HOOFDSTUK IX. BINNENLANDSCHE WEDIJVER.
Reading edition
De strijd met de buitenlandsche mededingers was dus volstreden en het jaar 1642 vond de Noordsche Compagnie zegevierend gevestigd in de Mauritius-baai op Spitsbergen en in het ongestoord bezit van Jan Mayen-eiland. Ongelukkig voor haar was juist dit jaar bestemd om haren val te zien. Buitenlandsche concurrentie kon de Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw niet van de eens ingenomene plaats verdrijven, maar eindelijk bezweek de bevoorrechte vereeniging voor den tegenzin harer landgenooten, die haar reeds sinds hare oprichting gedurig met vernietiging had bedreigd.
Wij zagen, dat reeds op den dag, toen het octrooi der Noordsche Compagnie verleend werd, de tegenwerking van Le Maire aan de Staten eene heilzame beperking daarvan afdwong; de nieuwe compagnie moest daardoor steeds op hare hoede zijn voor mededingers, die éen enkele gelukkige reis voor haar kon oproepen. Had ook op den duur deze maatregel voor de compagnie niet de gewichtige gevolgen, die men er gewis van verwacht had, weinige maanden na de uitvaardiging bracht het »generael octroy” aan de bevoorrechte walvischvangers toch een gevoeligen slag toe. Van de drie kwetsbare plekken, die het uitsluitende octrooi der Noordsche Compagnie aanbood en die achter elkander zouden gebruikt worden om concurrenten op te roepen, was de beperking van het charter der vereeniging door het »generael octroy” de eerste bres, waardoor men eenen aanval op haar monopolie deed.
In het vijfde hoofdstuk hebben wij gezien, dat in Juli 1614 door twee schepen van de Noordsche Compagnie op 711⁄2° NB. toevallig ontdekt werd een den Nederlanders nog onbekend eiland, dat naar den bevelhebber der expeditie Jan Mayen-eiland genoemd werd. De reis werd gedaan op kosten der kamers van Amsterdam en Enkhuizen. Maar de Delftsche kamer der Noordsche Compagnie had in hetzelfde jaar onder bevel van kapitein Jan Jansz. Kerckhoff een ander schip »het cleyne Swaentgen” naar het noorden gezonden. Ook Kerckhoff kwam kort na de andere reizigers toevallig aan Jan Mayen-eiland, en verstandiger dan zijne voorgangers ging hij aan land en onderzocht het nauwkeurig. Natuurlijk werd na de terugkomst der drie schepen rapport van de reizen gedaan aan de bewindhebbers, die ze uitgezonden hadden, maar de aandacht der Amsterdammers schijnt zich op de gedane ontdekking niet bizonder gevestigd te hebben. Althans toen zij aan Z. Exc. en aan eene commissie uit de Staten-Generaal rapport van hunne reis deden, schijnt van Jan Mayen-eiland niet gesproken te zijn; aan de Delftsche bewindhebbers werd het overgelaten, of zij door hunnen kapitein Kerckhoff volgens de bepalingen van het »generael octroy” verslag van hunne ontdekking wilden doen aan de Staten-Generaal[1121]. Eerst daardoor toch, zoo was er voorgeschreven, kon men eene akte verkrijgen, dat men recht had op de vier als belooning der ontdekking uitgeloofde reizen, met de bepaling van den tijd, waarin die reizen volbracht moesten zijn[1122].
Ondertusschen dachten de Delftsche heeren aan niets minder. Kerckhoff had na zijne terugkomst dadelijk uitvoerig rapport van zijne bevindingen gedaan aan de twee bewindhebbers der Delftsche kamer, onder wier toezicht deze uitrusting geschied was, Nicasius Kyen en Dirck Adriaensz. Leversteyn (de derde bewindhebber Antonie Monier was in 1614 zelf als bevelhebber der visscherijvloot mede naar Spitsbergen gegaan en dus niet tegenwoordig geweest.) De kapitein verhaalde aan zijne reeders dadelijk, dat hij aan het nieuwe eiland eene menigte walvisschen gezien had: de zee scheen daar ten minste even vischrijk als bij Spitsbergen. Deze belangrijke ontdekking, die aan de andere schippers ontgaan schijnt te zijn, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling der beide bewindhebbers: zij waren de mannen er niet naar om hun voordeel daarmede niet te doen. Niet zeer kiesch in de middelen om winst te maken, schijnen beiden personen geweest te zijn van meer dan gewone bekwaamheid en volharding. De familie Kyen had dadelijk aan de beginselen der walvischvangst hare aandacht gewijd en er krachtig aan deelgenomen: terwijl een der leden reeds in 1612 als commies op het schip van Van Muyden aanwezig was en op Prince Charles’ foreland den dood vond[1123], vinden wij Nicasius onder de oprichters der Noordsche Compagnie genoemd. Dadelijk had hij eenen zetel ingenomen als bewindhebber van de kamer der nieuwe compagnie, die te Delft, de stad zijner inwoning, gevestigd werd[1124]; naast hem vinden wij Dirck Adriaensz. Leversteyn genoemd, den energieken man wiens krachtig optreden tegen de Noordsche Compagnie eene soms verrassende overeenkomst vertoont met de rol, door Isaac Le Maire in dezelfde jaren tegenover de Oost-Indische gespeeld[1125]. Ook zijne familie wijdde zich met kracht aan de exploitatie der walvischvangst: terwijl zijn zoon Abraham in 1618 als bevelhebber der walvischvaarders op Spitsbergen tegen de Engelschen optrad, was een andere zoon, Adriaen, de man die de taak zijns vaders moedig opvatte. Reeds in 1616 kapitein op een walvischvaarder aan Jan Mayen-eiland[1126], was hij het, die in 1618, 1624 en 1625 de drie reizen deed ondernemen, die oorzaak waren, dat op Groenlands oost- en westkust nieuwe plaatsen voor de walvischvangst geschikt werden ontdekt[1127].
Mannen als dezen, in de walvischvangst zoo ervaren, waren dadelijk met hun plan gereed. Er werd besloten den door de Staten-Generaal voor het rapport der ontdekking gestelden termijn van veertien dagen na de terugkomst van het schip te laten verloopen en voor eigene rekening eene uitrusting naar het eiland te doen: de betrekking der bewindhebbers was voor hen geen bezwaar, om als concurrenten op te treden der vereeniging, wier belangen zij moesten waarnemen. Kerckhoff en zijn stuurman Pieter Douckesz. werden met eenig bootsvolk, dat de reis van 1614 medegemaakt had, in dienst genomen en in het voorjaar van 1615 in het geheim[1128] weder naar Jan Mayen-eiland gezonden met een schip, geheel tot de walvischvangst uitgerust. De onderneming beantwoordde volkomen aan de gekoesterde verwachting: Kerckhoff nam bezit van het eiland, plantte er de wapens der Staten-Generaal en noemde het Mauritius naar den naam van Z. Exc. Ook de walvischvangst gelukte uitnemend: met een rijken buit keerde het schip huiswaarts[1129].
Onderwijl had ook de Noordsche Compagnie niet stilgezeten. De Amsterdamsche bewindhebbers hadden in het begin van 1615 bij afwezigheid van alle andere kamers besloten dit jaar eene nieuwe ontdekkingsreis te doen ondernemen. Het schip »Tswaentgen”, ook wel genoemd »het duyffgen”, werd onder bevel van kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes uitgezonden, om nieuwe eilanden te ontdekken en tegelijk Jan Mayen-eiland nader te onderzoeken met het oog op eventueel aldaar te verkrijgen voordeel[1130]. Reeds in Augustus kwam Paelman overhaast terug met het bericht, dat hij aan het eiland het schip van Kyen en Leversteyn met de walvischvangst bezig had gevonden.
Dadelijk wendden zich nu de bewindhebbers tot de Staten-Generaal, die zich de arbitrage over geschillen, uit het »generael octroy” ontstaande, hadden voorbehouden. Zij verzochten volmacht om beslag op het schip van Kyen en Leversteyn te mogen leggen en eischten, overeenkomstig met hun tweeslachtig sustenu, dat niet alleen schip en goed volgens de bepalingen van hun octrooi verbeurd verklaard, maar dat de reeders ook veroordeeld zouden worden in de boete van 50,000 dukaten, op den inbreuk van het »generael octroy” gesteld. Een paar dagen later verzochten zij, na breedvoerige uiteenzetting hunner grieven tegen Kyen en Leversteyn octrooi voor de ontdekking van Jan Mayen-eiland volgens het plakkaat van 27 Maart 1614[1131]. De regeeringen van Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn, vooral die van Delft, ondersteunden de Noordsche Compagnie krachtig tegen hare mededingers[1132], en de Staten-Generaal besloten Kyen en Leversteyn voor zich te ontbieden. Den 17 Augustus 1615 verschenen beide partijen »geassisteert met heure Advocaten respective” in de vergadering: aan de Staten-Generaal was het nu om tusschen hen te beslissen.[1133]
Bij de onvolledigheid der gegevens is het hoogst moeielijk een oordeel te vellen over de quaestie, wie der partijen het recht aan zijne zijde had in eene zaak, die zoo geheel van het vervullen of verwaarloozen van formaliteiten afhing en waarin van beide zijden zoozeer geknoeid schijnt te zijn om elkaar de loef af te steken. Het komt mij echter volkomen zeker voor, dat de Noordsche Compagnie gelijk had met de bewering, dat Kyen en Leversteyn niet alleen »int regart van de generale societeyt nijet al te sinceerlick mette compagnie ofte heure geassocieerde gehandelt hadden”, maar ook dat de beide bewindhebbers »meer sochten haer particulier proffyt als het beste vande gemene Compaignie twelck sij schuldich waeren te besorgen.” Maar afgezien van de moraliteit der zaak schijnt het mij toe, dat de Noordsche Compagnie door de Staten-Generaal bepaaldelijk in het ongelijk gesteld moest worden. De bewindhebbers erkenden zelven, dat zij niet voldaan hadden aan de bij het »generael octroy” gestelde voorwaarde; zij mochten nu de fout, door hen begaan, op rekening hunner tegenpartij schuiven en van »het versuym ofte veel eer eygenbaatsouckicheyt” van Kyen en Leversteyn spreken, te ontkennen was het niet, dat zij hun recht op een octrooi van vier jaren voor goed verbeurd hadden. Zelven schijnen zij dit gebrek in hun sustenu te hebben ingezien, althans zij trachtten vrij onhandig de Staten te overtuigen, dat het nieuw ontdekte eiland eigenlijk reeds onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen was als behoorende onder »de Kusten ende Landen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe” en als een van de »andere Landen die onder Groenlant gevonden souden mogen werden.” Juist om dergelijke redeneeringen te voorkomen, was echter het »generael octroy” uitgevaardigd, en de eenvoudige lezing van het octrooi der Noordsche Compagnie in verband met het plakkaat van 27 Maart 1614 overtuigt dan ook ieder van de ongegrondheid dezer beweringen. Dit feit als bewezen aannemende, verklaarden de gedaagden dan ook ronduit, dat de beoordeeling der middelen, waarmede zij hun voordeel »in mari libero” gezocht hadden, niet aan de Staten-Generaal stond; slechts een uitspraak over de feitelijke quaestiën, of het eiland al of niet onder het octrooi der Noordsche Compagnie behoorde, en zoo neen wie als ontdekker daarvan moest beschouwd worden, werd van de Staten geëischt[1134].
Bij eene zoo duidelijke redeneering kan het oppervlakkig eenigszins zonderling schijnen, dat de gedaagden aanvankelijk geen aanspraak op uitsluitende rechten gemaakt schijnen te hebben. Maar zoo sterk als hunne zaak was voor de Staten-Generaal, die slechts over inbreuken op het octrooi der compagnie en over het recht op de voordeelen van het »generael octroy” als arbiters uitspraak doen konden, zoo uiterst zwak was zij, wanneer hunne tegenpartij den gewonen weg van rechten wilde inslaan. De Noordsche Compagnie was dadelijk begonnen met aan de Staten over te leggen de Instructie van de bewindhebbers der compagnie, waarvan art. 10 bepaalde, dat niemand de besluiten der vereeniging of hetgeen hij in zijne hoedanigheid als aandeelhouder gehoord had, tot zijn partikulier voordeel mocht aanwenden. Volgens dit artikel waren de bewindhebbers natuurlijk volkomen gerechtigd hunne ambtgenooten, die op het van Kerckhoff in hunne hoedanigheid van bewindhebbers vernomene het ontdekte eiland, dat in het gunstigste geval ten bate der Delftsche kamer had moeten komen, in hun eigen voordeel geëxploiteerd hadden, voor de gewone rechters aan te spreken tot vergoeding van de schade, die de Noordsche Compagnie door de gevolgen hunner onrechtmatige daad geleden had. De verdediging van Kyen en Leversteyn was op dit punt uiterst zwak[1135].
Het zal dan ook wel door het bewustzijn geweest zijn, dat dit gevaar hen dreigde nu hunne handelwijze bekend geworden was, dat Kyen en Leversteyn, toen zij voor de door de Staten-Generaal benoemde commissie[1136] verschenen, voorstellen deden, die men van rechthebbenden volgens het »generael octroy” niet verwacht hebben zou. Zij sloegen voor: dat men hun zou toelaten met vier schepen aan het »eylant in questie” te visschen, terwijl de Noordsche Compagnie daarheen zoovele schepen zou mogen zenden als zij wilde; òf dat men hun verlof zou geven tot de vier reizen naar het eiland op de voorwaarden, dat zij al, wat de ondervinding hun over de ligging en de geschiktheid daarvan voor de visscherij had geleerd, aan hunne medebewindhebbers zouden mededeelen en dat zij door den verkoop hunner traan de markt voor de Noordsche Compagnie niet zouden bederven. Toen deze voorslagen werden geweigerd, verzochten Kyen en Leversteyn eindelijk, dat de Staten-Generaal in plaats van de »enorme sware conclusie” der Noordsche Compagnie toe te wijzen zouden bevelen, dat beide partijen zonder prejuditie der wederzijdsche aanspraken dit jaar aan Jan Mayen-eiland zouden mogen visschen. Men zou zoodoende in de gelegenheid zijn het sustenu der Noordsche Compagnie met betrekking tot de ligging van het eiland behoorlijk te onderzoeken en na acht of tien maanden zouden de Staten met kennis van zaken uitspraak kunnen doen[1137]. Dit voorstel werd eindelijk 29 Februari 1616 door de Staten-Generaal goedgekeurd[1138]. De Noordsche Compagnie was echter slechts door de bedreiging, dat men anders met afwijzing van al hare actiën tegen Kyen en Leversteyn over het vroeger gebeurde de nu voorgestelde regeling voor goed zou vaststellen, tot berusten in deze uitspraak der Staten te brengen[1139].
In den zomer van 1616 vischten beide partijen, nadat zij overeengekomen waren, dat men de door beiden te vangen walvisschen zou verdeelen naar evenredigheid van het getal der sloepen[1140], in vrede aan het eiland; maar spoedig wendden toch beiden zich weder tot de Staten met verzoek om bepaling van den tijd, waarin zij de bij het »generael octroy” vermelde vier reizen moesten doen[1141]. De Staten-Generaal toonden zich geneigd de zaak voor het volgende jaar nogmaals te schikken evenals in 1616[1142], maar de nadere kennismaking had beide partijen het gewicht van het eiland doen beseffen. De verbittering was zoo groot, dat zij beiden de Staten-Generaal verzochten om zonder uitstel in hunne zaak te beslissen. De stukken waren reeds vroeger gesteld in handen van den Hoogen Raad[1143] en na vele aanmaningen gelukte het nu, den 13 April 1617 eene definitieve uitspraak van dit college te verkrijgen[1144]. Waarschijnlijk op grond der bepaling in het »generael octroy,” dat »bij soo verre in ofte ontrent, een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien, nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten, de selve te samen het Octroy ende Privilegie souden genieten,” besliste de Hooge Raad met het oog op de beide reizen van Kerckhoff en Paelman in 1615, dat beide partijen gedurende vier jaren, ingaande met 1618[1145] »met gelyck recht, ende sonder malkanderen eenich beleth te doen het eylant in questie souden mogen beuisschen op alsulcken ordre als syluyden metten anderen onderlinge souden ghoedt vinden, off anders by de hoochgemelte heeren Staten generael soude werden gearbitreert[1146].”
Zoo hadden dus de kapitalisten, die hun geld in de onderneming van Kyen en Leversteyn steken zouden, recht om ten minste gedurende vier jaren nevens de Noordsche Compagnie openlijk als mededingers op te treden. De gelegenheid was te schoon om ze niet te gebruiken: aan Jan Mayen-eiland had men niet zooals aan Spitsbergen eene zware concurrentie van buitenlanders te vreezen. De ondernemingszucht der Nederlandsche kooplieden aarzelde dan ook niet, aandeelen op ruime schaal te nemen. Reeds in 1616 was »de cleyne Noortsche Compagnie”, zooals men de vereeniging noemde, in staat geweest, vijf schepen naar het eiland te zenden, terwijl de uitrusting der Noordsche Compagnie uit slechts zes schepen bestaan had[1147]. Eene quaestie tusschen de beide wedijverende compagniën over den zin van het vonnis schijnt geen gevolg gehad te hebben[1148], en de Noordsche Compagnie berustte weldra in wat niet te veranderen was. Den 25 Mei 1620 trof zij met hare jongere zuster eene overeenkomst, waarbij partijen op de gemeenschappelijke visscherij aan het eiland orde stelden[1149], en elkander tot behoud der goede verstandhouding een gedeelte van het strand tot de oprichting van de tot de vangst noodige gebouwen toedeelden[1150].
De vereeniging der beide compagniën schijnt reeds toen vrij nauw geweest te zijn[1151], en toen weldra de tijd aanbrak, waarop de kleine Noordsche Compagnie door het einde van haar vierjarig recht zich zou moeten oplossen, had de geoctrooieerde vereeniging, door herhaalde verliezen verzwakt, er niets tegen zich door de opname der kleinere met haar vrij aanzienlijk kapitaal te versterken. Wel is waar moest dan het uitsluitende recht der Noordsche Compagnie op Spitsbergen opgegeven worden, maar de visscherij aan dat eiland, waar Engeland en Denemarken om den voorrang twistten, had in de laatste jaren sinds de exploitatie van Jan Mayen-eiland veel van haar belang verloren. Men besloot dan ook 4 December 1620 om het volgende jaar, wanneer ook het octrooi der Noordsche Compagnie ten einde liep, op naam der twee compagniën aan de Staten-Generaal verlenging daarvan te vragen; tegen 26 Augustus 1621 zouden afgevaardigden van de beide vereenigingen in Den Haag verschijnen om nadere maatregelen te beramen. Met de Zeeuwsche walvischvaarders vereenigd, hoopte men eene groote compagnie vrij van alle concurrentie te vormen[1152]. Toen echter de combinatie der Noordsche Compagnie met de Zeeuwen spoedig tot stand kwam,—toen misschien eene goede vangst in den zomer van 1621 de walvischvaarders verrijkte, schijnt de Noordsche Compagnie gemeend te hebben, dat zij de medewerking der kleine Noordsche wel kon ontberen. Zeker is het ten minste, dat de oude animositeit weder opleefde, en toen de afgevaardigden der kleine Noordsche Compagnie op den bepaalden tijd in Den Haag aankwamen, vonden zij hunne partij van gevoelen veranderd. Tegenspraak baatte niet, en werkelijk verzocht de Noordsche Compagnie 1 September 1621 alleen op haar eigen naam verlenging van het octrooi voor twaalf jaren[1153]. Dadelijk protesteerde de kleine Noordsche, en verzocht van hare zijde een octrooi voor de walvischvangst van zes jaren[1154].
De Staten-Generaal waren nu in een moeielijk geval. Eenheid in de uitrustingen ter walvischvangst te brengen en daardoor dit bedrijf niettegenstaande den tegenstand van buiten in de Vereenigde Nederlanden te vestigen was steeds hun streven geweest. Hunne pogingen, in 1614 door de vereeniging van alle bestaande compagniën onder éen octrooi zoo goed geslaagd, waren reeds in 1616 door de oprichting van twee nieuwe compagniën weder vruchteloos gemaakt. Wat wonder was het, dat zij, nu twee der mededingsters zich met eensluidende verzoekschriften tot hen wendden, dadelijk besloten om te beproeven van beide compagniën en eventueele nieuwe participanten bij deze gelegenheid eene nieuwe generale compagnie voor de walvischvangst te vormen[1155]. Het kapitaal van beiden zou zoodoende voor de Nederlandsche walvischvangst behouden blijven, zonder dat er gevaar was dat de eene compagnie de andere doodvaren zou.
Holland, als altijd toongevend in een besluit dat handel en zeevaart betrof, poogde dadelijk de beide twistende vereenigingen door hare tusschenkomst tot een vergelijk te brengen. Na langdurige conferentiën sloegen de gedeputeerden der Staten van dit gewest voor, de aandeelhouders der kleine compagnie over de kamers van Maas en Noorderkwartier te verdeelen; de onderlinge verhouding van de kamers der Noordsche Compagnie zou dan in zooverre gewijzigd worden, dat, terwijl Zeeland het haar toekomende 1⁄4 van de geheele vangst behield, de overschietende 3⁄4 in drie gelijke deelen tusschen de kamers van Amsterdam, de Maas en het Noorderkwartier verdeeld zouden worden. Maar deze regeling stuitte af op den bepaalden onwil der groote compagnie, voornamelijk zeker van de Amsterdamsche kamer, die dusdoende haar overwicht zou verloren hebben. Een andere voorslag »omme de cleyne Compaignie te laten soo die is,” d. i. eene afzonderlijke kamer op te richten, vond niet meer genade in de oogen der oudste zuster en ook de jongere was hardnekkig en »wilde oick niet en affstaen.” Het scheen onmogelijk de twistenden tot overeenstemming te brengen; de tijd der nieuwe uitrusting naderde en de commissie wist dan ook geen beter raad te geven, dan om »alsoo de disputen langer tyt requireerden” de beide compagniën te machtigen, dat jaar nog op den ouden voet haar bedrijf te oefenen en onderwijl de onderhandelingen voort te zetten. De Staten van Holland vereenigden zich met dezen voorslag en gelastten hunne gedeputeerden ter generaliteit in dien geest werkzaam te zijn[1156]. Zij deden dit met het beste gevolg: reeds den volgenden dag werd door de Staten-Generaal eene commissie benoemd, om de twee requestranten tot een vergelijk en tot berusten in den wil der Staten-Generaal te brengen[1157]. Na eenige weinige conferentiën bleek het echter ook aan deze gedeputeerden, dat de onderlinge naijver der twee compagniën te groot was om spoedig eene verzoening te weeg te brengen: de commissie adviseerde de Staten-Generaal »hierinne met authoriteyt te decreteren ende decideren.” Zij zelve deed daartoe in den geest van de resolutie door Holland genomen eenen voorloopigen voorslag, dien zij wenschten, dat de Staten-Generaal de beide compagniën op verbeurte van haar octrooi zouden doen aannemen. Dienovereenkomstig werd besloten[1158] en de voorslag 4 Februari 1622 gearresteerd. De geheele jaarlijksche vangst der Nederlanders was daarbij begroot op 21.000 quarteelen traan en de Staten-Generaal beslisten nu, dat van dit getal de geoctrooieerde Noordsche Compagnie zou mogen vangen tot 10.000 quarteelen, terwijl de kleine met 6000 zou moeten tevreden zijn[1159]. De kleine Noordsche Compagnie bleef bij hare vangst als vroeger beperkt tot Jan Mayen-eiland; de groote zou echter in mindering van haar aandeel aan de visscherij bij dit eiland haar bedrijf ook aan Spitsbergen of elders mogen oefenen. De voorslag zou het recht van geene der partijen bij eene definitieve regeling praejudiciëeren, maar het was dan ook alleen bij aanneming daarvan, dat de Staten-Generaal voorloopig nog voor éen jaar aan beiden verlof tot de walvischvangst gaven[1160]. Aan Pieter Van der Graeff, Reyer Van der Burch en Adriaen Dircxz. Leversteyn, die te zamen 1⁄4 aandeel hadden in de kleine Noordsche Compagnie, werd op hun herhaald verzoek eene afzonderlijke vermeerdering van hunne portie toegestaan met 1500, later met nog 300 quarteelen[1161], zoodat de kleine Noordsche Compagnie nu bestond uit drie deelen, elk van 1500 quarteelen, en een vierde, dat onder drie kooplieden verdeeld was, die gezamenlijk recht hadden op 3300 quarteelen[1162]. Uit de resolutie van 4 Februari zou daarop volgens de voorstellen van alle compagniën een reglement op de walvischvangst door de Staten-Generaal gearresteerd worden[1163].
Nu de regeering zoodoende tot eenheid gedwongen had, nam ook het onderlinge twisten der mededingsters een einde. De proef van een jaar gelukte uitnemend: den 20 December 1622 verzochten beide compagniën, nu tot éene vereenigd, om verlenging van haar octrooi[1164]. De Staten-Generaal waren dadelijk bereid het verzoek toe te staan[1165], en de kleine Noordsche Compagnie deelde voortaan als tweede Delftsche kamer der geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst in alle voordeelen harer oudere zuster[1166].
De tweede aanval op de alleenheerschappij der Noordsche Compagnie kwam van Zeeuwsche zijde. Toen de Staten-Generaal in 1614 octrooi verleend hadden aan de vereenigde walvischvangers, had Zeeland zich met kracht hiertegen verzet. De provincie meende, dat het als eene uittarting van den machtigen vorst van Groot-Britannië zou beschouwd worden, zoo men niettegenstaande diens bepaald uitgedrukt verlangen openlijk de overtreders van zijn gebod in bescherming nam en hunne handelwijze wettigde. Door zijdelingsche ondersteuning en aanmoediging van staatswege, dus schreven de Staten van Zeeland, zou de Nederlandsche walvischvangst weldra in staat zijn zich met de Engelschen te meten; dezen zouden dan geen aanval meer wagen en de koning zelf zou dan niet langer aandringen op de erkenning van souvereiniteitsrechten, wier handhaving onmogelijk gebleken was. Eerst wanneer dit resultaat door bezendingen en goede woorden verkregen was, zou de tijd gekomen zijn om aan de walvischvaarders het verzochte octrooi te verleenen. Niettegenstaande alle pogingen van Den Haag uit aangewend, bleef Zeeland in zijne oppositie volharden en het octrooi werd eindelijk zonder de toestemming der provincie verleend[1167].
De Staten-Generaal hadden ongetwijfeld het recht, zich niet aan den tegenstand van eene provincie te storen. De grondwet der Vereenigde Provinciën had het verleenen van octrooien als niet dependeerende van de Unie aan de gewesten gelaten, en het was dus volgens de Unie van Utrecht aan zes provinciën volkomen geoorloofd een octrooi uit te geven, al weerhield de zevende zuster hare toestemming. Ook het gebruik, die gewichtige rechtsbron in de republiek, wettigde het besluit der Staten-Generaal. Het was namelijk reeds dadelijk in 1579 gewoonte geworden of liever gebleven, om sommige onderwerpen, wier regeling de Unie aan de provinciën had overgelaten, bij de vergadering der Staten-Generaal te brengen, ten einde meer eenstemmigheid in de vastgestelde maatregelen te verkrijgen. Tot die onderwerpen behoorde ook zonder tegenspraak het verleenen van octrooien. En daar dit eene zaak was, in verreweg de meeste gevallen van zeer ondergeschikt belang, hadden de provinciën stilzwijgend van haar recht afstand gedaan en besloot men daarin steeds bij overstemming. Het gebruik had deze regeling bekrachtigd en hechtte dus ook nu zijn zegel aan het besluit der generaliteit, om geen acht te slaan op Zeelands tegenstand. Wettigden dus recht en gewoonte gelijkelijk het verleenen van het octrooi, de positie van Zeeland bleef min of meer dubbelzinnig. De Unie van Utrecht liet de Staten der tegenstrevende provincie als souvereinen in hun gewest toe een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen; de gewoonte vorderde, dat zij zich aan den wil der Staten-Generaal onderwierpen en zich gebonden rekenden door het door hen verleende octrooi. Ook hier weder week men echter in de republiek in sommige gevallen van het eenmaal vastgestelde af. De Staten-Generaal zelven hadden weldra het onmogelijke ingezien, om hun door gewoonte verkregen recht te handhaven. Was het reeds ondoenlijk gebleken machtige provinciën tot onderwerping aan de generaliteit te dwingen, waar de Unie dit uitdrukkelijk beval; hoeveel te minder was dit uitvoerbaar, waar de weerstrevende provincie den letter der wet in haar voordeel had. De Staten-Generaal waren dan ook steeds geneigd bevonden om toe te geven, wanneer eene machtige provincie meende zich niet door het tegen haren zin doorgegane besluit te moeten laten binden, en Zeeland had dus ook nu veel kans hare vrijheid erkend te zien.
Niet lang duurde het, of de provincie besloot van de gunstige positie, waarin haar het toeval geplaatst had, gebruik te maken. Nauwelijks bleek het, dat de Hollanders in de walvischvangst uitnemend slaagden en ook de Engelschen zich aanvankelijk rustig hielden of Jan Lampsius en eenige andere Vlissingsche kooplieden wendden zich tot de Staten van hun gewest met de mededeeling, dat zij voornemens waren zich nevens de Hollanders op de walvischvangst te gaan toeleggen. Daar echter de uitsluitende geest der Noordsche Compagnie hun te goed bekend was, verzochten zij van de Staten eene akte »om hun te indempniseren van zoodanigen schade als hun by de Hollanders zoude mogen aengedaen werden.” De Staten van Zeeland, naijverig op hunne vrijheid, verklaarden dadelijk: »dat, alzoo de Heeren Staten van Zeelant in het voorschreve Octroy niet en hadden geconsenteert, men niet en verstond dat selve soude strecken tot prejuditie van de Neeringe van hunne Ingesetenen, die daerom vryelyck nevens andere van dese Landen mochten aldaer visschen[1168].”
Niettegenstaande deze gunstige beschikking ging er met de uitrusting der schepen te veel tijd heen, dan dat men nog dit jaar eene reis kon doen[1169]. Eerst in 1616 rustte de Vlissingsche reederij twee schepen, de »Cabbeliau” kapitein Willem Willemsz., en een ander schip, kapitein Jan Verelle, naar het noorden uit. De Noordsche Compagnie protesteerde wel daartegen, maar de Staten-Generaal handhaafden de vrijheid van Zeeland en bevalen commandeur Schrobop de Zeeuwen evenals de Hollanders tegen hunne vijanden te beschermen[1170]. In den zomer verschenen dan ook de twee schepen aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland en hadden eene goede vangst[1171]. Maar nauwelijks kregen de bewindhebbers der Noordsche Compagnie hiervan bericht, of zij schreven aan den commandeur met bevel om de beide Zeeuwen te arresteeren en naar eene Hollandsche haven te voeren. Het gevolg was, dat het schip de »Cabbeliau” werkelijk in Texel opgebracht werd en de Noordsche Compagnie zich gereed maakte het te laten verbeurd verklaren[1172]. De reeders wendden zich dadelijk in groote onrust aan de Staten van Zeeland. Zij klaagden over de gewelddadige handelwijze der Hollanders, niettegenstaande de akte van vrijgeleide hun door de Staten van Zeeland verleend, niettegenstaande het bevel der Staten-Generaal aan den commandeur om de Zeeuwen te beschermen, en zij eischten van hunne regeering, dat zij ter handhaving van hun vrijgeleide hunne onderdanen van het dreigende proces zouden bevrijden. De Staten van Zeeland, verontwaardigd over het door de Hollanders gepleegde geweld, zeiden den supplianten terstond hunne hulp toe en schreven aan hunne gedeputeerden naar Den Haag om hen op alle mogelijke wijzen bij te staan[1173].
Hoe gunstig zich de zaak dus aanvankelijk voor de Vlissingsche reeders liet aanzien, de afloop was hun zeer nadeelig. En terecht! De Staten-Generaal hadden het recht van Zeeland erkend om ongestoord alle voordeelen te genieten, die aan de Noordsche Compagnie volgens haar octrooi toekwamen. Waarschijnlijk zou deze dan ook hare mededingers gewillig op Spitsbergen hebben toegelaten. Geheel anders stonden echter de zaken, nu de Zeeuwen aan Jan Mayen-eiland hunne nering wilden oefenen. Niet krachtens het octrooi, maar door haar verkregen recht als ontdekkers volgens het plakkaat van 27 Maart 1614 vischten de beide Hollandsche compagniën aan dit eiland. De provincie Zeeland had zelve medegewerkt tot het vaststellen van dit plakkaat en was dus aan de bepalingen daarvan gebonden. Zeeuwsche compagniën hadden hier niets voor boven Hollandsche: het was hun evenmin als dezen geoorloofd gedurende vier jaar aan Jan Mayen-eiland met de beide bevoorrechte vereenigingen te concurreeren. Weldra beter ingelicht, mengden zich dan ook de Staten van Zeeland niet verder in het proces. Het gearresteerde schip werd spoedig tegen cautie in vrijheid gesteld[1174], maar de Hooge Raad, aan wien de zaak door de Staten-Generaal in handen gegeven was[1175], besliste 13 April 1617, dat de Vlissingsche reederij gedurende den tijd bij het »generael octroy” bepaald geen recht had aan »het eylant in questie” te visschen. Over het gearresteerde schip zouden partijen zoo mogelijk eene minnelijke schikking treffen, en daartoe voor den raadsheeren Rombout Hoogerbeets en Adriaan Junius verschijnen[1176].
Voor deze laatste verzoenende bepaling was veel reden: de strijdende partijen stonden reeds niet meer vijandig tegen elkander over; het waren nu compagnons, die onderling twistten. Reeds in October 1616 was er in de statenvergadering van Zeeland ernstig beraadslaagd over het verzoek der Noordsche Compagnie om verlenging van haar octrooi, dat met het jaar 1617 eindigen zou[1177]. Nu zich in Zeeland zelf eene compagnie voor de walvischvangst gevormd had, toonden de Staten van dat gewest zich geneigd tot de verlenging mede te werken, mits men hunne onderdanen voor een gedeelte in de geoctrooieerde vereeniging toeliet[1178]. De vraag was nu echter, hoe de Hollanders, die natuurlijk met het oog op de voortdurende concurrentie der Zeeuwen, dezen gaarne in hunne compagnie wilden opnemen, bij die toelating zouden willen handelen. De Staten van Zeeland wenschten te weten, of de bedoeling der Hollanders was, de kapitalen der beide vereenigingen te combineeren en gezamenlijk éene compagnie uit te maken, waarvan alle leden gelijke aanspraak op winst en verlies hadden en allen door dezelfde bewindhebbers bestuurd werden, dan wel of de vereenigingen alleen zouden samenwerken in het gezamenlijk aanvragen van octrooi. In het laatste geval toch zou elke kamer der compagnie voor eigene rekening schepen uitrusten, terwijl men daarbij alleen door een reglement, door de gezamenlijke kamers gemaakt over de grootte en uitrusting der schepen en het samenblijven tot gemeenschappelijke verdediging tegen vijanden, in zijne vrijheid beperkt zou zijn. (regulated company.)[1179] Aan zulk een vrijzinnigen voorslag dachten echter de Hollandsche reeders niet: eene regeling als deze zou voor de Zeeuwen een ruim veld ter concurrentie overlaten, en de bezwaren, door de Noordsche Compagnie tegen de oprichting der Zeeuwsche geopperd, zouden zoodoende bijna allen blijven bestaan. Zij wezen er dan ook dadelijk op, dat twist onvermijdelijk was, wanneer men zich niet geheel vereenigde; het was toch onmogelijk, aan ieder der compagniën afzonderlijke baaien voor hare visscherij aan te wijzen en twee of drie zouden dus naast elkander haar bedrijf moeten oefenen. Bovendien was het noodzakelijk, dat men ook over het getal der uitterusten schepen bepalingen maakte, want »de neringe selve was soo groot niet, dat die vruchtbaerlyck met onbepaeldt getal van schepen soude connen werden gedaen.” De Noordsche Compagnie was dus van plan de verlenging van het octrooi voor zich alleen aan te vragen, »als vele costen gedragen hebbende met cleine profictien.” Wel wilde zij de Zeeuwen voor een nader te bepalen deel toelaten, maar het zou zijn op voorwaarde, dat zoowel het kapitaal als de risico vereenigd zouden worden en dus ook de uitrustingen voor gezamenlijke rekening zouden plaats hebben. Stonden de Zeeuwen er echter bepaald op, zich op zich zelf te houden, dan wenschten de Hollanders ieders aandeel in de vangst afzonderlijk te bepalen; de verschillende uitrustingen zouden dan »tot gemeenen behouve den visch vangen, die men in loco soude deelen en ijder sijn contingent mede gheven.”[1180].
De onderhandelingen duurden lang. Zeeland schijnt zich met de haar eigene doorzettende vrijheidsliefde tegen eene geheele vereeniging verzet te hebben, en tot eene combinatie van kapitalen kwam het dan ook niet. Toch kregen de Hollanders in zooverre hunnen zin, dat het getal schepen onderling bepaald werd en aan elk der contractanten een vooruit bepaald aandeel aan de uitrustingen werd toegekend. Zij boden daarop den Zeeuwen 1⁄5 aan[1181]; de Vlissingsche reederij was niet ongeneigd, voor 1⁄4 aandeel als lid der vereeniging op te treden[1182]. Door bemiddeling der Staten-Generaal[1183], die in de talrijke concurrenten der Noordsche Compagnie vijanden der eenheid en macht zagen, die zij door het octrooi aan de Nederlandsche walvischvaarders hadden willen geven, werden de twee compagniën het nu weldra eens, en gezamenlijk werd bij de Staten-Generaal een nieuw octrooi aangevraagd[1184]. Den 24 Januari 1617 werd dit op naam der beide vereenigingen voor vier jaar verleend[1185]. De Staten van Zeeland, die in deze zaak met groote behoedzaamheid handelden en niet dan met volkomen kennis van zaken hunne toestemming verleenen wilden[1186], keurden het 27 Januari goed[1187].
Weldra kwam nu de zaak in orde: den 19 Maart 1617 sloten de Hollandsche en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst eene overeenkomst, waarbij aan die van Zeeland 1⁄4 deel in het gemeenschappelijk octrooi werd ingeruimd. Er werd verder bepaald, dat gedurende drie jaren Holland vier stemmen zou hebben tegen Zeeland éene, terwijl de vergaderingen onder praesidium van eene der Hollandsche kamers in die provincie zouden gehouden worden; het vierde jaar zou Holland drie stemmen hebben tegen Zeeland twee, terwijl een der Zeeuwsche bewindhebbers de algemeene vergadering in Zeeland zou praesideeren. (art. 2-4.) De meerderheid der kamers zou de minderheid binden aan alle besluiten der algemeene vergadering. (art. 5, 7.) Nieuwe bewindhebbers eener kamer zouden uit een dubbeltal, door de overblijvende bewindhebbers uit de hoogste participanten opgemaakt, gekozen worden door den magistraat der stad, waar de kamer gevestigd was. (art. 10.) Over de jaarlijksche uitrustingen zou de algemeene vergadering beslissen. (art. 12.) Ontdekkingen, door schepen der Noordsche Compagnie gedaan, zouden komen ten bate der generale compagnie. (art. 19.)[1188]
Evenals de Hollandsche walvischvaarders werden nu ook de Zeeuwen in kamers verdeeld. De hoop op vereeniging met de groote compagnie voor de walvischvangst had nieuwe mededingers opgeroepen. Eene tweede Vlissingsche compagnie, aan het hoofd waarvan zekere Jan De Moor stond, was naast Lampsius en de zijnen opgetreden[1189] en zond in het voorjaar van 1617 naast zijne twee schepen een derde naar Spitsbergen. En weldra meldden zich nog meer Zeeuwen aan, die begeerig waren in de winsten der walvischvangst te deelen. De Staten van Zeeland hadden dadelijk na het verleenen van het nieuwe octrooi, brieven rondgezonden aan de verschillende Zeeuwsche steden, ze aanschrijvende binnen veertien dagen opgave te doen van de kooplieden, die in elke stad in de nieuwe compagnie wilden participeeren[1190]. Het resultaat was zeer bevredigend geweest, en uit de oude participanten, te zamen met de nieuwe pretendenten werden nu bij het contract met de Hollanders drie kamers gevormd. De beide Vlissingsche reederijen werden tot éene kamer der Noordsche Compagnie vereenigd[1191]; uit de nieuwe participanten werden twee andere kamers gevormd, die zich te Middelburg en te Veere vestigden[1192]. Deze verdeeling bleef bestaan tot den val der Noordsche Compagnie toe.
Boven hebben wij reeds gezien, dat de vereeniging van Hollanders en Zeeuwen aanvankelijk niet de gewenschte vruchten droeg[1193]. Door hunne bondgenooten alleen gelaten konden de drie schepen der Vlissingsche compagniën in 1617 geen verlof van de Engelschen krijgen om hun bedrijf aan Spitsbergen te oefenen, en werd een der schepen van Lampsius door hen zelfs van alles beroofd[1194]. Eene poging, door de teleurgestelde reeders gewaagd, om zich voor dergelijke aanvallen in het vervolg te behoeden door zich te vereenigen met eene nieuwe Engelsche compagnie, die zich gereed maakte met de Moscovische Compagnie te concurreeren, mislukte[1195] en in 1618 wreekten twee Vlissingsche walvischvaarders en een van Veere zich op de Engelschen door het berooven van het schip »the Pleasure” in Sir Thomas Smiths-bay[1196].
Eene andere zaak dreigde de Zeeuwen nog langen tijd met moeielijkheden. Niettegenstaande het contract van 1617 bleef er tusschen de Hollandsche en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst nog steeds een groot onderscheid. Zeeland bleef van Jan Mayen-eiland natuurlijk uitgesloten; de oude Noordsche Compagnie was de eenige der drie mededingsters, die hare uitrustingen zoowel naar Spitsbergen als naar Jan Mayen-eiland kon zenden. Deze ongelijkheid hinderde de Zeeuwen steeds, maar door de ondervinding geleerd, waagden zij het niet weder zonder uitdrukkelijke verklaring van de Staten-Generaal aan Jan Mayen-eiland te verschijnen. Eene eerste poging, reeds in 1618 tot het verkrijgen van zulk eene verklaring aangewend, stuitte natuurlijk af op het blijkbare recht der Hollanders[1197]. In het voorjaar van 1620 werd het verzoek der Zeeuwen met meer nadruk en ook met meer recht herhaald[1198]: de beide Hollandsche compagniën hadden nu reeds vier jaren aan Jan Mayen-eiland gevischt, de kleine zelfs reeds vijf jaren, en de tijd bij het »generael octroy” bepaald was dus verstreken. Het schijnt echter, dat de Hooge Raad bij zijn vonnis den tijd der vier reizen heeft willen doen ingaan met 1618[1199] en het gelukte den Hollandschen reeders dan ook, de toelating der Zeeuwen aan het eiland te doen verschuiven tot twee jaren na de aanvrage. De Zeeuwen berustten daarin, en niettegenstaande hunne onaangenaamheden met de Engelschen op Spitsbergen in 1617 en 1618 hielden zij vol en zonden telkens weder hunne schepen daarheen. In de aan de Mauritius-baai grenzende inham, die de Zeeuwsche baai genoemd wordt, vestigden zij zich afgescheiden van hunne deelgenooten; kort na 1624 verhuisden de Vlissingers zelfs naar het door de Denen lediggelaten terrein in de Mauritius-baai[1200]. Toen echter het octrooi van 1617, dat alleen verleend was »sonder prejuditie van het recht op het Eylant in questie by d’ Ondeckers van ’t selve uyt krachte van het Generael Placaet verkregen”[1201], met het jaar 1621 geëindigd was[1202], begreep de Noordsche Compagnie zelve, dat verdere pogingen om de Zeeuwen van Jan Mayen-eiland verwijderd te houden vruchteloos zouden zijn. Zij nam het initiatief en noodigde de Zeeuwsche walvischvaarders tot eene conferentie om over de voorwaarden eener algeheele vereeniging te beraadslagen[1203]. De zaak slaagde naar wensch en 8 Januari 1622 verzochten beide compagniën te zamen verlenging van het octrooi voor de walvischvangst[1204]. De toegevendheid der Noordsche Compagnie was waarschijnlijk niets dan eene list om eene combinatie met de gehate kleine Noordsche Compagnie te vermijden: met de Zeeuwen vereenigd voelde zij zich sterk genoeg om alle concurrentie te trotseeren. De Staten-Generaal waren echter van een ander gevoelen; wij zagen reeds, dat door hunne tusschenkomst de drie compagniën gedwongen werden voor het jaar 1621 zich bij de vangst tot een bepaald getal quarteelen traan te beperken. Terwijl aan de groote en kleine Hollandsche compagniën 10,000 en 6000 quarteelen traan werden toegelegd, bedroeg het aantal der Zeeuwen in de te vangen 21,000 quarteelen slechts 5000. Maar tevens werd dan ook hun recht op de visscherij bij Jan Mayen-eiland, dat sinds het vierjarig octrooi der ontdekkers geëindigd was, onder het octrooi der Noordsche Compagnie behoorde, uitdrukkelijk erkend[1205]. De Hollanders schijnen echter, nu eens de toestemming der Staten verkregen was, weder minder willig geweest te zijn om de resolutie uit te voeren; althans het reglement, dat volgens het verlangen der regeering in den geest der jongste regeling door de compagnie zelve opgemaakt moest worden, stuitte bij hen voortdurend op zwarigheden[1206]. Geen wonder dan ook, dat de Zeeuwen hunne medeleden wantrouwden; gedachtig aan hun wedervaren van 1616 verzochten zij de Staten-Generaal om eene afzonderlijke akte, waarbij hun uitdrukkelijk verlof gegeven werd om aan Jan Mayen-eiland hunne traankokerijen te mogen bouwen. De akte werd dadelijk verleend[1207], en op het einde des jaars werden de Zeeuwen evenals de kleine Noordsche Compagnie mede begrepen onder de definitieve verlenging van het octrooi der walvischvaarders voor twaalf jaar[1208]. Voortaan was er dus in Nederland slechts éene compagnie, waarvan alle kamers geheel dezelfde rechten genoten.
