hooge bergen[532].
Niettegenstaande deze schijnbare eenheid bleef men echter streng vasthouden aan het beginsel van afzondering der verschillende kamers, dat men nu eenmaal aangenomen had. Iedere kamer had op het strand hare afzonderlijke »tent” op eenigen afstand van die der andere kamers[533]; ieders traankokerij was daarnaast gemetseld en de verdere noodige gebouwen, kuiperijen, schuren of pakhuizen, en hutten voor de land-matrozen waren daaromheen gelegen[534]. Vóor die vestiging had elke kamer hare afzonderlijke ligplaats, waar hare schepen ankerden en gedurende het geheele getij bleven liggen[535]. Aan dit beginsel werd zoo streng vastgehouden, dat men de Friezen in 1636 alleen in de Noordsche Compagnie opnam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij bij het vrije gebruik der »landen ende bayen”, die de compagnie op Spitsbergen bezat, steeds op redelijken afstand van het tot nog toe door de andere kamers gebruikte gebied zouden blijven[536]. De Friezen namen daarmede genoegen en vestigden zich dus tegenover het Dodemanseiland op de noordoostpunt van het Deensche eiland; de Westbaai (later Zuidbaai genoemd), die zich voor hunne vestiging, eerlang de Harlinger kokerij geheeten, uitstrekte, leverde hun overvloedige vangst[537]. De afstand, die de verschillende vestigingen scheidde, was echter zoo gering, dat men gemakkelijk van de eene naar de andere kon gaan; als men ze allen overzag, omringd door de kramen en winkels van levensbehoeften, vormden de gebouwen zelfs te zamen een soort van geheel. Gedurende den tijd, dat de walvischvaarders aan land waren, was er om deze verzameling van hutten en schuren zulk eene drukte, dat men aan eene bloeiende handelsnederzetting kon denken. Het »dorp” kreeg weldra eenen naam: als »Smeerenburg” werd het algemeen bekend[538].
Men wachte zich echter reeds dadelijk weder voor overdrijving: het zoogenaamde dorp zal wel altijd gering van omvang, armelijk van uitzien geweest zijn. In 1626, toen de nederzetting dus reeds verscheidene jaren bestaan had en door de aankomst van die van Vlissingen, Hoorn en Enkhuizen aanmerkelijk toegenomen was, stonden in de Mauritius-baai behalve de kleinere gebouwen nog slechts vijf loges of loodsen[539]. Natuurlijk ging de plaats nog sterk vooruit; de vestiging der vier overblijvende kamers deed nieuwe huizen, schuren en traanketels verrijzen, maar wanneer wij vernemen, dat in 1633—dus toen de walvischvangst het tijdstip van haren hoogsten bloei onder de Noordsche Compagnie reeds voorbij was—alleen Amsterdam twee groote »tenten” schijnt gehad te hebben[540],—wanneer wij lezen, dat het getal der fondamenten van traanketels op Smeerenburg later slechts acht of tien bedroeg[541],—een getal vrij wel overeenkomende met dat der kamers,—dan moeten wij het Zorgdrager toestemmen, dat Smeerenburg zich zelfs in de dagen van haar hoogsten bloei op verre na niet met hare tweelingzuster Batavia kon meten[542]. Dat de Harlinger kokerij uiterst weinig te beteekenen had, blijkt uit het feit, dat in 1670, toen er nog zoovele huizen op Smeerenburg stonden, dat ze zich als een klein dorp voordeden[543], van de geheele Harlinger kokerij slechts éen traanketel, twee woonhuizen en twee schuren overig waren[544].
Van de inrichting van Smeerenburg en de daar aanwezige gebouwen kunnen wij ons een vrij goed denkbeeld vormen uit de journalen van eenige matrozen, die daar twee jaren achtereen in den grootsten bloei der walvischvangst overwinterden. Op eene breede vlakte, door hooge bergen omringd en door de Mauritiusbaai bespoeld, verrezen de gebouwen der verschillende kamers[545]. Daaronder trok voor alles de opmerkzaamheid de eigenlijke kern der vestiging, de »tent”. Het was een gebouw van vrij grooten omvang, aanvankelijk van hout, later van steen opgetrokken[546]. Reeds in 1618 werd er door de Nederlanders in Bellsound eene opgericht, die 80 voet lang en 50 breed was, maar die dan ook tegelijkertijd voor berg- en woonplaats, en tevens voor kuiperij zal gediend hebben[547]. De inrichting was hoogst eenvoudig: eene groote kamer, die de geheele breedte innam, diende der bemanning tot woning[548]; losse kribben waren daartoe getimmerd, een oven ( »stoof”) diende zeker niet alleen om de kamer te verwarmen[549]. Achter deze kamer was eene kleinere aangebracht, die tot berging der leeftocht strekte en door eene deur met de voorkamer gemeenschap had. Een trap leidde van daar naar eene ruimte boven de met klei bestreken zoldering, die des noods tot berging diende en door het pannen of houten dak werd gedekt[550]. Gebruikte men het gebouw in de eerste jaren der visscherij tevens voor berg- en werkplaats, toen de walvischvangst zekerder en meer duurzaam gevestigd was, bouwde men daartoe afzonderlijke loodsen; de tenten zelve werden op grooter en steviger voet gebouwd. Ja, toen het aantal walvischvaarders toenam, bleek weldra éene tent onvoldoende om de vele matrozen te huisvesten. Amsterdam ging over tot het bouwen eener tweede tent; de andere kamers bouwden verscheidene houten hutten, geheel als de tenten ingericht maar op kleiner schaal. Deze hutten dienden van toen af aan het overschietende volk tot woning. Het woonvertrek, dat de geheele breedte (16 voet) innam, was daar slechts 71⁄2 voet hoog, 21 lang en met een halvesteensmuur omgeven; het kleinere proviandvertrek daarachter was eenvoudig van planken opgetrokken[551].
