← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

HOOFDSTUK VI. ENGELSCHE MEDEDINGERS.

Reading edition

Wij hebben in het tweede hoofdstuk uitvoerig verhaald, hoe men er toe kwam de IJszee in het begin der zeventiende eeuw op nieuw tot ver in het noorden te bevaren,—hoe de walrusjacht aan Beeren-eiland gedurende eenige jaren voor de Moscovische Compagnie een bron van groote voordeelen was,—hoe daarna de groote uitbreiding, die aan deze jacht gegeven werd, leidde tot de uitroeiing dezer dieren op Beeren-eiland en het zoeken van nieuwe plaatsen tot de vangst geschikt,—hoe de Engelschen daarop Spitsbergen onderzochten en daar de walvischvangst vestigden, en hoe eindelijk de groote voordeelen der Engelschen de Nederlanders aanlokten om hun spoor te volgen. Ons blijft nu over, meer in bizonderheden uiteen te zetten, hoe de Engelschen zich tegenover hunne mededingers gedroegen.

Toen Poole en Russell den 3 Mei 1612 bij hunne aankomst op Beeren-eiland het Nederlandsche schip ontmoet hadden, waarop de Engelschman Allan Sallowes stuurman was[728], werd er dadelijk ernstig beraadslaagd om dit verraad, door een vroegeren dienaar der Moscovische Compagnie aan zijn land gepleegd, te straffen door hem gevangen naar Engeland over te brengen. Gelukkiger dan zijn landsman Nicholas Woodcocke, die een Biscaaisch schip naar Spitsbergen had geleid, ontkwam Sallowes dit lot. De redenen van deze toegevendheid der Engelschen zijn ons onbekend. Toen Sallowes echter daardoor moed vattende het waagde zijne landslieden op hunnen tocht van Beeren-eiland naar Spitsbergen te volgen en niettegenstaande alle wendingen van Poole daarin volhardde, verdroot dit den Engelschen en zij verboden het nadrukkelijk. De Nederlanders hielden af en vonden hunnen weg te zamen met een Engelschen »interloper” zelven naar Spitsbergen. Tweemaal ontmoetten zij daar de schepen der Moscovische Compagnie en weder was de handelwijze der Engelschen weifelend. Terwijl Poole de Nederlanders rustig liet visschen en zelfs Sallowes aan zijn boord ontving, verbood Edge, de commies van het andere schip, hem bepaaldelijk Spitsbergen te bezoeken[729]. Waarschijnlijk hadden de Engelsche bevelhebbers geene machtiging aanvallenderwijze te werk te gaan: ook het vorige jaar had de Moscovische Compagnie met verlof van den Geheimen Raad haren schippers bevolen, aan alle Engelsche »interlopers” het visschen te verbieden, de vreemdelingen echter slechts te keer te gaan wanneer zij aanvallers werden[730].

Toen nu echter in 1613 van alle zijden berichten van nieuwe groote uitrustingen door Nederlanders, Franschen, Spanjaarden en inwoners der Spaansch-Nederlandsche provinciën in Engeland aankwamen, voelde de Moscovische Compagnie haren handel bij eene mededinging op zoo groote schaal niet meer veilig. Zij reedde ditmaal zeven schepen tot de walvischvangst uit en hiermede niet tevreden verzocht zij van Jakob I een bewijs van haar uitsluitend recht om op Spitsbergen te varen. Om te meer klem aan dit verzoek bij te zetten verkondigde de compagnie nu voor het eerst de onjuiste, in ieder geval onbewijsbare theorie, dat zij als ontdekster van Spitsbergen recht had op den uitsluitenden eigendom daarvan. De ontdekking van het eiland door Heemskerck en Rijp werd wel niet bepaald ontkend, maar men beweerde, dat, lang voordat dezen er aan gedacht hadden den steven noordwaarts te wenden, de Engelschman Willoughby Spitsbergen gezien en aan de beschaafde wereld bekend gemaakt had[731]. Volgens de toen in Engeland heerschende begrippen was niet alleen met den eigendom van het land het recht verbonden om de nabijgelegen zeeën voor ieder te sluiten, maar gaf ook het bevaren der zee aanspraak op den eigendom van den ruimen oceaan zelven. Koning Jakob, de ijverige verdediger van deze rechten, aarzelde dan ook geen oogenblik en verleende aan de compagnie een patent onder het groote zegel van Engeland, waarbij zij gemachtigd werd alle schepen, vreemde of Engelsche, die niet voor de Moscovische Compagnie voeren, van Spitsbergen te verdrijven, en om tevens voor den koning in bezit te houden en zelf te bevaren alle landen, ontdekt of onontdekt, die zich in de IJszee omtrent Spitsbergen bevonden[732]. De compagnie haastte zich van dit patent gebruik te maken; zij gaf aan Spitsbergen den nieuwen naam van King James’ Newland en hield zich in de eerstvolgende jaren gedurig bezig met het plaatsen van palen voorzien van ’s konings wapen op de kusten van Spitsbergen en andere eilanden, die zij langzamerhand ontdekte[733].

De mededingers der Moscovische Compagnie ondervonden dadelijk de gevolgen van de vergunning van Jakob I. De vereeniging gevoelde zich krachtig genoeg om van haar recht gebruik te maken. Nadat de commandeur Joseph de visscherij geregeld had aan de noordpunt van Prince Charles’ foreland, waar zich eene soort van vestiging der Engelschen van het vorige jaar bevond, begaf hij zich met eenige schepen langs de kust en overviel de in verschillende havens verspreide schepen der vreemden. Terwijl Franschen en Duinkerkers over het geheel met zekere toegevendheid behandeld werden, verjoegen de Engelschen de Spanjaarden met onverbiddelijke gestrengheid en vervolgden de Nederlanders, na hun het visschen verboden te hebben, zelfs langs de kust. De Nederlanders mochten zich met de Fransche schepen vereenigen en ook met de Duinkerksche op goeden voet staan, de overmacht der Engelschen was te groot, dan dat hunne verspreide en verdeelde mededingers met goed gevolg hadden kunnen weerstand bieden en de aanvallers behaalden dus overal eene gemakkelijke overwinning. Wij zullen de lotgevallen der Nederlanders meer in bizonderheden nagaan.

De commandeur Van Muyden, met zijne beide schepen den 27 Mei op Spitsbergen aangekomen[734], had zich bij de zuidpunt van Prince Charles’ foreland gevestigd en was 13 Juni de walvischvangst in Behouden-haven (de »Pooppy-Bay or Nickes Cove” der Engelschen) begonnen. Bij hem bevonden zich drie Fransche schepen en aan de tegenoverliggende zijde van Ice-sound waren twee schepen (een van Duinkerken en een van St. Sebastiaan in Spanje) in Greenharbour bezig met visschen. Nauwelijks had de Engelsche commandeur Benjamin Joseph bericht van de aanwezigheid der vreemden gekregen of hij begaf zich derwaarts en hield zich van 16 tot 19 Juni bezig met het door list en geweld verjagen zijner vijanden. Van Muyden toonde den Engelschen zijne commissie van graaf Maurits, die hem machtigde vrijelijk aan Spitsbergen te visschen en zich tegen alle aanvallen te verdedigen, maar Joseph beriep zich op den last, hem door de Moscovische Compagnie gegeven, en gebood Van Muyden nadrukkelijk te vertrekken zonder verder aan het eiland te visschen. De kapitein moest toegeven; de opbrengst zijner vangst werd een prooi der Engelschen. De overige schepen, die in Ice-sound waren, werden gedeeltelijk verjaagd, gedeeltelijk tegen zeer hooge belasting tot de vischvangst toegelaten.

Van Muyden liet zich niet afschrikken; hij stevende dadelijk naar Bell-sound (20 Juni), waar hij zich, vereenigd met een groot schip van St. Jean de Luz in het uitsluitend bezit der visscherij wist te handhaven tot 21 Juli[735]. Dien dag naderden hem echter drie Engelsche schepen op nieuw, ditmaal geheel tot een gevecht uitgerust. Toen het Biscaaische schip zich dadelijk overgaf bleef er voor de Nederlanders geen keus: zij volgden het voorbeeld van hunnen medgezel. Het schip van Boots, Van Muyden’s onderbevelhebber, werd dadelijk van de vangst beroofd en naar huis gezonden; Van Muyden hielden de Engelschen tot 28 Juli bij zich en lieten hem toen met een klein geschenk in ruil voor de achttien hem ontnomen walvisschen naar huis vertrekken. Tot 9 Augustus zwierf de verjaagde kapitein nog op de kust rond; maar zonder eenig aanmerkelijk voordeel moest hij toen de terugreis aannemen. De schade zijner reeders bedroeg minstens ƒ 130,000[736].

Den overigen Nederlanders was het niet beter gegaan. Van de twee schepen, door de Zaandamsche reederij uitgerust, was wel is waar het eene beladen met het spek van 200 in Bell-sound[737] gedoode walrussen, die men uit vrees voor de Engelschen niet tot traan had durven kooken, reeds 25 Juni naar huis gezonden; maar het andere was in Bell-sound gebleven en deelde daar in de algemeene plundering van 21 Juli. Het moest verder van zijne geheele vangst beroofd de Engelschen dienen. Eerst in het begin van Augustus zond commandeur Joseph het met een klein geschenk van spek naar huis.

Nog slechter was het Enkhuizer schip behandeld. Het had zich met een Fransch schip vereenigd om gezamenlijk in Horn-sound te visschen; drie Spaansche schepen oefenden daar ook de walvischvangst, terwijl het Duinkerksche schip zich nadat het uit Greenharbour verdreven was bij hen gevoegd had. Den 23 Juni ondergingen ook deze schepen het algemeene lot. Op bevel van den naderenden Engelschen commandeur kwamen alle kapiteins bij hem aan boord en onderwierpen zich. Alleen Bonner, de kapitein van het Enkhuizer schip, zelf een Engelschman en met eene bemanning, waaronder zich twintig Engelschen bevonden, waagde het niet voor Joseph te verschijnen en beproefde zich te verdedigen. Eenige kanonschoten dwongen hem echter weldra zich over te geven, en zooals hij verwacht had werd hij zwaarder gestraft dan zijne metgezellen. Bonner en de Engelschen werden gevangen genomen, de verdere bemanning van het schip over de Engelsche schepen verdeeld, terwijl het Nederlandsche schip zelf met Engelschen onder kapitein Marmaduke bemand, voor de overwinnaars in Fairhaven visschen en ontdekkingsreizen ten zuiden van Spitsbergen doen moest. Commandeur Joseph nam het volgeladen mede naar Engeland, loste het daar en terwijl de lading in handen der Moscovische Compagnie bleef, kon het schip ledig naar huis keeren[738].

Ook de Nederlanders, die in vreemde dienst naar Spitsbergen gekomen waren, kwamen er niet beter af. Het Hoornsche schip, dat voor eene reederij te La Rochelle voer, moest reeds 19 Juni naar de Noordkaap vertrekken; kapitein Claes Martensz. van Hoorn, bevelhebber op de bij het Duinkerksche schip behoorende pinas, mocht het als eene groote gunst beschouwen, dat hij op het groote schip van Duinkerken vertrekken mocht en niet als zijne Engelsche tochtgenooten gevangen gehouden werd[739].