Een derde aanval op de uitsluitende rechten der Noordsche Compagnie kwam van eene geheel andere zijde. De Staten-Generaal, afkeerig van monopolie als zij waren, hadden het octrooi der compagnie alleen zóover uitgestrekt als zij dat voor den bloei der walvischvangst noodig oordeelden: tusschen Novaya-Zemlya en straat Davis meende men, dat eene compagnie een veld ter ontginning had, ruim genoeg om daarvan te bestaan en om zelfs groote winsten te maken. De beperking had tevens misschien ten doel, de geheel op zich zelf staande walvischvangst, door sommige Nederlanders reeds lang vóor de oprichting der Noordsche Compagnie aan de Noordkaap en bij IJsland gedreven, ook naast de bevoorrechte vereeniging te laten bestaan. En werkelijk bleef dit bedrijf zich zoolang het octrooi duurde nevens de compagnie handhaven. Maar daar de in die wateren gevangen walvisschen steeds kleiner en minder rijk aan traan waren dan de bewoners der Spitsbergsche wateren,—vooral daar het verbod van den Deenschen koning de visschers gedurig dwong hun bedrijf te staken of zich van Deensche paspoorten te voorzien, was deze concurrentie voor de Noordsche Compagnie nooit eenigszins gevaarlijk geweest[1209]. Bedenkelijker scheen het, toen anderen dit voorbeeld volgende ook elders met de compagnie trachtten te wedijveren op plaatsen, buiten haar octrooi gelegen en waarop niemand eenige aanspraak maakte. Nog erger voor de vereeniging was het, dat die poging uitging van Zaanlanders, die reeds van ouds getoond hadden, geschiktheid en moed genoeg voor het gevaarlijke bedrijf te hebben.
Het was in 1626, dat Pieter Gijssen en Gijs Pieters[1210], twee Zaansche kooplieden, van den prins commissie vroegen om te mogen varen op Ruslands noordkust, op »de Samoetsche Cust” en door de straat van Nassau verder oostelijk[1211]. Men wist, dat zich daar geene walvisschen ophielden, maar vooral bij Novaya-Zemlya was overvloed van walrussen en de Zaandammers, de oudste Nederlandsche walrusjagers, meenden voornamelijk met de tanden der gevangene dieren ruime winsten te zullen behalen. Frederik Hendrik vroeg de voorlichting der Staten-Generaal met de mededeeling, dat de nieuwe vereeniging zich steeds buiten het gebied der Noordsche Compagnie, bij »plaetsen noyt in dier vougen wesende bevaeren,” dacht op te houden. Maar het was toch niet dan onder uitdrukkelijke vermaning, dat het octrooi der Noordsche Compagnie door de commissie van den prins vooral »niet en soude werden geinfringeert,” dat de Staten gunstig op het request der Zaandammers adviseerden[1212].
Twee schepen, van eenige kleine stukken geschut voorzien en met dertien koppen bemand, vertrokken dan ook in Mei 1626 naar het noorden[1213]. De onderneming was echter allerongelukkigst. Walrussen werden niet gevonden, slechts éen walvisch werd gedood; aan de straat van Nassau gekomen vonden de schepen die zoo geheel verstopt met ijs, dat de reis moest opgegeven worden[1214]. Werkelijk bleef het ijs steeds een bezwaar, dat ieder beletten zou met de Noordsche Compagnie, die hare tochten naar het bijna altijd ijsvrije Spitsbergen richtte, met vrucht te concurreeren. Hoewel de reeders de zaak nog niet opgaven en van plan waren in 1627 op nieuw naar het noorden te zeilen, hooren wij dan ook verder van de zaak niets en men mag dus aannemen, dat de onderneming is opgegeven.
Zoo was ook deze aanval op het monopoliestelsel mislukt en in lange jaren had de compagnie geene mededingers meer te vreezen. Krachtig en onaangevochten stond zij in 1622 daar met een ruim kapitaal, met ervarene zeelieden, en in het vooruitzicht van twaalf jaren binnenlandsche rust. Wat kon men niet in die twaalf jaren van bijna ongestoorden arbeid van hare pogingen verwachten! Tot welk een bloei kon de walvischnering niet door de vereenigde krachten van alle kamers, zelfstandig en toch vereenigd, gebracht worden! Welk een ruime winst beloofde dit tijdvak (1622-1634) aan de aandeelhouders! Juist echter de rust, die der compagnie gegund werd, ontwikkelde de zaden van tweedracht, die reeds in eigen boezem schuilden. De tijd werd met kleingeestig gekibbel om den voorrang doorgebracht, elke kamer was slechts op eigen voordeel bedacht en benadeelde de belangen der andere zooveel mogelijk; alleen de noodzakelijkheid hield de twistende partijen bijeen. De concurrentie, die door het octrooi bedwongen was, wroette nu in de eigene ingewanden der compagnie.
Wij zagen, dat reeds in het jaar der oprichting een ernstige twist ontstond tusschen twee bewindhebbers der Delftsche kamer en hunne ambtgenooten, en dat die twist zelfs tot eene scheuring leidde. De twee schuldigen, door de overigen met verwijten overladen, namen de gelegenheid waar om den Amsterdamschen bewindhebbers voor de voeten te werpen, dat zij zelven door hunne afzonderlijke walvischvangst aan de Noordkaap met Deensche passen de belangen der vereeniging op veel ergere wijze benadeelden dan de ontdekkers van Jan Mayen-eiland dat ooit konden doen[1215]. Zij, die zoo klaagden, schijnen op hunne beurt door de IJslandsche visscherij met de Noordsche Compagnie geconcurreerd te hebben[1216]. De Enkhuizensche en Hoornsche kamers lagen lange jaren overhoop over de verdeeling van de gedane vangst[1217]. Uitvoerig schetste ik reeds in het vijfde hoofdstuk de concurrentie, der generale compagnie aangedaan door de ontdekkingsreizen, die ondernomen werden op kosten van enkele kamers en vooral van enkele leden, onder wie de energieke Adriaen Dircxz. Leversteyn eene eerste plaats inneemt. Dit alles zijn echter slechts op zich zelf staande feiten, die alleen bewijzen, dat monopolie geen wedijver uitsluit, maar ze slechts verplaatst en van aard doet veranderen. Belangrijker was het streven van éene kamer, die jaren achtereen trachtte het overwicht over de andere te verkrijgen. De Amsterdammers, die in de oorspronkelijke Noordsche Compagnie van 1614 voor de helft participeerden[1218], waren niet tevreden met het overwicht, dat hunne positie hun van zelf verschafte. Evenals overal in de geschiedenis der Nederlandsche republiek vertoont zich ook hier het streven der Amsterdammers naar zelfstandigheid en overmacht duidelijk. Het zou niet moeielijk zijn, daarvan talrijke bewijzen aan te voeren; slechts enkele voorbeelden wil ik hier noemen.
Wij zagen reeds, dat de eigenmachtige handelwijze der Amsterdamsche kamer met de door de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie verleende konvooischepen in de jaren 1616, 1617 en 1618 de vereeniging met het machtige Engeland in moeielijkheden wikkelde, die het een tijd lang zelfs twijfelachtig maakten of de Nederlandsche walvischvangst zich op Spitsbergen zou kunnen handhaven en die, ofschoon dit gevaar gelukkig afgewend werd, aan de kamers van het Noorderkwartier en van Zeeland eene aanmerkelijke schade veroorzaakten[1219]. De ernstige gevolgen, die deze willekeurige handelwijze had, schrikten echter de Amsterdammers niet af: hun streven naar onafhankelijkheid toonde zich sedert steeds duidelijker. Toen de Zeeuwen in 1622, na de overeenkomst van de drie Nederlandsche compagniën door tusschenkomst der Staten-Generaal, zich gereed maakten de walvischvangst te hervatten, werden de Amsterdammers weigerachtig bevonden om eenig reglement te helpen beramen, dat de wederzijdsche rechten en verplichtingen nauwkeurig omschreef[1220]. Voor de handhaving harer eigene rechten was de oppermachtige kamer niet bevreesd; tegenover hare zwakkere bondgenooten wilde zij meer en meer eene onafhankelijke stelling innemen. Er waren meer teekenen, die reeds dadelijk van dit streven blijk gaven. Toen Pieter Van der Graeff, een der woeligste leden van de kleine Noordsche Compagnie, reeds bij de resolutiën van 11 en 12 Februari 1622 door de Staten-Generaal zéer bevoordeeld, door aankoop van aandeelen en misschien door andere middelen dreigde een gevaarlijk overwicht te verkrijgen, rustten de Amsterdammers, bevreesd voor den toenemenden invloed der Delftenaars niet, voordat Van der Graeff zich naar hunne stad had verplaatst en met zijne aandeelen lid der Amsterdamsche kamer geworden was[1221]. Maar er was nog meer. Niet alleen poogden de Amsterdammers, die niets met de vergoeding der schade van 1617 wilden te doen hebben en zich hooghartig van alle voorlichting over het in 1618 voorgevallene verschoonden, zonder de andere kamers te kennen vergoeding hunner in 1613 geledene schade te verkrijgen[1222]; maar zij wendden zich zelfs tot de Staten-Generaal met het verzoek om de hun bij de loting voor dit jaar toegevallene Mauritius-baai, de voordeeligste baai op Spitsbergen en de eenige, waar de Nederlandsche walvischvaarders aan geene aanvallen van buitenlandsche mededingers blootstonden, voor goed voor zich alleen te mogen behouden. Zij voegden er de schoonschijnende verklaring bij, dat zij er niets tegen hadden, zoo de andere kamers met de hun voor dat jaar toebedeelde baaien evenzoo handelden, en zij beloofden, alsof dit niet van zelf sprak, dat men in dat geval over geen overlast van de Amsterdamsche zuster zou hebben te klagen[1223]!
Onder deze en dergelijke onderlinge twisten verliep langzamerhand de tijd van het octrooi en men begon zich gereed te maken, om een nieuw te verzoeken. Maar te gelijk was het ook gedaan met de rust, die de Noordsche Compagnie sinds 1622 van binnenlandsche mededingers had gehad. Weldra bleek het nu, dat velen begeerig waren in de voordeelen der walvischvangst te deelen. Hilbrandt Dircksz., burgemeester van Harlingen, en Wybe Jansz. van Stavoren, die de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie jarenlang als scheepskapitein gediend had[1224], verzochten van de Staten van Friesland om verlof om ter walvischvangst te mogen uitreeden. Terwijl het twaalfjarig octrooi der Noordsche Compagnie eerst met het jaar 1634 verstrijken zou, liet dan ook Friesland reeds 13 November 1632 bij de Staten-Generaal aanhouden op weigering van eventueele verzoeken der vereeniging om verlenging van haar octrooi. De provincie begeerde, dat de vrijheid der vaart ook in dit opzicht gehandhaafd, of in ieder geval haren inwoners een aandeel in de vangst ingeruimd worden zou[1225]. Den 7 Maart 1633 werd dit verzoek nader aangedrongen[1226], maar desniettegenstaande verlengden de Staten-Generaal den 25 October van dat jaar in de afwezigheid der Friesche afgevaardigden het octrooi der Noordsche Compagnie nogmaals voor acht jaar[1227]. Het is waarlijk niet te verwonderen, dat de Friezen daarover zeer ontstemd waren: zij protesteerden den 19 November en verklaarden niet in de verlenging te bewilligen. Holland liet dadelijk een lang »tegenbericht” voorlezen[1228], maar de verongelijkte provincie drong »seer yverich ende met grooten ernst” op haar recht aan. De oneenigheid, die zoo ontstond, was een natuurlijk gevolg van den onzekeren toestand van het publieke recht in de republiek[1229]. Terwijl de Staten-Generaal bij hun besluit de oude gewoonte gevolgd waren, beriep Friesland zich met nadruk op de letter der wet. Hare gedeputeerden stelden aan de Staten-Generaal de bepaalde vraag, »off het recht dat d’ een provincie soowel toecompt als d’ andere, by absentie van die Provincie by d’andere Provincien mocht worden vergeven,” en verklaarden, dat zij, hetzij de Staten-Generaal die vraag beantwoordden of niet, volgens hun recht zouden handelen[1230]. En waarlijk, zij hadden gelijk: de toegevendheid der Staten-Generaal voor Zeeland in 1615 gaf Friesland recht om te eischen, dat het hoogste regeeringscollegie haar niet zou verbieden te concurreeren met eene compagnie, in wier octrooi zij niet had toegestemd. De Staten-Generaal waren dan ook in groote verlegenheid, en besloten eindelijk eene commissie te benoemen om met de Friezen in conferentie te treden. Maar men poogde blijkbaar de zaak op de lange baan te schuiven: tot de benoeming dier commissie kwam het niet[1231]. Toen tastte Friesland door en ging over tot het verleenen van een partikulier octrooi aan de beide requestranten, die zich op de walvischvangst wilden gaan toeleggen. (22 November 1634.)
De Staten van Friesland beriepen zich in dit octrooi vrij zonderling op de vrijheid der zee, die voor allen openstaat en door den een voor den ander niet gesloten mag worden[1232], en wijdden verder uit over de buiten hunne toestemming verleende verlenging van het octrooi. Zij overwogen »dat sy ofte hunne Ingesetenen door den voorszeiden hunnen Oppositie niet konden sijn ghehouden aen de observantie van de voorszeide Prolongatie (indien de selve verkreghen soude moghen sijn) ende dat oock strijdigh soude sijn teghens de Tractaten ende Articulen van de Unie, dat den eene Provintie doorden anderen soude worden ontrocken de Negotien ende Trafijcquen in eenen vryen Zee, alwaer aen de voorszeide hunne Provintie naerder geleghen was als de voorszeide andere beyde Provintien, ende alsoo voor een groot deel ontbloot soude worden van de middelen waer uyt de contributien tot de gemeene saecken geheven worden.” Op deze gronden verleenden zij aan de compagnie, die zich onder toezicht der requestranten gevormd had, en aan hen, die binnen de maand verklaren zouden, daarin te willen treden, octrooi tot de walvischvangst voor twintig jaar op een reglement, door de compagnie samen te stellen[1233].
De Friesche compagnie was dus gegrondvest: in twee kamers, gevestigd te Harlingen en te Stavoren, verdeeld[1234], maakte zij zich tot de walvischvangst gereed. Maar de Friezen zelven, die zoo stoutmoedig hun recht handhaafden, begrepen, dat dit recht alleen hen niet tegen de Noordsche Compagnie zou beschermen; het was te voorzien, dat er, zoodra de nieuwe compagnie schepen uitzond, op Spitsbergen moeielijkheden zouden ontstaan met de veel talrijker vloot van de oudere vereeniging. De Friezen oordeelden het dus veiliger om nogmaals eene poging te beproeven, ten einde de verlenging van het octrooi op de oude voorwaarden tegen te gaan, nu den Staten-Generaal getoond was, dat het de provincie ernst was met haar protest. Maar te vergeefs! Men had gerekend buiten Holland, dat niettegenstaande het blijkbare goed recht van Friesland de Noordsche Compagnie steunde en zelfs hooghartig durfde eischen, dat de provincie het verleende octrooi zou intrekken, voordat het tot eenige onderhandelingen kwam[1235]. Eindelijk gaven de Friezen de hoop op eene schikking dan ook op, en rustten drie schepen ter walvischvangst uit. De gedeputeerden der provincie verklaarden aan de Staten-Generaal, dat zij, wanneer de schepen niet tegen geweld van de Noordsche Compagnie beschermd werden, de schade zouden verhalen op de quote van Friesland voor den oorlog te water. Het gevolg was, dat H.H.M., onder protest tegen de in deze verklaring vervatte bedreiging, besloten, dat de nieuwe compagnie voor dat jaar zonder prejuditie der van weerszijden beweerde rechten op de walvischvangst zou mogen uitreeden[1236]. Maar ook nu nog rekenden de Friezen zich niet veilig voor hunne mededingers. De drie schepen vertrokken wel; maar oefenden dien zomer volgens overeenkomst met de Noordsche Compagnie[1237] hun bedrijf in de opene zee bij Spitsbergen, waar de visscherij volgens het octrooi aan ieder vrijstond. Die van Stavoren kwamen met eene vangst van 81⁄2 walvisch weder thuis[1238].
Op den duur was dan ook de concurrentie voor de Friezen met de zooveel machtiger Noordsche Compagnie niet vol te houden; de Staten dier provincie zagen het zelven in, en reeds spoedig na het vertrek der schepen hernieuwden zij hunne pogingen om in de generale compagnie te worden opgenomen[1239]. Het recht der Friezen werd nu eindelijk door de Staten-Generaal erkend, en eene conferentie tot stand gebracht, waarop beide partijen met elkaar over een accoord in der minne zouden beraadslagen[1240]. De Noordsche Compagnie, die er rond voor uitkwam, dat zij de taktiek volgde, om met Friesland »sacht te handelen om haer wt te houden”,[1241] was echter ook nu weder oorzaak, dat het tot het voorjaar van 1636 duurde, eer men iets verder kwam. De Friesche compagnie had toen hare schepen reeds weder gereed voor eene tweede reis en drong herhaaldelijk op eene beslissing aan[1242]. Maar het was niet mogelijk de partijen te vereenigen en nogmaals werden de Friezen voorloopig naar de opene zee verwezen[1243]. Eindelijk werden in Juli de uitgestelde conferentiën met ernst hervat.[1244]. De Noordsche Compagnie, sinds de oppositie van eenige Hollandsche steden door de provincie, die steeds haar machtigste steun was geweest, verlaten, gaf ten slotte iets toe, en den 25 Juli 1636 troffen partijen door bemiddeling van Nobel, een lid der Staten-Generaal, en van den bekenden Lieuwe Van Aitzema, een verdrag[1245].
Men kwam daarbij overeen, dat de Friezen in de Noordsche Compagnie zouden worden opgenomen; hun aandeel zou zijn 3000 quarteelen traan in de vangst, die op 27.000 geraamd werd. (art. 2.)[1246] De baaien en het terrein, door de Noordsche Compagnie in de IJszee gebruikt, zouden voortaan ook voor de Friezen openstaan, mits zij de andere leden der compagnie niet door te groote nabijheid in hunne nering hinderden. (art. 3.) Alle concurrentie van Nederlanders op Spitsbergen en van buitenlanders op de Nederlandsche markt zou met vereende krachten geweerd worden. (art. 5-8.) Drie jaarlijksche algemeene vergaderingen zouden strekken om de uitrustingen der compagnie te regelen. (art. 9, 10.) Het praesidium daarbij zou drie jaren bij de Hollandsche kamers, het vierde bij de Zeeuwsche blijven, terwijl Friesland éene stem zou hebben tegen Holland en Zeeland zes en twee. (art. 14.) Ontdekkingen, door leden der compagnie gedaan, zouden gedurende vijf jaren ten bate der vinders, daarna door de geheele Noordsche Compagnie geëxploiteerd worden. (art. 19, 20.) Twisten tusschen kamers der compagnie of leden der kamers onderling zouden beslist worden door de neutrale leden of door wederzijds te benoemen arbiters. (art. 22.)[1247] Op dezen voet werd nu de Noordsche Compagnie hervormd; twee nieuwe kamers werden opgericht te Harlingen en te Stavoren[1248]. Op de oostzijde van het Deensche eiland aan Spitsbergens noordwesthoek werd door de Friezen eene nieuwe nederzetting gevestigd, die weldra den naam van de »Harlinger kokerij” kreeg[1249].
De meerdere buigzaamheid, door de Noordsche Compagnie in 1636 getoond, was het gevolg eener oppositie, die van elders kwam en de vereeniging met groot gevaar dreigde. Door de overeenkomst met de Friezen hoopten de bewindhebbers zich te sterken tegen de pretensiën van acht Hollandsche steden, die mede in het octrooi begeerden toegelaten te worden[1250]. Niettegenstaande de Hollandsche gedeputeerden ter generaliteit in 1633 uitdrukkelijk mede toegestemd hadden in de verlenging van het octrooi der Noordsche Compagnie, had de tegenstand door Friesland geboden, eenige leden der Hollandsche statenvergadering op het denkbeeld gebracht om met gelijke eischen op te treden.
Niet lang na de verlenging schijnen eerst Dordrecht, daarna Haarlem, Leiden en Alkmaar, later Edam, Monnikendam en Medemblik, en eindelijk ook Gouda aanspraak gemaakt te hebben op toelating tot het octrooi. Er werd gefluisterd, oogenschijnlijk niet zonder grond, »datt verscheijden landt-steden in Hollandt gheen ghelegentheijtt hebbende om ter See te equiperen, bij perticuliere persoonen in andere ghelegender Steden woonende wierden opgemaeckt[1251].” Hoe dit zij, de aandrang werd weldra zoo hevig, dat de regeering zich daarmede bemoeide. In Mei 1634 werd in de Hollandsche statenvergadering geproponeerd, »dat eenigen tijd geleden uyt goede consideratien ende ten dienste van dese Provincie het Octroy voor de Noortsche Compagnie ende Walvisch-vanghst, ter Vergaderinge van de Heeren Staten-Generael voor acht jaren was gecontinueert, ende Leden van dese Vergaderinge welckers Ingezetenen in ’t voorszeide Octroy participeren, of daer op pretenderen, elck anderen dienden te verstaen, of vereenight te werden, ten eynde ’t voorszeide Octroy te beter mochte werden gemainctineert.” De Staten besloten dadelijk, dat de participeerende en pretendeerende leden der vergadering voor hunne ingezetenen met elkander in conferentie zouden treden, om te trachten eene overeenkomst te treffen »aengaende de participatie ende verdeylinghe respective in de voorszeide Compagnie, tot conservatie van ’t voorschreve Octroy ende vande Neringe in dese Provincie[1252].”
Het was te voorzien, dat de Noordsche Compagnie niet gemakkelijk van haar verkregen recht zou afstand doen, en werkelijk werd men het na maandenlang gehaspel niet eens. De pretendenten waren over den tegenstand der compagnie zeer ontevreden; zij zagen weldra in, dat het niet aanging de compagnie tot toegevendheid te bewegen. Ten einde hunnen wensch een schijn van recht te geven, grepen zij toen een middel aan, zoo uiterst onbillijk, dat het op het eerste gezicht niets dan een voorwendsel bleek te zijn.
Het is van algemeene bekendheid, dat de personen, die de provinciën als hare vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal zonden, slechts als lasthebbers hunner principalen optraden en eigenlijk tot geen besluit mochten medewerken, waarover zij niet eerst den wil hunner committenten gehoord hadden. Het spreekt echter van zelf, dat men in oneindig vele gevallen van die gedragslijn moest afwijken. Dagelijks kwamen er zaken voor, die dadelijk afdoening vorderden; dagelijks werden er besluiten aan de orde gesteld, die van veel te weinig belang waren, om de Staten van elk der zeven gewesten daarover te raadplegen. Het gebruik had dan ook ingevoerd, dat de leden der Staten-Generaal in dergelijke zaken ook zonder bepaalden last besloten; wel is waar bleef het natuurlijk den Staten der provinciën voorbehouden, hunne vertegenwoordigers te desavoueeren, maar hoogst zelden kwam het tot zulk een uiterste. De Hollandsche afgevaardigden, wier committenten op slechts weinige schreden afstands van de zaal der Staten-Generaal vergaderden, maakten natuurlijk van deze door het gebruik gewettigde vrijheid een minder ruim gebruik dan die der andere gewesten, en zoo was dan ook het laatste octrooi der Noordsche Compagnie van 1622, dat den 20 December in de Staten-Generaal aan de orde gesteld was[1253], eerst twee dagen later gearresteerd[1254], nadat de Hollandsche Staten hunne afgevaardigden den vorigen dag tot de goedkeuring gemachtigd hadden[1255], iets waartoe de andere provinciën uit den aard der zaak geen tijd gehad hadden. Maar toen den 25 October 1633, terwijl de Staten van Holland niet bijeen waren, het nieuwe octrooi aan de orde was gekomen, hadden de Hollandsche afgevaardigden geene zwarigheid gemaakt, om in de verlenging toe te stemmen, daar hun geene bezwaren daartegen, geene pretensiën van Hollanders bekend waren[1256]. Misschien maakte de aandrang der Friezen, die dien dag juist afwezig waren, het toen voor de Hollanders zelve gewenscht, dat de zaak nu dadelijk zonder verdere deliberatiën doorging. De Staten van Holland hadden natuurlijk, toen zij weder samenkwamen, van de zaak vernomen, maar noch toen noch gedurende de eerste maanden dachten zij er aan, de handelwijze hunner afgevaardigden af te keuren. Wij zagen zelfs, dat zij veelmeer nog in Mei 1634 verklaarden, dat het octrooi »eenigen tijd geleden uyt goede consideratien ende ten dienste vande Provintie ter vergaderinge van de Heeren Staten-Generael was gecontinueert.” Het was dus waarlijk niet twijfelachtig, of de verlenging hunne goedkeuring had weggedragen, en niets luidde vreemder dan de verklaring, door de pretendenten eerst in December 1634 gedaan, dat het octrooi verlengd was »sonder kennisse van haer Ed. Groot Mog.” en dat zij zich dus niet aan eene beperking hunner vrijheid dachten te storen, die zij onrechtmatig oordeelden, maar integendeel voorgenomen hadden, openlijk met de Noordsche Compagnie te gaan concurreeren[1257].
De Noordsche Compagnie kon dan ook thans evenmin als vroeger besluiten, de eischen der acht steden toe te geven: eene commissie, door Holland benoemd om de twistende partijen te vereenigen en »in stilheyt een bequame uytkomste te vinden[1258],” bracht het na maandenlange conferentiën niet verder dan de vorige[1259]. In Maart 1635 dreigde men eindelijk, dat de oneenigheid »in tyd ende wylen wel eenige ongemacken soude mogen veroorsaecken[1260];” later drong Dordrecht aan, om het volgens haar niet geldige octrooi »te houden voor nul ende van onwaerden[1261],” en werkelijk begonnen de pretendeerende steden in den zomer van dit jaar zonder zich aan de compagnie te storen de walvischvangst aan Spitsbergen[1262].
Toen eindelijk zag de bedreigde vereeniging het gevaar in en verklaarde zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten. Met nieuwen ijver werden nu de conferentiën hervat: de gecommitteerden (de heer Van Noortwyck met een gedeputeerde van Haarlem, Leiden en Alkmaar[1263]) beproefden onvermoeid eene schikking tot stand te brengen. De bewindhebbers, door Hollanders en Friezen te gelijk bedreigd, gaven eindelijk toe. Zij verklaarden zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten; maar zij stelden dadelijk als voorwaarde dier toegevendheid drie eischen: de Staten-Generaal moesten het octrooi der Noordsche Compagnie verlengen voor twintig jaar, den invoer van alle uitheemsche walvischtraan verhinderen of zeer hoog belasten, en aan alle Nederlanders streng verbieden om ter walvischvangst uit te varen. Op deze voorwaarden schijnt door de Staten van Holland geene aanmerking gemaakt te zijn, maar meer moeielijkheid baarde de voorloopige begrooting van het aandeel, dat de nieuwe participanten in de compagnie zouden krijgen. Er werden zeer hooge eischen gesteld. Nadat de Noordsche Compagnie verklaard had, dat zij aannam, wanneer alle concurrentie door de Staten-Generaal op de bovenvermelde wijze geweerd werd, hare vangst van 16.000 quarteelen traan op 24.000 te brengen, maakten de acht Hollandsche steden dadelijk aanspraak op de geheele vermeerdering van 8000 quarteelen. Het was zeker wel wat veel gevergd, terwijl Zeeland slechts 1⁄4 bezat en Friesland zich eerlang met 1⁄9 moest tevreden stellen, dat men aan acht steden eener provincie, die reeds het leeuwendeel in het octrooi bezat, nog 1⁄3 aandeel in de vangst zou inruimen, en de Noordsche Compagnie meende dan ook, dat men zich met 5000 quarteelen behoorde tevreden te stellen. Bovendien eischte zij, dat de nieuwe aandeelhouders een deel zouden betalen van de kosten van ontdekking der tot de visscherij noodige eilanden en van de processen, door de compagnie over het bezit daarvan gevoerd. De indringers bleven echter bij hunnen eisch; slechts op éen punt was men eenstemmig: de Friezen moesten met vereende krachten geweerd worden[1264].
Twee conferentiën werden nu weder spoedig na elkaar gehouden, voordat men iets vorderde; maar den 19 Maart 1636 zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie eindelijk eenen uitgewerkten voorslag bij de commissie in. Zij wees er daarin op, dat het onmogelijk zou zijn ooit in eene algemeene vergadering tot eenstemmigheid te komen, wanneer men in elk der pretendeerende acht steden volgens haar verlangen eene nieuwe kamer der Noordsche Compagnie oprichtte; reeds nu »vielen dickwils in eene vergaderinge maer te veel swaricheijden voor om alle de verstanden ende sinnen in een te brenghen.” Bovendien zou eene inruiming aan de acht steden op zoo groote schaal als zij eischten noodzakelijk eene groote uitbreiding in de vangst ten gevolge moeten hebben, zoo men allen wilde voldoen; en zulk eene uitbreiding zou bij grootere kosten dadelijk eene belangrijke prijsvermindering van de traan te weeg brengen. De Amsterdammers stelden dus voor, aan Dordrecht, Haarlem en Leiden toe te staan elk 800 quarteelen, aan Gouda, Alkmaar, Edam en Medemblik elk 600, en aan Monnikendam 400 quarteelen. De Haarlemmers wilde men voegen bij de Amsterdamsche kamer, Gouda bij de Rotterdamsche, Alkmaar bij Hoorn; Enkhuizen zou vereenigd worden met Medemblik, Leiden met Delft of Amsterdam, terwijl Edam en Monnikendam samen slechts éene kamer zouden uitmaken. Alleen Dordrecht zou dus eene afzonderlijke kamer hebben[1265].
De commissarissen beloofden van dezen voorslag rapport te zullen doen en trachtten te verkrijgen, dat de Noordsche Compagnie de beslissing over deze zaak aan de Staten van Holland overliet. Amsterdam en Delft keurden dit goed, maar Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen herhaalden, dat zij niet »van haeren ouden tax ende quote wilden gaen, ofte soo sij seyden niett en konden missen”[1266]. Zij leverden aan de commissie eene »aenwijsinghe” over, waarin zij uiteenzetten, dat zij »geene inruijminghe conden toestaen,” tenzij het aandeel van ieder hunner met 500 quarteelen vermeerderd werd; geschiedde dit niet, dan zou het aandeel van »de drij voornaemste zeesteden van Hollant naest Amsterdam”, dat nu reeds »seer cleen” was, »geheel vruchteloos worden gemaect”[1267]. Van den voorslag om zich aan de Staten van Holland te onderwerpen kwam dus niets, en daar de commissie weigerde tot de inwilliging van de drie eischen der compagnie mede te werken, voordat men het over de repartitie eens was[1268], schijnt men 6 September 1636 eindelijk overeengekomen te zijn, dat Dordrecht, Haarlem en Leiden elk 800 quarteelen zouden hebben, Gouda en Alkmaar elk 600, Medemblik, Edam en Monnikendam elk 400. De oude kamers der compagnie zouden dan echter ook verplicht zijn, de onlangs toegelatene Friezen met 2000 quarteelen te voldoen uit hun aandeel van 16.000, niet uit de geheele nieuwe raming van 20.800 quarteelen[1269]. De nieuwe aandeelhouders weigerden bovendien iets bij te dragen tot de kosten, door de ontdekking van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland en de over hun bezit gevoerde processen veroorzaakt, op grond dat het octrooi der Noordsche Compagnie vervallen was (!) en zij de voordeelen der visscherij sinds jaren als vergoeding dier kosten alleen genoten had. Alleen eene recognitie voor het gebruik van hare gereedschappen en inrichtingen werd aan de compagnie toegestaan[1270].
Den bewindhebbers werd nu eindelijk verlof gegeven om te vertrekken[1271] en de verdere conferentiën werden uitgesteld tot 25 November, als wanneer men hoopte het ook met de Zeeuwen eens te zullen worden, die tegen dien dag naar Den Haag beschreven waren[1272]. Men had tot nog toe steeds gehoopt de zaak onder de hand te zullen kunnen schikken met de Hollandsche kamers, die men geneigd meende te zullen vinden aan hare zusters een aandeel in de winst aftestaan[1273]. Daarin had men zich echter geheel bedrogen: de Hollanders hadden zich zeer natuurlijk ongeneigd betoond alleen den geheelen last te dragen, en het was dus onmogelijk geweest in de afwezigheid der Zeeuwen eene definitieve overeenkomst te sluiten. Maar ook nu was de hoop daarop gering. De bewindhebbers der Zeeuwsche kamers hadden namelijk, nadat de conferentiën om hunnentwil tot na de algemeene vergadering van Maart geschorst waren, zich zeer onhandelbaar getoond. Eerst was er niemand van hen verschenen[1274], daarna hadden zij zich van de behandeling der zaak geëxcuseerd tot zij voltallig waren[1275]. En de afwezigen bleven weg niettegenstaande het opontbod der Staten-Generaal[1276]. De Hollanders van hunne zijde rekenden het nutteloos zonder hunne ambtgenooten eene overeenkomst te treffen, en meenden »dattet nijet geraden was onder den anderen te accorderen, dewyl sy beducht waren dat Zelant op syn luymen lach.” Maar dit uitstel was niet het eenige gevolg van den onwil van Zeeland: hare eischen zelve waren onredelijk. De bewindhebbers bleven er op staan, dat hun aandeel van 1⁄4 in de geheele uitrusting ongeschonden zou blijven en dus bij de vergrooting der generale raming ook hun deel vergroot moest worden zonder eenige vermindering door de toelating der nieuwe participanten, die alleen Holland aangingen[1277].