Na de tent was de traanketel het voornaamste gebouw der vestiging. Een groote koperen ketel of pan werd in de opene lucht vastgemetseld op een lage steenen oven, en de traankokerij was gereed. Later bouwde men er een steenen schoorsteen bij; misschien beschermde een planken hut, om de geheele inrichting opgetrokken, de kokers soms voor de snerpende winden[552]. Een noodzakelijk gebouw was ook de kuiperij, waar de kuipers de medegebrachte duigen tot vaten maakten; de zolder daarboven strekte hun tot woning[553].
De meeste gebouwen op Smeerenburg waren echter ongetwijfeld houten schuren, grooter dan de hutten maar minder stevig gebouwd. Zij strekten om de gereedschappen, die tot de walvischvangst noodig waren,—lijnen, harpoenen, lensen, vaten, hoepels, duigen, ovens, aanbeelden, smidstangen enz.—gedurende den winter te bergen[554]. De traanketels werden veelal met de houten koelbakken en de looden gooten daarnaast eenvoudig op het strand achtergelaten[555]. Ook de kaapstanders bleven staan; de sloepen trok men meestal op het strand en liet ze zoo in de sneeuw achter[556]. Wanneer het gebeurde, dat de rijke vangst in de schepen niet kon geborgen worden en ook in de naschepen geene ruimte genoeg was, werden veelal de traan en baarden, die men dus genoodzaakt was den winter op het eiland over te laten, in de schuren geborgen[557]. In den rijksten tijd der visscherij kwam het echter voor, dat men ze eenvoudig in den grond begroef; de schuren bleven hoofdzakelijk tot berging der gereedschappen bestemd.
Voeg bij al deze gebouwen eene kerk[558], een fort met eenige batterijen[559], die de vestiging verdedigen moesten tegen zwervende Duinkerkers of Basken, en ge kunt u eene voorstelling maken van Smeerenburg, zooals het zich omstreeks 1633 vertoonde. Het tooneel werd des zomers verlevendigd door de aanwezigheid der walvischvaarders, ongeveer 1000 in getal, die ruimschoots gelegenheid hadden zich behalve het noodige allerlei versnaperingen te bezorgen. Op de schepen der Noordsche Compagnie bevonden zich toch meestal bakkers, kramers, zoetelaars en andere dergelijke lieden, die niet tegen de reis opzagen om winst te maken. Hetzij in de schuren der compagnie zelve, hetzij in eigene kramen en loodsen sloegen zij zich neer, en ventten aan de begeerige matrozen hun wijn en brandewijn, hun tabak en hun warm brood. Men verhaalt, dat vooral het laatste artikel zoo gewild was, dat men iederen morgen door het blazen op een hoorn de matrozen kennisgaf, dat de broodjes uit den oven genomen werden[560].
Al deze gebouwen met hunne bewoners waren bestemd om slechts weinige jaren de stille stranden van Spitsbergen te verlevendigen. Zorgdrager bericht, dat men ongeveer tegelijkertijd met Batavia (1619) op Smeerenburg begon te bouwen[561]; wij hebben gezien, dat de opgave volkomen juist is. En reeds twintig jaren later was de zoo veelbelovende vestiging aan het vervallen! Het is natuurlijk onmogelijk, een juisten datum voor dit langzaam toenemende verval op te geven; verschillende bekende jaartallen laten echter slechts weinig speelruimte over. Wij weten, dat in 1633 de walvischvangst aan het land nog steeds bloeide[562]; in 1636 was dit bedrijf nog zelfs van zooveel belang, dat de Friezen, na hardnekkigen aandrang eindelijk in de Noordsche Compagnie opgenomen, eene nieuwe vestiging op het Deensche eiland oprichtten[563]. Maar toen begon ook het verval schielijk toe te nemen[564]. De compagnie zelve oordeelde het eerlang voordeeliger, naast de kustvisscherij ook de zeevisscherij ter hand te nemen: reeds in 1638 zond zij een paar schepen daarop uit[565]. Ondertusschen was de kustvisscherij nog in 1642 belangrijk genoeg: de Noordsche Compagnie deed veel moeite om haar octrooi te doen verlengen en zich ten minste aan land van mededingers te ontslaan[566]. Het gelukte niet en weldra was de Mauritius-baai vervuld met talrijke schepen, wier bemanning door hare drukte en gewoel, door hare te sterke jacht den walvisch in weinige jaren geheel verjoeg[567]. Ondertusschen werd nog in 1646 de walvischvangst aan land geoefend[568], maar hoe langer hoe meer verliet de visch de kusten; de banken werden bezocht[569] en in 1650 werd de zeevisscherij reeds zoo sterk gedreven, dat de walvisch in het ijs begon te wijken en men moest beraadslagen of het niet raadzaam zou zijn hem daar te volgen[570]. In 1650 was Smeerenburg dus zeker geheel verlaten[571].
