HOOFDSTUK I. DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
Reading edition
»Men miskent het doel der wetenschap, als men hare waarheden minder hoog schat, omdat men de nuttige toepassingen niet ontdekt, die men daarvan zal kunnen maken[29]”. Zoo is het waarlijk! De wetenschap is het slechts te doen om waarheid op elk gebied: met de eischen der praktijk kan zij zich niet dan accidenteel bezighouden. Gelukkig echter is het nut der wetenschap daarom nog niet uitsluitend in het ontdekken van waarheden gelegen, die, hoe gewichtig ook, toch soms zeer koel door het algemeen ontvangen worden. De onbaatzuchtige geleerde, wien het alleen om die waarheden te doen is, doet soms op zijnen weg ongezochte en onverwachte ontdekkingen, die aanleiding geven tot het verbeteren van bestaande of het scheppen van nieuwe toestanden,—ontdekkingen, die door personen alleen op praktische resultaten bedacht bezwaarlijk zouden zijn gedaan. Op deze wijze zijn verreweg de meeste der uitvindingen verkregen, die de negentiende eeuw zoo oneindig ver boven de vorige verheffen; op deze wijze verwierven ook de Nederlandsche noordpoolreizigers der zeventiende eeuw een ongedachten prijs voor hunne inspanning.
De herhaalde reizen door de Nederlanders op het einde der zestiende en in het begin der zeventiende eeuw in de IJszee gedaan, versierden de namen der eenvoudige zeelieden die ze ondernamen met onverwelkbare lauweren, en zelfs nog zeer onlangs verleenden onverwachte ontdekkingen aan den roem van hun moed en volharding nieuwen glans. Zij brachten over tot dien tijd nagenoeg onbekende streken verrassende berichten en bewezen aan de wetenschap dier dagen belangrijke diensten. Maar te gelijk verwierven zij ook voor hunne volharding eene belooning van practischen aard, al werd het doel, dat zij zich voorgesteld hadden, in weerwil van al hunne inspanning niet bereikt. De gezochte handelsweg naar Oost-Indië bleek meer en meer een hersenschim, maar onverwachts werd den moedigen ontdekkers een ruim veld geopend, waarop de energie hunner landgenooten door het vestigen der walvischvangst eerlang schatten zou verwerven.
Men make uit het voorgaande de gevolgtrekking niet, dat het den helden op wie ik het oog heb om een zuiver wetenschappelijk belang te doen was. Overdreven zucht tot verheerlijking van het voorgeslacht moge soms de Staten voorgesteld hebben als edele menschen, die van liefde tot de wetenschap blakende kostbare expeditiën uitrustten om de menschheid met de wonderen der IJszee bekend te maken; teleurgestelde nationale trots moge het zelfs den moedigen ontdekkers tot schande aangerekend hebben, dat zij niet uit zuivere zucht om de kennis van den aardbol te vermeerderen maar uit baatzucht hunne reizen ondernamen: deze traditioneele voorstellingen, deze overdreven eischen zijn even onjuist als onbillijk. Reeds in theorie schijnt het voor eene regeering onwenschelijk, de plannen van zuiver wetenschappelijke mannen, die zich met de eischen der practijk niet inlaten, uit hare middelen te steunen. Partikulieren als Hakluyt en Mercator mogen tijd en geld overhebben voor het doen van nasporingen, die slechts theoretisch nut opleveren; de staat, die het algemeen belang moet behartigen, kan zich met die nasporingen niet inlaten, wanneer er niet gegronde hoop bestaat, dat ze tot een praktisch nuttig resultaat zullen leiden. Het is reeds veel, zoo de regeering door premiën en belooningen voor verkregen uitkomsten de beoefening der wetenschap aanmoedigt; eerst wanneer de geleerde onderzoekingen haar bevorderlijk schijnen voor het algemeen belang mag zij zelve daaraan deelnemen. Hoeveel te minder mag men hoogere eischen stellen aan de leiders van den gewapenden opstand tegen Spanje, in eenen tijd toen geld en nogmaals geld het doel der verarmde onderzaten bij al hunne ondernemingen was en zijn moest, toen de behoefte van den geest aan iets hoogers dan de belangen der geldkist zich bijna uitsluitend uitte in een streng vasthouden aan den onlangs aangenomen kerkvorm! Hoe getuigt het veeleer voor den ruimen blik der Staten-Generaal, voor hun gezonden practischen zin, voor hunne verlichte denkbeelden, dat zij niet meer maar ook niet minder deden dan men zelfs in gewone omstandigheden van eene regeering eischen mag!
Want de laatste twintig jaren der zestiende eeuw waren waarlijk geene gewone: het was een donkere tijd van algemeene ellende. De godsdiensttwisten, die Europa beroerd hadden, lieten bijna alle staten uitgeput achter en nog was er overal overvloedige brandstof opgehoopt, die eerlang de vlammen feller dan te voren zou doen uitbarsten. Spanje was door den reeds langen oorlog met zijne oproerige onderdanen verzwakt en verspilde zijne krachten met pogingen om in Frankrijk de leiding der zaken in handen te krijgen. En wel stuitten die pogingen af op den nationalen zin van het Fransche volk, maar Hendrik IV won slechts een land, sinds lange jaren door bijna onafgebroken bloedige twisten geteisterd en nog steeds door den bittersten partijhaat verdeeld. In Duitschland heerschte na de overwinning der protestantsche partij een betrekkelijke rust, maar de aanhoudende verdeeldheden deden reeds voorzien, dat de godsdienst ook hier in de politiek haar laatste woord nog niet gesproken had. Ook Engeland, dat onder het bestuur der protestantsche koningin tijden van ongekende welvaart doorleefde, moest alle aandacht wijden aan den toestand van het buitenland, wilde het zijne zelfstandige plaats tusschen de nog steeds vijandig tegen elkaar overstaande partijen behouden. Slechts éen volk ontwikkelde onder de algemeene verslapping plotseling groote energie. Het godsdienstige antagonisme, dat overal elders zoo nadeelig werkte, had in Nederland integendeel alle sluimerende krachten gewekt. Met taaie volharding werd de strijd gestreden; het enthousiasme van een jeugdig volk, dat zich nu voor het eerst één voelde tegen den algemeenen vijand, wekte tot groote daden op. Had ook Holland zelf in de middeleeuwen zijne vlag reeds op eene niet onaanzienlijke handelsvloot doen wapperen, de overkomst van talrijke Zuid-Nederlandsche vluchtelingen had nieuwen moed en nieuwe talenten in de bevolking ontwikkeld. De voorname Vlamingen, die in die jaren dikwijls den toon aangaven en in bijna alle ondernemingen van eenig belang gemoeid waren, deelden aan de Noord-Nederlanders hun heftigen ijver mede voor kerkelijke rechtzinnigheid, maar ook hunne ondernemingszucht en hunne ervaring in handel en nijverheid, en bepaalden zoodoende zelfs voor een goed deel het karakter der Nederlandsche natie gedurende den tachtigjarigen oorlog. Gesterkt door deze even talentvolle als vermogende schare, doorleefden de Hollanders bange tijden zonder te bezwijken: het gevaar en het ongeluk scheen hun slechts een nieuwe prikkel tot krachtsinspanning te zijn. Geleid door eene regeering, die, hoewel in geenen deele als eens haar vorstelijke leider den tijd waarin men leefde vèr vooruit, toch steeds in hare betrekkingen met handel en nijverheid eene even vrijzinnige als vrijgevige politiek volgde, geraakte het jonge gemeenebest eerlang tot verbazenden bloei. Niet tevreden met de oude banen, zocht de ontluikende energie naar nieuwe wegen om de welvaart te vermeerderen en onder het krijgsrumoer, dat haar soms van nabij dreigde, vond de wetenschap op het kleine plekje gronds reeds toen eene eervolle plaats.
Dit waren tijden, waarin stoute, geniale plannen konden gevormd worden, maar de kamergeleerde, de wetenschappelijke onderzoeker vond er geen plaats. Wie lust tot dergelijke bezigheid voelde, wijdde zich aan de theologie, die aller harten innam: buiten de kerk dwong de nood der tijden tot rusteloos werken, tot het zoeken van winst. In dien tijd moest een Plancius leven, rechtzinnig theoloog en wakker geleerde als éen, maar die misschien aan de geographische studiën zijne aandacht niet zou gewijd hebben, als hij er niet het eenige middel in gezien had om den noorderlijken doortocht naar het rijke Indië te vinden. Het was dit veelbelovende plan, dat aan de geographie in die dagen nieuwe vlucht gaf; daarmede waren schatten te verwerven, daardoor was Spanje gevoelig te treffen, daarvoor was dus ook de sympathie van regeering en volk. Stap voor stap naderde men het begeerde doel; allen werkten samen om het te verwezenlijken. Maar niet de geleerden gaven aan de uitvoering van het plan den krachtigsten stoot: een man der practijk, een Zuid-Nederlander bracht daartoe het meeste bij, evenals het weder eenvoudige kooplieden, weder Zuid-Nederlanders zouden zijn, die door het vestigen eener nieuwe nering de vruchten plukten van de inspanning hunner voorgangers.
Toen de Engelschen zich in 1553 aan den mond der Dwina bij het klooster van St. Nikolaas gevestigd hadden, was er door hen geene moeite gespaard om zich bij voortduring in het uitsluitend bezit van den handel op die streken te handhaven[30]. Slechts gedurende korten tijd had hun dit mogen gelukken; reeds twaalf jaren na de aankomst der Engelschen waren de Nederlanders er in geslaagd het spoor hunner voorgangers ten minste gedeeltelijk te vinden. In het jaar 1565 toch knoopte zekere Philip Winterkönig, een banneling uit Wardöhuus, betrekkingen met Nederland aan; een schip uit Enkhuizen kwam door zijne tusschenkomst naar de plaats, waar spoedig Kola verrijzen zou[31]. Reeds het volgende jaar (1566) durfden twee Antwerpsche kooplieden, Simon Van Salingen en Cornelis De Meijer, van Kola langs de kust gestevend, de Witte Zee inzeilen. Zij landden aan den mond van den Onega en reisden verder als Russen verkleed overland naar Moscou[32]. Schijnt ook deze moedige tocht, die geen ander doel had dan de regeling van partikuliere zaken, niet dadelijk tot het vestigen van handelsbetrekkingen met de Witte Zee geleid te hebben, de nederzetting te Kola bleef bestaan en nam weldra maatregelen om den directen handel met de Dwina in te leiden. Zij zond daartoe een vertrouwd persoon met Russische schepen naar Kholmogorui (eene stad, dicht bij de Engelsche nederzetting op het Rozen-eiland gelegen) om de Russische taal te leeren, waarschijnlijk ook om eenige voor de vestiging van handelsbetrekkingen noodige inlichtingen in te winnen. Die man was geen ander dan de vroeger zoo bekende[33], tegenwoordig voor velen raadselachtige Olivier Brunel[34].
De nu bijna vergeten naam van Olivier Brunel verdient door den toekomstigen schrijver onzer handelsgeschiedenis in hooge eer gehouden te worden; ook in dit overzicht der Nederlandsche ontdekkingsreizen moet hij de eerste plaats innemen. Brunel was niet alleen de grondlegger van Nederlands handel op de Witte Zee, hij was ook onze eerste reiziger in het noorden. Laat ons zien in hoeverre wij uit de hier en daar verspreide losse berichten de levensgeschiedenis van dezen belangwekkenden man kunnen reconstrueeren[35].
Olivier Brunel werd in de eerste helft der zestiende eeuw te Brussel geboren. Van zijne eerste levensjaren is ons volstrekt niets bekend. Men kan gissen, dat hij reeds in 1565 met de eerste Enkhuizer schepen te Kola gekomen is; men kan het er voor houden, dat hij, evenals vele Zuid-Nederlandsche koopmansgeslachten, zooals de Moucherons, de Le Maire’s, de Usselincxs en anderen, Alva’s dwingelandij ontvluchtende, zich eerst later daarheen begeven heeft. Zeker is het, dat hij reeds spoedig na de vestiging der Nederlanders te Kola de bovenvermelde reis naar Kholmogorui aanvaardde. Het geluk diende hem daar niet: spoedig door de Engelschen opgemerkt en als concurrent gevreesd werd hij door hen als spion overgeleverd aan de Russische regeering, die hem te Jaroslawl verscheidene jaren gevangen hield. Eindelijk daagde er voor hem hulp op: de gebroeders Iakov en Grigory Anikiew[36], die tot het aanzienlijke handelshuis der Stroganows te Sol-Wütschegodsk behoorden, verzochten en verkregen van den czaar zijne vrijheid. De edelmoedige kooplieden hadden alle reden zich over de weldaad aan Brunel bewezen te verblijden: hun beschermeling nam ijverig en opmerkzaam deel aan de jaarlijksche tochten, die de Russen naar het oosten ondernamen. Zoowel te land door Samojedenland en Siberië, als ter zee langs de kust voorbij de rivier de Pechora, bereikte hij met hen den door Engelschen en Nederlanders vergeefs gezochten Ob. Op een dier reizen, die waarschijnlijk nu en dan ook langs den in Rusland gewonen weg door Matyushin-sjar gingen, werd hij door zijnen Russischen gids in Kostin-sjar gebracht, eene zeeëngte die door dit bezoek aan Europa bekend werd.
Weldra maakte de ondergeschikte zich echter voor zijne meesters nog verdienstelijker door het openen van nieuwe wegen voor hunnen handel. Met de Nederlandsche kolonie te Kola en met de behoeften van den Nederlandschen handel goed bekend, opperde Brunel het plan om in het westen eene gelegenheid te zoeken tot afzet der Russische producten. Om dit plan uit te voeren vertrok hij zelf, begeleid door twee bloedverwanten der Anikiews en met passen van den czaar naar Kola, huurde daar een Nederlandsch schip en kwam behouden te Dordrecht aan. Daar vonden de Russische bezoekers goede gelegenheid om hunne waren te verkoopen. Het overblijvende gedeelte werd te Antwerpen en te Parijs voordeelig geplaatst, en toen Brunel het volgende jaar bij zijne patroons teruggekomen was, toonden dezen zich met het resultaat der reis zeer ingenomen. Zij besloten tot het aanknoopen van geregelde handelsbetrekkingen met Kola en van daar uit met Nederland. Zoo bezocht Brunel jaarlijks als agent der Anikiews beide plaatsen.
Het duurde niet lang of hij maakte van zijne gunstige positie gebruik om het plan uit te voeren, waarom hij jaren geleden met zoo ongelukkigen uitslag in Rusland gekomen was. Hij trad in overleg met zekeren Jan Van de Walle en in 1577 haalde hij dezen over om overland de reis naar Rusland mede te maken. Van de Walle maakte zich zijnen tijd uitnemend te nutte: reeds het volgende jaar werd het eerste Nederlandsche schip door stuurman Jan Jacobsz mette Lippen van Alkmaar in den Pudoshemscomond der Dwina voor anker gebracht. (1578.) Dit schip, uit Vlissingen uitgezeild, behoorde aan Gillis Van Eychelenberg, gezegd Hoofman, een Antwerpsch koopman te Middelburg gevestigd; als zijn agent was Jan Van de Walle daarop aanwezig. Onder de schepen, die tegelijk met dat van Hoofman in Rusland aankwamen, bevond zich reeds dadelijk dat van Adriaan Crijt, een zeekapitein in dienst van den bekenden Balthazar De Moucheron.
De handel van Nederland met de Witte Zee was zoodoende gevestigd. Spoedig kwam Melchior De Moucheron zich als agent van zijnen bloedverwant Balthazar aan den Dwina-mond vestigen. De handelsnederzetting werd verlegd naar een haven bij het klooster van St. Michiel; weinige jaren later verrees daar de stad Novo-Kholmogorui, meestal Archangelsk genoemd. Na langdurige aarzeling waren de Engelschen genoodzaakt hunne nederzetting op het Rozen-eiland te verlaten en zich in de nieuwe reeds bloeiende koopstad te vestigen: de Nederlandsche energie was hun te machtig, Nederlands handel bloeide weldra meer dan die van Engeland, dat toch den weg gebaand had[37]. Dit alles uitvoerig te verhalen ligt buiten ons bestek: wij keeren tot Olivier Brunel terug.
Reeds twee jaren nadat Brunel den Nederlandschen handel op Rusland had bevestigd, vinden wij hem bezig met nog grootscher en avontuurlijker plannen. Het was het jaar 1580, toen Pet en Jackman onder den toeloop van duizenden op eene nieuwe noordoostelijke reis uitgevaren waren, toen de geleerde wereld in gespannen verwachting den uitslag van deze poging verbeidde. Ook aan den Dwina-mond zullen de Russen, die dagelijks met de dienaars der Moscovische Compagnie in aanraking kwamen, zonder twijfel kennis gekregen hebben van de verwachtingen, die men omtrent den noordelijken doortocht koesterde. Niet te verwonderen was het zeker, dat Russen, met de kusten der IJszee oneindig beter bekend dan de Engelschen, van die meerdere kennis gebruik trachtten te maken, om aan de plannen op het vinden van den noordoostelijken doortocht gebouwd deel te nemen[38]. De Anikiews hadden reeds dadelijk een Zweedsch scheepsbouwmeester in hun dienst, die zich bezighield met het bouwen van twee tot die reis geschikte schepen. Brunel, de Nederlandsche handelsreiziger, kreeg van hen den last om in Antwerpen bekwame stuurlieden en matrozen te huren, al was het tegen hooge prijzen.
Op zijnen weg daarheen kwam Brunel in Februari 1581 op het eiland Oesel in de golf van Riga, waar hij in de stad Arensburg eene samenkomst had met zekeren Johan Balak, een cosmograaph met den beroemden Gerard Mercator bevriend. Balak, die zeer veel belang schijnt gesteld te hebben in ontdekkingstochten, gaf hem eenen aanbevelingsbrief aan Mercator te Duisburg mede. Uit dezen brief, door Hakluyt bewaard, kennen wij de plannen en inzichten van onzen landgenoot. Zoo Balak het ons niet uitdrukkelijk verzekerde, uit de mededeelingen van Brunel zelven zouden wij het reeds kunnen opmaken, dat hij, de koopman, geen geleerde was, maar een man van rijke ervaring: zijne plannen getuigen niet van de studie van Plinius, maar daarentegen van eene betrekkelijk nauwkeurige kennis van de Siberische kusten.
Brunel was dan voornemens een schip van weinig diepgang in Nederland met koopmansgoederen te beladen, in de Witte Zee eenige ervaren Russen te huren, zich van den noodigen proviand te voorzien en in de maand Mei ter ontdekking uit te zeilen. Oostwaarts voorbij het eiland Dolgoi gestevend, wilde hij den mond der Pechora bezoeken, onderweg alle kusten en zeeën nauwkeurig opnemen en zooveel mogelijk de afstanden bepalen. Vooral den mond der Pechora wilde hij als een geschikt station voor de heen- en terugreis nauwkeurig onderzoeken. Langs de kust door de Yugorsky-sjar stevenende, de Karabaai overstekende, meende hij spoedig aan den Ob te zullen komen. Eenige van de vele monden dezer rivier wilde Brunel opnemen en dan twaalf dagen de rivier stroomopwaarts opzeilen totdat hij aan de plaats kwam, waar een andere groote rivier, de Yaks Olgush genaamd (de Taz-rivier?), zich in den Ob uitstortte. Op zijne reizen overland was hij vroeger reeds op die plaats geweest, waar de inboorlingen hem verzekerd hadden, dat zij, wanneer zij daarheen varende den Ob in drie dagen waren overgestoken, rijke scheepsladingen door zwarte menschen de rivier (namelijk de Yaks Olgush) hadden zien afvoeren. Eene nabijgelegene rivier, de Ardoh (de Keta of de Taimyr?), die zich in het meer van Kittai[39] (Keta of Taimyr?) uitstortte, begrensde dan ook het land, bewoonde door de Carrah Colmak, dat niets anders was dan het rijke en beroemde Cathay. (Khatangsk?) Brunel hoopte daar te overwinteren en het volgende jaar naar de Witte Zee terug te keeren.
Dit was het plan, dat de oudste Nederlandsche noordpoolreiziger zich had voorgesteld. Tot den mond van den Ob had hij zijne eigene ondervinding om hem te leiden. Verder moest hij alleen op de onvolkomene berichten der Samojeden afgaan. En dat dezen geene veilige gidsen waren, blijkt reeds bij eene oppervlakkige studie der kaarten. De verwarring, door Plinius’ berichten gesticht, was nauwelijks grooter dan die, waartoe de verhalen der wilde stammen Brunel brachten. Tot den Ob kunnen wij hem volgen. Maar zoo al de gissingen, hier en daar over zijn verderen tocht uit de overeenkomst van naam en ligging door mij gewaagd, juist zijn, in ieder geval blijkt het, dat de opgaven der afstanden voorbij den Ob geheel verkeerd zijn. En Brunel zou zeker spoedig hebben bemerkt, dat bij den Ob zijne reis eerst begon.
De ontwerper zelf was van de deugdelijkheid zijner plannen overtuigd. Niet echter zijne Russische weldoeners, het vaderland moest het voordeel genieten, dat de jarenlange nasporingen van den handelsreiziger zou beloonen. Nu hij zelf eindelijk de noodige kennis voor het aanvaarden der reis verkregen had, besloot Brunel dadelijk, de liefde tot het vaderland hooger stellende dan de dankbaarheid, om eenige kooplieden in Nederland voor zijn plan te winnen. Dadelijk na zijne aankomst stelde hij alles in het werk om tot de verwezenlijking zijner geliefkoosde denkbeelden te komen. Ik geloof dan ook niet, dat het gewaagd is aan te nemen, dat het op zijnen aandrang was, dat eenige kooplieden aan prins Willem I het voorstel deden om door het noordoosten eenen weg naar Oost-Indië te zoeken, mits de regeering hen ondersteunde. De bekende Middelburgsche koopman Balthazar De Moucheron[40], de beroemde geleerde Gerard Mercator[41], beiden evenals Brunel Zuid-Nederlandsche ballingen, beiden met hem goed bekend, schijnen aan dit plan niet vreemd geweest te zijn. De toestand des lands was echter te benard, dan dat de regeering het op zich had kunnen nemen veel geld te wagen in ondernemingen, waarvan de uitslag zoo twijfelachtig was als van deze. Hoe ingenomen de prins persoonlijk met het plan zijn mocht, aan ondersteuning van staatswege viel dus niet te denken.[42]
De beide ondernemende Zuid-Nederlanders, Brunel en Moucheron, lieten zich echter niet afschrikken. Het komt mij hoogstwaarschijnlijk voor, dat in 1584 op kosten van Moucheron de eerste Nederlandsche noordpoolreis ondernomen werd[43]. Hoe dit zij, zeker is het, dat aan Brunel de eer dier eerste reis toekomt. Met een schip van Enkhuizen—de stad, die reeds sinds 1565 handel dreef op Kola,—vertrok de onvermoeide reiziger »lange voor Willem Barentszoons reis” naar het noorden om het verre Cathay te bereiken. Evenals al zijne navolgers, die, kooplieden in merg en been als de Nederlanders waren, zich ook op zulke gevaarlijke reizen niet van den handel wilden onthouden[44], hield ook Brunel zich onderweg bezig met het aanknoopen van handelsbetrekkingen met de Samojeedsche stammen. Zijne pogingen waren hem echter noodlottig: nog voordat hij Novaya Zemlya bereikt had, nam zijne reis een einde. De rivier de Pechora, die hij blijkens den brief van Balak reeds vroeger als zeer ondiep had leeren kennen, verzwolg zijn schip, dat reeds met eene rijke lading kostbare handelsartikelen (pelterijen, bergkristal en Russisch glas) bevracht was[45].
Nog wilden de twee bondgenooten het niet opgeven: zij besloten tot eene nieuwe poging. Maar eene noordpoolreis was geene zaak van gering belang: „by de Kooplieden alleen konde ’t selfde seer qualijck te weghe ghebracht worden sonder eenighe hulpe ofte assistentie midtsgaders d’ authoriteyt van ’t Landt daer toe te hebben[46].” Het vaderland had zich tot bijstand onmachtig verklaard: men moest zich dus elders heenwenden. Aan een terugkeer in Russische dienst viel voor Brunel niet te denken: vernamen wij reeds, dat hij tijdens zijn bezoek aan Balak niet van plan was zich bij de Russische onderneming naar het oosten aan te sluiten, hoe zou men hem ontvangen, nu hij van het geheim den geheimzinnigen Russen afgezien gebruik gemaakt had om den streng verboden handel op Siberië zelf te ondernemen? Hoe zou men den ontwerper van het plan beschouwen, terwijl de geldschieter Moucheron zelf, die nog in 1584 talrijke schepen naar de Witte Zee zond, daar met zulke wantrouwende blikken werd aangezien, dat hij het raadzaam oordeelde den winstgevenden handel eerlang te staken?[47] Maar eene andere mogendheid bleef hun over. Denemarken, reeds lang misnoegd over de tochten naar de Witte Zee, die zijnen Sondtol afbreuk deden, zou gaarne de gelegenheid aangrijpen om zelf in het noorden machtig te worden. Daarheen wendde zich dan ook eerlang Brunel en sloot uit naam van Moucheron met den koning eene overeenkomst, waarbij Z. M. den Zeeuwschen koopman verscheidene privilegiën schonk en hem zelfs ƒ 100,000 voor zijne moeite beloofde, zoo hij den tocht wilde doen ondernemen en zijne kennis voor den koning beschikbaar stellen. Maar ook ditmaal kwam er van de reis niets: mag men Moucheron gelooven, dan »prefereerde hy den dienst ende welvaert van deze landen” ten slotte boven het bevoordeelen van den vreemdeling, en was dus zuivere vaderlandsliefde de oorzaak, dat hij zich ongeneigd toonde den Deen te helpen[48].
Maakt ook dit wel wat laat opgekomen gewetensbezwaar bij iemand, die zoo goed wist wat hij wilde als de latere handlanger van Hendrik IV, een eenigszins verdacht figuur, zeker is het dat Brunel minder nauwgezet was. De wegen der beide krachtvolle mannen scheiden zich hier. Terwijl Moucheron zich langzamerhand en in het geheim voor verdere noordpoolreizen voorbereidde, zocht Brunel elders bevrediging voor zijn onleschbaren dorst naar avonturen. Eenmaal in betrekking met Denemarken bood hij den koning aan de lang verlorene Groenlandsche koloniën voor hem te gaan opzoeken. Het aanbod van den ervaren noordpoolreiziger kon niet anders dan welkom zijn aan eene natie, die reeds vroeger een paar maal tochten met dit doel had ondernomen, en gretig werd dan ook de voorslag aangenomen. Brunel trad dadelijk in Deenschen dienst en gaf niet eerder zijne pogingen op, voordat drie vruchtelooze reizen, door hem in achtereenvolgende jaren ondernomen, hem van de ijdelheid van zijn streven hadden overtuigd[49].
Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Brunel zich daarna in zijn vaderland heeft nedergezet om krachtig mede te werken tot verwezenlijking zijner geliefkoosde plannen en om de begeerte zijner landgenooten naar betere kennis van het geheimzinnige noorden te prikkelen. Wij weten toch, dat de latere noordpoolreizen der Nederlanders voor geen gering deel aan zijne bemoeiingen moeten toegeschreven worden[50]; wij kunnen nagaan, dat hij met Barendsz. zelven uitvoerig over zijne ervaringen moet gesproken hebben[51]. Waarschijnlijk ging hij met zijne onderrichtingen voort tot aan zijnen dood, die zeker op het einde der zestiende eeuw voorgevallen is: althans in 1577 was hij »al een bedaeght man”[52]. Zijn naam bleef wijd en zijd bekend: Engelschen en Nederlanders vermelden hem als iemand van gezag en ondervinding[53]. Slechts de zorgeloosheid der geschiedschrijvers is oorzaak, dat wij zoolang onbekend gebleven zijn met de lotgevallen van eenen landgenoot, wiens naam als die van zoovele reizigers dier tijden tot nog toe nagenoeg het eenige was, dat van hem ter onzer kennis was gekomen[54].
Maar waren ook zijne daden vergeten, de uitwerkselen daarvan zijn sinds eeuwen wereldberoemd. Brunel zelf schijnt de uitvoering zijner plannen niet meer beleefd te hebben, maar zijn deelgenoot Moucheron vatte met de hem eigene energie het oude, niet vergeten plan weder met kracht aan, zoodra hij een geringe kans van slagen zag. Gedurende de lange jaren, dat de onderneming schijnbaar was opgegeven, had hij door zijne bloedverwanten te Archangel en te Londen, door personen, die hij alleen met dat doel naar Rusland zond, onvermoeid de meest volledige inlichtingen verzameld over de kansen op eene noordoostelijke doorvaart en de resultaten door Russen en Engelschen reeds verkregen[55]. In 1593 kon hij zich dan ook tot Maurits Van Nassau wenden[56] en, door dezen aan de Staten aanbevolen, in December aan den thesaurier van Zeeland Jacob Valcke en aan de Gecommitteerde Raden dier provincie zijne plannen ontvouwen. De Staten van Zeeland toonden zich dadelijk geneigd tot medewerking: zij boden Moucheron het bestuur over de onderneming aan en 1⁄3 van de in- en uitgaande rechten der langs den nieuwen weg te vervoeren goederen, mits hij 1⁄4 van de kosten droeg. Toen echter de zaak door eene conferentie van Moucheron met Maurits, Oldenbarnevelt, Cant, Maelson en Valcke meer algemeen bekend werd, mengde zich ook Holland daarin en beide provinciën besloten geheel op eigene kosten zonder tusschenkomst van Moucheron den tocht te doen ondernemen. Den ontwerper beloofden zij met eene som gelds of eene jaarwedde voor hem en zijne nakomelingen te zullen beloonen. Moucheron moest, hoewel hij liever zelf als aandeelhouder in de verwachte voordeelen der onderneming had willen deelen, toegeven en hij sloot met de Staten van Holland en Zeeland een contract, waarbij hij zich verbond hen voor de ontworpen reis met zijne verkregen kennis bij te staan. Na lange beraadslagingen en vele conferentiën met Moucheron werd eindelijk 11 Mei 1594 de Instructie voor de expeditie vastgesteld en den 16 door de Staten-Generaal bekrachtigd. Dit gewichtige stuk bevatte den last om de Yugorsky-sjar, de straat tusschen het vaste land en het eiland Vaigatsch, door te zeilen, te trachten over de Kara-zee het voorgebergte Tabin te bereiken en van daar na alle kusten, eilanden, havens en reeden, alle zeeën en andere wateren goed opgenomen te hebben, na de nauwkeurigste waarnemingen omtrent vloed en eb en andere belangrijke verschijnselen in het scheepsjournaal te hebben aangeteekend, onverwijld huiswaarts te keeren. Het zoeken van den verderen weg werd voor eene volgende reis bewaard[57].
Ondertusschen had de Amsterdamsche regeering, wier opmerkzaamheid zich weldra op de onderneming vestigde, het plan opgevat om voor zich een aandeel in den roem en het voordeel daarvan te verkrijgen. Aangevuurd door haren burger, den beroemden cosmograaph Petrus Plancius, besloot zij tegelijk met de Staten-Generaal een schip voor eigene rekening naar het noorden uit te zenden. De plannen, door de hooge regeering in overleg met Moucheron gemaakt, droegen echter de goedkeuring der Amsterdammers niet weg. Zij besloten de inzichten van Plancius te volgen. Misschien onder den invloed der berichten van Brunel, die ongetwijfeld van den Russischen handelsweg naar het oosten door Matyushin-sjar ten noorden van Novaya Zemlya (propria) gesproken had, verkondigde Plancius de leer, dat de weg door Yugorsky-sjar met vele moeielijkheden verbonden was (de reis van Pet en Jackman had dit voldoende bewezen) en dat men dus de voorkeur moest geven aan het zoeken van eenen doortocht ten noorden van Novaya Zemlya[58]. De instructie, aan de Amsterdammers door de Staten-Generaal gegeven, luidde dus, dat zij overeenkomstig met deze begrippen den weg aan de beide andere schepen voorgeschreven wel een eind ver moesten volgen, maar dat zij vóor het bereiken van Novaya Zemlya daarvan moesten afwijken en trachten dit land te omzeilen. Na het bereiken van kaap Tabin moest ook deze expeditie na soortgelijke waarnemingen als de andere langs denzelfden weg huiswaarts keeren[59].
Wel niet te gelijk, maar toch op denzelfden dag (5 Juni 1594) verlieten de beide expedities de reede van Texel. Den vorigen dag had men besloten gezamenlijk den tocht tot Kildin te maken en Cornelis Cornelisz. Nay, den kapitein van een der beide schepen van de Staten-Generaal, tot opperbevelhebber van de geheele vloot benoemd. Den 23 Juni lag men te zamen voor Kildin: spoedig daarop vertrok elk in de hem voorgeschrevene richting. Wij zullen eerst de grootste der beide uitrustingen op haren weg volgen.
De twee schepen, de Swane van Veere en de Mercurius van Enkhuizen, uitgerust onder toezicht van Moucheron en Maelson, vertrokken 2 Juli naar Vaigatsch. Op de Swane was kapitein Cornelis Cornelisz. Nay van Enkhuizen, die meermalen voor Moucheron op de Witte Zee gevaren had, stuurman Pieter Dircksz. Strickbolle van Enkhuizen, een zeeman, die zijne ervaring mede in dienst der Moucherons had verkregen; als commies was daar de bekende Francoys De la Dale, een bloedverwant van Moucheron, die lang voor hem aan de monden der Dwina vertoefd had; Christoffel Splindler, een Slavoniër die te Leiden gestudeerd had, ging als tolk mede. Op de Mercurius was kapitein Brandt Ysbrandtsz. Tetgales van Enkhuizen en stuurman Claes Cornelisz. uit dezelfde stad; de commies was de beroemde Jan Huygen Van Linschoten. Wat kon men niet van de vereenigde pogingen van zoovele ervarene en geleerde mannen verwachten!
Het resultaat der onderneming was, hoezeer ook door tijdgenooten geroemd, slechts gering: de Nederlanders kwamen langs denzelfden weg als Pet en Jackman ongeveer tot hetzelfde punt als hunne voorgangers. Reeds dadelijk door drijfijs bemoeielijkt zeilden zij langs de Russische kust, staken de Witte Zee en de Cheskaia-golf over en bereikten 18 Juli den mond der Pechora. Den 21 kwamen zij bij Vaigatsch voor anker, zeilden na vele onderzoekingen de Yugorsky-sjar door en bereikten 1 Augustus de zee van Kara. Ook daar werden zij zeer door drijfijs gehinderd, maar na moedig doorzetten kwamen zij 9 Augustus op omstreeks 71° NB. in eene opene zee. Zij meenden daarom wel wat voorbarig de doorvaart naar Indië gevonden te hebben en »stemden met een ghemeen accoort de Cours weder naer ’t Vaderslandt te stellen om aldaer (hun Godt sulcks gunnende) dese wel-gheluckte begonnen vaert, met blijdtschap te communiceren.” Aan verschillende, zooals zij meenden door hen ontdekte plaatsen hadden zij namen gegeven. Zoo noemden zij Yugorsky-sjar de straat van Nassau, Vaigatsch het Enkhuizer eiland, de Kara-zee de Nieuwe Noordzee, twee eilanden het Maelsons- en het Staten-eiland[60]. Fier op het resultaat hunner reis, die hen naar zij meenden voorbij den Ob en in het gezicht van kaap Tabin gebracht had, ontmoetten Nay en de zijnen den 16 Augustus ten westen van Vaigatsch de Amsterdammers, die minder hoog van zich zelven denkende in werkelijkheid aan het voorgestelde doel veel nader gekomen waren.
Deze expeditie bestond uit slechts éen schip, de Mercurius, dat een jacht of visschersschuit bij zich had. De geringe krachten der onderneming werden echter ruimschoots opgewogen door de tegenwoordigheid van Willem Barendsz. als kapitein. Het is voldoende zijnen naam te noemen om voor den lezer dadelijk het beeld op te roepen van dezen beroemden Terschellinger, den ervaren stuurman, die »van syne kintsche daghen aen altijt gheneghen gheweest was, omme nae alle syn vermoghen, de Landen die hy bewandelde oft beseylde, Caertsghewyse met den omloopenden Zeen, Wateren, ende Streckinghen af te beelden”[61],—den vromen held, die volgens zijne zinspreuk »Niet sonder God”[62] deed,—den man eindelijk, wiens karakter zijnen onderhoorigen tegelijk diep ontzag en warme genegenheid inboezemde. Het is dan ook overbodig meer over zijnen persoon te zeggen; van zijne vroegste lotgevallen is het onmogelijk iets van belang mede te deelen.
Den 29 Juni verliet de Amsterdamsche expeditie Kildin, den 4 Juli kreeg zij Novaya Zemlya in het gezicht ten noorden van Matyushin-sjar. De lijn der kust volgende bereikte Barendsz. reeds 10 Juli zonder vele moeielijkheden kaap Nassau, het punt van waar de kust zich oostwaarts wendt, maar reeds drie dagen later ontmoette hem veel ijs en het overige gedeelte der reis ging daardoor met ontelbare bezwaren gepaard. Steeds heen en weer zeilende kwam het schip eerst 29 Juli op 77° NB. bij het noordelijkste punt van Novaya Zemlya, dat IJskaap genoemd werd, en twee dagen later bij de Oranje-eilanden, die nog steeds de herinnering aan Willem Van Oranje bewaren. Juist op dit punt, waar de lang gezochte zee van Kara zich opende, moest Barendsz. zijne pogingen opgeven: de zee was vol drijfijs en de bemanning weigerde verder te gaan. Men zeilde terug geheel langs Novaya Zemlya tot de zuidpunt toe, miste echter Matyushin-sjar, waar men juist de kust eenige dagen verlaten had, en bereikte na lang omzwerven Vaigatsch. Den 16 Augustus ontmoette Barendsz. daar Nay en de zijnen[63]. [Bijlage II]
Den 16 September 1594 kwam de verzamelde vloot behouden in het vaderland aan. De bevelhebbers deden dadelijk verslag van hunne verrichtingen aan Maurits, aan de Staten-Generaal en aan de Staten van Holland, in tegenwoordigheid van eenen afgevaardigde van Zeeland. Het resultaat van Nay’s reis, hoe gering het ons moge schijnen, en ook het verslag door de Amsterdammers uitgebracht, waren wel geschikt om den Staten moed te geven tot verdere pogingen. Beide ondernemingen hadden ten oosten van Novaya Zemlya eene opene zee gevonden; beide konden meenen, dat de bezwaren op eenen weg naar Oost-Indië niet onoverkomelijk waren. Dadelijk werden dan ook de voorbereidende maatregelen getroffen om op nieuw uit te zeilen. Door middel van den bekenden Emanuel Van Meteren, Nederlandsch consul te Londen, werden inlichtingen ingewonnen van den Engelschen geograaph Richard Hakluyt. Het bericht door dezen gegeven luidde alleszins bemoedigend: Hakluyt geloofde, ook onafhankelijk van de door de Nederlanders verkregen kennis, vast aan het vinden van den noordoostelijken doortocht. Door al deze berichten was men in Nederland vol hoop; men vreesde zelfs nu reeds mededinging van Frankrijk langs den te vinden weg: men stelde voor de straat van Nassau te versterken en zoo aan alle vreemde natiën den pas af te snijden; tot het verder voortzetten der ontdekkingsreizen werd zonder aarzeling besloten. Holland was de eerste provincie, die van de zaak sprak. Reeds in October 1594 werd de zaak daar in de statenvergadering behandeld. Ook Zeeland toonde zich ijverig: Moucheron was den Staten weder met raad en daad behulpzaam. Na langdurige conferentiën van Holland en Zeeland onderling en van deze provinciën met de Staten-Generaal, werd 9 Mei 1595 tot het ondernemen eener tweede reis op staatskosten besloten: de instructie werd 16 Juni vastgesteld[64].
Het plan dezer tweede Nederlandsche noordpoolreis leeren wij nauwkeurig kennen uit de »pointen geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden Coninckrycken van China ende Japan.”[65][Bijlage III] Het voornemen was zich 11 Juni in het Marsdiep te verzamelen en van daar ten spoedigste langs Vaigatsch naar kaap Tabin te zeilen. Twee jachten waren bestemd om de tijding van het bereiken van dit moeielijk te naderen punt dadelijk in het vaderland aan te brengen. De expeditie zou ondertusschen van kaap Tabin voortstevenen »naede haeuen ende Stadt van Guinsay”, aldaar landen en moeite doen om den vrijen handel te bekomen, vooral er op lettende »wat Coopmanschappen aldaer aengenaem waren, ende voor retour herwaert szouden wezen te becommen.” Dezelfde pogingen moesten de schippers, wanneer het hun hier mislukte, herhalen in alle havens van Azië’s oostkust tot aan het noorden van Japan. Slaagde men ook daar niet, dan moesten de schepen terugkeeren om in Juli, Augustus of uiterlijk September 1596 straat Nassau weder te kunnen passeeren. Evenals het vorige jaar kreeg de bemanning last »van alles goede notitie te houden” en twee jachten af te zenden om den terugweg benoorden Novaya Zemlya te beproeven onder belofte van »eerlycke recompense extraordinarie by succes.” Zooveel wat de reis zelve betrof; de Staten wenschten echter reeds dadelijk de handelsbelangen te bevorderen en besloten »omme te aengenamer te wezen in de voorszeide landen” »eenige Coopmanschap” aan de schepen te doen medegeven. Ten einde de ondernemingszucht der kooplieden, »die op zoe onzekere reyse niet gaerne en zouden hazarderen,” te prikkelen, zou men hen »daertoe Inviteren” door de belofte van vrijdom van in- en uitgaande rechten en van de vracht. Ook kolonisatieplannen werden gekoesterd; ten minste men besloot, dat »oick geleth soude werden oft men eenige quaetdoenders op het Landt soude stellen.”[66]
Nog veel tijd ging met het gereedmaken der vloot heen: eerst 2 Juli konden de schepen voor de onderneming bestemd van Texel in zee steken. Opperbevelhebber der vloot was wederom Cornelis Cornelisz. Nay[67], opperstuurman Willem Barendsz. Als commiezen van Holland waren op de vloot aanwezig de bekende Linschoten, Heemskerck en Rijp; voor Zeeland De la Dale en Buys, neven van Moucheron. Zoo zeker rekende men ditmaal op het bereiken van Azië’s oostkust, dat men het anders geheel onnoodige getal van zeven schepen voor de reis had uitgerust; men hoopte ze beladen met kostbare handelsartikelen te zien terugkeeren, en werkelijk hadden eenige kooplieden de schepen met koopmanschappen bevracht. De Instructie, die voor Linschoten en De la Dale als oppercommiezen werd gereed gemaakt, schreef hun zelfs nauwkeurig voor, hoe zij met de vorsten der stammen ten noorden van Japan handelsbetrekkingen moesten aanknoopen.
Al deze schoone verwachtingen zouden echter op de grievendste wijze teleurgesteld worden. Eerst den 10 Augustus bereikte de vloot den Noordkaap; reeds den 17 ontmoette zij drijfijs. Toch kwamen de reizigers weldra aan de straat van Nassau, waar zij echter in eene baai, door hen Traenbaei genoemd, moesten blijven liggen: de geheele straat van Nassau was eene onafgebroken ijsvlakte. Wel gelukte het 24 Augustus de straat door te zeilen, maar het ijs dreef de schepen spoedig weder naar Vaigatsch terug en toen zij eindelijk 3 September het Staten-eiland bereikten, bleken de moeielijkheden in de zee van Kara toch te groot dan dat men zich daarin durfde wagen. Na herhaalde vruchtelooze pogingen door Barendsz., die van geen terugkeeren hooren wilde, gedaan om ergens open water te vinden, bewilligde deze eindelijk 15 September in het mede-onderteekenen van een protest, waarbij alle bevelhebbers der vloot voor God verklaarden, dat het hun onmogelijk was dit jaar verder te zeilen. Eerst in November kwamen de schepen zeer verspreid in het vaderland terug[68].
Maar al was het resultaat ontmoedigend, de kooplieden wilden hun streven niet opgeven. Nog vóor het einde van het jaar leverde Linschoten aan de Staten-Generaal zijn journaal van de reis over; tegelijk gaf hij HHM. een nieuw plan ter overweging. Op het voorbeeld der Portugeezen wijzende, die eerst na herhaalde proefnemingen den weg naar Oost-Indië hadden gevonden, wekte hij de Staten tot een nieuwe poging op. Door het reeds omtrent de gelegenheid der Yszee bekende achtte hij het ontwijfelbaar, dat de noordoostelijke doortocht naar Oost-Indië bestond; uit de jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob besloot hij, dat de straat van Nassau niet altijd zoo onbevaarbaar zijn kon als de Nederlanders haar dien zomer gevonden hadden. Alleen »de kennisse ende rechte ervarentheydt van den tijt” was nog onbekend. Om die kennis te verkrijgen stelde Linschoten voor, dat de Staten vroeg in het voorjaar van 1596 twee »Iachten ofte Boots” naar de straat van Nassau zouden zenden om daar het oogenblik af te wachten, dat de Russische schepen de reis naar den Ob deden. Eenmaal daar aangekomen twijfelde hij niet of de verdere weg was gemakkelijk: zijne ondervinding van 1594, toen hij meenende reeds voorbij den Ob te zijn eene opene zee had gevonden, boezemde hem daaromtrent het volste vertrouwen in. Weldra zouden de schepen de rivier de Gillissy (de Jenissei) bereiken, waar zij des gevorderd gemakkelijk overwinteren en van de talrijke kustbewoners de noodige inlichtingen verzamelen konden om het volgende jaar de reis voort te zetten[69].
Maar hoe schoon het plan mocht schijnen, er kwam niets van. De onvoldoende uitslag der laatste onderneming schrikte de regeering van verdere pogingen af. Wel beraadslaagden de Staten-Generaal en de Staten van Holland nogmaals ernstig over een nieuwen tocht, maar »hoe wel meest alle de Steden van Hollant daer toe eerst waren jnclinerende”[70], besloot men toch geen geld meer aan zoo onzekere kansen te verkwisten en liever eene premie van ƒ 25.000 benevens vrijdom van in- en uitgaande rechten uit te loven voor dengene, die den doortocht werkelijk ontdekt had[71]. Amsterdam, altijd zoo ijverig in het bevorderen van deze zaak, liet het er niet lang bij blijven. Reeds vóordat de premie uitgeloofd was had de vroedschap besloten,—overwegende »dat bysonder dese Stad (als principaelyck Inde coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick ’t gemeene landt ende d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge ende ryckdomme grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de voorszeide vaert (daer toe goede hope wierd gegeven) mochte werden gevonden,”—dat de stad ƒ 12.000 zou beschikbaar stellen om twee schepen, éen van 50 à 60 en éen van 30 last, naar het noorden uit te zenden[72]. Plancius was nu evenals de vorige malen niet alleen een der voornaamste bevorderaars der reis, maar ook de eerste raadsman der regeering. Had hij het vorige jaar bij het opmaken der plannen voor de reis zijne eigene inzichten opgeofferd, toen het scheen alsof de straat van Nassau een geheel ijsvrijen weg naar Oost-Indië zou openen; nu het gebleken was, dat deze straat somtijds nog grootere moeielijkheden opleverde dan het omzeilen van Novaya Zemlya, kwam hij op zijn oude plan terug. Men besloot dan ook, dat deze expeditie den door Barendsz. onderzochten weg nogmaals zou inslaan.
Wederom waren het ervarene zeelieden, aan wie het bestuur der schepen werd toevertrouwd. Was Jan Cornelisz. Rijp van Enkhuizen, die reeds den vorigen tocht als commies had medegemaakt, schipper en commies op het eerste schip met Arend Martensz. van Amsterdam als stuurman[73]; in het andere bekleedde Jacob Hendricksz. Heemskerck dezelfde betrekkingen als Rijp, terwijl geen minder persoon dan Willem Barendsz. stuurman was. De bizonderheden van deze allerbelangrijkste onderneming, waarbij men verdere ontdekkingen deed dan de meeste beroemde zeevaarders der negentiende eeuw, zijn algemeen bekend: deze reis is een der populairste gedeelten onzer geschiedenis. Ik kan mij dus bepalen tot het geven van een overzicht van den gevolgden weg. Den 18 Mei van Vlieland uitgezeild zette men noordelijk koers. Reeds spoedig ontstonden er onaangenaamheden tusschen de aanvoerders van beide schepen. Rijp meende, in overeenstemming met Plancius’ inzichten[74], dat het volgen van den ouden koers tot bij Novaya Zemlya de expeditie evenals vroeger in het ijs zou voeren; hij vreesde ook op de reeds zoo dikwijls onoverkomelijk bevonden bezwaren, die de zee bij Vaigatsch aanbiedt, te zullen stuiten. Ook Barendsz. was wel niet van plan zich naar Vaigatsch te begeven, maar hij meende toch dat de richting, die Rijp aangaf, te veel westelijk was. Voor eenen tijd gaf hij echter toe dien koers te blijven vervolgen. Het resultaat daarvan was reeds 9 Juni de ontdekking van Beeren-eiland en weinige dagen later (17 Juni[75]) ook van Spitsbergen[Bijlage VII], dat zij niet verre van den noordwestelijken hoek bereikten. De pogingen om van daar in noordwestelijke richting eenen doorgang door het ijs naar de pool te vinden mislukten. Men keerde na eene landing op een der noordwestelijke eilanden terug en poogde, langs de kust zuidelijk gestevend, de zeeëngte, die Prince Charles’ foreland van Spitsbergen scheidt, door te zeilen. Maar deze nauwe straat bleek onbevaarbaar en de expeditie voer dus het eiland westelijk langs, bezocht Bellsound en bereikte, nadat zij de geheele westkust van Spitsbergen gevolgd had, den 1 Juli het Beeren-eiland weder[76]. Hier deed zich het verschil van gevoelen tusschen beide bevelhebbers op nieuw voor en men besloot tot eene scheiding. Rijp zeilde nogmaals noordelijk om te trachten de pool te bereiken. Daar hij aan de westzijde van het nieuw ontdekte Spitsbergen de ijsvlakte dicht aaneengesloten bevonden had, beproefde hij ditmaal of ten oosten van dat land de kans hem gunstiger zou zijn. Maar vergeefs! Ook daar vond hij de ijsmuur ondoordringbaar en al volgde hij den rand daarvan westelijk, geen doorgang vertoonde zich. Bij zijne pogingen om dien te vinden geraakte hij ondertusschen hoe langer hoe meer westelijk, ten noorden van het land, en kwam eindelijk op de plaats terug, waar hij eenige weken te voren met Heemskerck en de zijnen vruchteloos naar eenen doorgang gezocht had. Van daar zuidelijk gezeild, richtte hij in eene baai op 79° en eenige minuten NB., waarschijnlijk de Cross-bay, een paal op, zooals hij dat met de anderen had afgesproken en zeilde ook de vroeger bezochte Vogelhoek voorbij. Het vinden van een doortocht noordelijk naar den pool werd nu opgegeven en Rijp besloot Heemskerck en de zijnen naar Novaya Zemlya te volgen. Het jaargetijde was ondertusschen verre verloopen en weldra stuitten de reizigers op zooveel ijs, dat zij genoodzaakt waren »sonder veel anders uyt te rechten” te Kola binnen te loopen en van daar huiswaarts te keeren[77]. Niet het schip van Heemskerck heeft dus, zooals onlangs beweerd is, Spitsbergen omzeild; aan Rijp alleen komt de eer van die moeielijke reis toe. De weinige publiciteit, die echter aan den tocht van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck gegeven is, schijnt de oorzaak geweest te zijn, dat de aardrijkskundige wetenschap der zeventiende eeuw van zijne ontdekking, dat Spitsbergen een eiland is, geen partij getrokken heeft.
Onderwijl hadden Heemskerck en Barendsz. een geheel andere richting gevolgd. Den 17 Juli kwamen zij in het gezicht van Novaya Zemlya. Op nieuw volgde Barendsz. nu de noordwestkust van het eiland, die hem reeds in 1594 bekend geworden was. Weken lang worstelde het schip met het ijs en den 15 Augustus bereikte men eindelijk de Oranje-eilanden, het verste punt der eerste reis. Ditmaal gelukte het verder te gaan. Zuidoostwaarts de kust volgende zeilde men den Hoek van Begeerte om en kwam 21 Augustus in de IJshaven aan, waar het schip geheel in het ijs beklemd raakte. Hoe de Nederlanders hier van den 26 Augustus 1596 tot den 14 Juni 1597 onder 76° NB. op eene onbewoonde barre plaats in een hut van planken moesten overwinteren, hoe zij daarna in twee opene schuiten de terugreis aannamen, hoe Barendsz. onderweg overleed, hoe zijne lotgenooten na tallooze gevaren ontmoet te hebben eindelijk 2 September te Kola een Nederlandsch koopvaardij schip vonden, waarop hun vroegere tochtgenoot Jan Cornelisz. Rijp kapitein was, en hoe zij van daar 29 October in de Maas aangekomen te Amsterdam in hunne pelzen van vossenvel rapport van hun wedervaren deden,—zijn zaken, die te bekend zijn om ze hier uitvoerig te verhalen[78].
Het verslag, dat Heemskerck en de zijnen van hunne avontuurlijke reis deden, was niet geschikt om tot verdere proefnemingen aan te moedigen. Men mocht hen prijzen om den betoonden moed en volharding; men mocht hun den lof geven, dat zij verder dan een hunner voorgangers in het noorden waren doorgedrongen, te verhelen was het niet, dat de doortocht niet gevonden was en dat, ook al had geen land de reizigers gestuit, de zee zelve dicht bezet met drijfijs een bijna even onoverkomelijken hinderpaal had opgeleverd. Men moest wel door eene harde noodzakelijkheid gedrongen worden, wanneer men die bijna onbevaarbare zee als handelsweg gebruiken wilde. En die noodzakelijkheid bestond reeds niet meer. Waren reeds in het begin van 1596 de uitkomsten van Linschotens reizen in Portugeeschen dienst bekend geworden, in hetzelfde jaar als Heemskerck keerde Houtman met de eerste Nederlandsche vloot uit Oost-Indië terug. De gewone weg, waarom men Spanje en Portugal steeds zoozeer benijd had, was gevonden: wat behoefde men zich een nieuwen doortocht te zoeken, die zooveel meer moeielijkheden aanbood?
Werkelijk werd er in de eerste jaren na 1597 niet meer aan den noordelijken doortocht gedacht: de handel op Oost-Indië bloeide langs den gewonen weg meer en meer. In 1602 kwam het tot de oprichting der Oost-Indische Compagnie, die den handel bevestigen en voor goed in den ouden weg leiden zou. Maar juist door die oprichting ontstond er weder eene aanleiding tot het zoeken van den noordelijken doortocht. In het octrooi had de regeering zijdelings eene premie uitgeloofd op het bereiken van het vroeger zoo begeerde doel. Aan de Oost-Indische Compagnie was namelijk door de Staten het recht verleend om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Oost-Indië te mogen varen langs de kaap de Goede Hoop en door de straat van Magellaan. Andere onontdekte wegen naar Oost-Indië bleven dus voor de vrije mededinging open. Wat wonder; dat zij, die om politieke of religieuse redenen geen deel aan de voordeelen, door de bevoorrechte compagnie verkregen, wilden hebben, zich dadelijk beijverden het oude Nederlandsche plan weder op te vatten, dat te lang vergeten was? De Oost-Indische Compagnie werd door deze mededingers dan ook reeds dadelijk na hare oprichting verontrust. Was er reeds in December 1601—misschien onder den indruk van de verschijning van het journaal van Linschoten in dat jaar,—weder sprake geweest van het zoeken van den noordoostelijken doortocht[79], den 8 November 1602 richtten eenige kooplieden tot de Staten-Generaal een verzoek om hulp tot een tocht »om te soecken den pas om noorden nade eylanden ende vaste landen van Asia ende America.”[80] Dadelijk beraadslaagden de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie om zelven den doortocht te zoeken en zoodoende, steunende op hun recht als eerste ontdekkers, ook dezen weg in hun monopolie te doen opnemen. Het gevaar dreigde echter de compagnie nog te zeer van verre om de vergadering tot zulke maatregelen van belang over te halen: den 7 Augustus 1603 namen de zeventien het besluit den doortocht niet te zoeken. Men schijnt overwogen te hebben, dat ook na de ontdekking het verkrijgen van octrooi bij de bekende ongunstige gezindheid der Staten-Generaal voor monopoliën twijfelachtig was, en men nam dus voor, liever te trachten de pogingen door de vijanden der compagnie aangewend te verijdelen, dan zelf met hen te wedijveren in zoo onzekere ondernemingen[81].
Hoewel dit plan van de bestrijders der Oost-Indische Compagnie voorloopig ter zijde gesteld schijnt te zijn, hield de concurrentie volstrekt niet op. De bekende Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander der compagnie, zocht voortdurend naar middelen om de gehate vereeniging te doen bukken. Wel had in 1606 een besluit der Staten-Generaal het door hen verleende monopolie krachtig gehandhaafd, maar de publieke opinie verklaarde zich meer en meer ten nadeele der compagnie en de oppositie schepte moed. Vele Zuid-Nederlandsche kooplieden, nog onlangs versterkt door de rijke aandeelhouders der compagnie zelve, die geen deel aan den door haar met de wapenen in de vuist verkregen buit wilden hebben, waren reeds lang in het geheim aan het onderhandelen met Hendrik IV, om onder zijne bescherming den Franschen handel op Oost-Indië te vestigen. Le Maire voegde zich bij hen. De nieuwe compagnie, die zich alleen op vreedzaam handeldrijven wilde toeleggen, zou ongestoord de vruchten plukken van de door de Oost-Indische Compagnie met geweld en kosten behaalde voordeelen en haar dadelijk op elk met moeite ontgonnen veld als mededingster kunnen volgen. Door de bescherming van Nederlands machtigen vriend zou zij onschendbaar zijn[82]. En dit meer slimme dan edele plan was niet het eenige gevaar, dat de Oost-Indische Compagnie dreigde. Een ander lievelingsdenkbeeld der Zuid-Nederlanders, het ontwerp van eene West-Indische Compagnie, werd door Willem Usselincx gedurig met kracht aangedrongen, en het naderend bestand met Spanje dreigde de compagnie met nieuwe moeielijkheden. Wat eindelijk alles afdeed: de alvermogende Oldenbarnevelt, die slechts onder den drang der omstandigheden medegewerkt had tot het vestigen van het Oost-Indische monopolie, scheen niet ongeneigd den mededingers nu de hand boven het hoofd te houden. Waarlijk, zelden stonden de kansen der Oost-Indische Compagnie zoo hachelijk! In deze omstandigheden was het van het uiterste belang, dat de publieke opinie zich weder begon bezig te houden met den doortocht in het noorden.
In 1607 had de beroemde Henry Hudson een nieuw tijdperk in de geschiedenis der noordoostelijke reizen geopend. Hij had Spitsbergen bezocht en bij zijne terugkomst vele belangrijke mededeelingen gedaan. Het gerucht van zijne reis had ook Nederland bereikt en de algemeene aandacht gaande gemaakt. Voor de Oost-Indische Compagnie was dit een feit, waarmede gerekend moest worden: in den ernstigen toestand, waarin zij verkeerde, zou de ontdekking van de noordelijke doorvaart, die aan hare mededingers ook binnenslands de handen beloofde vrij te geven, haar onmiddellijk ten val gebracht hebben. Er moesten dus maatregelen genomen worden om die mededingers vóór te zijn, nu de publieke opinie nieuwe tochten naar het noorden scheen te eischen.
De compagnie zag dit zelve in en hare maatregelen beantwoordden aan haar karakter als bevoorrechte vereeniging. Op het einde van 1608 besloot zij bij de Staten-Generaal een verzoek in te dienen om haar octrooi uit te breiden. Door ook den noordelijken weg naar Indië daarin op te nemen meende zij, dat voor goed aan alle mededinging de pas afgesneden zou zijn. Maar het plan lekte uit en dadelijk was de erfvijand der compagnie, Isaac Le Maire, gereed om het te bestrijden. Hij diende bij Oldenbarnevelt eene uitvoerige memorie in, waarin hij er op wees, dat alle onnoodige uitbreiding van monopolie schadelijk was, omdat »daermede eenige particuliere alleen het benefitie genietten ende het generael daervan gefrustreert is.” Waren daarom alle de verzochte uitbreidingen van het octrooi niet wenschelijk, de vaart naar het noorden in het bizonder behoorde open te blijven; aangezien »die noch te vinden was ende misschien by de Compagnie niet gevonden soude werden, ende met sulcken ernst apparentelycken niet en soude gesocht worden, als by andere.” Het verzoek der bewindhebbers strekte verder tot nadeel van alle partikuliere kooplieden der Vereenigde Provinciën, die zich steeds verlaten hadden op de in 1596 op het ontdekken van den doortocht gestelde premie[83].
Dit laatste was wel het hart der quaestie. Le Maire verheelde het aan Oldenbarnevelt niet, »dat andere soowel als de Compagnie, desseing hadden gemaeckt, inde vaert van Noorden te aventueren, ende niet en behoorden gefrustreert te worden.” Werkelijk werden van beide zijden toebereidselen gemaakt om den doortocht te zoeken. Oldenbarnevelt, de oude vijand van alle monopolie, was de man niet om tot het plan der compagnie mede te werken, en van het uitbreiden van het octrooi kwam dan ook niets. De bewindhebbers hadden dit zelven reeds gevreesd. Reeds vooraf hadden zij hunne maatregelen genomen, en zoodra het bleek, dat hun plan geen kans van slagen had, poogden zij in het worstelperk der vrije concurrentie de overwinning te behalen. Dadelijk toen Hudson in 1608 terugkwam van zijne tweede reis, waarop hij den weg ten noorden van Novaya Zemlya te vergeefs had beproefd, Kostin-sjar onderzocht en bevonden had, dat die zeeëngte niet naar de zee van Kara leidde, ontbood de Oost-Indische Compagnie hem zelven naar Nederland om met hem in onderhandeling te treden.
Omstreeks het einde van 1608 kwam Hudson werkelijk te Amsterdam[84]. Hij had langdurige conferentiën met de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, met Plancius en Hondius, maar ten slotte oordeelde men het onmogelijk, van een zoo omslachtig ingericht lichaam als de Oost-Indische Compagnie, tijdig een besluit te verkrijgen om Hudson nog dit jaar in dienst te nemen. Met eene belooning voor zijne moeite en de belofte hem het volgende jaar te zullen uitzenden, moest de Engelschman dus naar huis vertrekken. Dadelijk maakte Le Maire van deze gelegenheid gebruik. Hij sprak met Hudson en trachtte hem over te halen, de reis naar het noorden nog dit jaar voor zijne rekening te doen. Voor de nieuwe in Frankrijk op te richten Oost-Indische Compagnie stelde hij zich gouden bergen voor van de diensten des beroemden zeemans. Maar het plan lekte uit en de Oost-Indische Compagnie nam dadelijk hare maatregelen. Toen de Zeeuwsche kamer weigerde Hudson uit te zenden, daar zij de uitgaven aan het zoeken van den noordoostelijken doortocht besteed, als nuttelooze geldverspilling beschouwde, besloot de Amsterdamsche kamer in de bestaande onmogelijkheid om tijdig eene algemeene vergadering bijeen te roepen, de verantwoordelijkheid voor de zending alléen op zich te nemen. Zij trad dadelijk op nieuw met Hudson in overleg en den 8 Januari 1609 sloten beide partijen een contract, waarbij de Engelschman zich verbond den noordoostelijken doortocht te zoeken en bij goeden uitslag dadelijk naar Nederland terug te keeren. Daar zou hij zich dan met der woon vestigen en uitsluitend in dienst der Oost-Indische Compagnie blijven. Deze verbond zich daarentegen aan Hudson na het einde der reis ƒ 800 of bij overlijden aan zijne vrouw en kinderen ƒ 200 uit te betalen. Zoo de doortocht gevonden was, zou men hem rijkelijk beloonen; de aard en grootte dezer belooning werden geheel aan de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie overgelaten. Den 6 April 1609 vertrok Hudson daarop met een vlieboot, de Halve Maan genaamd, van de reede van Texel[85].
Zoo belangrijk de geschiedenis van het uitzenden van Hudson is, zoo onbeduidend zijn de resultaten, door hem verkregen in de hem bij zijne Instructie opgedragen taak. Men had hem voorgeschreven het oude Amsterdamsche plan nogmaals te beproeven, en dus evenals Barendsz. ten noorden van Novaya Zemlya te trachten de straat Anian te bereiken[86]. Van daar moest hij terugkeeren, zonder bij mislukking van die poging eenen anderen weg te mogen beproeven. Dergelijke proefnemingen wenschte de Oost-Indische Compagnie tot eene latere gelegenheid uit te stellen; voorloopig was het haar alleen om de prioriteit in het vinden van den noordoostelijken doortocht te doen[87].
In de uitvoering van dit plan was Hudson bizonder ongelukkig. Evenmin als op zijne vorige reis vermocht hij Novaya Zemlya nu te omzeilen. Den 5 Mei bij de Noordkaap aangekomen, zette hij koers naar Novaya Zemlya, maar geraakte spoedig in het ijs beklemd. Nog voordat hij dit eiland bereikt had, werd zijn volk oproerig en was hij genoodzaakt den tocht op te geven. Den 14 Mei keerde hij om, den 19 was hij weder bij de Noordkaap en op zijne verdere reis hield hij zich geheel bezig met het uitvoeren zijner nieuw opgevatte plannen tot het vinden van den noordwestelijken doortocht[88]. Dat hij op die reis o. a. de Hudsonsrivier onderzocht en aanleiding gaf, dat de aandacht zich op de heerlijke streek, waar nu New-York verrezen is, vestigde, is eene zaak, die, hoe gewichtig ook en met hoeveel ingenomenheid ook door de geschiedkundigen besproken, voor ons van geen belang is. Het zij ons genoeg op te merken, dat Hudson den 7 November in Engeland aan wal gestapt, aan de Nederlandsche Oost-Indische Compagnie voorstelde om van daar uit op hare kosten het noordwesten verder te onderzoeken,—dat de bewindhebbers hem integendeel bevalen dadelijk naar Nederland te komen, maar dat hij door de Engelsche regeering verhinderd werd aan dien last te voldoen; eindelijk dat hij, dus belet om zijne gelofte aan de Oost-Indische Compagnie gestand te doen, zijn journaal overzond, het schip alleen naar Nederland liet terug gaan en zich op nieuw in dienst der Engelsche Moscovische Compagnie begaf[89].
Hoe was het ondertusschen met de pogingen van Le Maire afgeloopen? Het was niet te verwachten, dat een man van zijne energie eene zoo belangrijke zaak zou opgeven zonder ze eerst te beproeven. Werkelijk was dit ook het geval niet: niettegenstaande de vele teleurstellingen zette hij zijn plan door. Wij hebben gezien, dat Hendrik IV de plannen van de vijanden der Oost-Indische Compagnie in zijn eigen belang begunstigde; het kwam er slechts op aan den weg door het noorden te vinden, ten einde botsingen met de Staten-Generaal te voorkomen. In Frankrijk was echter niet licht iemand te vinden, die met kans op goeden uitslag den gevaarvollen tocht zou kunnen ondernemen. Wij zagen, dat ook de onderhandelingen met Hudson aangeknoopt mislukten. Het was dus zaak, in Nederland een persoon in dienst te nemen, die tegen den Engelschman ten minste eenigszins opgewassen was. Le Maire meende dat dit niet moeielijk zou zijn. Reeds dadelijk nadat Hudson door de Oost-Indische Compagnie in dienst was genomen, had hij het oog op een ander, die zijne oogmerken kon bevorderen. Wie daarmede bedoeld wordt, weten wij niet; alleen verhaalt ons Jeannin, dat het iemand was, die de reis (ten noorden van Novaya Zemlya) reeds eenmaal gedaan had en door Le Maire voor een meer ervaren zeeman dan Hudson zelf gehouden werd. Wij mogen het er voor houden, dat dit verhaal meer van de zucht om het plan aan Hendrik IV smakelijk te maken dan van historische nauwgezetheid getuigt: een bekwamer persoon dan Hudson was toch in 1609 bezwaarlijk te vinden. Verschillende omstandigheden schijnen dan ook den bedoelden zeeman eenvoudig als eenen tochtgenoot van Heemskerck en Rijp op hunne beroemde reis van 1596 en 97 te kenmerken[90].
Wij weten niet, of Hendrik IV Le Maire’s keus goedkeurde; zeker is het, dat de onderhandelingen met den stuurman van 1596 weldra werden afgebroken. De redenen daarvan zijn ons onbekend; wij kunnen ze echter gissen. De Oost-Indische Compagnie had in overleg met Hudson de plannen voor de onderneming vastgesteld en het was voor Le Maire, die breedvoerige conferenties met den Engelschman gehad had, niet twijfelachtig langs welken weg deze zijn doel zou trachten te bereiken. Het kon niet wenschelijk schijnen, met de compagnie, die in ieder geval vroeger gereed zou zijn dan Le Maire, langs denzelfden weg mede te dingen, en de koers ten noorden van Novaya Zemlya werd dus door den ondernemenden koopman opgegeven[91]. De voornaamste aanbeveling van den stuurman van 1596, namelijk het vermoeden dat hij den te volgen weg kende, verviel hiermede en het was dus verkieslijker iemand van meer ervaring in dienst te nemen.
Het voornemen was nu, om overeenkomstig met de plannen van Linschoten den ouden korteren weg door de straat van Nassau weder te beproeven. De jaarlijksche tochten der Russen naar den Ob bewezen, dat het mogelijk was langs dien weg ten minste ver naar het oosten te komen, en het viel Le Maire niet moeielijk eenen anderen schipper »fort entendu aux nauigations et de grande expérience” voor die plannen te winnen. De dus door Jeannin geprezen zeeman was geen ander dan de befaamde Melchior Van Kerckhoven, op wiens bekwaamheid en moed met meer reden geroemd werd dan op zijn karakter en beginselen[92]. Moeielijker bleek het een commies voor de reis te vinden. Le Maire had dadelijk het oog laten vallen op den bekenden Isaac Massa van Haarlem[93] en zeker had hij moeielijk een beter keus kunnen doen, nu het gold de kennis, die de Russen van de kusten der IJszee verkregen hadden, ten nutte der reis aan te wenden. Gedurende zijn langjarig verblijf in Rusland had Massa, ijverig beoefenaar der aardrijkskunde en schrander opmerker als hij was, langzamerhand een schat van berichten opgezameld, die in Europa geheel onbekend gebleven waren. Ongelukkig bleek hij echter de man niet te zijn, die Le Maire dienen kon. Ofschoon een tegenstander der bekende plannen van Plancius en overtuigd dat alleen de weg door de straat van Nassau kans van slagen aanbood, was Massa te nauwkeurig bekend met de bezwaren, die eene reis in de IJszee opleverde, misschien ook te weinig doortastend om de altijd onzekere plannen zelf te steunen.
Hij stelde reeds dadelijk vele eischen. De geheele inrichting der expeditie was volgens hem verkeerd. De reizigers moesten vóor hun vertrek nog talrijke voorzorgen nemen en zich beter toerusten tot den tocht; zij moesten bepaaldelijk naar het voorbeeld der Russen kleine booten medenemen, die altijd veel meer kans hadden zich door het ijs heen te werken dan de betrekkelijk groote Nederlandsche schepen; zij moesten eindelijk zich voorbereiden op de mogelijkheid eener overwintering in het barre noorden, die waarschijnlijk noodig was wilde men zijn doel bereiken. Het was echter Le Maire onmogelijk zich al deze wenken, hoe heilzaam ook, ten nutte te maken: hij had de voorschriften, die van ouds voor noordpoolreizen bestonden, gevolgd en Massa’s plannen zouden eene geheel nieuwe uitrusting hebben noodig gemaakt. Daartoe zou echter vóor alles veel tijd en veel geld noodig zijn geweest, en hoewel Hendrik IV zijnen handlanger een paar maal eene som gelds door zijnen gezant deed toekomen, had hij gemeend aan diens hooge eischen niet geheel te moeten voldoen. Tijd vooral was het, die Le Maire ontbrak: het door de Oost-Indische Compagnie uitgeruste schip was reeds gereed en Hudson kon op zijnen tijd vertrekken. Zoo deze ervaren zeeman, van wien men zooveel verwachtte, den doortocht vond voordat Le Maire gereed was, dan was alles verloren, het doel der reis gemist.
Het was dus duidelijk, dat de onderhandelingen moesten afspringen. Maar ook al waren de beide geniale kooplieden het hierin eens geworden, dan nog zou Le Maire zich waarschijnlijk van Massa’s medewerking niet veel goeds hebben mogen beloven. Het mocht een verstandige eisch heeten, dat Massa in de plannen en voorbereidingen van Le Maire de fouten wilde verbeterd zien, die zijne rijke ervaring hem aanwees; het is hem geheel niet kwalijk te nemen, dat hij, toen Le Maire weigerde zijnen raad te volgen, van zijnen kant ongeneigd was om deel te nemen aan eene expeditie, die naar zijne inzichten niet slagen kon, maar het was kleingeestig, dat hij ook, waar zijne ervaring hem in den steek liet, aan zijne bekrompene wereldbeschouwing argumenten tegen de mogelijkheid van te slagen ontleende. Het toonde, dat het Massa met de zaak geen ernst was;—het bewees, dat hij niet bezield was met den geest, die de Moucherons, de Barendszen, de Linschotens gedrongen had hunne tochten over den geheelen aardbol uit te strekken, dat hij zijne landgenooten door dwaze bezwaren, waaraan hij zelf niet geloofde, van verdere pogingen afschrikte[94]. Maar wij laten Massa en zijne kritiek rusten: »ick sloech het af,” dus verhaalt hij, »want ick bewysen wil dat mender niet door en can en altyts vergeefs sal wesen wat sy doen, oft moesten ’t anders aenlegghen.”[95]
Zoo was dus Le Maire weder teleurgesteld, maar de zaak opgeven dat wilde hij niet. Spoedig was een andere commies gevonden en de overeenkomst met Hendrik IV werd nu gesloten. De onderneming zou op naam van Le Maire, in het geheim echter voor Fransche rekening, plaats hebben. Gelukte de poging, dan zou het schip niet in Nederland maar in Frankrijk binnenvallen; Le Maire zou dan dadelijk naar Parijs vertrekken en zich aan het hoofd der nieuwe Fransche Oost-Indische Compagnie plaatsen. Voorloopig ontving de ondernemer reeds 15,000 livres van Hendrik IV[96] en den 5 Mei 1609 vertrok Kerckhoven met een »kleyn schipken” en voorzien van eenen geloofsbrief van Maurits naar het noorden.[97]
Hoe dwaas ook de argumenten van Massa tegen de uitvoerbaarheid van het laatste gedeelte der reis waren, het bleek den reizigers weldra, dat hij over het eerste gedeelte met volkomen kennis van zaken gesproken had. De onderneming was tegen de bedoeling van Le Maire, die haar gaarne zeer vroeg in het voorjaar had zien vertrekken[98], door den herhaalden tegenspoed een paar maanden vertraagd en geen wonder dan ook, dat Kerckhoven in dit toch reeds zeer ongunstige jaar de straat van Nassau onbevaarbaar vond. De zeeëngte was opgevuld met ijsmassa’s van niet minder dan 50 à 60 vademen dikte.[99] Aan het volvoeren van den tocht viel niet te denken; de reizigers moesten terugkeeren en maakten eene »slechte reyse.”[100] Het is niet onwaarschijnlijk, dat Le Maire in het volgende voorjaar op nieuwe pogingen bedacht was[101], maar de plotselinge dood van zijnen beschermer Hendrik IV maakte natuurlijk aan alle plannen een einde.
Terwijl de beide bovenvermelde reizen grootendeels hare verklaring vinden in den strijd tusschen monopolie en vrije concurrentie, schijnt het tot nog toe niet duidelijk geweest te zijn, wat de reden was, dat van 1607 tot 1612 plotseling na tienjarige rust het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië weder met zooveel ijver, een enkele maal zelfs van staatswege, in Engeland en Nederland werd opgevat. Het komt mij voor, dat deze hernieuwde pogingen moeten toegeschreven worden aan het genie van twee Engelschen, die eene andere richting aanwezen dan den tot nog toe in de noordsche ondernemingen gewoonlijk gevolgden koers.
Toen Henry Hudson in 1607 zijne eerste reis naar het noorden ondernam, handelde hij volgens een bepaald plan. Reeds in 1527 had Robert Thorne, een Engelschman, die te Seville woonde, verkondigd, dat men noordelijk recht over de pool naar Oost-Indië moest zeilen. Hij meende, dat die weg veel korter was dan eenige andere tot dusver ingeslagen; aan de bezwaren met dit plan verbonden, de onbevaarbaarheid der zee en de onbewoonbaarheid van het land, geloofde hij niet[102]. Dit voorstel, in 1582 door Hakluyt in zijne Divers Voyages wereldkundig gemaakt, bleef aanvankelijk onopgemerkt. Plancius alleen schijnt het met Thorne eens geweest te zijn[103], maar Barendsz. nam op de twee tot bereiking van Plancius’ doel uitgeruste tochten steeds zijn koers te veel oostelijk om de pool te bereiken en zoo naar Oost-Indië te geraken. Slechts Jan Cornelisz. Rijp, getrouwer dan Barendsz. aan Plancius’ instructiën, sloeg in 1596 de richting door Thorne aangewezen in[104]. Hij wilde ten noorden van Spitsbergen door het ijs breken en de pool bereiken, maar de ijsdam, die zich steeds oostelijk van Groenland en ten noorden van Spitsbergen uitstrekt, belette hem zijn plan uit te voeren. En Barendsz. zelf, al kon hij zich ook niet vereenigen met de plannen van Rijp, stierf in de overtuiging, dat men niet door de noordelijke kusten van Europa of van Novaya Zemlya te volgen, maar door hooger in het noorden zijnen weg te zoeken de meeste kans hebben zou om eene opene zee te vinden[105]. Het onbeduidende resultaat, dat de reis van Rijp volgens de toenmalige inzichten had, belette, dat men zijn plan op nieuw trachtte uit te voeren, maar de op zijn aandrijven gevolgde noordelijke koers had tot de ontdekking geleid, dat niet altijd de koude, hoe meer men de pool naderde, heviger werd[106]. De opmerking, dat het op Spitsbergen op 80° minder koud was dan op Novaya Zemlya op 76°,—een verschijnsel, dat waarschijnlijk aan den warmen golfstroom moet worden toegeschreven,—leidde reeds de Nederlanders tot de conclusie, dat de massa’s ijs, die de Russische rivieren in de IJszee uitstortten, de atmospheer kouder, de zeeën onbevaarbaarder maakten dan hoog in het noorden, waar volgens Mercator de snelle stroomingen de vorming van ijs verhinderden en waar dus eene opene zee zich uitstrekte[107]. Door deze opmerkingen moesten de plannen van Thorne meer en meer uitvoerbaar schijnen.
Toch was een Engelschman de eerste, die weder volgens Thorne’s voorschriften handelde. Eerst in 1607 trachtte Henry Hudson de noordpool te bereiken en zeilde daarom aan beide zijden van Spitsbergen naar het noorden. Evenmin als Rijp, die in 1596 geheel hetzelfde gedaan had, slaagde Hudson. Toch gaf hij het niet op en volgde op zijne tweede reis hetzelfde plan. Ditmaal was het echter meer oostwaarts dat hij den doortocht zocht en zoodoende kwam hij eenigszins op den weg, dien Barendsz. gevolgd had. Maar minder gelukkig dan zijn voorganger moest hij het reeds spoedig opgeven en terugkeeren[108]. Toch was het resultaat zijner reizen gewichtig. Evenals de Nederlanders had hij de opmerking gemaakt, dat op Spitsbergen de atmospheer betrekkelijk warm was, de plantengroei minder dor dan op Novaya Zemlya[109]. Zijn bezoek in Nederland, waar hij in den geleerden Plancius een warmen voorstander zijner denkbeelden vond, versterkte hem in zijne plannen, en evenals vroeger was hij dan ook in 1609 weder voornemens het plan van Thorne uit te voeren. Hij sprak daarover nog uitvoerig met Plancius en Le Maire, en schijnt het met beiden volkomen eens geworden te zijn[110]. Ook de bekende cartograaph Hessel Gerritsz., hoewel aanhanger der plannen van Linschoten, achtte de meeningen van Plancius en de zijnen eene ernstige overweging waard.
Het laat zich begrijpen, dat, toen Hudsons plannen zoodoende in Nederland bekend werden, waar de publieke opinie reeds eenigszins op het ontvangen van zulke mededeelingen was voorbereid[111], ze dadelijk algemeen ingang vonden. Plancius werd meer en meer in zijne denkbeelden bevestigd. Met nadruk verkondigde hij, dat de zon, die gedurende de zes zomermaanden onafgebroken de noordelijke streken beschijnt, de zee warmer maakt, het ijs doet smelten en daardoor de overmatige koude aan de atmospheer ontneemt[112]. Hij meende dus, dat de koude tot op 66° NB. voortdurend toenam om van daar weder af te nemen tot de pool toe; hij vond eene bevestiging dier meening in het feit, dat het onder de evennachtslijn minder warm is dan onder de keerkringen. De meening der ouden, die de poollanden voor onbewoonbaar hielden, was volgens Plancius even ongegrond als hunne verhalen omtrent de onverdragelijke hitte onder de evennachtslijn, waar men eene talrijke bevolking gevonden had. Hij geloofde dus, dat de Nederlanders niet meer als vroeger langs de kust slechts tot ongeveer 73° NB. moesten gaan, maar in de opene zee recht noordelijk tot 83° NB. zeilen, waar de ijsvrije oceaan zonder twijfel den weg naar straat Anian zou openstellen. Van daar zou de weg langs Azië’s oostkust naar Oost-Indië gemakkelijk zijn en veel korter dan alle andere bekende wegen[113]. De invloedrijke Plancius won weldra weder aanhangers voor zijne leer en meer en meer maakte het denkbeeld om naar de pool te zeilen opgang.
Zoo waren de zaken gesteld, toen in 1610 zekere Helisaeus Röslin, med. doct. te Buchsweiler in den Elzas en lijfmedicus van den graaf van Hanau, den Staten een boekje aanbood, waarin hij het nieuwe plan uitvoerig aanbeval[114]. Door astrologische berekeningen tot het inzicht gekomen, dat God de ontdekking van de Noordpool wilde, stelde hij voor om ten minste tot 80° of 82° noordwaarts te zeilen, waar hij meende, dat men eene opene zee zou vinden. Het mislukken der vroegere Nederlandsche tochten was volgens hem alleen toe te schrijven aan de richting dier reizen, die de schepen steeds door eene zeeëngte voerde, waar het ijs zich ophoopte[115]. Evenals Thorne wees hij op de vergissing der ouden, die ook de tropische gewesten voor onbewoonbaar gehouden hadden; evenals Plancius meende hij, dat de lange pooldag de temperatuur hoe langer hoe meer verhitte, naarmate men de pool naderde. Met veel ernst trok hij te velde tegen een paar argumenten van eenige tegenstanders van zijn plan: het religieuse bezwaar van sommigen, dat het Paradijs aan de pool zou liggen en dat dus God zelf door zijnen engel met het vlammende zwaard den toegang daarheen zou beletten, achtte hij onbewezen; de verhalen van den magneetberg, die alle schepen, als zij de noordpool bereikten, bij het daaraan bevestigde ijzer vasthouden zou, hield hij voor volkomen ongegrond[116].
Het boekje maakte opgang en werkte er krachtig toe mede, dat twee Nederlanders, Ernst Van de Wal en Pieter Aertsz. de jonge van Amersfoort, de Staten-Generaal en de Amsterdamsche admiraliteit om bijstand tot het ondernemen van eenen nieuwen tocht verzochten[117]. Zij beweerden stoutweg, dat het Barendsz. en Linschoten aan den noodigen moed en volharding ontbroken had. Overtuigd als zij waren van de deugdelijkheid van Röslins beschouwingen, meenden zij zelven gelukkiger te zullen zijn, want, zoo redeneerden zij schertsend, »de Son soude eerder daer by Noorden zout maken dan ijs.” Niettegenstaande de afkeuring van sommigen[118], die het boekje vol »sotternien” achtten en de voorstellers van den tocht »eenige onervaren, vermetele menschen” noemden, vond het plan bijval en in 1611 besloot de admiraliteit te Amsterdam tot den nieuwen tocht. Twee schepen, de Vos en de Craen, werden na langdurige beraadslagingen met Plancius en Linschoten voor de reis uitgerust. De bevelhebber der onderneming was Jan Cornelisz. May, bijgenaamd Mensch-eter, van Hoorn[119], die reeds in 1598 de reis van Van Neck naar Oost-Indië had medegemaakt en later op de reis om de wereld van Spilbergen van 1614 tot 1617 als kapitein op des bevelhebbers schip zou aanwezig zijn[120]. Commies en stuurman op zijn schip de Vos waren Ernst Van de Wal en Pieter Fransz.; het andere schip voerden Symon Willemsz. Cat als kapitein, Pieter Aertsz. de jonge als commies, en Cornelis Jansz. Mes als stuurman. Hun werd bij hunne Instructie gelast, ten noordoosten den doortocht door straat Anian te zoeken. Zoo dit doel in één jaar niet bereikt kon worden, moesten zij ergens eene plaats opzoeken, geschikt tot overwinteren. Mocht de reis naar het noordoosten ook het tweede jaar niet gelukken, dan moest May het in het noordwesten beproeven en trachten door straat Davis Oost-Indië te bereiken. In overeenstemming met de pogingen in de laatste jaren door Engeland en Frankrijk aangewend om koloniën in Amerika te verkrijgen, werd nu ook May belast, overal te letten op de plaatsen, die geschikt waren ter colonisatie en tot het aanleggen van forten[121].
De reis, den 18 Maart 1611 aangevangen, beantwoordde geheel niet aan de verwachting. May sloeg weder den door Barendsz. reeds tweemaal beproefden weg in en was nog ongelukkiger dan deze. Nu het goede spoor, door Rijp ingeslagen en in Nederland in de laatste jaren met zooveel warmte aanbevolen, verlaten was, beloofde de reis reeds dadelijk niet veel nieuws. En waarlijk was dit gedeelte van May’s reis arm aan resultaten. Hij bezeilde de kust van Novaya Zemlya, onderzocht de langen tijd zoo raadselachtige Kostin-sjar[122], en bereikte het Cruys-eylant op 76°, maar nergens kon hij door het ijs breken. Tegen het najaar moest hij tot herstel der geledene schade naar Kildin vertrekken, van waar hij naar Noord-Amerika zeilde om te overwinteren. Het langdurige gedwongen oponthoud werd door hem besteed tot onderzoekingen op de Amerikaansche kust van 47°-421⁄2° NB.[123]; bij eene dier landingen werd Aertsz. met eenige anderen door de wilden vermoord. Den 27 Februari 1612 besloot men eindelijk, dat het schip de Craen, na nog eenig vertoef op de Amerikaansche kust, huiswaarts zou keeren[124], en dat May met het schip de Vos op nieuw den noordoostelijken doortocht zou opzoeken.
Deze tweede reis volbracht May met evenveel volharding, maar met even ongelukkigen uitslag als die van het vorige jaar. In het begin van Juni 1612 bereikte hij Kildin, vertrok van daar den 10 en stevende naar Novaya Zemlya, waar hij den 30 aankwam. Tot 8 Juli zeilde hij noordelijk langs de kusten van dit eiland, maar toen stuitte hij op een vast ijsveld, dat zich noordwestelijk van het land uitstrekte. Hij volgde den rand daarvan tot 14 Juli, wanneer hij op 77° NB. was, en keerde naar de kust van Novaya Zemlya terug, die hij den 20 bereikte. Een dergelijken tocht langs het ijs ondernam hij tusschen 29 Juli en 9 Augustus, toen hij niet verder dan tot 77° 45´ NB. kon komen. Zijn plan om recht naar het noorden te zeilen scheen dus onuitvoerbaar; de buitengewoon strenge winter van 1611/12 had de zee van Spitsbergen in eene ijsvlakte veranderd[125]. Den 26 Augustus keerde hij naar huis terug, waar hij omstreeks half September behouden aankwam. Het eenige resultaat der reis was de zekerheid, dat de uitgestrekte zee tusschen Novaya Zemlya en Beeren-eiland geene eilanden bevatte en dat dus de eilanden Matsyn en Willoughby-land niet bestonden[126].
De ongelukkige uitslag dezer reis schrikte anderen niet af: reeds het volgende jaar werd een andere tocht met hetzelfde doel ondernomen. Jonas Witsen, raad en oud-schepen der stad Amsterdam, en Symon Willemsz. Nooms[127][Bijlage VIII], een Amsterdamsch handelaar op de kust van Guinea, wendden zich in Maart 1613 uit naam eener Amsterdamsche compagnie weder tot de admiraliteit en verzochten het schip de Vos, waarmede May de reis gedaan had, ter leen. Zij boden daartegen aan een deel in de winst, door handel of door het verkrijgen der in 1596 door de Staten uitgeloofde premie te maken. De admiraliteit toonde zich genegen aan het verzoek te voldoen en om voor de waarde van het schip, gewaardeerd op ƒ 3000, in de onderneming te participeeren[128]. Zoodra men het eens was geworden, vertrok het schip. Als schipper diende daarop Pieter Fransz.[129], die May’s stuurman geweest was[130]; de lading bestond in koopmansgoederen van allerlei soorten: glazen flesschen, olifantstanden, stukken laken, ketels en vooral »zeeven cleynne kasgens met norembergerije.”[131] Evenals May wilde men eerst den noordelijken doortocht zoeken; ditmaal echter langs eenen nieuwen weg. Reeds zoovele malen hadden Nederlandsche zeelieden het noordoostelijk gedeelte der IJszee vruchteloos doorkruist, dat men er aan begon te wanhopen, daar te slagen. Het noordwesten, waar Hudson in de laatste jaren onverwelkbare lauweren had geplukt, waarheen nog onlangs Button vertrokken was, om het verloren spoor van zijnen voorganger te zoeken, was den Nederlanders echter nog geheel onbekend en beloofde dus beteren uitslag. Wij zagen, dat reeds May den last had, wanneer zijne pogingen in het noordoosten mislukten, naar straat Davis den steven te wenden; nu besloot men, de straat, die reeds den naam van Hudson droeg, te doen onderzoeken en te trachten handelsbetrekkingen met de inwoners dier streken aan te knoopen. Door straat Anian moesten de reizigers verder Oost-Indië zien te bereiken. Daar echter het drijven van handel en het verkrijgen van direct voordeel ditmaal hoofdzaak was, werd aan Fransz. reeds dadelijk evenals aan May de last gegeven, om, wanneer het doel in het noordwesten niet bereikt werd, zuidelijker streken te bevaren en in Nova-Francia met de inlanders den ruilhandel te beproeven[132].
Weldra bleek het, hoe wijs deze bijvoeging geweest was. Waarschijnlijk sneed het tusschen de tallooze landen en eilanden van het noordwesten opgehoopte ijs den reizigers weldra den pas af; zeker is het, dat het zoeken van den doortocht opgegeven en de steven naar »de Riviere Hudson” gewend werd.[133] Ondertusschen was de zomer verstreken en men moest besluiten in het latere Nieuw-Nederland te overwinteren. De »quaetwillige inwoonders”, door herhaalde bezoeken in de laatste jaren niet gunstig jegens hunne blanke broeders gestemd, toonden zich echter nu evenmin als twee jaren vroeger den overwinterenden genegen. Van het drijven van handel was geen sprake; ja evenals op de reis van May vielen ook nu eenige Nederlanders, waaronder de kapitein Pieter Fransz. zelf, als offers der ontembare Indianen[134].
Tegen het voorjaar van 1614 schenen de kansen voor onze reizigers zich te verbeteren. Achtereenvolgens verschenen niet minder dan vier Nederlandsche schepen op de kust. Lambert Van Tweenhuysen, de oprichter der Noordsche Compagnie, had twee vaartuigen gezonden: de Tyger, schipper Adriaen Block en de Fortuyne, schipper Hendrick Christiaensz. Van Cleef; voor eene andere Amsterdamsche reederij was het schip de Nachtegael schipper Tys Volckaertsz. Mossel uitgezeild, terwijl Le Maire’s Austraalsche Compagnie—of ten minste de hoofdreeders daarvan—Cornelis Jacobsz. May met het schip de Fortuyne, van Hoorn uitgezonden hadden[135]. Schipper Jan De Wit, die in plaats van den vermoorden Fransz. aan boord van de Vos was opgetreden[136], kwam met de nieuw aangekomenen overeen »in Compaignie te handelen”[137], en ieder vertrok om zijn voordeel te zoeken. Block en May maakten zich door hunne ontdekkingen een beroemden naam[138]; Van Cleef was reeds in Juli met zijn schip geladen met bevervellen te huis[139], maar het schip de Vos had voortdurend ongeluk. Toen De Wit in het begin van Augustus 1614 weder te Amsterdam aankwam, had hij zoo weinig voordeel behaald, dat de beide reeders van het schip de admiraliteit moesten verzoeken om vrijstelling van de inkomende rechten over bijna alle goederen, waarvoor zij reeds bij het uitvaren betaald hadden. Hunne ondernemingszucht was echter door het ongeluk zoo weinig uitgedoofd, dat zij dadelijk verlof verzochten de goederen naar dezelfde plaats weder vrij te mogen uitvoeren[140].
Hier eindigt het eerste tijdperk der Nederlandsche tochten naar het noorden. Het jaar 1614 was bestemd om aan de ondernemingszucht der ontdekkers een dubbelen hinderpaal in den weg te stellen. Twee compagniën verrezen nagenoeg tegelijkertijd, die, door het octrooi der Staten-Generaal beschermd, alle Nederlanders uitsloten van den handel op het terrein, door de Nederlandsche noordpoolreizigers in de laatste jaren bevaren. Het verzoek door Witsen en Nooms gedaan om hunne goederen weder vrij te mogen uitvoeren—een verzoek dadelijk toegestaan[141]—toonde reeds dat de vaart op Amerika’s oostkust door hen niet opgegeven zou worden. Weinige maanden later (11 October 1614) werden de beide reeders dan ook opgenomen in het octrooi, dat de Compagnie van Nieuw-Nederland van de Staten-Generaal verkreeg. Reeds in Januari van hetzelfde jaar had eene andere compagnie ook voor de vaart op de noordsche landen uitsluitende rechten verkregen: de »Noordsche Compagnie” trad als bevoorrechte vereeniging op. De vaart op het noorden en het westen, sinds Hudsons derde reis voortdurend vereenigd, werd dus voortaan de bron waaruit twee vereenigingen schatten hoopten te verzamelen. Maar toch bleef de band, die de beide compagniën verbond, zeer nauw. Lambert Van Tweenhuysen, die als hoofdreeder in de compagnie van Nieuw-Nederland optrad, was ook de eerste, die in het octrooi der Noordsche genoemd werd, en terwijl de eerste bewindhebbers van beide compagniën gedeeltelijk dezelfde personen waren, zetten de familiën deze traditie nog jarenlang voort[142]. De Compagnie van Nieuw-Nederland, die eerlang in de West-Indische Compagnie opging, bleef ook toen nog nauw met hare Noordsche zuster verbonden. Maar het lot der beide lichamen, door oorsprong en belangen vereenigd, was toch geheel verschillend. De West-Indische Compagnie, eerlang van het terrein, waarop zij zich eerst gevestigd had, verdreven, sleepte in andere gewesten gedurende langer dan eene eeuw haar kwijnend bestaan voort; terwijl de Noordsche, zich juist te nauw beperkend tot het gebied, dat zij reeds dadelijk bezette, wel is waar zonder vreemde hulp en aanvankelijk met voordeel zich kon staande houden, maar toch reeds na dertig jaren voor de aanvallen harer mededingers bezweek. De geschiedenis der eerste vereeniging is, voorzoover zij Nieuw-Nederland betreft, door Amerikanen reeds op eene wijze bewerkt, die den Nederlander moet doen blozen; het zal mijn streven zijn, nu ten minste door de beschrijving van de lotgevallen der Noordsche Compagnie gedeeltelijk eene leemte aan te vullen, die te lang in onze geschiedboeken bestaan heeft.