Op dezen eisch schijnt dan ook de geheele zaak afgesprongen te zijn. De gezamenlijke bewindhebbers verschenen eindelijk op den bepaalden tijd in Den Haag en de conferentiën met den heer Nobel, door de Staten-Generaal daartoe gecommitteerd, begonnen. (1 December 1636.)[1278] Maar reeds eene week later bleek het, dat alle moeite vergeefs zou zijn: de Noordsche Compagnie leverde eene remonstrantie bij Holland in, om »ghemaintineert te worden by haer octroy, in voegen gelyck het selve laetstelijcken ter Generaliteyt was geprolongeert.” Na »lange discoursen” over de »consideratien tegen de prolongatie van den Octroye bij verscheyde leden gemoveert,” verklaarden de Staten van Holland echter, dat de Noordsche Compagnie vóor 25 December »redelijck contentement” aan de acht steden had te geven; »bij faute vandien” zouden de Staten van Holland het octrooi houden voor »nul en van onwaerden”[1279]. (11 December 1636.) De Staten van Holland traden dus openlijk toe tot het systeem der nieuwe pretendenten; zij desavoueerden het gedrag hunner afgevaardigden ter generaliteit ten aanzien van een besluit, meer dan drie jaren geleden genomen en door hen reeds zijdelings goedgekeurd. Ook al neemt men aan, dat deze met alle recht en billijkheid strijdige handelwijze wettig was, omdat de gedeputeerden werkelijk geen last gehad hadden[1280], dan nog streed het met den tekst der Unie en met de constante gewoonte, een octrooi door vijf van de zeven provinciën verleend voor »nul en van onwaerden” te verklaren op grond, dat een der beide overige gewesten weigerde zich te onderwerpen. De hoogste eisch, dien Holland stellen kon, was, dat men haar toestond een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen, en ook dit nog was met het oog op het groote getal Hollandsche participanten eenigszins twijfelachtig[1281].
Zoo dachten ook de Staten-Generaal, en zij traden krachtig op voor de bedreigde vereeniging, die zij het aanzijn geschonken hadden. Dadelijk bevestigden zij het verleende octrooi en bepaalden, dat de Staten van Holland hunne bezwaren daartegen bij hen hadden in te brengen om ze te doen onderzoeken. Eerst wanneer die bezwaren geldig bevonden waren, zouden de Staten-Generaal overgaan tot de intrekking van het octrooi[1282]. Deze krachtige houding had het gewenschte gevolg: de Hollandsche heeren zagen in, dat zij te ver gegaan waren. Tegen hunne gewoonte bukten zij voor de generaliteit; ten minste het blijkt niet, dat die van Holland ooit aan de oproeping eenig gevolg gegeven hebben. De nieuwe pretendenten, dus door hunne beschermers verlaten, gaven hunne eischen op, en wachtten op gunstiger tijden om ze door te zetten. De Noordsche Compagnie liet de acht steden niet toe[1283], en handhaafde haar octrooi tot aan het jaar 1642.
Maar de tijden van ongestoorde rust waren toch voor de vereeniging voorbij: in de nog overige jaren van haar bestaan schijnt zij zich ten gevolge der Hollandsche resolutie van 11 December 1636 in eene eenigszins dubbelzinnige positie bevonden te hebben. De concurrentie van niet tot de compagnie behoorende Nederlanders, waaronder misschien vele Hollanders uit de acht pretendeerende steden, die het octrooi voor vernietigd hielden, schuilden, nam steeds toe[1284], en in 1641 was het reeds zoover met de Noordsche Compagnie gekomen, dat de gedeputeerden der Staten-Generaal op de conferentie te Staden aan Christiaan IV officiëel durfden verklaren en op schrift verzekeren, dat er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer bestond[1285]. In deze omstandigheden meende natuurlijk ieder op zijne beurt deel aan het octrooi te kunnen krijgen. Overal vormden zich vereenigingen, die hun geld in de vaart op Spitsbergen wilden wagen, en aangemoedigd door het geluk van Friesland verzochten achtereenvolgens alle provinciën om toelating tot het octrooi. Die van Utrecht, reeds in 1622 begeerig om hun kapitaal in de walvischvangst te beleggen[1286], waren de eersten, die zich bij de Staten-Generaal aanmeldden. Mr. Jacob Le Petit verzocht 29 September 1638 om met zijne compagnie ter walvischvangst naar Spitsbergen te mogen uitreeden onder belofte, dat hij zich drie à vijf mijlen van de Hollandsche baai verwijderd zou houden; hij hield staande, dat Utrecht evenals de andere provinciën in het octrooi moest worden ingelaten. De Staten-Generaal plaatsten zich op een onzijdig standpunt; het request werd in handen der Noordsche Compagnie gesteld, en onwillig als deze was, verliep de tijd met het wisselen van re- en duplieken[1287]. Overijssel had reeds in 1634 te gelijk met Friesland getracht deel in de Noordsche Compagnie te krijgen, maar hare pogingen waren toen mislukt[1288]. Beide provinciën besloten nu den wettigen weg te bewandelen. Tegen het einde van het octrooi der compagnie wendden zij zich met Gelderland tot de Staten-Generaal met het verzoek, om bij de eventueele vernieuwing van het octrooi mede daarin toegelaten te worden. Utrecht herinnerde aan de pretensie van Le Petit en zijne compagnie; Overijssel wenschte Jan Van Gesscher en Johan Struckel met de hunnen toegelaten te zien; Gelderland noemde later Eustaes Feij en Willem Everts als de hoofden der door haar begunstigde compagnie. Gedachtig aan het met Friesland voorgevallene beriepen de drie provinciën zich reeds dadelijk op het recht, dat hun volgens de Unie van Utrecht toekwam, en verklaarden, dat de vernieuwing van het octrooi der Noordsche Compagnie bij overstemming of in hare afwezigheid niet ten nadeele der nieuwe pretendenten zou mogen geschieden[1289]. De Staten-Generaal, die aanvankelijk alleen beloofden op het verzoek der drie provinciën te zullen letten, wanneer de vernieuwing van het octrooi ter sprake kwam, verklaarden later uitdrukkelijk, dat zij de supplianten zouden toelaten als het octrooi verlengd werd[1290]. Daardoor aangemoedigd deed eindelijk ook de zevende provincie, Stad en Lande, eene gelijke verklaring als hare drie zusters; het schijnt echter, dat zij daarmede meer ten doel had haar recht niet te verliezen, dan om bepaald tot het reeds »in effecte gecesseerde” octrooi te worden toegelaten: althans de namen der pretendenten werden niet genoemd[1291].
Zoo scheen er dus eenige kans te zijn, dat de Noordsche Compagnie werkelijk eene »generale Nederlantsche compagnie” zou worden, maar de concurrentie was te groot dan dat men dit plan zou hebben kunnen verwezenlijken. De acht Hollandsche steden herinnerden reeds in Mei 1641 aan hunne aanspraken van 1636[1292], en ook nieuwe Hollandsche pretendenten meldden zich aan. Eenige reeders te Jisp, die vier schepen uitgerust hadden, verzochten van de Staten-Generaal verlof om ter walvischvangst te mogen varen[1293]; Amsterdamsche kooplieden, voor wie Cornelis Ys, een naam in de geschiedenis der walvischvangst niet onbekend, optrad, verzetten zich tegen de verlenging van het octrooi der Noordsche Compagnie[1294].
Ofschoon dus door mededingers overstelpt, beproefde de belaagde compagnie in den aanvang nog tegen den stroom op te roeien en poogde hare vijanden te bevredigen. Op de aanzoeken der vier landprovinciën, zeker meer door kwaadwilligen opgestookt dan door hoop op eigen voordeel gedreven, schijnt zij geen acht geslagen te hebben, maar met de Hollanders hoopte zij tot eene schikking te komen. Zij stelde voor op nieuw conferentiën met hen te houden, en de Staten van Holland toonden zich geneigd, tot het maken eener vaste verdeeling der vangst mede te werken[1295]. Maar de eischen der steden waren te groot. Hoewel de Noordsche Compagnie veel verder ging in hare aanbiedingen dan in 1636 en o. a. aan Dordrecht en Haarlem zelfs ieder 1200 quarteelen traan aanbood, mits zij in de verlenging van het octrooi bewilligden, nam alleen Dordrecht daarmede genoegen. Haarlem drong niet eens op verdere beraadslagingen aan, maar verklaarde »mette voorseide presentatie int minste nijet te sijn te vreeden” en liever zelve met eenige andere steden moeite te willen doen om een nieuw octrooi van de Staten-Generaal te verkrijgen[1296]. Met zulke kwaadwilligen was niets aan te vangen. De Noordsche Compagnie mocht zich beroepen op hare ontdekking der noordelijke landen, op de vestiging der walvischvangst in de Vereenigde Provinciën door hare zorgen, op de bezwaren, die zij had doorgestaan en die nog steeds de walvischvangst bedreigden, zoo men ze niet met vereende krachten overwon, eindelijk op de »confusie ende disordren”, die het noodzakelijk gevolg zouden zijn van het gemis van »een behoorlyck ende voorsichtich reglement[1297]”, het baatte alles niets. De vernieuwing van het octrooi werd tallooze malen door de Staten van Holland besproken[1298]; herhaaldelijk verzocht men om last van de principalen[1299], maar tot eene ernstige beraadslaging kwam het niet meer. Men begreep, dat het groote aantal der »Competiteuren” het onmogelijk maakte hun allen voldoening te geven[1300], en de moeielijkheid om het eens te worden over de verdeeling der traan, die reeds in 1636 een der commissarissen tot den raad gedrongen had, om de walvischvangst voorloopig aan ieder vrij te laten zonder eenige verhindering[1301], deed nu dien voorslag definitief aannemen. Het jaar 1642 ging voorbij zonder dat de vernieuwing van het octrooi in de vergadering der Staten-Generaal zelfs ter sprake kwam, en met het einde van het jaar »liep ’t octroy in ’t wilde ende desert[1302]”.
De Staten-Generaal handelden dusdoende niet alleen zeer verstandig, maar ook zeer consequent. De noodzakelijkheid van samenwerking en eenheid tegenover de aanvallen van vreemde natiën was hun hoofdmotief voor het verleenen van het octrooi geweest; nu Engelschen en Denen hunne pretensiën uitdrukkelijk hadden opgegeven, hadden de Nederlandsche walvischvaarders niets meer van hen te vreezen en de concurrentie van andere natiën was niet belangrijk genoeg, om de Staten-Generaal op zulk een gewichtig punt van hunne oude vrijzinnige politiek te doen afwijken[1303]. Toch bleef het altijd eenigszins een waagstuk, om een bedrijf, waartoe zulk een groot kapitaal, zoovele voorbereidingen noodig waren als de walvischvangst, voor de concurrentie geheel open te stellen. Het was de vraag, of enkele partikulieren de macht en den moed zouden hebben om zoo groote sommen te steken in gevaarlijke ondernemingen, die waarschijnlijk niet dan uiterst schrale winst zouden opleveren. De Noordsche Compagnie had dikwijls verlies gehad in plaats van winst: wat zou het zijn, zoo de groote concurrentie de prijzen van traan en balein sterk deed dalen? Werkelijk sloeg de walvischvangst na den val der Noordsche Compagnie weldra aan het kwijnen: de visschen werden door de vele schepen schuw en verdwenen uit de van ouds bezochte baaien; het liet zich aanzien, dat deze nering met de vele daaraan verbondene bedrijven in Nederland evenals in Engeland zou ondergaan[1304]. Maar eerlang toonde zich de Nederlandsche energie in al hare grootheid: de wijkende prooi werd verder nagezet, de kostbare inrichtingen op de noordsche stranden werden verlaten, de schepen anders ingericht en moedig in het drijfijs gestuurd. En met uitstekend gevolg! De ijsvisscherij leverde door grootere bezuiniging in administratie en uitrusting ruime winsten; het getal schepen nam verbazend toe en vijf en twintig jaren na den val der Noordsche Compagnie kon men roemen, dat het aantal Nederlandsche walvischvaarders in dien tijd vijftienvoudig verdubbeld was[1305]. De Noordsche Compagnie zelve was voortaan een afschrikkend voorbeeld, dat overal werd aangehaald, waar het gold de nadeelen van monopolie en bescherming overtuigend te bewijzen: de geschiedenis der bevoorrechte vereeniging werd een krachtig wapen in de handen der mannen van vrijheid en vooruitgang.