Gedurende het vijf- of zesjarig tijdperk na den val der compagnie, dat men dus de plaats was blijven bezoeken,—ongetwijfeld het tijdperk van de grootste drukte in het dorp,—hadden de reeders hunne gebouwen en inrichtingen nog op het strand laten staan. Of ze echter nog met vele nieuwe vermeerderd werden, schijnt mij twijfelachtig; de walvischvangst onder het land was in 1642 reeds te zeer afgenomen, dan dat men vele kosten zou gedaan hebben om zich daar te vestigen. Weldra werden dan ook de schuren ontruimd, alle gereedschappen, alles wat draagbaar was er uitgenomen; zelfs de traanketels werden losgebroken, in de schepen geladen en weggevoerd. De huizen zelve, met zoovele kosten gebouwd, moest men achterlaten; ze verdwenen weldra door de baldadigheid der matrozen, door brand en vooral door verwaarloozing[572]. Walvischvaarders, die in 1670 en 1680 Spitsbergen bezochten, vonden van het eens zoo bloeiende Smeerenburg, van de Harlinger kokerij, die slechts tien jaren bestaan had, niets dan eenige fondamenten van traanketels, eenige vervallen huizen, waarin men hier en daar nog eenige vermolmde vaten, een aanbeeld, dat te zwaar geweest was om meegevoerd te worden, enkele gebroken gereedschappen zag[573]. In 1784 was alles verdwenen: van het geheele dorp met zijne huizen en forten was niets dan eenige bouwvallen overgebleven[574]. De reiziger, die nu de plaats bezoekt, waar eens Smeerenburg stond, vindt niet dan met moeite de sporen van deze eens zoo bekende kolonie: het kerkhof alleen, dicht bij Smeerenburg aan de Westbaai gelegen[575], bewaart onvergankelijk de sporen der menschelijke vergankelijkheid[576].
Nu ik de Spitsbergsche vestiging zoo uitvoerig beschreven heb, kan ik over die op Jan Mayen-eiland korter zijn: beide nederzettingen droegen geheel hetzelfde karakter. De vestigingen op Jan Mayen-eiland waren ongetwijfeld belangrijker dan die op Spitsbergen, in dezelfde mate als de walvischvangst daar meer opleverde; zij zijn echter minder bekend, omdat zij vroeger dan Smeerenburg verlaten schijnen te zijn en omdat zij minder het aanzien van een visschersdorp zullen gehad hebben dan van eenige kleine en onaanzienlijke buurten. De eerste belangrijke uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland werd gedaan in 1616[577], en reeds dadelijk waren er dit jaar 15 schepen bijeen: de Noordsche Compagnie zond er 6, de kleine Noordsche Compagnie 5, de Zeeuwen waren nu voor het eerst door 2 schepen vertegenwoordigd en ook eene Duinkerksche reederij waagde zich met 2 schepen in de bijna onbekende wateren[578]. Hoewel Zeeuwen en Duinkerkers de vaart niet lang voortzetten en ook de Hollanders aanvankelijk niet zoovele walvisschen vonden als zij zochten, werd Jan Mayen-eiland toch gedurende vele jaren druk door de walvischvaarders bezocht. Evenals in 1616 werd de uitrusting van de Noordsche Compagnie in 1617 uitsluitend naar het eiland bestemd[579], waar de Engelschen de Nederlanders niet in hun bedrijf stoorden; en al werd langzamerhand Spitsbergen op nieuw door de schepen der compagnie bezocht, Jan Mayen-eiland was en bleef haar hoofdkwartier[580]. Natuurlijk werd de traankokerij daar dadelijk begonnen; mag men de overlevering gelooven, dan kookte de bemanning van een Rotterdamsch schip, de »Mary Muss” (Maria Musch?)[581], de eerste traan op het eiland in de naar dit feit benoemde baai (een gedeelte der Kruisbaai.)[582] Hoe dit zij, zeker is het, dat er weldra vele Nederlandsche traankokerijen op Jan Mayen-eiland verrezen, niet als op Spitsbergen bij elkaar op de wijze van een dorp maar verspreid in verschillende baaien. Scoresby noemt sporen van traankokerijen in de Zuidbaai, aan den Rooberg, in de Noord- of Engelsche baai en in de beide Kruisbaaien[583]. De drie eerste vestigingen, op het zuidelijk gedeelte der westkust van het eiland gelegen, waren echter de eenigen, die hoop op rijke vangst gaven en die dus belangrijk genoemd mogen worden[584]. In de Noordbaai was het hoofdkwartier der Noordsche Compagnie[585]. Daar vond men op het strand niet minder dan tien »tenten”, waarvan er eens drie, alle toebehoorende aan de Amsterdamsche kamer met tien sloepen en de daarbij liggende vaten en traanbakken door eene aardstorting wegspoelden[586]; dáar overwinterden in 1633 zeven matrozen, dáar waren ook twee Amsterdamsche kokerijen gevestigd[587]. Natuurlijk had de Noordsche Compagnie op Jan Mayen-eiland hetzelfde systeem gevolgd als op Spitsbergen; iedere kamer had hare afzonderlijke baai of plaats, waar ze hare eigene traankokerij, hare eigene huizen had[588]. Het geheele getal huizen en schuren schijnt vrij aanzienlijk geweest te zijn; overal toch vond men later fondamenten en ruïnen[589]. Reeds in 1628 was de vestiging van zooveel belang, dat de Noordsche Compagnie het de moeite waard oordeelde, daar evenals op Smeerenburg twee forten en eene batterij op te richten tegen de aanvallen der zeeroovers[590]. Nog in 1699 vond Zorgdrager, toen hij de ruïnen bezocht, niet minder dan twintig sloepen, twee groote booten, koelbakken en traanvaten, zelfs groote stapels kabeltouw op het strand aan weer en wind blootgesteld[591]. De vangst schijnt dikwijls zoo rijk geweest te zijn, dat de berging onvoldoende was: het overschietende gedeelte, op Smeerenburg meestal in de pakhuizen geborgen, schijnt op Jan Mayen-eiland dikwijls begraven te zijn geworden[592]. Maar toch hield de visscherij ook hier eerlang op onder het land voordeel te geven: nog eerder dan bij Spitsbergen verlieten de walvisschen hier de kustzee[593]. Omstreeks het einde der Noordsche Compagnie schijnt Jan Mayen-eiland verlaten geworden te zijn; het ijs, dat o. a. in 1632 de schepen den geheelen zomer belette aan land te komen[594], heeft zeker later het eiland eenmaal geruimen tijd ingesloten gehouden: zóo zijn waarschijnlijk de boven aangeduide goederen der compagnie op het eiland achtergebleven[595].
Geheel op zich zelve stonden de vestigingen der Nederlanders op Spitsbergens oostkust. De walvischvangst, die daar door de Noordsche Compagnie gedreven werd,—de zoogenaamde zuidijsvisscherij in tegenoverstelling der westijsvisscherij, die men bij Smeerenburg op noordelijker graden dreef[596],—was van betrekkelijk groot belang. Bizonderheden daarover zijn echter weinig bekend. Zorgdrager verhaalt ons, dat ten tijde der Noordsche Compagnie de zuidijsvisscherij—later alleen in geval van nood, wanneer de westijsvisscherij niets opleverde, in den natijd ter hand genomen[597]—geregeld werd gedreven[598]. En werkelijk zijn de bewijzen voorhanden, dat die tak der walvischvangst niet onbelangrijk was in de dagen, toen men zich nog met de kustvisscherij bezighield. Sporen van traankokerijen en hutten zijn gevonden aan het verafgelegen Disco (Stones foreland), op het Hoop- en Halvemaans-eiland[599] en op de kusten van Wybe Jansz.’-water bij Whaleshead[600]. Wij weten, dat in 1636 behalve deze plaatsen ook de »Swarte hoeck” en »Staten-landt” (Edge-island?)[601] als voordeelig voor de walvischvangst gelegen werden beschouwd[602]. Men zegt zelfs, dat door de Noordsche Compagnie de walvischvangst bij Novaya-Zemlya soms »met redelyck goet gevolg” gedreven werd[603]. Wel is het niet waarschijnlijk, dat al de gevondene ruïnen van Nederlanders afkomstig zijn, daar ook de Engelschen zich reeds vroeg op de visscherij aan Spitsbergens oostkust toelegden[604], maar er blijkt toch voldoende uit, dat de zuidijsvisscherij niet zonder belang was, te meer daar men bij de betrekkelijke onzekerheid der vangst, dáar niet zoo licht als bij de voordeeliger westijsvisscherij zal overgegaan zijn tot het bouwen van schuren en traankokerijen[605].
Wij hebben nu den geheelen omvang der Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland leeren kennen. Voorwaar! er was reden genoeg, waarom de Noordsche Compagnie op den eigendom der door haar bezette plaatsen zou kunnen aanspraak maken. Maar toch had de compagnie vijanden, die niet aarzelden haar recht op de met zooveel moeite bebouwde en verdedigde plaatsen te bestrijden. Engelschen, Denen, Franschen en Zuid-Nederlanders betwistten haar alle uitsluitende rechten. Wat meer was, er waren vijanden, die niet eens de moeite namen met een juridieken eisch op te treden,—die slechts het oogenblik afwachtten, wanneer de schepen der compagnie naar het vaderland teruggekeerd waren, om de verlaten plaats in te nemen, te rooven en te plunderen. Het was wel gebeurd, dat de Nederlandsche walvischvaarders in het voorjaar bij hunne vestigingen komende hunne schuren door Baskische of Duinkerksche zeeroovers opengebroken gevonden en uit gebrek aan het noodige gereedschap hun bedrijf niet naar wensch geoefend hadden. Eén middel slechts was er om zich op den duur voor deze gevaren te beschermen, de walvischvaarders moesten voor goed hun verblijf in de barre noordelijke gewesten opslaan. Smeerenburg en Jan Mayen-eiland moesten werkelijk worden wat ze reeds niet zonder overdrijving heetten[606]: Nederlandsche koloniën.
Het denkbeeld eenmaal opgevat had veel wat het aanbeval. Niet alleen zouden de goederen der Nederlanders in de IJszee voortaan veilig zijn, maar ook onmiddellijk voordeel was met de duurzame vestiging in het noorden te behalen. Gedurende den langen winter konden de bewoners, niet door de drukte der walvischvangst beziggehouden, ongestoord jacht maken op de tallooze beeren en vossen, die door honger gedreven zich in groote scharen ver over het ijs in zee waagden en dus zeker een kostbaren buit den jagers toevoeren zouden. Nog meer, de overwinterenden, behoorlijk tot de visscherij uitgerust, konden in het najaar en in het vroege voorjaar, wanneer geen schip zich zoo hoog in het noorden bij het land durfde wagen uit vrees van in het ijs beklemd te raken, zonder vrees op de walvischvangst uitgaan; zoodra een scheur in het ijs zichtbaar werd, konden zij onderzoeken of soms de walvisch zich daar reeds vertoonde; de prooi, door storm of toeval op het strand geworpen, konden zij vermeesteren en bereiden. Zoodoende kon men zich van het uiterst kostbare plan een winst beloven, die verre van onbeduidend zijn zou[607].
Maar van den anderen kant waren de bezwaren niet gering. Men behoefde zich slechts de door Heemskerck en Barendsz. uitgestane ellende te herinneren om zelfs moedige en ondernemende personen van eene proefneming af te schrikken. Toch moest voor alles onderzocht worden, in hoeverre de uitvoering mogelijk was; het gold dus nu mannen te vinden, moedig genoeg om met een klein getal de gevaren van eenen winter onder de pool te trotseeren. En die gevaren waren niet gering, het was zelfs onzeker of men het waagstuk niet met den dood zou moeten bekoopen. Maar Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw gaven niet spoedig een plan op wanneer het winst beloofde, ook al was de uitkomst onzeker; en arme varensgezellen, die niets te verliezen hadden, met den avontuurlijken geest bezield, die de Nederlandsche natie toenmaals kenmerkte, mannen met een hart in het lijf en weinig geld op zak, konden op den duur de verleiding niet weerstaan. Al duurde het dan ook lang eer men het plan uitvoerde; zoodra men het ernstig doorzetten wilde, werden er wel mannen gevonden, die bereid waren het waagstuk te ondernemen en eene nieuwe bladzijde te voegen in het roemrijke boek, dat de avonturen der Nederlandsche zeelieden zou verhalen.
Het denkbeeld eener overwintering op Spitsbergen schijnt het eerst bij de Moscovische Compagnie gerezen te zijn. Haar komt de eer toe, met scherpen blik de voordeelen te hebben ingezien, die eene voortdurende vestiging in het noorden kon opleveren. Zij loofde eene premie uit voor degenen, die het waagstuk wilden ondernemen. Maar niemand bood zich aan. Zelfs ter dood veroordeelde misdadigers, aan wie gratie beloofd was op voorwaarde dat zij eenen winter op Spitsbergen zouden doorbrengen, namen het aanbod wel gretig aan, maar deinsden terug, toen zij met eigene oogen de barre woestijnen aanschouwden, waar zij alleen in koude en duisternis vele maanden zouden moeten doorbrengen. Zij verkozen eenen wissen en smadelijken dood nog boven eene langzame marteling, al gaf zij hoop op behoud[608]. De graagte om te overwinteren vermeerderde er niet op, toen negen matrozen, bij ongeluk door de Engelsche walvischvaarders in Bellsound achtergelaten, het volgende voorjaar allen dood en half verslonden teruggevonden werden[609]. En misschien zou er van het geheele plan nooit iets gekomen zijn, zoo niet in den winter van 1630/31 acht Engelschen, bij toeval weder in Bellsound achtergebleven toen de walvischvloot vertrok, niettegenstaande hun gebrek aan goed voedsel, kleeding en woning, door buitengewone vindingrijkheid en energie alle bezwaren te boven gekomen en in het voorjaar van 1631 gezond en wel door de walvischvaarders teruggevonden waren[610].
Dit voorval moet wel krachtig medegewerkt hebben tot de verwezenlijking van de plannen der reeders op de walvischvangst. De Engelsche visscherij was toen reeds te onbeduidend dan dat zij aan eene vestiging zou hebben gedacht, maar de Noordsche Compagnie, op het toppunt van haren bloei gekomen, schepte nieuwen moed. Reeds lange jaren had het plan onder de geliefkoosde denkbeelden der bewindhebbers behoord. In 1623 boden eenige »onbedachte luyden” hun aan op Spitsbergen eenen winter door te brengen[611] en hoewel zij toen op dit voorstel als eene »onnoodige saeck” geen acht sloegen, lag het toch in den aard der zaak, dat zij er met meer ernst over zouden beginnen te denken, zoodra het bleek, dat eene voortdurende vestiging een krachtig middel ter verdediging tegen allerlei soort van vijanden zou zijn. Reeds in 1626 was dan ook een uitgewerkt plan gereed, dat alles goeds beloofde. Vijf en twintig mannen, van levensmiddelen en medicijnen rijkelijk voorzien, zouden op Spitsbergen eene ruime woning bouwen met eene keuken en vele gemakken en goed tegen de koude beschut. Een kachel zou hen voor het bevriezen bewaren. Bij hen zou zijn een scheepje van 25 last, dat den geheelen winter in eenen inham voor het ijs beveiligd zou worden. Gedurende den langen nacht zou beerenjacht en vossenvangst hun bezigheid en beweging verschaffen; zoodra de zon doorkwam en het ijs losraakte, moesten zij het schip in zee brengen en beproeven of in die tijden, wanneer een groot schip uit Nederland er nog niet aan kon denken Spitsbergen te naderen, de walvischvangst of de walrusjacht reeds eenig voordeel opleverde. Meteorologische waarnemingen—wel verre van voorwendsel te zijn[612]—waren integendeel hoofddoel der onderneming; men kwam er toch reeds nu voor uit, dat deze eerste overwintering slechts eene proefneming zou zijn voor latere ondernemingen op grooter schaal. Men mocht het onmiddellijk voordeel dus verzuimen, zoo men slechts nauwkeurige berichten over de bewoonbaarheid der poolstreken en de gevaren, waaraan de bewoners zich blootstelden, medebracht. Met deze voornemens was men vervuld toen de vloot uitzeilde; het schijnt echter, dat men, toen het op de uitvoering aankwam en men de bezwaren nogmaals overwoog, tot de overtuiging gekomen is, dat meer onderzoek en meer voorbereiding noodig was, eer men zoovele personen aan de gevaren van eenen winter onder de pool blootstelde. Misschien schoot ook de moed der vijf en twintig uitgelezenen te kort, toen zij de zaak meer van nabij overlegden: hoe het zij, de overwintering werd uitgesteld[613]. Maar niet voor goed; meer en meer vestigde zich de aandacht op de voordeelen, die eene gelukkig geslaagde proefneming beloofde. Reeds in 1628 werd er op nieuw van gesproken[614] en toen de gelukkige uitslag der Engelsche overwintering bekend werd, nam men de zaak met kracht weder ter hand. In 1633, toen de vijandige houding van eenige Basken en de moeielijkheden, daardoor met Frankrijk en Denemarken ontstaan[615], de noodzakelijkheid eener voortdurende vestiging op nieuw aangetoond hadden, besloot men eindelijk tot eene dubbele proefneming, op Spitsbergen en op Jan Mayen-eiland[616]. Waarschijnlijk door het uitzicht op belooning aangespoord, boden veertien personen zich dadelijk vrijwillig voor het waagstuk aan. Jacob Segersz. van Brugge werd met zes man (waaronder twee Duitschers) op Smeerenburg achtergelaten, Outgert Jacobsz. van Grootebroek bleef met zes anderen in de Noordbaai op Jan Mayen-eiland.
Ik zal mij niet ophouden met een uitvoerig verhaal van hun wedervaren. Het laat zich denken, dat zij weinige avonturen beleefden, die der vermelding waardig zijn. Toch is het naïeve verhaal van het lijden der zeven mannen in hun kleine hut op Spitsbergen, die niettegenstaande hunne waarschuwing tegen de koude slecht voorzien was, aantrekkelijk en aangrijpend. Onvermoeid gingen zij op de jacht en verzuimden geene gelegenheid om zich daardoor beweging en hunnen meesters winst te verschaffen. Niet ontmoedigd door de gevaren hunner positie schroomden zij niet andere gevaren tegemoet te gaan: verre tochten werden ter rendierenjacht ondernomen; met hunne ontoereikende hulpmiddelen zetten zij den walvisch na, en de gevreesde koning der ijsvlakten, de reusachtige beer, zag zich in gevecht bij gevecht door de zeven matrozen overmand: de aankomst van een der Nederlanders was eindelijk reeds voldoende om de ijsbeeren, uitgehongerd als zij waren, van hunne prooi te verjagen. En in al die gevaren, terwijl hunne watervaten naast het vuur stijf bevroren, terwijl de koude hen dikwijls dwong den nacht op- en neergaande door te brengen, terwijl de sneeuw soms het uitgaan belette en alle gebouwen bedekte, terwijl bijna alle levensmiddelen door de vorst hun smaak verloren, terwijl de harde wind, die hun houten huis reeds eenmaal bijna een prooi der vlammen had doen worden, hen soms belette te stoken, ja terwijl een van hen zich nog bovendien verbeeldde »van de Satan aengevochten te worden,”—onder al die ellende ontsnapte geen klacht aan hunne pen! Slechts éenmaal—het was in het begin van hunne eenzaamheid, toen de harde vorst voor geen vuur wilde wijken,—schreef Segersz. in het journaal, dat zij »by nae gediscouragieert werden, en oversulcks Godt Almachtigh daghelijcks baden, hen niet na verdiensten te straffen.” Maar de moedeloosheid was van korten duur: dadelijk werden weder de gewone bezigheden ter hand genomen en in duisternis en koude gingen zij op de hun aanbevolen jacht. Ja, toen het Kersfeest aanbrak was de opgeruimdheid teruggekeerd: zij »koockten den Ham en een Rheenen hutspot, nuttigden daer benevens een back heete Wijn en gaven yder man 7 duym Toback met een schoone Pijp.” Zoo vierden zij hun feest; het eten van goede, verwarmende spijs was den ongelukkigen waarlijk reeds een zelden voorkomend genot! Nieuwjaarsdag volgde »met bittere koude, jacht-sneeu ende harde Vorst,” maar de moed noch zelfs de opgeruimdheid ontviel hun. »Op dato”, dus schrijft Segersz., »hebben wy ons Gebedt tot Godt gedaen, dat hy ons door sijne Goddelijcke genade in dit Nieu aengevangen Iaer voor allen quade wilde bewaren; nae welck Gebedt ick een kanne heete Wijn met een Salaet liet gereet maecken, aen yder Persoon tot een Nieuw-Iaer (weder!) een schoone Pijp met ses duijm Taback uytreyckende.” En toen was ook hunne grootste ellende voorbij: op het einde van Januari kwam de zon terug; weldra begon het ijs te breken, de bevroren voorwerpen wat te ontdooien. De tochten buiten de hut strekten zich toen allengs verder uit en daarmede was ook het gevaar voor scheurbuik grootendeels geweken. Den 26 Mei 1634 kregen zij eindelijk de eerste sloep van de terugkeerende walvischvaarders in het gezicht, »daer over sy al t’ samen seer verblijd waren, God danckende dat hy hen so langhe bewaert hadde ende voor alle prijckel beschermt”.[617]
Hoe was het ondertusschen met hunne lotgenooten op Jan Mayen-eiland afgeloopen? Reeds dadelijk liet de zaak zich voor hen erger aanzien. Het voortdurende slechte weder, storm en sneeuw belette hen spoedig uit te gaan en de noodige beweging te nemen; de beeren, die aan de Spitsbergers gedurig zulk een welkomen voorraad versch vleesch verschaften, kon men hier slechts zelden bemachtigen. De zeven matrozen op Jan Mayen-eiland hadden het dan ook op 71° veel erger dan hunne lotgenooten op 80°: de koude was nijpend, het weder woest. Wel werden zij niet als de Spitsbergers in eene maandenlange nacht gehuld, maar de vale schemering, die zich gedurende eenige uren per dag vertoonde, terwijl de zon zelve achter de hooge bergen bleef schuilen, strekte slechts om hun het troostelooze van hun toestand duidelijker te doen zien. In hun tent opgesloten hadden zij niets om de lange, lange dagen zonder eenige afwisseling te korten; bij de verveling kwam zich weldra ziekte en angst voegen. Het journaal der ongelukkigen, dat aanvankelijk met stoicijnsche onverschilligheid slechts eentoonige opgaven van weer en wind bevat,—(in dit opzicht is het dan ook waarlijk verdienstelijk nauwkeurig!),—dat over ziekte en rampen zwijgt en een enkele klacht, die onwillekeurig aan de pen ontsnapt, dadelijk weder afbreekt door eene nieuwe meteorologische waarneming, begint dan ook allengs met weinige, maar treffende woorden den klimmenden angst der zeven kluizenaars te schilderen. Heette het aanvankelijk, toen de zon begon te verdwijnen: »in de Tent konnen wy niet langher sien te lesen of te schrijven, soo dat ons den dagh heel ontvalt ende sitten meest met toe deuren, ’t welck een weynigh onse couragie beneemt, snachts de wint N;” later schreef de »boeck-houder”, dat zij »seer begeerigh” waren om een beer te schieten, »alsoo sy lange den ouden kost gehadt hadden, ende daer deur seer met het Scheur-buyck gequelt waren;” en weinige dagen later: »wy en vernemen tegenwoordigh niet sonders, oock so is onse couragie wat kleyn, alsoo wy vry wat sieck van ’t Scheurbuyck zyn; wy hebben weynigh verversinghe, om ons een weynigh op de been te helpen.” Toen daarop de eerste der zeven op Paaschdag stierf, schreef een der overblijvenden: »de Heer wil zijn Ziel genadigh zijn, en geven ons wat ons salich is, want wy meest oock al sieck zijn; hoe het Godt met ons versien heeft is hem bekent!” Maar onder al die rampen en ongelukken trachtten zij toch moed te houden. Nauwelijks kwam een korte zonneschijn hen vervrolijken of het journaal betuigt dankbaar: »Den 9 September de windt ZO met moy Sonne-schijn, soo dat wy onse Hembden uyttrocken, sittende teghen het Geberghte aen, en koester(en)de en vermaekende ons soo wat.” Ook de verveling zochten zij te bezweren: »wy leyden somwylen een discoersjen in ’t hondert, ende elck vertrock vast zijn avontuer, dat hy soo te lande als te water, wel van zijn leven gehadt hadde, ofte hem bejegent was, so brochten wy somwijlen onsen tijt toe.” Toen de rampen toenamen en de ziekte, die zoovele reizigers in het noorden reeds gedood had, ook hen meer en meer begon te kwellen, sterkten zij zich door het gebed: »Anno 1634 den eersten Januarius, naer wy smorghens op gerezen zijn geweest, so hebben wy malkanderen een gelucksalig Nieuwe-jaer toe gewenscht, en wenschten malkanderen dattet ons tot een goede uytkomste gelucken mochte, ’t welck ons hartelijck begeeren was, ende hebben ghelijckelijck een Gebedt gedaen, om alsoo ons ghemoet wat te verlichten.” En werkelijk het gelukte hun, al werd de toekomst hoe langer hoe donkerder, goeden moed te houden; het gelukte hun in al hunne ellende nog »sonderlinge vermaeck te hebben in 3 jonge Beerkens te sien, welcke waren ontrent als kleyne Schaepkens.” Nauwelijks veertien dagen nadat de boekhouder dit schreef, viel hij als eerste offer van het scheurbuik; nog veertien dagen later eindigt het journaal plotseling op 30 April 1634 bij »klare Sonneschijn weer” midden in een volzin: de scheurbuik had den laatste hunner alle krachten benomen. Het overige laat zich gissen; de schepelingen, die 4 Juni op het eiland aankwamen, vonden hen allen »seer desolaet” en dood in hunne kooien liggen: »d’een voor d’ander nae was van de groote koude, die daer geen ghebreck was, versteven, ende waren soo allen van ongemack vergaen.”[618]
Het is licht te begrijpen, dat na deze ondervinding geen van de bemanning der vloot het waagde op de onherbergzame kust achter te blijven; maar op Spitsbergen, waar men van dit alles onbewust was, stonden de zaken anders. De ondervinding had geleerd, dat het niet alleen mogelijk was daar in goede gezondheid de strengheid van den winter te trotseeren, maar het verblijf der zeven matrozen had een overrijken buit van beerenvellen in handen der Noordsche Compagnie gebracht. Wel had de walvischvangst niets opgeleverd, maar een grooter aantal mannen zou misschien beter slagen. Vol hoop op de toekomst besloot men dan ook het oordeel der bewindhebbers over eene voortdurende vestiging in te winnen; voorloopig bepaalde men, dat weder eenige matrozen op Smeerenburg zouden achtergelaten worden. De goede uitslag van het vorige jaar gaf den matrozen moed: »verscheyde Persoonen presenteerden haer gewilligh” om te blijven. Uit die allen werd Andries Jansz. van Middelburg met zes man uitgekozen en in het najaar van 1634 op het eiland achtergelaten.
Het korte uittreksel uit hun journaal, dat ons overgebleven is, geeft een aangrijpend verhaal van hunne ellende; met vreesselijke eentoonigheid bevat het dag aan dag het bericht, dat de een voor de ander na door het scheurbuik aangetast wordt, een drank inneemt en toch voortdurend verergert. Want hetzij dat de beeren door het onafgebroken jagen bevreesd geworden waren, hetzij de matrozen minder moed en behendigheid toonden dan hunne voorgangers, zeker is het dat zij geen versch vleesch konden krijgen en ook het als »salaet” bekende kruid, dat het beste geneesmiddel tegen de scheurbuik is[619], konden zij »tot haerder groote droefheydt niet op doen.” Wel »troosten sy haer onder malkander, dat God haer groente en verversinge wesen sou (!), en dat hy ’t versien sou;” maar de ziekte, die zich reeds den 24 November geopenbaard had, nam toe en een maand later was »niemandt van haer allen sonder pijn.” »Wilt niet beter worden,” dus schreven zij mismoedig, »soo zijn wy altemael doodt eer de Schepen hier komen; dan Godt weet wat ons van nooden is.” Reeds 14 Januari 1635 viel een van hen als slachtoffer der ziekte, twee zijner medgezellen volgden binnen drie dagen. De beeren, die nu als om hen te bespotten in groote troepen kwamen opzetten, waren veilig: »sy hadden de macht niet om een Roer af te schieten, en of sy al getreft hadden, om haer nae te loopen, want konden de eene voet voor den ander niet setten, noch gheen Broodt bijten, hadden vreesselijcke pijn inde lenden en ’t lijf, en hoe quader weer hoe slimmer; de eene spoogh bloedt, de andere loosde bloedt door de stoelgangh. Ieroen Carcoen was de sterckste noch, die haelde altemet noch wat kolen om vyer aen te leggen.” De vier overblijvenden zagen eindelijk de zon terugkomen; maar het was slechts om hun sterfbed te verlichten. Reeds twee dagen later (26 Februari 1635) schreven zij: »Wij leggen met ons vieren, die noch in ’t leven zijn, plat te Koy, wy souden wel eten, wasser een soo kloeck dat hy uyt syn Koy komen kon om vyer aen te leggen. Wy konnen ons niet roeren van pijn. Wy bidden Godt met ghevouwen handen, dat hy ons uyt dese benaude Wereldt verlossen wil; alst hem belieft, soo zijn wy gereet, want wy mogen ’t dus niet langer harden sonder eten of vyer, en wy konnen malkander niet helpen; elck moet sijn eygen last dragen.” Zoo eindigde het journaal! Maanden later vonden de schepelingen der walvischvloot hen dood in hunne tent, de drie eerst gestorvenen in kisten, de overigen in hunne kooien of op den grond, de kin tegen de knieën getrokken door koude en ziekte. De mannen »maeckten kisten tot de vier, en begroeven haer nevens de andere drie in ’t snee, alsoo daer noch door de groote koud’ geen andere gelegentheydt was; maer naderhandt doe het snee begon te smelten, en het Landt begost bloodt te komen, begroeven sy se met Aerde het best dat sy konden, alle seven aen malkanders zijde, leyden steenen op haer kisten, om dat sy van ’t Wildt niet verscheurt souden worden.”[620]
»Naderhandt en isser geen meer Volck op Spitsbergen ghebleven om te overwinteren,” zegt de uitgever van het journaal. Onder hen, die dit vreesselijke tooneel gezien en gevoeld hadden, was de lust en de moed om het voorbeeld der slachtoffers te volgen gering.