De Engelschen waren over den uitslag hunner reis zeer voldaan. Wel had de jacht op de vreemdelingen hun eigen voordeel doen vergeten en was de reis voor ditmaal slecht geweest[740], maar toch prees men Joseph, »who without bloudshed disappointed those Strangers, ready to reape that which others had sowne, and either had not at all discouered, or wholly giuen over the businesse[741].” Anders dachten de Nederlanders over de zaak. De stemming der natie was zeer oorlogzuchtig[742]: de reeders zelven, hoewel voorzichtiger, toonden zich niet minder verontwaardigd. Reeds voordat Van Muyden met zijn schip thuis was gekomen, klaagden de Amsterdammers op de berichten, door Boots met het schip de Fortuyne aangebracht, aan de Staten-Generaal. Zij beweerden, dat Spitsbergen een onbeheerd en vrij land was, waarop de Nederlanders als ontdekkers in ieder geval meer aanspraak hadden dan de Engelschen; zij verdedigden de zeer juiste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrij moesten geacht worden en brachten die in praktijk door van alle »preferentie” uit kracht van hunne ontdekking af te zien. Zij verklaarden, dat zij zich niet als verschillende andere natiën hadden willen vernederen tot het betalen eener belasting uit vrees voor het misnoegen der regeering[743] en zij verzochten de Staten-Generaal op al deze gronden te zorgen: 1o. dat zij onverwijld vergoeding kregen van de Engelschen, 2o. dat hun voortaan de vaart op Spitsbergen onverhinderd bleef openstaan, en 3o. dat op de schepen van den commandeur Joseph na zijne aankomst in Engeland beslag gelegd werd[744].

De Staten-Generaal besloten dadelijk aan het verzoek der Amsterdammers te voldoen. Aan den Engelschen ambassadeur Winwood en aan Caron, den gezant der Staten te Londen, beiden werd opgedragen, om Jakob I »te verthoonen het ongelyck, dat niet alleene de voirszeide Supplianten, maer oyck by consequentie dese landen daerby is geschiet”, en om te bewerken, dat den klagers »volgende het Jus gentium” hun goed werd teruggegeven[745]. Maar te vergeefs! Winwood gaf wel goede hoop, dat niet alleen restitutie gegeven, maar ook maatregelen genomen zouden worden om de herhaling van zulke ergerlijke tooneelen te voorkomen; doch niettegenstaande den aandrang van Caron kwam het daartoe niet[746]. De Moscovische Compagnie had nadrukkelijk geprotesteerd tegen het openstellen van Spitsbergen voor Nederlanders. Zij voelde zich door hare beweerde ontdekking van 1553 tot zulk eene houding gerechtigd, en al verklaarden de Staten-Generaal dan ook herhaaldelijk, dat het hunne meening niet was de Engelschen door het op den voorgrond stellen der reis van Heemskerck en Rijp van de walvischvangst uit te sluiten, het laat zich begrijpen, dat de compagnie op haar meer bekrompen standpunt niet met zulk een aanbod tevreden was[747].

De Staten-Generaal besloten dan ook met de illiberale inzichten der Moscovische Compagnie te rekenen; zij wenschten aan te toonen, dat ook volgens deze beschouwing het recht der Engelschen allen redelijken grondslag miste. De Amsterdamsche reeders werden uitgenoodigd al hunne bewijsstukken naar Den Haag te zenden, ten einde de redeneeringen der Moscovische Compagnie op meer afdoende wijze te beantwoorden dan een diplomaat als Caron dat doen kon[748]. Nauwelijks werd dit verlangen der Staten bekend, of het regende stukken, die allen ten doel hadden de ongegrondheid der Engelsche pretensiën te bewijzen. Ook de geleerde Plancius, zeker de daartoe meest bevoegde persoon, zond eene wederlegging van de geographische ketterijen der Engelschen naar Den Haag[749]. Hij bewees daarin kort maar overtuigend: 1o. dat het door de Engelschen dusgenoemde Willoughby-land op de door de kaarten aangewezene plaats niet bestond en dus elders gezocht moest worden[750],—dat, ook al kon men de juiste ligging van dit land aanduiden, het volkomen zeker was, dat het volstrekt niet hetzelfde was als het later ontdekte Spitsbergen,—dat, ook al ware dit zoo, het door Willoughby geziene land niet door hem was in bezit genomen,—en eindelijk dat Sir Hugh ook op zijne verdere reis na de ontdekking van Willoughby-land Spitsbergen niet bereikt had. Met een enkel woord werd daarop vermeld, dat de beweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen reeds voldoende wederlegd was[751] en daarop uit al het voorgaande de conclusie getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers van het eiland waren. 2o. trachtte Plancius te bewijzen, dat de Engelschen ook als domini maris geen recht hadden om de vaart naar Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris toch, dat zich volgens de Engelschen ook over de IJszee uitstrekte, gaf geen recht op Spitsbergen zelf, hetgeen reeds daaruit bleek, dat dichter bij de Britsche eilanden gelegene landen, als Groenland, IJsland enz. aan Denemarken behoorden[752]. Maar ook al kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de regel van het volkenrecht luidde, »dat ofschoon eenigh vast lant ofte Eylandt yemanden toebehoorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen na het algemeyne Recht van allen volcken eenen yegelijcken even na is ende vry open staet[753].”

De Staten-Generaal toonden zich met het werk van Plancius ingenomen en zonden het aan Jakob I om hem van het goed recht der Nederlanders te overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst was de man niet, om zich spoedig van eene eens opgevatte meening te laten terugbrengen: hij gaf gaarne gehoor aan de »andere informatien” der Moscovische Compagnie, en »al wast dat het teghendeel duydelyck genoegh aenghewesen was,” hij kon of wilde het niet aannemen. »Of nu sulcke groote verstanden tot consideratien van so kleyne dingen niet konnen descenderen, of dat sy yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerlijck te oordeelen,” merkt Wassenaer ironisch op[754]. Zeker is het echter, dat de compagnie voor de walvischvangst op maatregelen zon om den koning op nadrukkelijke wijze te beduiden, dat de Nederlandsche natie niet geneigd was van de pas begonnen vaart op Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op het feit, dat de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden toelaten, verzochten zij van de Staten-Generaal octrooi om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen. Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te zijn, de aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote kosten der uitrusting vergoed te krijgen. Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal het octrooi verleenden[755]. Zij betoonden aan de nieuwgevormde compagnie nog verder hunne gunst door haar op haar verzoek tegen betaling eener belasting met eenige oorlogschepen bij te staan. Ook de vereeniging zelve rustte hare schepen tot den strijd toe en het liet zich aanzien, dat het jaar 1614 niet zonder bloedige botsingen in het noorden zou voorbijgaan[756].

Toch bleef het dit jaar op Spitsbergen rustig. Weldra bleek het, dat de Nederlanders den verstandigsten maatregel genomen hadden, die in de gegeven omstandigheden te nemen was. Nooit werd de spreuk »si vis pacem para bellum” schitterender bevestigd. Hoewel Jakob I den Staten-Generaal na de oprichting der Noordsche Compagnie zijn ernstig ongenoegen over de volharding der Nederlanders had te kennen gegeven[757], kwam het niet tot een gevecht. De Engelschen hadden na ongewone krachtsinspanning behalve een schip, dat onder kapitein Fotherby ter ontdekking uitzeilde[758] dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen gezonden, maar de Nederlanders waren toch sterker: zij kwamen met veertien groote schepen vergezeld van drie wel-toegeruste oorlogschepen, die de Staten-Generaal hun hadden medegegeven. Al waren dus de Engelschen niet minder dan het vorige jaar geneigd tot gewelddadige handelingen[759], »het een mes hielt het ander in de schede” en het bleef vrede. »The Dutch stayed and fished for the Whale perforce, they were farre stronger then the English,” verhaalt Edge wrevelig. De commandeur Joseph, ook nu weder de aanvoerder van de schepen der Moscovische Compagnie, was zelfs zoo ontmoedigd, dat hij den 19 juni/2 juli met den Nederlandschen commissaris-generaal Antonie Monier eene overeenkomst sloot voor een jaar, waarbij hij hem alle hulp in zijne visscherij aanbood, mits hij aan de Engelschen de reeds toen door hen bezeten baaien Bell-sound, Ice-sound, Fair foreland (of Sir Thomas Smiths-bay) en Fairhaven alleen overliet[760]. Op dien voet verkeerden partijen in vrede naast elkander, maar de groote menigte der schepen was oorzaak, dat de vangst aan beide zijden slecht was.[761]

Was het misschien in de overtuiging, dat zulk eene overspanning van krachten als in 1614 had plaats gehad, op den duur voor beide natiën onvoordeelig ja onhoudbaar moest zijn, zeker is het, dat de Noordsche Compagnie zelve de eerste was, die niettegenstaande de meer voorkomende houding, door de Engelschen dit jaar aangenomen, op pogingen tot een vergelijk met hen aandrong. Het was op haar verzoek, dat de Staten-Generaal 20 November 1614 Caron aanschreven om moeite te doen, dat de Engelsche ambassade, die eerstdaags in Den Haag verwacht werd tot regeling der Oost-Indische geschillen, last medekreeg om ook de quaestie der vaart en visscherij in de IJszee te schikken[762]. Koning Jakob toonde zich daartoe niet ongeneigd. Hij voorzag zijne gezanten Wotton, Edmonds, Middleton en Abbot van commissie om over de zaak te onderhandelen. Maar deze commissie beloofde weinig goeds: reeds de uitdrukking, dat men zou spreken over de »piscationes in mari Boreali prope Groenlandiae littora nobis solum et nostris jure acquisitas, ab Incolis et Inhabitatoribus Vnitarum Provinciarum tamen interruptas,”[763] bewees, dat de vorst zijn vermeend recht bleef handhaven. Werkelijk bleek het dan ook weldra, dat de Engelschen aan geen toegeven dachten. De ambassadeurs hadden zich bereid verklaard de zaak te bespreken na afloop der Oost-Indische onderhandelingen[764] en zoodra nu Hugo De Groot door de Staten-Generaal op aandringen der Noordsche Compagnie[765] tot hen gezonden werd om hun gevoelen te vernemen (8 April 1615), leverden zij eene nota over, waarin zij met nadruk verklaarden, dat Jakob I van zijn recht op Spitsbergen en de aangrenzende wateren volstrekt niet dacht af te zien[766]. De Staten-Generaal benoemden nu dadelijk eene commissie, om met gebruikmaking van de bescheiden, die onder de Noordsche Compagnie berustten, de Engelschen te weerleggen[767]. Het antwoord, dat De Groot en zijne mede-commissarissen opstelden, werd reeds 16 April aan de gezanten overgegeven. Het ving aan met de opmerking, dat »dese Landen, zynde van seer cleyne extensie, iegens de macht van haere openbaere, ofte bedeckte vyanden nyet en souden connen bestaen nochte dienstich zyn aen haere vrunden, ten waere de zee suppleerde t’ gunt aen t’ landt is ontbreeckende, sulcx dat de hoochdringende noot de Ingesetenen van dese landen heeft bewogen, om verscheyden nauigatien te soecken, ende haer seluen alsoo ten deele door trafficque, ten deele oock door de Visscherie te onderhouden.” Uitvoerig werd daarna gewezen op de oudheid der Nederlandsche visscherijen, en werden de bekende tochten der Nederlanders naar de IJszee verhaald. Nogmaals werd aangedrongen op herstel van de schade der Amsterdamsche reeders; nadrukkelijk verdedigde men het verleenen van octrooi aan de Noordsche Compagnie door een beroep op de natuurlijke vrijheid der zee. Onder protest, dat de Staten hunnen onderdanen bepaald verboden hadden, aan de Engelschen of eenige andere natie direct of indirect de visscherij op Spitsbergen te beletten, werd eindelijk aangedrongen op het maken van »eenige goede ordre ende reglement, waerdoor de visscherie vande walvisschen, walrussen, ende andere zeemonsters ontrent de voorseide custen, met affweeringe van alle confusien ende misverstanden, ten meesten proffijte van de ondersaten van zyne Mat. ende vande ingesetenen van dese landen mocht werden gebeneficieert, ende het different vande voorgaende schaden tot redelyck contentement affgedaen.” Een bepaalden voorslag daartoe deden de commissarissen in strijd met de opdracht der Staten-Generaal nog niet[768].

Overtuigend als deze geschiedkundige uiteenzetting zijn mocht, de Engelsche pretensie werd er niet door weerlegd. Bij de overhandiging van het stuk aan de ambassadeurs werd echter deze leemte voldoende aangevuld. Een vrij hevig dispuut, waarin De Groot een zeer hoogen toon voerde, schijnt toen tusschen de wederzijdsche gevolmachtigden ontstaan te zijn; het verdedigende standpunt, dat in de memorie zeer verstandig was ingenomen om den lichtgeraakten vorst van Groot-Britannië niet te kwetsen, werd in de hitte van het debat verlaten en men liet zich onvoorzichtig tot eenen aanval op de zoogenaamde Engelsche kroonrechten verleiden. De Nederlanders weerlegden nu de beweerde ontdekking van Spitsbergen door Willoughby breedvoerig en staafden de door hen in hunne memorie aangevoerde feiten over de ontdekking door Heemskerck nog nader. Maar vooral werd er in deze bijeenkomst op gewezen, dat het geschil over het bezit van het eiland eigenlijk nutteloos was: de zee toch, meenden de Nederlanders, was en bleef gemeen goed van allen, de walvisschen behoorden aan niemand en konden dus door ieder vrijelijk worden gevangen. Toen bleek het duidelijk, dat het de Engelschen met eene schikking geen ernst was: volmondig erkenden zij, dat zij de stukken ter weerlegging dezer redeneering niet bij zich hadden. Ook was dit volgens hen in het geheel niet noodig: elke schikking tusschen beide natiën toch, dus beweerden zij op hoogen toon, moest vóor alles beginnen met eene erkenning van Jakob I als heer van Spitsbergen; wilden de Nederlanders den vorst beleedigen door het in twijfel trekken van zijn recht, dan was ook alle onderhandeling nutteloos[769]. Men scheidde dus met de nietszeggende belofte, dat de ambassadeurs rapport van het gehoorde aan hunnen koning zouden doen, die later aan Caron zijn besluit zou mededeelen[770]. Weinige dagen later vertrokken de gezanten weder naar Engeland[771].

Het was te verwachten, dat ook nu de argumenten der Nederlanders en de voorstellingen van Caron weinig indruk op Jakob I zouden maken. Weldra kwam dan ook in Den Haag het bericht, dat de koning overwoog, zijne onderdanen door den bijstand van twee oorlogschepen in staat te stellen, hunne beweerde rechten met kracht te handhaven, en dat ook de Moscovische Compagnie beraadslaagde over nog krachtiger uitrusting dan het vorige jaar[772]. In deze onzekerheid meenden de Staten-Generaal de Noordsche Compagnie nogmaals te moeten bijstaan. Zij schreven aan Caron om voor het laatst te beproeven eene botsing te voorkomen[773], maar tevens namen zij krachtiger maatregelen. De Noordsche Compagnie werd aangeschreven »haer in goede ordre tot de Nauigatie ende Neeringe te willen tydelyck praepareren ende het selve doende naer behooren, ten minsten als in den voorleden jare is gedaen, dat in dien gevalle haer gelycke assistentie ende faveur ghedaen soude worden als in den voorleden jare was gheschiet, maer anders en by gebreck van haer eygen devoir niet[774].” Meer dan de tusschenkomst van Caron baatte deze krachtige houding: terwijl de Noordsche Compagnie elf schepen onder Adriaen Block[775], begeleid door drie oorlogschepen naar Spitsbergen zond[776], verschenen de Engelschen tegen de verwachting dit jaar slechts met twee groote schepen en twee pinassen. Waarschijnlijk had de slechte vangst der beide laatste jaren eene crisis onder de reeders ter walvischvangst doen ontstaan, en was daardoor de uitrusting geringer dan zij vorige jaren geweest was[777]. Hoe dit ook zij, de Nederlanders »stayed vpon the coast of Greenland perforce” en bezochten ook de door de Engelschen het vorige jaar gereserveerde baaien. Zij gingen zelfs over tot het bouwen van eene loge in Bell-sound om hunne gereedschappen voor het volgende jaar te bewaren[778].

In den zomer van 1616 keerden echter de kansen; de Engelschen kwamen met acht groote schepen en twee pinassen op Spitsbergen, terwijl de Nederlanders reden hadden om ook eenige Deensche oorlogschepen met vijandige bedoelingen daar te verwachten. Tegen deze overmacht kon de Noordsche Compagnie, door de groote uitrusting van het vorige jaar uitgeput, niet meer dan zes schepen overstellen, waarvan zij om goede redenen[779] nog eenige naar het pas ontdekte Jan Mayen-eiland moest zenden. De Staten-Generaal hadden daarentegen het hunne gedaan om de vereeniging met kracht bij te staan: een konvooi van vijf oorlogschepen werd ter harer beschikking gesteld, terwijl aan den commandeur daarvan Jan Jacobsz. Schrobop bevolen werd om geene vreemde natiën in de walvischvangst te hinderen, maar dan ook eventueele aanvallen krachtig te keer te gaan[780]. Maar toch voelde de Noordsche Compagnie zich niet krachtig genoeg: zij schijnt ernstig beraadslaagd te hebben, de walvischvangst aan Spitsbergen voor goed op te geven en zich met de voordeelige visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden te stellen. Althans daarheen was het dat dit jaar de geheele uitrusting der vereeniging gezonden werd. De Engelschen maakten van deze gelegenheid gebruik: in de afwezigheid der Nederlanders wreekten zij zich over de concurrentie van vroegere jaren door het vernielen der nieuwgebouwde loge. Vier schepen der Noordsche Compagnie, die later in het jaar aan Spitsbergen kwamen, moesten zich in verschillende baaien verspreid schuil houden. Zij hadden eene slechte vangst, terwijl de Engelschen ongeveer 100 walvisschen vingen en zooveel traan kookten, dat zij nog een gedeelte daarvan op het eiland moesten achterlaten tot het volgende jaar[781].

Het blijkt niet, of de Staten-Generaal met de verplaatsing der Nederlandsche walvischvangst naar Jan Mayen-eiland genoegen genomen hebben, maar men zou bijna geneigd zijn dit aan te nemen, wanneer men ziet, dat juist in 1617 de regeering bezwaar maakte het gewone konvooi aan de compagnie te verleenen, eene spaarzaamheid, die de vereeniging misschien zou kunnen noodzaken in haar voornemen te volharden. Het is waar, er kunnen andere redenen voor deze handelwijze der regeering bestaan hebben: de Engelschen hadden, niettegenstaande de verdeeling der Nederlandsche krachten hun het laatste jaar eene uitnemende gelegenheid tot wraak aanbood, sinds 1613 hunne aanvallen op de walvischvaarders niet herhaald; de Noordsche Compagnie, die toch in ieder geval een paar goede reizen gemaakt had, kon in staat geacht worden om zich zelve te beschermen: maar toch, de weinige onderstand, dien de vereeniging in deze crisis verkreeg, schijnt er op te wijzen, dat de regeering huiverig was den strijd met de Engelschen openlijk te aanvaarden. Hoe dit zij, de Staten-Generaal vermaanden de walvischvaarders in het voorjaar van 1617, zelven »sterck te reeden ende vuyt te varen opte Neringe ende Visscherie.”[782] De Noordsche Compagnie sloeg dien wenk niet in den wind en deed het uiterste om zich te versterken, al moet het haar veel gekost hebben. Den 19 Maart 1617 trof zij eene overeenkomst met eene Zeeuwsche compagnie, die zich onlangs ook op de walvischvangst had beginnen toe te leggen. Men kwam overeen over het aandeel, dat ieder in de winst zou hebben, men beloofde elkander wederkeerig hulp en bescherming[783]. Dus versterkt hoopte men den Engelschen het hoofd te kunnen bieden.

Maar toen het contract eenmaal gesloten was, schijnt de Noordsche Compagnie berouw gehad te hebben. Jan Mayen-eiland, van de gemeenschap uitgesloten, omdat de Hollanders als ontdekkers daarop uitsluitende rechten deden gelden,—bleef een door de afwezigheid der Engelschen aanlokkelijk verblijf. Al had de walvischvangst daar in 1616 niet aan de verwachting beantwoord, de verleiding was groot en de hulp, die de Zeeuwen konden leveren, schijnt niet aan de verwachting der Noordsche Compagnie beantwoord te hebben. Toen de tijd van uitvaren gekomen was, schoot dan ook de moed der vereeniging te kort en tegen de bepaling van het pasgesloten contract in zond zij in 1617 hare geheele uitrusting naar Jan Mayen-eiland. Toen dus op het laatst van Mei drie Vlissingsche schepen, »de Arke Noë” kapitein Jan Verelle, »de Peerle” kapitein Huybrecht Cornelisz., en »de Vos” kapitein Cornelis De Cock, op Spitsbergen aankwamen, waren zij volkomen onbeschermd. De Moscovische Compagnie daarentegen, die dit jaar veertien groote schepen en twee pinassen naar het noorden had gezonden, waarvan slechts éen Spitsbergen op eene ontdekkingsreis verliet, was gereed tot krachtige maatregelen. Reeds voordat de Zeeuwen Spitsbergen bereikten, ontmoette De Cock den Engelschen commandeur Edge, die hem, toen hij vernam dat de Moscovische Compagnie dit jaar op Spitsbergen de sterkste was, onder beroep op de commissie van Jakob I het visschen verbood, terwijl hij alle Nederlanders gelastte zich dadelijk van de kust te verwijderen met de bedreiging hun anders hunne vangst te zullen ontnemen. Niet ontmoedigd beproefde De Cock met zijne beide medgezellen daarop de walvischvangst in Horn-sound, maar toen een daar aanwezig Engelsch kapitein, Harry Smith geheeten, dadelijk den commandeur van hunne aankomst bericht gaf, en de Hollanders, die te hulp geroepen waren, bleken niet in Bell-sound te zijn, voelden de drie Vlissingers zich te zwak om het herhaalde verbod der Engelschen te weerstaan en besloten aan Beeren-eiland hun geluk te beproeven. Maar de vangst was daar uiterst onvoordeelig en op aanstoken van den bekenden kapitein Marmaduke, die sinds 1611 jaarlijks met zijne Hullers ter walvischvangst op Spitsbergen kwam en de Moscovische Compagnie trotseerde[784], keerden zij naar Spitsbergen terug. Het geluk diende hun ook toen niet. In Horn-sound vonden zij behalve Smith nu nog een ander schip der Engelsche compagnie. De kapitein James Beversham liet hun wel toe te visschen, maar zond in het geheim naar Edge in Bell-sound om bijstand tot het verdrijven der indringers. Gelukkig kregen de Zeeuwen hiervan nog tijdig kennis en zij besloten nu Cornelisz. en De Cock dadelijk met een paar onderweg gevangen walvisschen naar huis te zenden, maar Verelle kon niet zoo spoedig gereed komen en moest dus nog eenigen tijd in Horn-sound achterblijven. Terwijl hij nog bezig was zijne gereedschappen van de kust te halen, kwam William Heley, de Engelsche onderbevelhebber, daar aan om hem te verjagen. Heley, een jong man die aan groote bekwaamheid een vurigen inborst paarde[785], viel Verelle dadelijk aan, nam hem niet alleen de weinige door hem gevangen walvisschen af, maar beroofde hem ook van al zijne gereedschappen voor de walvischvangst. Uit vrees voor represailles werd den Zeeuwen ook hun geschut en kruit ontnomen. Wel was de directe schade der Zeeuwen niet groot, maar daar zij dit jaar nagenoeg niets mede naar huis brachten, waren de kosten der uitrusting geheel verloren[786]. De Nederlandsche verhalen zijn dan ook eenstemmig in klachten over de behandeling van Heley, dien zij »een Jonck ende outrequidant persoon sich zeer violentelyck comporterende” noemen. De Moscovische Compagnie maakte daarentegen dit jaar weder zulk eene goede reis, dat zij een gedeelte van hare vangst van 150 walvisschen voor het volgende jaar op Spitsbergen moest achterlaten[787].

Dadelijk bij hunne thuiskomst klaagden de Zeeuwen aan de Staten-Generaal. Tegelijk zonden zij een persoon met aanbevelingsbrieven der Staten aan Caron naar Engeland om daar hunne belangen voor te staan. De zending beloofde aanvankelijk veel goeds. Wel werden de geroofde goederen der Zeeuwen onder de oogen van hunnen gevolmachtigde in het openbaar verkocht[788], maar het ontnomene geschut werd dadelijk teruggegeven en de Zeeuwsche zendeling maakte van zijne tegenwoordigheid te Londen gebruik om te trachten op andere wijze het doel der Nederlanders, de onverhinderde visscherij op Spitsbergen, te bereiken. Sir John Cunningham[789] en eenige Schotten hadden juist in dien tijd van koning Jakob een patent verzocht om nevens de Moscovische Compagnie op de IJszee te mogen varen; Engelschen, waarschijnlijk inwoners van Hull, voegden zich bij hen, en ook de te Londen aanwezige Zeeuwen, die van hunne compagnieschap met de Hollanders niet veel voordeel gehad hadden, werden nu in de vereeniging opgenomen[790]. De koninklijke toestemming werd verleend en de nieuwe compagnie beijverde zich de bekwaamste stuurlieden van hare mededingster te onderhuren en provisiën op groote schaal in te slaan. Reeds maakte zij zich gereed in de ruime winsten, die de Moscovische Compagnie in de laatste jaren gemaakt had, te deelen, toen een maatregel van hare mededingster al deze plannen verijdelde. De Moscovische Compagnie, van den nood eene deugd makende, kwam met hare Oost-Indische zuster overeen, dat beiden voortaan gezamenlijk de kosten der uitrustingen voor de walvischvangst zouden dragen. Door buitengewone krachtsinspanning hoopte men de concurrentie, die nu ook van nabij dreigde, te overvleugelen. De nieuwe compagnie zag dadelijk in, dat zij tegen zulk eene kolossale vereeniging van kapitalen niet zou kunnen opwerken en ging uiteen. Verheugd dat de zaak zich zoo schikte, was de Moscovische Compagnie gaarne bereid voor grof geld de door hare mededingers opgedane voorraad over te nemen, al was die voor haar ook nutteloos[791]. Zoo eindigde dit incident, dat echter medewerkte om de fondsen der Moscovische Compagnie uit te putten en aan de Engelsche uitrustingen ter walvischvangst op den duur een gevoeligen slag toebracht. Voorloopig was daarvan echter nog geen quaestie: de Moscovische Compagnie, sterk door haar bondgenootschap met de Oost-Indische, reedde dertien schepen en twee pinassen naar Spitsbergen uit onder bevel van den ervaren Thomas Edge.

De Nederlanders waren echter niet gezind zich straffeloos te laten mishandelen. Vertoornd over de behandeling van het vorige jaar, waarvoor zij geene vergoeding hadden kunnen krijgen,—teleurgesteld door het uiteengaan der Schotsche compagnie, sloten de verschillende kamers der Noordsche Compagnie den 2 Maart 1618 weder eene overeenkomst om elkander tegen de Engelschen te verdedigen. De Staten-Generaal stonden de compagnie twee oorlogschepen als konvooi toe, en eene ongewoon groote walvischvloot vertrok dit jaar naar Spitsbergen. Daar aangekomen verdeelden de drie en twintig walvischvaarders zich volgens afspraak in vier afdeelingen: de Rotterdammers bezetten Horn-sound onder konvooi van een oorlogschip; die van het Noorderkwartier namen in Bell-sound hun verblijf, terwijl het voor hen bestemde tweede oorlogschip achterbleef, daar het door de Amsterdammers weder naar Jan Mayen-eiland gezonden was; de Zeeuwen en die van Delfshaven verzamelden zich onder bevel van Abraham Dircksz. Leversteyn in Sir Thomas Smiths-bay[792]; aan de Amsterdammers eindelijk viel de Mauritius-baai ten deel[793]. Ook de Engelschen waren over het geheele eiland verspreid; de meeste schepen waren echter te zwak voor een gevecht. De commandeur Edge bevond zich met eenige schepen in Bell-sound en de onderbevelhebber Heley met een paar andere in Sir Thomas Smiths-bay.

De Amsterdammers, die weder voor zich het best gezorgd hadden, vischten dit jaar ongestoord; maar slecht verging het de onbeschermde schepen van het Noorderkwartier. In Bell-sound aangekomen, beval hun Edge dadelijk de baai te verlaten; hij was niet van plan hen te berooven of te hinderen, maar hij toonde door daden, dat hij zijn bevel gehoorzaamd wenschte te zien. De in het nauw gebrachte schepen zochten hulp bij de Rotterdammers in Horn-sound, maar het oorlogschip was daar tot handhaving der rust hoognoodig, en die van het Noorderkwartier moesten dus naar hunne broeders in Sir Thomas Smiths-bay wijken. Na hun vertrek wreekten zich de Engelschen door het vernielen der pas weder opgebouwde Nederlandsche loge in Bell-sound.

De aankomst der beide door de Engelschen verjaagde schepen van Hoorn en Enkhuizen in Sir Thomas Smiths-bay was het sein tot eene losbarsting van woede. Den geheelen zomer was daar de verhouding zeer gespannen geweest. De Engelschen, die hier slechts met éen schip »the Pleasure” en een pinas »the Prudence” waren, hadden de vier schepen van Delfshaven, Veere en Vlissingen dadelijk na hunne aankomst in deze door hen vroeger nooit bezochte baai het visschen verboden, en sinds dezen geweigerd hadden aan dit bevel te voldoen werd hunne tegenwoordigheid door de Engelschen, die zich te zwak gevoelden om hen te verjagen, slechts noode geduld. Aanvankelijk hadden de Nederlanders, weldra door twee schepen van Middelburg versterkt[794], gepoogd met de Engelschen eene overeenkomst over de visscherij te sluiten, en toen dit aanbod gemelijk verworpen was, bleven zij zich even voorkomend als vroeger gedragen. Hunne vijanden zelven erkennen, dat hun gedrag niets te wenschen overliet, maar het stemde dezen niet beter: zij bleven steeds het plan koesteren om hunne mededingers zoo spoedig mogelijk te verdrijven en beleedigden ze bij elke voorkomende gelegenheid[795]. Zulk eene behandeling moest de Nederlanders op den duur verdrieten; De Cock en Cornelisz., die hier beiden tegenwoordig waren, herinnerden zich met steeds klimmende woede de behandeling, den hunnen het vorige jaar door denzelfden Heley aangedaan, die thans het bevel voerde. Reeds had een twist over een der door de Engelschen het vorige jaar geroofde traanketels tot onaangenaamheden aanleiding gegeven; van weerszijden had men grieven, die licht tot een breuk aanleiding geven konden. Daar brachten de uit Bell-sound verjaagde schepen de tijding van het gebeurde. Spoedig daarop liet Heley den Nederlanders weten, dat commandeur Edge hem bevolen had, de Zeeuwen uit de baai te verdrijven; weigerden zij, dan wilde hij zelf komen en hen erger behandelen dan hunne landgenooten in Bell-sound. In allerijl werd nu door de Nederlanders beraadslaagd, wat hun te doen stond. Zij hadden zich voor hun vertrek van eene commissie van Zijne Excellentie voorzien, die hen machtigde elken aanval met geweld te keeren; de vraag was, of hier aan zelfverdediging kon gedacht worden. Overwegende echter, dat die van het Noorderkwartier door de Engelschen verjaagd en dus niet in de gelegenheid geweest waren hunne reis te doen,—dat de ondervinding hen alle pogingen om schadevergoeding van de Engelschen te krijgen als nutteloos had leeren beschouwen,—en vooral, dat het zaak was de vereeniging van Edge en Heley te voorkomen, ten einde den aangekondigden aanval te ontgaan, besloten de Nederlanders, al werden zij niet direct aangevallen, van hunne commissie gebruik te maken. Stemde ook het Enkhuizer schip niet met dit besluit in, de twee schepen van Vlissingen, die van Veere, van Hoorn en van Delfshaven tastten door en sommeerden Robert Salmon, den kapitein van Heley’s schip »the Pleasure” tot de overgave. Deze weigerde op hoogen toon en poogde te ontsnappen. De Nederlanders lieten hem tijd om zich te bedenken, en namen eindelijk den 19 Juli 1618 het schip met geweld. Ook de pinas werd van alles beroofd. Het geschut en de in het schip gevonden traan en walvischbaarden werden naar Nederland gevoerd, om te dienen als gedeeltelijke schadevergoeding voor het den Nederlanders in 1613 en 1617 ontnomene. De goederen werden volgens het voorschrift, hun door Maurits bij zijne commissie gegeven, ter beschikking der admiraliteit gesteld, die ze tusschen de vier kamers, voor wie de aanvallende schepen uitgezeild waren, verdeelden[796]. Voor het geschut werd in het begin van 1621 op aansporing van Carleton aan de bevelhebbers der beide beroofde schepen, Robert Salmon en een Schot, de som van ƒ 3600 uitgekeerd. De Noordsche Compagnie zwichtte hierin voor den billijken aandrang der Staten-Generaal: ook het in 1617 door de Engelschen genomen geschut was haar, hoewel op zeer onaangename wijze, door de Moscovische Compagnie teruggegeven[797].

De verontwaardiging aan het Engelsche hof over deze onverwachte stoutmoedigheid der Nederlanders was niet gering. Carleton kreeg van zijnen vorst dadelijk last om daarover te klagen, en toen hij den 3 October 1618 in de vergadering der Staten-Generaal verscheen om op het zenden eener ambassade naar Engeland aan te dringen, liet hij zijne rede voorafgaan door de voorlezing van de »informations sur les violences, robberies et assasinats commis hostilement par les Hollandais sur les navires, biens, et personnes des Anglais aux quartiers du Nort,” een stuk, dat de blijken droeg, dat het »exploict” der Nederlanders »jn Engelant ten quaetsten gerapporteert ende met veele onwaerachtige lasteringen ende logenen geexaggereert” was[798]. De verontwaardiging van den gezant was door het gedrag van het Haagsche gepeupel niet verminderd: »nous auons eu ces iours passez”, dus voerde hij den Staten op hevigen toon te gemoet, »la nouuelle chantée icy à la Haye, a bouche ouverte et visage asseuré, dans la Court, et par les rues, avec les particularitez tant des pieces d’artillerie, et des tonneaux d’huyle prises et divisées en mer, comme des hommes tuez et blessez, et le tout receu avec grand applaudissement et triumphe, comme d’une victoire gaignée sur les ennemis. Eo audaciae perventum est.” Carleton stelde het gebeurde op Spitsbergen zóó voor, alsof de Nederlanders den Engelschen het visschen aan het eiland hadden willen beletten, en verweet den Staten-Generaal het ongerijmde van zulk een gedrag na de lange vertoogen, die zij bij verschillende gelegenheden voor de vrijheid der zee hadden gehouden. Hij eindigde zijne lange rede, waarin hij ook over andere grieven der Engelschen klaagde, met het nadrukkelijk verzoek, dat de Staten-Generaal de ambassade, die reeds zoolang aan koning Jakob beloofd was, zonder uitstel zouden zenden, voorzien van volkomen last om ook over deze zaak te onderhandelen.[799]

Na lange aarzeling kwam het eindelijk daartoe. Den 7 December 1618 kwamen de heeren Van Goch, Van der Dussen en Liens als ambassadeurs der Staten-Generaal te Londen aan. Hunne Instructie verdedigde het bezoeken der IJszee door de Nederlanders met een beroep op de vrijheid der zee, maar tevens door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, en op het feit, dat de Engelschen, zelfs al hadden zij het eiland in 1553 ontdekt, in ieder geval hunne ontdekking weder kennelijk verlaten hadden. Het gebeurde van den vorigen zomer werd gerechtvaardigd door de deductie, dat de Nederlanders niet om de Engelschen te verdrijven, maar alleen uit zelfverdediging tot geweld waren overgegaan. Om dergelijke voorvallen voor het vervolg te voorkomen, werd het maken van een reglement aanbevolen, waartoe de gezanten gemachtigd werden eenige voorslagen te doen.

Lang duurde het, eer de onderhandelingen over dit punt aanvingen. Eerst den 16 Maart 1619 kwamen wederzijdsche gedeputeerden bijeen, om over de zoogenaamde Groenlandsche zaken te beraadslagen. Van beide zijden begon men met klachten over de schade, door de tegenpartij toegebracht; van beide zijden werd vergoeding verzocht. Twee memoriën werden gewisseld, waarbij men voornamelijk de wederzijdsche grieven besprak en de daden van den vijand in het hatelijkste daglicht stelde. Zooveel bleek echter reeds dadelijk, dat de Engelschen evenmin als in 1615 geneigd waren, over de aanspraken van hunnen koning op Spitsbergen te twisten. Zij beriepen zich op hun recht als eerste walvischvaarders, die zich zee en visscherij hadden toegeëigend, en eischten daarop de buitensporig hooge vergoeding van £ 22.6361⁄2 voor directe schade en £ 43.800 voor winstderving. De Nederlanders namen van hunne zijde een niet minder ongerijmd standpunt in; zij beriepen zich voornamelijk op hunne ontdekking van Spitsbergen in 1596, waaruit zij hun recht op de walvischvangst afleidden. De handelwijze hunner landgenooten was volgens hen uiterst liberaal; niettegenstaande hun recht waren zij volkomen bereid de Engelschen op Spitsbergen toe te laten en slechts tot zelfverdediging en als schadevergoeding waren zij tot het aanvallen en berooven van het Engelsche schip overgegaan; toch waren zij volkomen bereid de genomen goederen terug te geven, mits de Engelschen, die de eerste aanvallers waren geweest, met de restitutie begonnen[800].

Het komt mij voor, dat beide partijen in deze onvruchtbare discussie ongelijk hadden: geen van beide had m. i. op Spitsbergen eenig recht. De Engelschen schijnen nu reeds zelve ingezien te hebben, dat de beweerde ontdekking van Spitsbergen door Willoughby niet te bewijzen was; maar ook al nam men deze ontdekking aan, het stond vast, zooals de Staten-Generaal zeer juist opmerkten, dat het ontdekte land weder verlaten en dus alle aanspraak daarop vervallen was. Beter recht schijnen de Engelschen aan hunne reizen naar Spitsbergen sinds 1610 te hebben kunnen ontleenen. Zij hadden in dat jaar het woestliggende eiland als het ware op nieuw ontdekt: de aandacht van de beschaafde wereld had zich eerst toen daarop gevestigd. Jaarlijks hadden zij het sedert dien tijd bezocht en zich in alle voor de walvischvangst geschikte baaien gevestigd; slechts wanneer het barre jaargetijde de noordsche streken onbewoonbaar maakte, vertrokken zij vandaar. Men kon dus aannemen, dat zij volgens het ieder toekomende recht als eerst aankomenden van eene niemand toebehoorende zaak hadden bezit genomen. Maar hun recht had toch eene zeer zwakke zijde. Bij de groote wisselvalligheid der walvischvangst was het niet meer dan natuurlijk, dat de Engelschen vooral in de eerste jaren niet altijd al de zeven groote baaien, die Spitsbergens westkust aanbiedt, bezochten. Wel hadden zij zich in allen beurtelings met de visscherij beziggehouden, maar die visscherij was lang niet overal geregeld gedreven. En de verlatenheid, waarin dus sommige vischplaatsen jarenlang bleven, was te bedenkelijker in eenen tijd, toen de bezitters van Spitsbergen nog bijna geheel niet als in latere jaren door het bouwen van woonhuizen en andere inrichtingen op de door hen bezette stranden blijk gegeven hadden van hun voornemen om over korter of langer tijd op de ingenomen plaats terug te komen. De vestiging der Engelschen in eene baai droeg daardoor het karakter van een voorbijgaand bezoek, een gebruiken en weder verlaten eener plaats, dat volstrekt geen recht kon verleenen. Van hunne bedoeling, om de zeven baaien als eene bezitting der Moscovische Compagnie te beschouwen, was bovendien nooit iets gebleken. De Engelschen zelven gevoelden deze leemte in hun rechtstitel zeer goed; zoodra de Nederlanders zich aan Spitsbergen vertoonden en verklaarden met hen te willen concurreeren, begonnen zij ijverig met het inbezitnemen van alle reeds bekende en nieuw ontdekte baaien. Zeer onverstandig echter! Hunne handelwijze toch kon niet anders dan de aandacht vestigen op hunne vroegere nalatigheid, terwijl zij, nu hun feitelijk bezit door de Nederlanders gestoord was, alle recht misten, de ook door dezen bezochte plaatsen aan het verkeer te onttrekken. Veiligheidshalve beriepen zij zich nu dan ook niet op hun bezit van Spitsbergen zelf krachtens de vestiging der Moscovische Compagnie, maar gaven de voorkeur aan het beweren van hersenschimmige eigendomsrechten op zee en visscherij krachtens de toeëigening der walvischvaarders,—rechten, die reeds toen door vele leeraars van het volkenrecht op goede gronden bestreden werden. Hadden zij als heeren van Spitsbergen de Nederlanders met volle recht uit de baaien en de territoriale zee kunnen weren, de nu op den voorgrond gestelde bewering gaf den Nederlanders gelegenheid, om zich zeer terecht op de vrijheid der zee en hare onvatbaarheid voor toeëigening te beroepen. Ongelukkig voor dezen belette echter de houding, door hen zelven in de Oost-Indische zaken tegenover Engeland aangenomen, dat zij van die gelegenheid gebruik maakten; zij moesten zich nu beperken tot het aanvoeren van aanspraken op Spitsbergen als ontdekkers van 1596, eene bewering, waarop volkomen de aanmerking paste door henzelven op het recht van den zoogenaamden Engelschen ontdekker gemaakt. Het was niet te loochenen, Nederlanders hadden Spitsbergen ontdekt, maar zij hadden het dadelijk weder voor jaren verlaten; eerst toen de Engelschen op het belang van het eiland waren opmerkzaam geworden en er zich hadden gevestigd, kwamen de Nederlanders zelve weder terug in de langvergeten gewesten[801].

De twistende partijen zelve zagen echter in, dat de rechtsquaestie hier eigenlijk bijzaak was. Handelsnaijver was de oorzaak van den twist: Engelschen noch Nederlanders wilden hunne visscherij opgeven en het scheen zeker, dat beide natiën te zamen niet vreedzaam op Spitsbergen konden verkeeren. De Nederlanders grepen daarom het eenige middel aan om aan de zaak een einde te maken en deden volgens hunne Instructie drie voorslagen voor een reglement, dat de verhouding der beide twistende partijen op Spitsbergen zou regelen. 1o Engelschen en Nederlanders zouden met een gelijk aantal schepen aan het eiland visschen; de baaien zouden bij loting verdeeld worden. 2o Beide natiën zouden overal bij Spitsbergen met even veel en even groote schepen visschen. Een reglement zou de tusschen hen ontstane oneenigheden moeten beslissen. 3o Men zou Spitsbergen in twee gelijke deelen verdeelen door eene lijn van Cape Cold op Prince Charles’ foreland naar het oosten getrokken; over het bezit van elk dier gedeelten zou voor 8, 10 of 12 jaren tusschen beide volken geloot worden. Zij, die de grenslijn overschreden, zouden gestraft worden.

Het liet zich voorzien, dat de Engelschen met deze voorslagen, die de gelijke rechten van beide natiën stilzwijgend aannamen, geen genoegen zouden nemen. Zoo men er toe overging, de Nederlanders op Spitsbergen toe te laten, zoo spraken zij, zou dat immer slechts bij oogluiking en als gunst kunnen geschieden; men meende zelfs, dat het nieuw ontdekte en voor de walvischvangst zoo gunstig gelegen Jan Mayen-eiland den Nederlanders gelegenheid genoeg gaf, om hun bedrijf ongestoord te oefenen. Tot het verleenen van rechten op de visscherij bij Spitsbergen aan de Nederlanders wilden de Engelschen niet overgaan; zij meenden, dat dit een gevaarlijk praecedent zou zijn tegenover andere volken, die het eiland ook bezochten. Toen de Nederlanders er echter bij bleven, dat zij er niet aan dachten hun recht op te geven en slechts gekomen waren om middelen te beramen tot vreedzame oefening van hun bedrijf, werden de conferentiën afgebroken en men besloot, dat beide partijen zich tot den koning zouden wenden.

Het resultaat der onderhandelingen met Jakob I zelven was twijfelachtig. Eene overeenkomst over de rechten op Spitsbergen weigerde Z. M. bepaald nu te sluiten, maar hij vond goed de onderhandelingen over deze zaak tot het najaar van 1622 uit te stellen en de Nederlanders onderwijl rustig op Spitsbergen te laten visschen. Na eenige samensprekingen over den zin van ’s konings uitspraak werd aan dat uitstel echter de voorwaarde verbonden, dat binnen drie maanden na dato den Engelschen herstel van alle direct nadeel gegeven en de overige beweerde schade binnen drie jaar vergoed zou worden. De quaestie der restitutie van de door de Engelschen den Nederlanders op last van den koning ontnomen goederen zou natuurlijk eerst ter sprake kunnen komen, wanneer er over het recht beslist was. Met dit bescheid keerden de gezanten 9 Augustus 1619 naar het vaderland terug[802].

De Noordsche Compagnie was met ’s konings beslissing maar weinig ingenomen. Het was te verwachten, dat de Engelschen de in 1618 ondergane beleediging niet ongewroken zouden laten en reeds in het voorjaar van 1619 had de Noordsche Compagnie den Staten-Generaal dan ook voorgehouden, dat de handel op Spitsbergen zou moeten worden opgegeven, zoo de compagnie niet krachtige hulp tegen de Engelschen verkreeg[803]. Dien zomer was de vijandige gezindheid hunner mededingers den Nederlanders op Spitsbergen maar al te zeer gebleken[804]; directe vijandelijkheden waren slechts door hunne overmacht voorkomen.[805] Nu de koning zijne vergunning aan de compagnie afhankelijk gesteld had van het vergoeden der schade, was het dus twijfelachtig, hoe de Nederlandsche schepen op Spitsbergen ontvangen zouden worden: aan restitutie der geroofde Engelsche goederen toch dacht de compagnie niet. Zij wendde zich daarom tot de Staten-Generaal met het verzoek haar op de eene of andere wijze de zekerheid te verschaffen, die zij zoozeer behoefde[806]. De regeering was met de zaak blijkbaar verlegen; zij durfde niet door te tasten. Den weg in te slaan, dien de Noordsche Compagnie zelve had aangewezen, namelijk van Jakob I of zijnen Raad eene »naerder verclaringe” of een »gebot van Vrede” te verzoeken, dit waagden de Staten niet: het was zaak de quaestie der restitutie niet op te rakelen. Maar ook de dan eenig mogelijke zekerheid werd niet aan de compagnie verleend: slechts éen konvooischip stonden de Staten haar toe[807]. Gelukkig was de vrees der Nederlanders voor aanvallen van Engeland ongegrond; de Moscovische Compagnie zelve had in de laatste jaren zulke groote sommen bij de walvischvangst verloren, dat zij er een oogenblik zelfs aan dacht het verkeer met Spitsbergen op te geven. De oude reeders ter walvischvangst verklaarden zich ongezind, hun geld verder aan zulke wisselvallige kansen te wagen; slechts de wakkere Edge had den moed met eenige andere leden der compagnie eene nieuwe uitrusting te beproeven[808]. Uit den aard der zaak waren echter hunne krachten gering, en hoewel men in Engeland de Nederlandsche ambassade van 1621 herhaaldelijk lastig viel over het betalen der schadevergoeding[809], hoewel de Engelsche walvischvaarders zelve luide klaagden over den last hun door de Nederlandsche concurrenten aangedaan[810], tot dadelijkheden kwam het voorloopig niet.

Des te meer drong Jakob I er echter op aan, dat de zaak der restitutie in der minne werd afgehandeld. Was hij slechts met moeite overgehaald aan de Nederlandsche ambassadeurs van 1621 uitstel te verleenen tot de maand Juni van dat jaar[811], aan Carleton zond hij weldra den last om de Staten-Generaal met nadruk te vermanen, aan de gezanten, die op het einde van 1621 gereed stonden om naar Engeland te vertrekken, volmacht te geven om deze aanstootelijke zaak voor goed ten einde te brengen. De gezant volbracht dit bevel met onvermoeiden ijver[812]. De Staten konden niet weigeren en machtigden hunne ambassadeurs, om de zaak der restitutie af te doen des noods door middel van arbiters; mocht men hun van eene regeling voor het vervolg spreken, dan moesten de gezanten dezelfde voorslagen doen, die in 1619 de Engelschen zoo weinig behaagd hadden. Zonder uitdrukkelijken nieuwen last der Staten mochten zij daarvan niet afwijken.

Spoedig bemerkten de gezanten (de heeren Van Aerssen, Bas en Tuyll Van Serooskercke), dat de Groenlandsche zaak den koning na aan het hart lag. Weinige weken na hunne aankomst werd er reeds van gesproken, en onder de vele scherpe verwijten, die de oude koning hun bij verschillende gelegenheden deed, nam deze zaak steeds eene eerste plaats in. Toch duurde het tot December 1622 eer het tot bepaalde onderhandelingen hierover kwam; de ambassadeurs hadden gedurig middelen weten te vinden om de behandeling der quaestie uit te stellen. Ook toen echter werd de zaak door de Engelschen zeer onhandig aangevat. De rechtsquaestie, die immers volgens ’s konings uitspraak in het najaar van 1622 weder in behandeling zou komen, werd geheel ter zijde gelaten en men drong alleen aan op de teruggave der geroofde goederen. Zoowel de koning als de Raad hielden vol, dat de ambassadeurs van 1619 de beslissing dier zaak aan Z. M. hadden overgelaten en dat dus diens uitspraak de Nederlanders verbonden had om op den bepaalden tijd (drie maanden en drie jaar na dato), die reeds lang verstreken was, de geëischte som te betalen. De gezanten ontkenden dit natuurlijk, en den Engelschen was het niet mogelijk eene akte van submissie te toonen. De strijd over deze quaestie, waarin Z. M. zelf zich nu en dan mengde, was even heftig als onvruchtbaar. Het kwam tot ergerlijke tooneelen en de Nederlanders eindigden met hun afscheid te verzoeken voordat er iets besloten was, onder belofte hunne volmacht aan Caron te zullen overdragen. De koning nam daarmede genoegen en de gezanten vertrokken[813].

Ondertusschen had reeds het gedrag der Engelschen getoond, dat zij zich niet spoedig meer zouden laten tevreden stellen. Geprikkeld door hunne jaarlijksche verliezen, was hun geduld ten einde. Reeds in 1621 was Jakob I met zijnen zwager van Denemarken overeengekomen voortaan gezamenlijk alle vreemden uit de IJszee te verdrijven[814]; men besloot nu dit tractaat ten uitvoer te leggen. De gezanten waarschuwden dan ook de Staten-Generaal dadelijk na hunne terugkomst herhaaldelijk, dat de zaak aan koning en volk zeer ter harte ging, en dat er reden was »vol bedenckens” te zijn[815]. Werkelijk bleek het weldra, dat de koning zijn recht, al had hij er de Nederlandsche gezanten niet van gesproken, niet dacht op te geven. Hadden de Nederlanders in het doen der restitutie toegestemd, misschien had hij hen met rust gelaten; nu was hij op eenen afdoenden maatregel bedacht om zijn recht te handhaven.

Maar de tijd daartoe was reeds lang voorbij. Wel kregen de schepen, die de Moscovische Compagnie in 1623 naar het noorden zond, in last den Nederlanders aan te zeggen, dat de hun in 1619 verleende tijd van drie jaren voorbij was en dat zij dus Spitsbergen moesten ruimen, zoo zij het plegen van geweld wilden voorkomen. Maar al toonden de bevelhebbers der Engelsche walvischvaarders zich bereid aan dien last te voldoen, hun macht was veel te gering om de daarbij gevoegde bedreiging uit te voeren. De Engelschen maakten dan ook werkelijk een droevig figuur! In Fairhaven, waar de Nederlandsche commandeur Cornelis Ys zijn hoofdkwartier had opgeslagen, bevond zich een Engelsch kapitein, Nathanael Fanne. Ook hem was de koninklijke opdracht bekend en zonder aarzelen zeilde hij den 23 Juni 1623 de Nederlanders te gemoet, die pas aangekomen juist begonnen waren met het bouwen van »Houses and Tabernacles to inhabit.” Hij verklaarde aan Ys, dat de koning, daar de tijd van het aan de Nederlanders verleende verlof verstreken was, de Moscovische Compagnie onder het groote zegel van Engeland gemachtigd had om alle Nederlandsche schepen te verdrijven, en dat hij, zoo de Nederlanders niet aan zijn vriendelijk verzoek gehoor gaven, geweld zou moeten gebruiken. Ys bleef onder deze bedreiging van éen schip tegen vijf zeer kalm: hij antwoordde bedaard, dat hij niets van dit alles gehoord had en verzocht de commissie van Fanne te zien. Toen de Engelschman die niet toonen kon, verklaarde hij kortaf dat hij commissie had van den prins van Oranje om op deze kusten te visschen en zich verder niet met de Engelschen wilde inlaten. En daarbij bleef het![816] Op andere plaatsen waren de Engelschen niet gelukkiger. De commandeur Goodlard schreef zelfs den 8 Juli uit Bell-sound aan zijnen onderbevelhebber, den bekenden Heley, dat hij voor zich het niet raadzaam achtte, de Nederlanders te verdrijven, al hinderden zij de Engelschen nog zoozeer. Hij voorzag, dat de Engelschen de macht niet zouden hebben om geweld te gebruiken, en hij zag duidelijk in, dat de Nederlanders, vertrouwende op hunne commissie, ook al gelukte het hen uit de noordelijke baaien te verdrijven, dadelijk in de zuidelijke hun geluk zouden beproeven, zonder dat de Engelschen daardoor iets wonnen[817]. Het eenige gevolg van de mislukte pogingen der Engelschen schijnt geweest te zijn, dat de Nederlanders hen uitlachten en misschien meer dan gewoonlijk in den weg traden; althans de Moscovische Compagnie klaagde in het najaar, dat de Nederlandsche »Coopluyden dit Jaer haerluyden groote oultragie hadden gedaen, ende dat zy aldaer al wilden regeren, en haerluyden buyten sluyten, waert mogelyck.”[818]

Niet beter verging het den Engelschen het volgende jaar. Men had met grootere uitrusting gedreigd[819] en werkelijk koesterde de Moscovische Compagnie weder het voornemen den Nederlanders het visschen te beletten. Het geluk scheen hen te begunstigen. Vijf Engelsche schepen vonden, op Spitsbergen aankomende, daar nog slechts twee Zeeuwsche, die met een konvooischip, kapitein Willem Tas van Haarlem, de Nederlandsche vloot vooruitgezeild waren. Dadelijk voeren de Engelschen op de schepen toe en wilden ze kort en goed vermeesteren. Zij hadden gerekend eene gemakkelijke prooi te zullen hebben, maar Tas daarbij komende en van het plan der Engelschen hoorende »vergramdede hem seer.” Hij noemde het »een actie tegens recht en reden,” dat men eene vrije natie in haren handel met geweld wilde verhinderen. De Engelschen bleven hem niets schuldig en weldra kreeg men hooge woorden, want »al is ’t dat een Hollander van naturen sachtsinnigh is, nochtans te veel geterght zijnde, toont hy vrymoedigen en resoluten natuur geen jock te konnen verdraghen.” Eindelijk daagde Tas de twee Engelsche schepen, die zich het meest op den voorgrond gesteld hadden, tot het gevecht uit. Maar de Engelschen »dese couragie en bravade siende” voelden zich niet tegen Tas opgewassen; zij »lieten haer trots gemoet sincken, en verexcuseerden met vleyende woorden haren voorslagh, met eenige andere redenen van andere schijn bekleedende.” Tas nam daarmede genoegen, maar dreigde, zoo men weder plan maakte de Nederlanders te verjagen, dat men zien zou met wie men te doen had. De kloeke houding van den kapitein redde de twee schepen van den ondergang, want spoedig daarop kwamen er meer Nederlandsche walvischvaarders en weldra waren er niet minder dan twintig bijeen. De Engelschen waagden nu natuurlijk geenen aanval, en de visscherij werd »in goede Ordre voleyndight.” De Nederlanders hadden eene overvloedige vangst en kwamen allen behouden in het vaderland terug[820].

Ondertusschen had men in Engeland hevig over de houding der Nederlanders op Spitsbergen geklaagd. Herhaaldelijk waren er klachten bij Caron ingekomen, en dikwijls schreef deze te vergeefs om volmacht en naderen last. De handelwijze der Engelschen op Spitsbergen in 1623 bewees, dat men over dit uitstel ontevreden was. Toch was men op herhaald aandringen van Caron eerst op het einde van 1623 na lange overwegingen tot het besluit gekomen, hem te machtigen tot de verklaring, dat het den Staten na grondig onderzoek gebleken was, dat de ambassadeurs van 1619 wel is waar gedurig op wederzijdsche restitutie der geroofde goederen hadden aangedrongen, maar dat ’s konings uitspraak hierover evenmin ooit door hen was aangenomen als zij de zaak aan Z. M.’s beslissing hadden onderworpen[821].

Gelukkig behoefde Caron deze besliste afwijzing der Engelsche beweringen niet aan den koning mede te deelen. De Moscovische Compagnie, de gedurig uitstellende antwoorden van den gezant, die steeds op instructie wachtte, moede, en den ongelukkigen uitslag harer eigene pogingen op Spitsbergen ziende, wendde zich liever tot de Nederlandsche ambassade, die in 1624 te Londen aankwam, om herstel harer schade. Eene belangrijke schrede deed de behandeling der zaak bij deze gelegenheid voorwaarts. De Engelschen zagen in, dat hunne pretensiën van uitsluitend recht bij de geheel veranderde verhouding van de krachten der beide natiën in het noorden onhoudbaar waren[822]. Zij boden dus nu zelven aan, wanneer de schade vergoed was, met de Nederlanders in overleg te treden over het maken van een reglement, waarbij zij zich bereid toonden den Nederlanders verschillende baaien af te staan, om ongehinderd in te visschen. Ongelukkig hadden de Staten-Generaal den ambassadeurs geen last over deze zaak gegeven; het was hun belang de zaak als eene particuliere quaestie door hun gewonen gezant te zien afhandelen. De ambassadeurs moesten dus, niettegenstaande het herhaalde aandringen der Moscovische Compagnie en de hevige woorden van den koning, er bij blijven, dat Caron de quaestie zou bespreken[823].

Toen het gezantschap echter bij zijn rapport aan de Staten-Generaal op beslissing der zaak aandrong, toonden dezen zich geneigd van de gelegenheid gebruik te maken om de rechten, die hun nu voor eenige duizenden guldens als te koop werden geboden, te verkrijgen[824]. Wel was het niet twijfelachtig, dat de Nederlanders door hunne toenemende machtsontwikkeling op Spitsbergen de overhand zouden behouden; maar door de afdoening der rechtsquaestie in der minne, waarop nu alle hoop scheen, zou den prikkelbaren Jakob I een gedurige reden tot klagen ontnomen worden. Juist was men met dien vorst in een nieuw verbond tegen Spanje getreden; het was dus zaak hem in kleinigheden als deze te wille te zijn en den vijanden der republiek alle gelegenheid om kwaad te stoken te ontnemen. Nog meer: het onbesliste der quaestie stelde de Nederlandsche walvischvaarders voortdurend aan onverwachte aanvallen bloot en noodzaakte hen dus, zich jaarlijks met groote kosten tot den strijd toe te rusten. Wat alles afdeed, de koning vaardigde weldra represaille-brieven uit, wier intrekking men alleen door het betalen der geëischte schadevergoeding meende te kunnen verkrijgen[825]. Ernstige beraadslagingen hadden dan ook in Den Haag plaats. De Noordsche Compagnie was echter volstrekt niet gesteld op het oprakelen der oude geschillen; de spoedige afdoening der zaak werd ook door twisten tusschen de kamers onderling verhinderd. Om deze goed te begrijpen moeten wij eenige schreden teruggaan.

Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie jaarlijks een of meer konvooischepen medegaven ter harer bescherming tegen de aanvallen der Engelschen op Spitsbergen. Sinds 1616 had de exploitatie van Jan Mayen-eiland eene verdeeling der uitrusting noodig gemaakt, maar daar men aan dat weinig bekende eiland geene belangrijke mededinging te vreezen had, had de regeering gemeend het konvooi voornamelijk voor die schepen te moeten bestemmen, die door de noodzakelijkheid gedwongen werden zich naar Spitsbergen te begeven. Desniettegenstaande had de Amsterdamsche kamer in 1616[826] en 1617 het geheele konvooi bij hare schepen aan Jan Mayen-eiland gehouden, in 1618 had zij met een der beide oorlogschepen evenzoo gehandeld. Had deze hoogst willekeurige handelwijze in 1616 ook geene kwade gevolgen, wij zagen reeds dat in 1617 het berooven van een Zeeuwsch schip en het ledig huiswaarts keeren der beide andere daardoor veroorzaakt werd, en dat in 1618 niet alleen de beide schepen van de kamers van het Noorderkwartier in Bellsound geen weerstand konden bieden aan de aanvallen der Engelschen, maar ook het gevecht in Sir Thomas Smiths-bay een indirect gevolg was van het misdadige egoïsme der Amsterdammers[827].

Het laat zich denken, dat de benadeelde vereenigingen dit alles niet rustig aangezien hadden. Reeds 9 November 1617 hadden de Zeeuwen aan de Staten-Generaal overgelegd eenige verklaringen van de in de quaestie van dien zomer betrokkene personen, die allen met blijkbaren wrevel getuigden, dat alleen de afwezigheid der Hollanders schuld aan hun ongeluk was. De bepalingen der Staten-Generaal over de bestemming van het konvooi schijnen echter ditmaal niet zoo bepaald geweest te zijn, dat daarop een eisch gegrond kon worden, maar de Zeeuwen beriepen zich op eene bepaling in hun contract met de Hollanders, waarbij de verschillende kamers zich verplicht hadden om alle schade aan een van haar door vreemden veroorzaakt naar evenredigheid harer uitrusting voor dat jaar te helpen vergoeden. Volgens deze onderlinge assurantie moest de schade der Zeeuwen dus over de vijf Hollandsche kamers mede omgeslagen worden en Amsterdam bleef natuurlijk voor het grootste gedeelte aansprakelijk[828]. Hoewel echter de Staten-Generaal op verzoek der Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de Hollanders hunne verplichting voorhielden, toonden dezen zich onwillig de schadevergoeding uit te keeren. Eene commissie werd benoemd om de twistenden te vereenigen, maar ook dit baatte niet[829]. Wij zagen reeds, dat de Zeeuwen bij hunne pogingen om in Engeland vergoeding hunner schade te krijgen niet gelukkiger waren[830]. En weldra verhinderde het aandeel, door de beroofden zelven aan den aanval op de Engelschen in 1618 genomen, de verdere behandeling dezer zaak. De reeders trokken zich uit dit bedrijf terug[831] en staakten hunne klachten, tevreden zoo de Engelschen van hunne zijde hen niet om vergoeding aanspraken[832].

De benadeelde kamers van het Noorderkwartier handelden verstandiger. In Engeland, dat begrepen zij, was voor hen geene vergoeding te krijgen. Maar er stond hun een andere weg open: de kamer van Amsterdam was door het terughouden van het konvooischip oorzaak geweest, dat zij al de verwachte winst der reis verloren hadden, de Amsterdammers behoorden hun dit dus natuurlijk te vergoeden. Die van het Noorderkwartier beriepen zich op de bepalingen van een contract, dat na de herhaalde klachten der beroofde Vlissingsche reeders door de verschillende kamers den 2 Maart 1618[833] over de toen aanstaande reis gesloten was, en waarbij men niet alleen uitdrukkelijk overeengekomen was, dat het grootste oorlogschip in Bell-sound zou zijn, maar waarbij de kamers ook een bepaald verbond gesloten hadden om elkander tegen de Engelschen te verdedigen. Toen de Amsterdammers weigerden de geëischte som te betalen, wilden de kamers van Hoorn en Enkhuizen zich tot de Staten-Generaal wenden, maar de Amsterdammers voorkwamen de klachten hunner wederpartij en verkregen na lang uitstel van het Hof van Holland een vonnis, waarbij aan de twee klagende kamers bevolen werd, hunne actie binnen zes weken voor het Hof in te stellen »op peijne van een eeuwich swijgen ende silentium.” (29 Maart 1624.) Een beroep op den Hoogen Raad was door die van het Noorderkwartier juist aanhangig gemaakt, toen de bemoeiingen der Staten-Generaal om den Engelschen schadevergoeding te bezorgen den loop der zaak kwamen storen[834].

Alle aandacht van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie werd nu aan de beslissing dezer quaestie gewijd. Den Staten-Generaal was het ditmaal ernst met de zaak; de Engelschen zelven drongen weder herhaaldelijk op spoed aan[835]. Nu de twee regeeringen het op dit punt dus eens waren, scheen de compagnie te zullen moeten buigen en al hare krachten moesten dus worden ingespannen om eene oplossing der zaak, zooals de Staten-Generaal die bedoelden, te beletten. Want de Noordsche Compagnie had vele bezwaren tegen eene schikking met de Engelschen! De Zeeuwsche compagniën, die de Engelschen in 1617 benadeeld hadden, waren sinds lang ontbonden[836]. Andere kooplieden hadden nieuwe vereenigingen opgericht, maar de oude aandeelhouders waren nog steeds ongeneigd om van hunne schade te reppen, nu hun eigen aanval op de Engelschen in 1618 hen met eene waarschijnlijk hoogst nadeelige compensatie dreigde. Evenzoo was het met die van het Noorderkwartier gesteld. De Amsterdamsche kamer stond buiten deze beide quaestiën en wilde er zich dan ook geheel buiten houden; juist daarom was ook zij onwillig om de rekeningen harer schade van 1613 nu over te leggen. Het nog steeds hangende proces met de kamers van het Noorderkwartier gaf toch dezen eene gereede aanleiding om de Amsterdammers in de quaestie van 1618 te betrekken of om ten minste de door dezen van de Engelschen te ontvangen gelden te compenseeren met de in het proces geëischte wegens het wegzenden van het konvooischip. Ook de Zeeuwen dreigden Amsterdam bij vermenging der rekeningen met compensatie der van de Engelschen te ontvangen schadevergoeding voor het gebeurde in 1613 met de pretensie, die zij sinds 1617 nog op hunne Amsterdamsche broeders hadden.

Alle betrokkene kamers, Amsterdam, Vlissingen, het Noorderkwartier, ook Delft en Veere, die veel te betalen en niets te ontvangen hadden, waren dus weigerachtig om het geschil met de Engelschen in redelijkheid te helpen eindigen. Men kwam dan ook niet veel verder. De bewindhebbers van de verschillende kamers der Noordsche Compagnie werden door de Staten-Generaal eindelijk tegen 5 Augustus 1624 naar Den Haag beschreven. Amsterdam verscheen niet, maar aan de overigen deed eene commissie uit naam der Staten-Generaal den voorslag om iemand te zenden aan Caron, die sinds 1623 commissie had tot afhandeling der quaestie, ten einde hem over den stand der zaken uitvoerig in te lichten. De Zeeuwen, zich beroepende op hunne armoede, die hen belette door de overname der Amsterdamsche pretensiën eene voordeelige compensatie met de Engelschen te treffen, stonden op hun recht om zich alleen voor Nederlandsche rechters te rechtvaardigen; wilde men iemand naar Engeland zenden, dan moest dat zijn ten koste van het land[837]. Nieuwe conferentiën brachten de zaak niet verder: de Amsterdammers wilden de bewijzen hunner schade niet overdoen dan op onmogelijke voorwaarden en de Zeeuwen bleven bij hunne eischen. De Staten-Generaal van hunne zijde stonden er op, dat het land »buyten costen soude werden gehouden,” en gaven dit punt niet dan na langdurige aarzeling toe[838].

Ondertusschen kwam Caron te sterven en men besloot zijnen opvolger Joachimi last te geven om de zaak nu definitief af te doen[839]. Eene nieuwe commissie, nu door de Staten-Generaal benoemd, bracht de weerspannige kamers na verscheidene conferentiën eindelijk tot een vergelijk. De Amsterdammers beloofden hunne schaderekeningen van 1613 te zullen overleveren, mits de Staten-Generaal zelven hun de som gelds uitbetaalden, waarmede de Zeeuwsche kamers daardoor bij de compensatie met de Engelschen bevoordeeld waren; de Staten-Generaal stonden er voor in, dat de Amsterdammers niet zouden betrokken worden in de quaestie met Engeland over de schade van 1618, en het proces van Hoorn en Enkhuizen tegen Amsterdam werd daartoe tot na de afdoening der Engelsche geschillen geschorst[840]. De Zeeuwen verklaarden nog uitdrukkelijk, dat zij, hoe de zaak ook loopen mocht, na de compensatie der schaderekeningen van 1617 en 1618 in geen geval wilden toebetalen[841], maar zij zonden toch de bewijsstukken hunner pretensie over[842]. De Amsterdammers volgden dit voorbeeld weldra[843] en de Staten-Generaal gaven nu aan Joachimi speciale commissie om de zaak in Engeland af te handelen[844].

Kort daarop vertrok de ambassadeur in gezelschap van het Nederlandsche gezantschap, dat juist toen naar Engeland afreisde, naar Londen. De Staten hadden hem last gegeven, in aansluiting aan den voorslag door de Moscovische Compagnie aan de ambassade van 1624 gedaan, een reglement met haar te beramen op den voet als de gezanten van 1619 hadden voorgeslagen. Des noods moest Joachimi met den koning zelven over de zaak spreken, de redenen door de Noordsche Compagnie tot hare verdediging aangevoerd voorstellen, en wijzen op het feit, dat de oneenigheden op Spitsbergen steeds waren uitgegaan van de Engelschen, terwijl de Staten-Generaal alles hadden gedaan om twist te voorkomen. Ook aan de quaestie der restitutie wilden de Staten gaarne een einde zien. Zij machtigden Joachimi de zaak des noods door arbiters te laten afdoen, maar daarbij bleven zij er op staan dat hun recht niet werd prijsgegeven. Over het bedrag der restitutie wilden zij veel toegeven: de Staten zouden er in berusten, zoo de arbiters beslisten, dat de Nederlanders den Engelschen nog moesten toebetalen, maar zij drongen er ernstig op aan, dat in ieder geval de aan de Noordsche Compagnie in 1613 en 1617 toegebrachte schade, die volgens hen veel meer bedroeg dan de Engelsche schade van 1618, tegen deze in rekening gebracht zou worden. Op het principe kwam het hun aan; was de taxatie der schade wat partijdig, welnu, de Staten waren bereid eenige duizenden te betalen om hun recht erkend te zien[845].

Het liet zich aanzien, dat door de uitvoering dezer verstandige en liberale volmacht de geschillen nu tot eene bevredigende oplossing zouden komen. Verschillende redenen werkten echter samen, om de zaak een voor Nederland nog voordeeliger einde te doen nemen. Jakob I, die jarenlang met deze quaestie geplaagd was geweest, was onlangs gestorven; zijn opvolger Karel I zal wel niet dezelfde belangstelling getoond hebben in eene zaak, waarin het beweerde recht der Engelschen niet gehandhaafd scheen te kunnen worden, terwijl het belang daarvan voor de steeds achteruitgaande Engelsche walvischvangst gering was; eene quaestie, waarbij het dus alleen op de betaling van eenige weinige duizenden aan sommigen zijner onderdanen aankwam. Ook kon het den jongen koning, die zijne regeering begon met krachtig optreden tegen Spanje en een nauw verbond met de Staten-Generaal, niet verstandig schijnen, nu om zulk een nietig geschil de goede verstandhouding met zijne bondgenooten te verbreken.

Onder deze omstandigheden was het misschien ook in Engeland een welkom bericht, dat de twistende partijen zich zelve geholpen hadden. De jaarlijksche twisten moede, gedurig gehinderd door de Nederlandsche walvischvaarders, die met groote overmacht naast de Engelschen vischten en hun daardoor groot nadeel toebrachten, was het aan de Moscovische Compagnie, die er aan wanhoopte hare schade vergoed te krijgen, verstandig voorgekomen, aan de Nederlanders eenige baaien op Spitsbergen voor hunne vrije visscherij over te laten, nu zij daardoor van hare zijde de vrije beschikking over de overige kon verkrijgen. Reeds in 1625 was dan ook de sterke uitrusting, die de Noordsche Compagnie uit vrees dat de Engelschen »haer onrechtvaerdighe Actie begheerden te sustineeren” gedaan had[846], nutteloos gebleken; de reis liep vreedzaam af en weldra berustten de Engelschen, ook zonder dat hunne schade vergoed werd, voor goed in de reeds door het gebruik gemaakte verdeeling der baaien[847]. De Nederlanders vergenoegden zich met den noordwestelijken hoek van Spitsbergen, waar zij nieuwe vischrijke baaien ontdekt hadden; de Engelschen behielden daarentegen het geheele zuidelijke gedeelte der westkust, waar van ouds de walvischvangst gedreven werd, voor zich. Deze schikking werd in 1627 door de Engelsche regeering stilzwijgend erkend[848], en daarmede was de hoofdzaak nu voor goed geregeld.

Een enkele maal schenen de Engelschen zich nog voor de restitutie der schade van hunne landgenooten te willen interesseeren; een paar maal werd er eene poging gedaan om daarover op nieuw door gezanten te onderhandelen[849], maar de Nederlanders bleven steeds bij hunne weigering en de tegenpartij moest zich telkens met eene verwijzing naar den last van Joachimi tevreden stellen. Ook in latere jaren, toen de Engelsche souvereiniteit ter zee een onderwerp van ernstige geschillen met de republiek der Zeven Provinciën werd, gaf Karel I eenmaal te kennen, dat hij deze zaak niet vergeten had[850]. Bij het begin van den Engelschen burgeroorlog sprak men zelfs in het parlement nog over de lang-begraven quaestie, maar de Staten volhardden bij hun systeem: zij bleven er bij, de zaak alleen als eene particuliere quaestie te willen beschouwen en wezen diplomatieke onderhandelingen daarover van de hand[851]. Een eenigszins ernstig karakter nam de zaak echter nooit meer aan; het gelukte den Nederlanders steeds het verder »ophalen van dese oude saecken” te beletten, en naarmate de walvischvangst der Engelschen aan Spitsbergen langzamerhand geheel onbeduidend werd, nam de Nederlandsche daar in macht toe. Het was den Staten gelukt te bewerken, dat werkelijk van uitstel afstel kwam; hunne onderdanen hadden daartoe krachtig medegewerkt en weldra waren de Engelschen, de voorgangers der Nederlanders, evenals in Oost-Indië uit de door hen met zooveel moeite ontdekte zeeën verdreven.

Notes in this chapter

Note 1 · Zie hiervóor p. 72. [729] Zie over deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, en: Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbanceNote 2 · De onwaarschijnlijkheid dezer theorie blijkt reeds uit het feit, dat de Engelschen zelven het niet eens schijnen geweest te zijn, wanneer WiNote 3 · Zie over de uitrusting van dit en de andere schepen hiervóor p. 73, 74.Note 4 · Van Muyden trachtte eerst in Low-sound te visschen, waarom die baai nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. CNote 5 · Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai bekende inham op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13: „SardamNote 6 · Zie de berichten van Bonners reisgenoot Symon Van der Does, den zoon van den Amsterdamschen schout Willem Van der Does, in: Detectio freti, Note 7 · Vgl. over deze reis: Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.—Hist. du pays de Spitsb. p. 1Note 8 · Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) bedroeg de schade der reeders wel £ 3 à 4000. [741] Purchas, Pilgrimage. Note 9 · R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613. [746] R. S.-G. 25, 26 Oct., 2 Nov. 1613. [747] Muller. Mare Clausum. p. 123 Noot 4, 5.Note 10 · R. S.-G. 2 Nov. 1613.—Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59. [749] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94. [750] De ware ligging van Willoughby-land Note 11 · Wassenaer, Hist. verhael. VIII fol. 94. [755] Zie hiervóor p. 74-77. [756] R. S.-G. 4 April 1614.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—ResolNote 12 · R. S.-G. 19 Mei 1614. [758] Zie zijn journaal bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720. [759] Tegenwind alleen weerhield o. a. Fotherby, twee vreNote 13 · R. S.-G. 20 Nov. 1614. [763] Zie de commissie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. [764] R. H. verg. v. 4-17 Mrt. 1615. p. 5. [765] ZiNote 14 · Grotii Epistolae. p. 19, 20. Ep. 59. [770] R. S.-G. 4 Mei 1615. [771] R. S.-G. 6 Mei 1615.Note 15 · Miss. v. Caron aan den koning dd. 6/16 Mei 1615, in: L. E. 1615.—R. S.-G. 16 Mei 1615.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Apr. 1615, in: Note 16 · Zie over die redenen: Hoofdst. IX. [780] Zie de Instructie in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. [781] Edge, Dutch disturbance, bij: PuNote 17 · Muller, Mare Clausum. p. 131 Noot 5. [783] Zie het contract in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.Note 18 · Hoewel aan de Hullers in 1618 verboden werd Spitsbergen te bezoeken en hun als schadeloosstelling de visscherij bij Jan Mayen-eiland werd opNote 19 · Mémoire de la Compagnie Septentrionale, bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Corte Deductie ende Remonstrantie vande Noortse Compagnie, in: NoNote 20 · Volgens de getuigenis van den commandeur Leversteyn (op de Engelsche schaderekening in: Lias loopende 1618. R.-A.) gebeurde het hieronder veNote 21 · Deze schepen, aan den Middelburgschen koopman Courten, bewindhebber der N. C. behoorende, vertrokken echter waarschijnlijk spoedig weder. AlNote 22 · Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A. [799] R. S.-G. 3 October 1618.Note 23 · Eene schaderekening leverden de Nederlanders niet in: de Zeeuwsche kamers weigerden hunne schade op te geven. (Miss. der Stn.-Gen. aan de GeNote 24 · Reeds Purchas merkte op bij de beschrijving der Nederlandsche reis van 1596/7: „They are said to haue touched in this Nauigation on Greene-lNote 25 · Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare Clausum. p. 136-165.Note 26 · R. S.-G. 23, 28 Mrt., 15 Mei 1619. [804] Salmon Jr. schreef 5 Juli 1619 aan Heley (Purchas, Pilgrimes. III p. 735): „I doubt not but we shalNote 27 · Muller, Mare Clausum. p. 184. [812] R. S.-G. 10 Apr., 18 Mei, 29 Juli, 24 Nov. 1621.—R. H. verg. v. 25 Mei-26 Juni (p. 105, 115, 116, 124, 1Note 28 · Zie over deze ambassade zeer uitvoerig: Muller, Mare clausum. p. 188-203.Note 29 · Zie meer over deze zaak: hierna Hfdst. VII. [815] Verbaal der ambassade v. 1621-23 ad 14 Febr. 1623.—R. S.-G. 14 Febr., 28 Mrt. 1623.—R. H. Note 30 · Brief van Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736. [817] Brief van Goodlard aan Heley dd. 8 Juli 1623, bij: PuNote 31 · Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. [820] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.Note 32 · R. S.-G. 7 Apr., 6 Mei, 17 Oct., 16 Nov., 14 Dec. 1623.—Miss. der Stn.-Gen. aan Caron, in: Loketk. der Stn.-Gen. Engeland. No. 43.Note 33 · Zelfs de combinatie met Denemarken sinds 1621 tot het gemeenschappelijk verdrijven van alle vreemdelingen van Spitsbergen (Lindeman, ArktiscNote 34 · R. S.-G. 6 Juli 1624.—Ook werd van Engelsche zijde op spoed nader aangedrongen. Zie o. a. R. S.-G. 13 Mrt. 1625. [825] R. S.-G. 21 Mrt. 1625Note 35 · Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Edge, Dutch disturbance, in: Purchas, PilgrimNote 36 · Req. der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel. (rec. 26 Sept. 1617) met bijlagen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.Note 37 · R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.—Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635. [834] Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.—R. S.-G. 21 Mrt. 16Note 38 · R. S.-G. 16 Aug., 3 Oct., 23 Nov., 7, 9 Dec. 1624, 13 Mrt. 1625.—Secr. R. S.-G. 17 Dec. 1624. [836] Corte Deductie ende Remonstrantie der N.Note 39 · R. S.-G. 6, 16, 25, 31 Juli, 22 Aug. 1624.—Req. der Zeeuwsche N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit.Note 40 · Secr. R. S.-G. 1 Jan. 1625.—R. S.-G. 16 Jan. 1625. [840] R. S.-G. 20 Jan., 17, 25 Febr., 21 Mrt. 1625.—Daar het niet tot die afdoening kwam,Note 41 · Muller, Mare Clausum. p. 215, 16.Note 42 · Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124. [847] In den zomer van 1625 of in 1626 zou het door Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 194, 211) vermelde coNote 43 · Bij gelegenheid der ambassaden van Buckingham in Den Haag en van Cats te Londen. (Muller, Mare Clausum. p. 222, 23.) [850] Muller, Mare Clau
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings