← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 748 — HOOFDSTUK VI. ENGELSCHE MEDEDINGERS.

Reading edition

R. S.-G. 2 Nov. 1613.—Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59.

[749] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.

[750] De ware ligging van Willoughby-land kende Plancius echter niet. Hij meende, dat het identiek was met „de Willebordts eylanden” (eene verbastering van Willoughby-eilanden?), waarmede hij schijnt te hebben willen aanduiden het op oude Nederlandsche kaarten voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae,” een „Doppelgänger” van Mathys-land, zooals Willoughby-land was van de Ganzenkust op Novaya-Zemlya.

[751] Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in éen officiëel stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben. Wel noemden zij Spitsbergen Greenland, maar dat zij zeer goed wisten, dat het niet hetzelfde was als het van ouds bekende Groenland, blijkt uit het feit, dat zij dit met den naam Groneland of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der „Histoire de Spitsberghe” (p. 26), dat de Engelschen het recht om bij Spitsbergen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben, schijnt mij geheel onjuist.)—Terwijl men dus reeds lang vóor 1613 aannam, dat Spitsbergen geen gedeelte van Groenlands oostkust was (de Nederlandsche ontdekkers zijn misschien door hunne onbekendheid met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze dwaling vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later volledige zekerheid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was natuurlijk eerst te verkrijgen door het bewijs, dat Spitsbergen een eiland was. De omzeiling door Rijp was vergeten en Fotherby zegt dan ook in 1615, dat Spitsbergen „is most like to be an Iland.” (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat „Greenland is now almost altogether discouered to bee an Iland, or rather many Ilands and broken grounds.” (Purchas, Pilgrimes. p. 816.) Evenwel „gheloofde” Joris Carolus nog in 1634 „niet, dat het landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen vast en is, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen” (Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge schreef in datzelfde jaar (Journael der Seven Matroosen. p. 4): „Of Spitsbergen een Eylandt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot noch toe onbekent.” Christiaan IV van Denemarken sprak echter reeds in 1631 van „die Grönländische Insull Spitzbergen.” (Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632).

[752] Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare Clausum. p. 121 Noot 6.—De rechtsgrond, door de Engelschen voor hun dominium maris in de IJszee aangevoerd, was hunne occupatie als eerste reizigers in de IJszee. Ook deze bewering trachtten de Nederlanders echter te weerleggen. Zie de daartoe strekkende betoogen bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg.

[753] Zie dit stuk van Plancius in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings