HOOFDSTUK II. DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Terwijl de Nederlanders zich alzoo bij herhaling verdienstelijk maakten door hunne pogingen om de noordelijke zeeën aan Europa te doen kennen, hadden ook de Engelschen niet stilgezeten. De Moscovische Compagnie, in 1553 opgericht met het doel om ontdekkingen te doen en nieuwe handelswegen te openen, was daartoe dan ook te goed in de gelegenheid dan dat zij niet meer systematisch dan de Nederlanders zich op het verkennen der noordelijke streken zou toegelegd hebben. Al bleef hare aandacht voornamelijk op den Russischen handel gericht, toch zond zij nog dikwijls schepen naar het hooge noorden om de onbekende zeeën te doorzoeken.
Op een dezer reizen, in 1603 door Stephen Bennet op kosten van Sir Francis Cherie, lid der Moscovische Compagnie[143], met het schip The Grace ondernomen, stuitte men echter toevallig, op weg van Kola naar het noorden, op het den Engelschen nog onbekende Beeren-eiland. De tocht werd gestaakt en met het bericht, dat men op het nieuw gevonden land eenig looderts en vele sporen van walrussen gevonden had, keerde men huiswaarts. De Moscovische Compagnie begreep het gewicht der ontdekking. Dadelijk zond zij in 1604 Bennet weder naar Beeren-eiland en toen hij daar nu werkelijk eene groote menigte walrussen gevonden had, besloot men het land geregeld te bezoeken. Naar den eersten reeder werd het Cherie-island genoemd en jaarlijks vertrok nu voortaan een schip, op kosten van een der leden van de Moscovische Compagnie, daarheen[144]. De walrusjacht bleef hoofdzaak: aanvankelijk met geweren, later met lansen viel men de logge monsters aan, die eerlang een gemakkelijke prooi voor de jagers werden. Honderden koppen werden jaarlijks in Engeland ingevoerd; want vooral de tanden, destijds duur betaald, waren het doel der jacht. In 1605 begon men uit het spek de eerste traan te kooken; sinds 1611 beproefde men ook de huiden als handelsartikel te gebruiken[145]. Naast de walrusjacht hield men zich met het dooden van zeehonden, beeren, vossen en vogels bezig; de reeds in 1603 opgemerkte loodmijn leverde nu en dan eenig erts en een enkele maal vond men steenkool. Zoo was Beeren-eiland gedurende eenige jaren een rijke bron van voordeel voor de Moscovische Compagnie.
Maar de kans keerde. De walrussen werden door het jagen schuw, de vangst werd bezwaarlijker, de dieren minder in getal. En daarbij kwamen concurrenten, die eerlang op de voordeelen der vaart opmerkzaam werden. Reeds in 1607 verscheen een schip voor rekening van een Londensch bierbrouwer op het eiland; de visschers van Hull, reeds van ouds geoefende walvischvangers aan de Noordkaap, volgden dadelijk in dit spoor[146]. De compagnie, die het door haar aan de Engelschen bekend geworden eiland als haar uitsluitend eigendom aanmerkte en er dan ook reeds in 1608 een sloep achterliet, ging wel in 1609 tot de plechtige inbezitneming over, maar het baatte niet, de concurrentie nam toe en het voordeel verminderde sterk. In deze omstandigheden sloeg de Moscovische Compagnie het oog op Spitsbergen, dat door Hudsons bezoek in 1607 nader bekend geworden was. Jonas Poole werd in 1610 door de vereeniging naar de tot nog toe slechts tweemaal bezochte kusten van dit eiland gezonden; hij verkende de baaien[147] en ving eenige walrussen. En daar Thomas Edge, die met een ander schip der compagnie weder naar Beeren-eiland vertrokken was, dit jaar geheel zonder lading terugkwam, nam men dadelijk het besluit de oude nederzetting te verlaten[148] en de uitrustingen voortaan naar Spitsbergen, of zooals men toen zeide, naar Greenland[149], te richten.
Met dit besluit ging echter dadelijk eene geheele verandering van het doel der reizen gepaard. Reeds Hudson had de aandacht gevestigd op den aan traan en andere kostbare handelsartikelen zoo rijken walvisch; Poole had het bevestigd, dat de zee om Spitsbergen van die dieren wemelde[150]. Dadelijk in 1611 vinden wij dan ook op de twee schepen, die onder Bennet en Poole naar Spitsbergen vertrokken, zes harpoeniers uit St. Jean de Luz; de sinds eeuwen met de walvischvangst goed bekende Basken moesten de Engelschen in de gelegenheid stellen dit handwerk zelven te leeren. Dit eerste jaar was de reis zeer ongelukkig. De beide schepen strandden en de bemanning mocht zich gelukkig rekenen, dat schipper Thomas Marmaduke van Hull, die de Engelschen ook daarheen gevolgd was, zich bereid verklaarde haar naar het vaderland terug te voeren[151]. De compagnie hield echter vol: in 1612 verschenen weder twee schepen, het eene onder Poole en Bennet, het tweede onder Russell en Edge op Spitsbergen. Ditmaal was men gelukkiger: niettegenstaande hunne onbedrevenheid doodden de Engelschen zeventien walvisschen en eenige walrussen, die te zamen 180 tonnen traan leverden[152]. Maar tegelijk vertoonden zich ook op het nieuwe jachtveld concurrenten, die de hoopvolle vooruitzichten der compagnie zouden vernietigen.
Reeds in 1611 was de verschijning van het Hullsche schip eene ernstige zaak geweest. Niettegenstaande de Moscovische Compagnie hare schepen voorzien had van een bevelschrift van den Geheimen Raad, dat de vereeniging machtigde om haar octrooi te handhaven tegen alle Engelschen, die zich in het noorden vertoonen zouden, en om zich met alle kracht tegen aanvallen van vreemden te verdedigen, had schipper Marmaduke zich niet ontzien Spitsbergen te bezoeken en had Nicholas Woodcocke, een van Bennets matrozen, hem zelfs den weg naar de beste baaien gewezen. Zulk eene niets ontziende stoutmoedigheid van hare concurrenten, zulk eene trouweloosheid van de zijde harer onderhoorigen beloofde voor de compagnie niets goeds. En werkelijk, in 1612 verschenen nog geduchter mededingers. De Nederlanders, het jeugdige volk, dat overal naar middelen zocht om te voldoen aan den lust tot daden, die het bezielde, waren ook nu weder onder de eersten, die met de Engelschen kwamen concurreeren. »They kept their wont in following of the English steps,” zegt Edge met kwalijk verborgen wrevel: evenals in 1578 naar de Witte Zee volgde zij nu weder in de baan door de Engelschen geopend. Hadden zij echter toen in hunnen landgenoot Brunel eenen gids gehad, die hun niet alleen den weg, maar ook de beste plaatsen voor hunnen handel aanwees, nu ontbrak hun zulk een leidsman geheel. De weg naar Spitsbergen was den Nederlanders door de reis der ontdekkers genoegzaam bekend; de plaatsen voor de walvischvangst geschikt, de wijze waarop die nieuwe winstgevende nering werd geoefend, moesten zij door eigene krachtsinspanning leeren kennen. Het moet tot hunne schande gezegd worden, dat zij een gemakkelijker maar ook minder eervol middel aangrepen om dit doel te bereiken: door omkooping haalden zij eenen Engelschman over tot verraad aan zijn land en zijne heeren[153].
Reeds in 1611 waren—mag men het eenigszins verwarde verhaal van Zorgdrager[154] gelooven—op verschillende plaatsen des lands, met name te Amsterdam, Schiedam, Hoorn, Enkhuizen en Middelburg, inschrijvingen gedaan om de zoo winstgevende nieuwe nering der walvischvangst ook in Nederland te vestigen. De zaak had echter toen op zulk eene uitgebreide schaal nog geen voortgang; voorloopig vereenigden zich alleen Lambert Van Tweenhuysen, Jacques Nicquet, Jacques Mercys en eenige andere Amsterdamsche kooplieden, wier namen hunne Zuid-Nederlandsche afkomst verrieden, tot eene compagnie, die ten doel had de walvischvangst in de IJszee te beginnen. De vereeniging rustte dadelijk in 1612 een schip van 140 last uit[155], bemande het met 36 koppen en zond het onder bevel van Willem Van Muyden naar Spitsbergen met patent van graaf Maurits »om aldaer Walrussen te bekomen, ofte anders haer profijt te soecken”. Allan Sallowes, een Engelschman, die lange jaren voor de Moscovische Compagnie op de IJszee gevaren had, maar volgens de Engelschen een ter kwader naam bekend staande persoon, die zijn vaderland om schulden verlaten had, ging als stuurman mede[156]. Reeds aan het Beeren-eiland ontmoetten Van Muyden en de zijnen de twee Engelsche schepen. De bevelhebbers daarvan beraadslaagden er dadelijk ernstig over Sallowes als een »interloper”—of zooals men toen zeide »lorrendrayer”—gevangen te nemen, maar besloten toch eindelijk hem te laten gaan. Het Engelsche schip volgende kwamen daarop de Amsterdammers, niettegenstaande het herhaalde verbod der Engelschen, 26 Mei met een Engelschen »interloper,” (het schip Diana, kapitein Thomas Bustion van Wapping-wall[157]) op Spitsbergen aan. De beide schepen zwierven langs de kust heen en weer en deden pogingen om eene goede ligplaats buiten het gezicht van de schepen der compagnie te vinden, maar hunne onbekendheid met de walvischvangst was oorzaak, dat de buit schraal was en zij bijna onverrichter zake huiswaarts moesten keeren[158]. Een ander Nederlandsch schip, door eene Zaandamsche reederij uitgerust, schijnt zich dit jaar alleen met de walrusjacht op Beeren-eiland te hebben beziggehouden[159].
Het volgende jaar bleven de Nederlanders niet achter. Willem Van Muyden kwam weder met zijn schip op Spitsbergen; de reeders hadden er nog het kleinere schip de Fortuyne, kapitein Jan Jacobsz. Boots van Medemblik[160], bijgevoegd. De Zaandamsche reederij zond mede twee schepen op de walrusjacht uit, die ditmaal ook op Spitsbergen kwamen[161]; een Enkhuizer schip, dat door eene tweede Amsterdamsche reederij was uitgerust, was weder door eenige Engelschen, waartoe de kapitein Thomas Bonner zelf behoorde, daarheen geleid. Eindelijk was er nog een schip van Hoorn, dat voor eene Fransche reederij voer. Ditmaal was men ook beter ter walvischvangst toegerust: behielpen de Enkhuizers zich nog met Engelschen, de Amsterdammers hadden zich reeds evenals hunne voorgangers gedaan hadden, van twaalf Baskische harpoeniers voorzien, die, meer ervaren dan de Engelschen, tevens minder de woede van den admiraal der Moscovische Compagnie zouden opwekken. De concurrentie werd dus voor deze vereeniging gevaarlijk; bovendien had de rijke vangst, in 1612 door een Biskaaisch schip op Spitsbergen verkregen, nu ook talrijke schepen van die bekwame walvischvaarders daarheen gelokt[Bijlage IX].
De Engelsche compagnie was van al deze toebereidselen in tijds verwittigd en maakte zich gereed tot veel grooter uitrusting dan het vorige jaar. Voelde men zich misschien in 1612 niet sterk genoeg om tegen de mededingers geweld te gebruiken, dit jaar werden zeven schepen door de Moscovische Compagnie uitgerust en steunende op een koninklijk patent onder het groote zegel van Engeland, werden de vreemde schepen alle aangevallen. Sommige werden verdreven, andere beroofd, enkele in dienst der Engelschen gehouden. De Nederlanders ontvingen van dien aanval ruimschoots hun deel: slechts een der Zaandamsche schepen ontkwam zonder schade[162]. Zoo was de oorlog door de Moscovische Compagnie aan hare mededingers verklaard. Men had nu in Nederland slechts de keus tusschen het opgeven van den handel en het nemen van krachtige maatregelen. Tot het laatste werd dadelijk besloten.
De reeders zelven zagen in, dat men eenig moest zijn om krachtig te kunnen optreden; de beide Amsterdamsche compagniën voor de walvischvangst vereenigden zich dadelijk tot éene compagnie[163] en den 27 Januari 1614 werd in de vergadering der Staten-Generaal gelezen een request van Van Tweenhuysen, Nicquet, Mercys en zes andere kooplieden »met haere Compaignons, als nu te samen vereenicht in eene Compagnie.”[164] De requestranten verzochten daarbij van de Staten-Generaal »Consent ende Octroy omme voor den tydt van thien eerstkomende Jaeren alleene te mogen handelen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beeren-eylant, Groenlandt ende de andere Eylanden die onder de voorszeide limiten souden mogen gevonden worden.” Zij steunden hun verzoek op het feit, »dat sy Supplianten de aldereerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aengevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden gheweest.” Zij meenden dus volgens de begrippen dier tijden recht te hebben om als de eersten, die den handel hadden gedreven, alle andere Nederlanders daarvan uit te sluiten. Toch waren zij er niet eer toe gekomen om de bekrachtiging van dit recht door de Staten-Generaal te vragen, voordat zij door eene harde noodzakelijkheid daartoe gedrongen waren: »Ende alsoo zij supplianten bij experientie beuonden hebben,” dus gaat het request voort, »dat de Engelschen hun soucken te beletten de voorszeide vaerte, poogende hun seluen mette Waepenen Eijgenaers te maecken vande voorszeide Landen, twelck zij supplianten uwe Ho: Mo: Ed: int lange hebben verthoont[165], waervan de questie alsnoch is ongedecideert, sien zij geene apparentie omme alleene ofte int particulier opte voorszeide landen te connen vaeren, door het gewelt vande voorszeide Engelschen, waerdoor de couragie lichtelick benomen soude werden vanden Coopluyden in ’t particulier te ondersoecken eenige nieuwe Landen.” Alleen de zucht der Engelschen om monopolie te verkrijgen had hen genoodzaakt, zelven tot een dergelijk middel om den handel te vestigen de toevlucht te nemen[166]; immers »het soude buyten reden wesen, dat ’t geene sy Supplianten op hare groote excessive kosten gevonden hadden, ende ’t geene sy als noch verhoopten te vinden, by andere de profijten ende vruchten daer van getrocken souden werden, ’t welck sy Supplianten vastelick vertrouwden haere Ho: Mo: meyninge oock niet te zijn.” Toch verklaarden de requestranten zich »tevreden, dat alle Persoonen onder haer Ho: Mo: gebiedt inde voorszeide Compagnie vande eerste aenstaende Equipagie binnen een Maent souden aengenomen werden, ende voor de naevolgende Jaren binnen drie eerst-komende Maenden, door dien sy Supplianten binnen den tijdt van ses Weecken in Zee souden moeten wesen met haere Schepen.” Geen monopolie, alleen samenwerking was het dus, wat de oprichters der compagnie beoogden[167].
De beslissing der Staten-Generaal kon niet twijfelachtig zijn. Daar reeds eenmaal na lange beraadslaging door het verleenen van octrooi aan de Oost-Indische Compagnie[168] van het oud-Nederlandsche systeem van vrijen handel was afgeweken, kon nu ook aan de in geheel dezelfde omstandigheden verkeerende Nederlandsche reeders op de IJszee een gelijke gunst niet geweigerd worden: ook daar dreigde te groote concurrentie bij aanvallen van buitenlandsche vijanden den ontluikenden handel eerlang den doodsteek te zullen geven. Dadelijk besloten dan ook de Staten-Generaal het verzoek der Amsterdammers toe te staan en den supplianten voor het loopende en de twee volgende jaren het octrooi te verleenen. Als waarborg tegen een monopolie stelde de Staten echter uitdrukkelijk de voorwaarde, »dat die geene die dit Jaer inde Compagnie sullen begeren te komen ’t selve sullen moeten doen, ende haer daer op verklaren binnen ses Weecken naer affixie van Billieten, ende binnen vier Maenden die geene die daer inne sullen begeeren ontfangen te werden voor de voorszeide twee naevolgende Jaren. Welverstaende dat die geene die respective inde Compagnie sullen komen niet alleen en sullen profijteren van haer Gelt naer advenant dat sy gheadventueert sullen hebben, maer oock van alsulcke voordere voordeelen alsser sullen mogen geraecken te vallen binnen den voorszeiden tijt, soo wel het bewint vande voorszeide Compagnie ende Equipagie aengaende, als anders.” Op deze voorwaarde »interdiceerden ende verboden de Staten alle ende een yegelijck vande Inghesetenen van dese Landen, van wat conditie ofte qualiteyt die zijn, anders als die vande voorszeide Compagnie Supplianten, binnen dit loopende ende twee daer na volgende Jaeren, uyt dese Vereenichde Nederlanden te handelen ende visschen op de Kusten ende Landen van Nova Sembla, tot Fretum Davidis toe, daer onder begrepen Spitsbergen, Beren-Eylant, Groenlant, ende die andere Landen die onder de voorszeide Landen gevonden souden mogen werden, op de verbeurte van hare Schepen ende Goederen.” Zij »ontboden daer omme ende bevalen wel expresselick allen Gouverneurs, Justicieren, Officieren, Magistraten ende Inwoonders der voorszeide Vereenichde Landen, dat sy de voorszeide Compagnie Supplianten rustelijck ende vredelijck souden laten genieten ende gebruycken ’t volkomen effect van desen Octroye ende consent, cesserende alle contradictien ende empeschementen ter contrarien, want Haere Ho: Mo: ’t selve ten dienste vanden Lande bevonden hadden alsoo te behooren”[169].
Zoo was de vereeniging gegrondvest, die onder den naam van de »Noordsche compagnie”[170] bijna dertig jaren lang zoo goed als alleen de vlag der Nederlanders in de barre poolstreken zou voeren. Het waren natuurlijk meestal personen van meer dan gewone energie en bekwaamheid, die den eersten stoot aan den nieuwen handel gaven. Onder de eerste bewindhebbers vinden wij vooraan gedurende lange jaren het hoofd der Amsterdamsche compagnie, die het eerst de walvischvangst ter hand genomen had, Lambert Van Tweenhuysen, een naam ook onder de eerste reeders op Nieuw-Nederland met eere bekend.[171] Naast hem traden op zijne medebewindhebbers van de Amsterdamsche compagnie, Jacques Niquet en Jacques Mercys en een vierde lid Gilles Dodeur[172]. Hoogstwaarschijnlijk was het de tweede Amsterdamsche compagnie, die als bewindhebber Ysbrandt Dobbesz. zond, een der reeders, die in 1613 door de Engelschen benadeeld waren[173], en naast hem Leonard Rans[174], die spoedig uit de rij der bewindhebbers verdween. Delft, de stad, die na Amsterdam steeds de meeste aandeelen in de Noordsche Compagnie had, benoemde tot bewindhebber Antonie Monier, »Contrerolleur van de Artillerije”, die aanstonds den goeden weg insloeg door zelf in den zomer van 1614 als commissaris-generaal het commando over de Nederlandsche walvischvaarders op zich te nemen[175]; naast hem werden door Delft afgevaardigd Nicasius Kyen, »Commijs van de Vivres”, en Dirck Adriaensz. Leversteyn, twee mannen, die later door de oprichting der kleine Noordsche Compagnie toonden, dat geld en goed hun liever was dan een onbesproken naam, maar die tevens bewezen, dat zij geene inspanning van hunne groote talenten wilden ontzien om dat geld en goed te verkrijgen[176]. Dit waren de eerste bewindhebbers der Noordsche Compagnie[177], maar ook andere personen van naam vinden wij onder de vroegste Nederlandsche walvischvaarders. Daar was vooreerst Samuel Godin, evenals Tweenhuysen een der eerste reeders op Nieuw-Nederland en later patroon van een der koloniën aldaar[178]; ook Symon, de zoon van den Amsterdamschen schout Van der Does, die zich reeds in 1613 op het schip van Bonner naar Spitsbergen waagde[179], en in 1625 bewindhebber der Noordsche Compagnie was[180]; eindelijk Claes Jacobsz. Harencarspel, evenals Godin reeds in 1617 als bewindhebber genoemd[181].
Reeds uit de lijst der bewindhebbers blijkt, dat de »affixie van billieten,” door de Staten-Generaal bedongen, dadelijk groote gevolgen had gehad: vele nieuwe leden hadden zich op verscheidene plaatsen aangemeld en daar de regeering uitdrukkelijk bepaald had, dat hun eene plaats in het bestuur der compagnie zou ingeruimd worden, werd nu de oprichting van verschillende kamers noodzakelijk. Aanvankelijk werden deze, met uitsluiting der Zaanlanders, die toch onder de eerste walvischvangers behoord hadden, gevestigd te Amsterdam, te Delft, te Rotterdam, te Hoorn en te Enkhuizen. Reeds in 1617 werd echter de oprichting van nieuwe kamers noodig door de opneming van twee Vlissingsche compagniën, aan wier hoofd leden van de bekende Zeeuwsche handelshuizen Lampsius en De Moor stonden[182]. Ook nu weder werd aan alle Zeeuwen de gelegenheid geopend hun geld in de walvischvangst te beleggen, en het resultaat dier oproeping was de samenstelling van drie nieuwe kamers der Noordsche Compagnie te Middelburg, Vlissingen en Veere. Pieter Courten, een aanzienlijk Middelburgsch koopman, was de meest in het oog vallende persoon der nieuwe bewindhebbers. De vereeniging der Noordsche Compagnie met de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie in 1622 leidde tot de oprichting van eene tweede kamer te Delft. Deze kamer splitste zich weldra in twee deelen[183], en terwijl de aandeelen van het grootste, 3⁄4 deel weldra verdeeld werden tusschen de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen[184], verlieten de reeders van het overblijvende 1⁄4 deel, de woelige Pieter Van de Graeff, de ondernemende Adriaen Dircksz. Leversteyn en Reyer Van der Burch weldra de Noordsche Compagnie. Hun rustelooze aard dreef hen naar nieuwe bedrijven en hunne aandeelen werden opgekocht door Willem Pedij, bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Delft[185] en door den Enkhuizenschen bewindhebber Jacob Meyn[186]. Eene laatste verandering onderging de inrichting der Noordsche Compagnie in 1636, toen zij zich vereenigde met eene Friesche compagnie, door den ervaren walvischvaarder Wybe Jansz. van Stavoren, naar het schijnt grootendeels met Harlingsche kapitalen, opgericht. Het getal kamers werd nu op nieuw met twee vermeerderd, die zich te Harlingen en te Stavoren vestigden. De Zaanlanders deden in 1640 eene poging om op nieuw deel aan de walvischvangst te krijgen[187], maar eerst na den val der Noordsche Compagnie gelukte hun dit voor goed. Van dien tijd dagteekent eerst de verbazende bloei der Nederlandsche walvischvangst, die zich sedert voornamelijk aan de boorden der Zaan vestigde[188].
De bepaling van het aandeel, dat elke kamer aan de jaarlijksche vangst der Noordsche Compagnie hebben zou, was aanvankelijk zeer eenvoudig: Amsterdam kreeg de helft, terwijl de wederhelft in vier gelijke parten tusschen de overblijvende kamers van Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen verdeeld werd[189]. Maar de herhaalde veranderingen maakten de verhouding weldra zeer ingewikkeld. Toen aan Zeeland 1⁄4 aandeel in de Noordsche Compagnie werd ingeruimd (waarvan Middelburg en Vlissingen elk 15½⁄40, Veere 9⁄40 kreeg[190]) bleef de verdeeling der overschietende 3⁄4 deelen onder de Hollandsche kamers nog evenals vroeger[191], maar de vereeniging met de kleine Noordsche Compagnie baarde meer moeielijkheden. Voor het jaar 1622 werd door de Staten-Generaal eene voorloopige regeling vastgesteld, waarbij aan de Hollandsche kamers 10.000 quarteelen traan in de vangst, die voor dit jaar tot 21.000 quarteelen beperkt moest blijven, werden toegestaan; de Zeeuwsche kamers moesten zich dit jaar met 5000, de kleine Noordsche Compagnie met 6000 quarteelen tevreden houden[192]. Op het einde van het jaar 1622 sloten de partijen echter eene overeenkomst, waarbij ieders aandeel definitief werd vastgesteld[193]. Dat van Zeeland bleef op 1⁄4 bepaald; de Hollandsche kamers stonden aan de kleine Noordsche Compagnie waarschijnlijk slechts 1⁄3 van de geheele vangst af[194]. Daar dit 1⁄3 deel in vier gelijke parten verdeeld werd, waarvan 1⁄4 weder in drie onderdeelen was versnipperd, is het niet te verwonderen, dat de reeders, die elk eene afzonderlijke uitrusting deden en dan ook reeds met de schikking van 4 Februari 1622 niet tevreden geweest waren[195], den moed weldra opgaven. Twee der drie onverdeelde 1⁄4 parten werden door de Vlissingsche kamer overgenomen; het derde werd tusschen Delft, Hoorn en Enkhuizen verdeeld[196]. Pedij, die 7⁄8 van het in drie deelen gesplitste 1⁄4 bekwam, vereenigde zich later met de kamer te Veere[197], Meyn, die het overschietende 1⁄8 kocht, met die te Enkhuizen[198]. De onderlinge verhouding der kamers werd later, o. a. door de overeenkomst van 3 November 1630 nog gewijzigd[199], zoodat in Februari 1636 de verhouding der kamers was als volgt:
quarteelen traan.
Amsterdam 9⁄32 4500
Delft 5⁄32 met 7⁄15 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) 2733 1⁄3
Pedij 7⁄8 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) 437 1⁄2
Meyn 1⁄8 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) 62 1⁄2
Rotterdam 2⁄32 1000
Hoorn, 2⁄32 met 1⁄3 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) 1166 2⁄3
Enkhuizen, 2⁄32 met 1⁄5 van 1⁄32 (van de 2e kamer van Delft) 1100
Middelburg 15½⁄40 van 8⁄32 1550
Vlissingen 15½⁄40 van 8⁄32 met 2⁄32 (van de 2e kamer van Delft) 2550
Veere 9⁄40 van 8⁄32 900
16000 [200]
De opneming der Friezen, die 1⁄9 aandeel in de Noordsche Compagnie kregen, wijzigde deze verhouding niet: alle kamers droegen naar mate van hare krachten tot het den Friezen uit te keeren gedeelte der vangst bij[201]. De verdeeling tusschen de beide Friesche kamers onderling is onbekend, maar het is zeker dat de Harlingsche kamer die te Stavoren in belang verre overtrof.
De kennis van de krachten der verschillende kamers is daarom van belang, omdat men hier onder den schijn alsof het deelen van een geheel waren, werkelijk met bijna geheel zelfstandige lichamen te doen heeft, die dan ook meermalen terecht compagnieën genoemd worden[202]. De verschillende kamers der Noordsche Compagnie hadden hare eigene bewindhebbers, die voor hun leven benoemd werden en wier getal bij ontstentenis van een hunner uit een dubbeltal, door de overige bewindhebbers uit de hoofdparticipanten (aandeelhouders voor minstens ƒ 2000) genomineerd, werd aangevuld door de electie van den magistraat der stad, waar de kamer gevestigd was[203]. Iedere kamer had een afzonderlijk kapitaal[204] en bezorgde dus natuurlijk hare eigene uitrustingen[205]. Het gevolg was, dat ieder hare eigene schepen bezat[206], hare eigene scheepsbevelhebbers aanstelde[207], hare afzonderlijke loge had op het strand der plaatsen, waar de walvischvangst gedreven werd[208], afzonderlijke sloepen voor de walvischvangst[209], afzonderlijke vaten om de vangst te bergen[210]. De schade, door zeeroof of rampen aan een van deze zaken geleden, bleef dan ook voor rekening der kamer, aan wie zij behoorden[211]. In het doen van ontdekkingsreizen was elke kamer geheel vrij[212].
De vrijheid, zoodoende aan ieder op zijn eigen gebied gelaten, kon niet anders dan weldadig werken, maar zij streed ook uit haren aard met het wezen der Noordsche Compagnie als geoctrooieerde vereeniging. De uitsluiting van alle concurrentie, het streven naar centralisatie, dat de compagnie met alle dergelijke lichamen gemeen had, moest reeds eene regeling doen afkeuren, die zooveel zelfstandigheid aan de leden der compagnie verzekerde. En dan had toch ook het versnipperen van de finantiëele krachten der vereeniging bij de groote risico, die de walvischvangst steeds opleverde, hare bedenkelijke zijde. Er werden dan ook herhaaldelijk pogingen gedaan om eene andere regeling te verkrijgen. Reeds in 1616 toonden eenige kamers zich geneigd, de walvischvangst »in eene gemeene rekeninge” te brengen[213], maar het plan stuitte waarschijnlijk af op den onwil van Amsterdam, dat begreep, zoodoende het overwicht, dat het in de compagnie bezat, te zullen verliezen. In 1623 was er op nieuw sprake van, dat eene generale compagnie »onder een gemeene borsse” zou opgericht worden[214], maar ook ditmaal schijnt er niets van gekomen te zijn. Enkele kamers onderling poogden toen de nadeelen, aan de regeling verbonden, door afzonderlijke overeenkomsten uit den weg te ruimen. Zoo sloten Hoorn en Enkhuizen, de »camers van het Noorderquartier”, 11 Maart 1632 een contract, waarbij zij o. a. besloten de uitrustingen voortaan gezamenlijk te bekostigen[215], en ook tusschen Delft en Rotterdam, de »camers van de Maze”, schijnt eene nauwe vereeniging bestaan te hebben[216]. Aan het bezwaar, dat de groote risico aanbood, kwam men mede zooveel mogelijk te gemoet. Reeds in 1617 bij de vereeniging met de Zeeuwen kwam men overeen de schade, door vreemde natiën aan de schepen der Noordsche Compagnie toegebracht, gezamenlijk naar evenredigheid van ieders uitrusting te dragen[217], en bij het bovenvermelde contract van die van het Noorderkwartier werd bepaald, dat ook de schade door zeerampen aan de schepen van een der partijen veroorzaakt, door elk der kamers voor de helft zou bekostigd worden[218].
Maar dergelijke maatregelen alleen zouden niet voldoende geweest zijn. Het was te voorzien, dat tusschen zulke zelfstandige lichamen, die toch door een gemeenschappelijken band vereenigd waren, gedurig twist zou ontstaan en de uitkomst bewees het gegronde dier vrees. De Noordsche Compagnie was dan ook volstrekt niet, wat de Engelschen eene »regulated company” noemen, eene instelling hier te lande trouwens vreemd. Integendeel, reeds de oprichters hadden gezorgd voor een krachtig centraal gezag, dat berusten zou bij de algemeene vergadering. De inrichting dier vergadering was hoogst eenvoudig en op de leest der toenmalige regeeringscolleges geschoeid. Op de beschrijving der presideerende kamer[219] kwamen de bewindhebbers der verschillende kamers of eenigen van hen daartoe afgevaardigd[220], gewoonlijk driemaal ’s jaars te zamen: in het begin van Maart en van Juli en op het einde van October[221]. Het praesidium ging bij beurten rond[222], zoo dat gedurende drie jaren eene der Hollandsche kamers, het vierde jaar eene Zeeuwsche als voorzittende optrad[223]. De plaats der vergadering wisselde op dezelfde wijze af[224]. Men stemde natuurlijk kamersgewijze. Waarschijnlijk had aanvankelijk Amsterdam vier stemmen, terwijl elk der overige kamers zich met éene stem moest tevreden stellen; maar later veranderde de verhouding geheel. Toen Zeeland tot de compagnie toetrad, werd er bepaald, dat van de vijf stemmen gedurende drie jaren de Hollanders vier, de Zeeuwen éene zouden hebben; terwijl het vierde jaar Holland drie, Zeeland twee stemmen mocht uitbrengen[225]. De verdeeling dier stemmen onder de verschillende kamers kan men alleen gissen: waarschijnlijk stemden Delft en Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen, Middelburg en Veere met elkander. De opneming der Friezen bracht eene wijziging in de verhouding: van de negen uit te brengen stemmen werden aan Holland zes, aan Zeeland twee, aan de Friezen slechts éene toegekend[226].
Aan deze vergadering waren de belangen der Noordsche Compagnie toevertrouwd: over de belangrijkste punten werd daar beraadslaagd. In het algemeen bestond de hoofdwerkzaamheid, aan de vergadering opgedragen, in het regelen der jaarlijksche uitrustingen: men besliste hoevele schepen de financiën der compagnie toelieten uit te zenden[227], en bepaalde het getal, dat iedere kamer volgens hare quote daarvan zou mogen uitrusten. Om de nering op te houden en ze niet door te groote concurrentie te benadeelen, oordeelde men het noodig, dat geene kamer schepen uitrusten mocht zonder of tegen het besluit der vergadering[228]. De gezamenlijke kamers bepaalden verder het getal der sloepen, die den walvisch zouden vervolgen; zij beraadslaagden over het huren der harpoeniers[229], stelden de instructie voor de commandeurs der schepen op[230], besloten waar iedere kamer de vangst zou oefenen[231] en beraamden middelen tot afwering van de vijanden der compagnie door het sluiten van admiraalschap of de wapening der schepen[232]. Zulke contracten of reglementen over de uitrusting, die strekken moesten »omme alle Confuijsie te weren ende tot defensie jegens ’t gewelt vande Vreemde Natien”[233], werden aanvankelijk jaarlijks gesloten[234], maar later voor verscheidene jaren tegelijk opgemaakt[235]. In haren walvischvangst zelven waren de kamers vrij[236], maar evenals iedere kamer naar evenredigheid van hare quote moest bijdragen tot alle uitgaven van de generale compagnie[237], zoo werd ook aan ieder van haar, hoeveel ze ook zelve gevangen mocht hebben, slechts een met hare quote evenredig deel van de geheele jaarlijksche vangst toegeleid. In den verkoop van dit deel waren de kamers ook weder gebonden aan de besluiten der algemeene vergadering. Jaarlijks werd er namelijk door haar bepaald, hoeveel de traan dit jaar gelden zou, en den kamers was het streng verboden, beneden de som, alzoo tot het op prijs houden der goederen bepaald, te verkoopen[238].
De algemeene vergadering had de zekerheid, dat hare besluiten zouden worden uitgevoerd: niet alleen verbond de beslissing van de meerderheid der tegenwoordige leden ook de afwezige[239], maar er waren boeten op de overtreding der besluiten gesteld. Het bedrag dier boeten was in het algemeen bepaald op het dubbele der schade, door de overtreding aan de compagnie toegebracht; de goederen der kamers waren voor de voldoening verbonden[240]. Werd het nemen van een besluit door de veelvuldige oneenigheden der kamers en leden onderling[241] verhinderd, dan werd de beslissing, aanvankelijk aan de Staten-Generaal voorbehouden[242], gewoonlijk overgelaten aan de neutrale kamers of leden; zoo allen in het geschil betrokken waren, beslisten drie onpartijdige kooplieden als arbiters[243].
Wij hebben nu de inrichting der Noordsche Compagnie in al hare bizonderheden leeren kennen; wij zullen haar later handelend zien optreden. Hier is het de plaats om den indruk weder te geven, die het optreden der vereeniging op ons gemaakt heeft. Wij willen nagaan, in hoeverre uit de handelingen der vereeniging, uit de stukken van haar uitgegaan, de beginselen blijken, waardoor de bewindhebbers zich lieten leiden. Genoeg reeds bleek uit het eenvoudig verhaal van de inrichting der compagnie om te zeggen, dat haar hoofdbeginsel was de uitsluiting der vrijheid. Zij paste dit beginsel zoowel naar buiten als naar binnen toe, tegenover hare mededingers en tegenover zich zelve.
De bedoeling der Staten-Generaal met het verleenen van een uitsluitend octrooi aan de Noordsche Compagnie was aanvankelijk alleen geweest, de Nederlandsche walvischvangst door vereeniging van alle krachten in staat te stellen om zich tegenover hare mededingers staande te houden[244]. De hoofdreden van haar bestaan was dus het streven tot handhaving van het recht der Nederlanders om zich naast de Engelschen op Spitsbergen te vestigen, en de compagnie begon dan ook natuurlijk met in haar vaan de vrijzinnige leuze »mare liberum” te schrijven[245]. Daar echter, zoolang de walvischvangst onder het land, niet in de volle zee gedreven werd, volgens de bedoeling van den beroemden verdediger dier leuze zelven een beroep daarop hier niets afdeed, werd reeds dadelijk daarnaast op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders gewezen. Misschien werd dit feit aanvankelijk alleen vermeld om indruk te maken op de Engelschen, die hunne uitsluitende rechten op de voorgewende ontdekking van het eiland door hunnen landgenoot Willoughby grondden. Zoodra het echter gebleken was, dat de Engelschen wel niet overtuigd waren, maar toch door de overmacht der Nederlanders voortaan wel gedwongen zouden worden hen op Spitsbergen toe te laten, begon de Noordsche Compagnie een anderen toon aan te slaan. Had zij reeds kort na hare oprichting op grond harer ontdekking van Jan Mayen-eiland de Duinkerkers van dat eiland trachten te weren, op het voorbeeld der Engelschen begon zij zich nu ook op de ontdekking van Spitsbergen te beroepen en zich op hare beurt uitsluitende rechten aan te matigen[246]. De vrijheid der zee geraakte meer en meer op den achtergrond. Weldra heette niet alleen de Mauritius-baai[247], maar zelfs geheel Spitsbergen[248] eene Nederlandsche bezitting. Men achtte eerlang den ondergang der compagnie nabij, zoo vreemden op gelijken voet naast haar in de door Nederlanders bezochte baaien werden toegelaten[249]; zelfs het uitsluitend octrooi werd als argument gebruikt om vreemden uit de walvischvangst te weren[250].
Dat het der compagnie niet gelukte, om alleen tegenover vele vreemde natiën een systeem van uitsluiting vol te houden, dat de Engelschen ook tegenover Nederland alleen hadden moeten opgeven, spreekt wel van zelf. Maar daarom liet zij haar streven niet varen: voortdurend poogde zij ten minste de gevolgen van de vreemde concurrentie zooveel mogelijk af te wenden. Jaren achtereen poogde zij de Staten te bewegen, den invoer van traan en balein uit het buitenland te verbieden of ten minste zoo hoog te belasten »datse hier nijet souden connen marcten.” Op deze wijze hoopte de compagnie de handen ten minste in Nederland zelf vrij te houden; werd de maatregel genomen, dan kon zij zonder vrees voor concurrentie de prijzen van hare goederen voortdurend opdrijven en ze toch spoedig verkoopen. Reeds in 1617 drong de Noordsche Compagnie bij de Staten-Generaal op zulk een verbod aan; het werd toen aanbevolen als retorsiemaatregel tegen de handelingen van vreemde vorsten, die getoond hadden dergelijke uitsluitende beginselen te zijn toegedaan. De uit Rusland ingevoerde traan wilde de Noordsche Compagnie vrijlaten om den handel op dat land niet te benadeelen, maar alle overige traan wenschte zij belast te zien met ƒ 8 per okshoofd[251], de baarden met ƒ 6 de 100 pond. De admiraliteiten van het Noorderkwartier, van de Maas en van Zeeland, wier oordeel gevraagd werd, adviseerden gunstig, maar de zaak stuitte af op den lijdelijken tegenstand van die van Amsterdam[252]. Nieuwe pogingen, door de Noordsche Compagnie in 1636 aangewend om het monopolie van invoer van alle »walvistraenen” (de »moscovitse, robben- en berger leuer-traen” werden ditmaal uitgezonderd) te verkrijgen, stuitten weder af op den onwil van Holland[253]. Toen het dus op deze wijze niet gelukte de concurrentie te vermijden, trachtte men in overleg met de mededingers zelve een dergelijk resultaat te verkrijgen. Van Cracauw, de Nederlandsche resident in Denemarken, deed in November 1638 »op het Belieuen ende approbatie” der Noordsche Compagnie aan Christiaan IV voorstellen, die ten doel hadden, dat de wederzijdsche walvischvaarders elkaar in vangst noch verkoop zouden hinderen. Om het eerste doel te bereiken, zonden beide natiën op afzonderlijke plaatsen met een vooruit bepaald getal schepen visschen; in den verkoop zou men vrij zijn door de aanwijzing van bepaalde rijken, die aan ieder als débouchés voor hare goederen geheel overgelaten zouden worden[254]. De koning was met die voorslagen zeer ingenomen, maar de zaak bleef slepen en toen Z. M. er op terugkwam, was de Noordsche Compagnie op het punt van ontbonden te worden en onder de groote concurrentie reeds bijna bezweken. Het plan bleef dus onuitgevoerd[255].
Maar ook tegen binnenlandsche concurrentie moest de Noordsche Compagnie voortdurend waken. Zij was nu eenmaal van oordeel, dat »de Visscherye van Walvisschen ende andere Zeemonsteren sonder Octroy hier te Lande niet konde werden gheconserveert nochte behouden, maer by vreemde Natien ondergeslagen, ongetwijffelt in andere Landen soude worden ghediverteert.”[256] De Staten-Generaal deelden die meening geheel; zij oordeelden samenwerking tegen de vreemde natiën noodig en zij legden er zich steeds op toe, om alle Nederlandsche walvischvaarders onder éen octrooi te vereenigen. De klachten der Noordsche Compagnie over zijdelingsche inbreuken, op haar octrooi gemaakt door Nederlanders, die zich onder vreemden vlag op Spitsbergen vertoonden, werden dan ook aanstonds door een plakkaat gevolgd, dat alle dergelijke knoeierijen ten strengste verbood (11 Maart 1633)[257],—een plakkaat, dat trouwens zoo slecht gehandhaafd werd, dat de Noordsche Compagnie reeds in 1636 en 1638 op vernieuwing moest aandringen[258], terwijl »de Heeren Bewinthebberen” zelven zich toch konden beroemen, dat zij »altijt hart hadden geweest teegen de Interloopers.”[259] Maar verder wenschte de regeering niet te gaan: hoezeer de compagnie ook aandrong, men zag volstrekt niet in, waarom de voordeelen van het octrooi uitsluitend tot de eerste aandeelhouders beperkt moesten worden. Bij het verleenen der beide eerste octrooien—die van 1614 en 1617—hadden de Staten dan ook de bepaling gemaakt, dat alle Nederlanders, die zich binnen eenen bepaalden tijd aanmeldden, door de Noordsche Compagnie moesten toegelaten worden tot alle voordeelen, die de eerste participanten genoten, het recht op eene bewindhebbersplaats in eene der kamers niet uitgesloten[260]. Maar al werd deze bepaling—zoo aanstootelijk voor de Noordsche Compagnie, die in haren geldnood liever hare uitrustingen besnoeide dan dat zij vreemden in zich opnam[261],—op haar verzoek[262] in de volgende octrooien van 1622 en 1633 niet meer gehandhaafd[263], de aandrang van buiten hield niet op. Steunende op hun recht eischten eerst de Zeeuwen, later de Friezen[264] toelating tot de compagnie; zij moest toegeven en haren vijanden het recht op afzonderlijke kamers en bewindhebbers inruimen[265]. Bevreesd als de geoctrooieerde vereeniging echter voor concurrentie was, trachtte zij van de mededingers na hunne opneming dadelijk bondgenooten te maken[266], en zoodra de regeering ook aan den aandrang der kleine Noordsche Compagnie had toegegeven en haar recht erkend om naast hare oudere zuster op Jan Mayen-eiland te visschen, sloot deze dan ook dadelijk een contract met de gevaarlijke tegenpartij, waarbij men overeenkwam om samen te visschen en den opbrengst der vangst te verdeelen[267],—een contract, dat de Noordsche Compagnie niet belette, zich bij de eerste gelegenheid tegen de verdere toelating harer bondgenooten met hand en tand te verzetten[268].
Er bleef echter in het octrooi zelve der Noordsche Compagnie eene leemte: de Staten-Generaal hadden alleen de visscherij aan de kusten en landen in het noorden verboden, de zee was vrijgebleven. Tegen de binnenlandsche concurrentie, die ook hiervan eerlang gebruik maakte, was de Noordsche Compagnie machteloos. Wel verbood zij haren commandeurs ten strengste, door het oefenen der zeevisscherij de aandacht op de mogelijkheid daarvan te vestigen[269], maar toch, de concurrentie nam toe. De Noordsche Compagnie verzocht toen de Staten-Generaal dringend alle »byvangst” van Nederlanders te weren (1636)[270], maar het baatte niet: de regeering hield het voor overbodig, nu de Nederlanders door de vreemden tot de walvischvangst toegelaten waren, de Noordsche Compagnie ten nadeele van alle andere ingezetenen der Vereenigde Provinciën te blijven beschermen.
Niet alleen de mededinging van buiten af werd door de Noordsche Compagnie geschuwd: zij achtte ook de wrijving, die door de werking der verschillende kamers natuurlijk ontstond, verkeerd en trachtte angstig allen schijn van concurrentie zelfs te vermijden. Een plakkaat, door de Staten-Generaal in 1614 uitgevaardigd, dat als premie voor nieuwe ontdekkingen ook in de IJszee den handel op de nieuw ontdekte plaatsen aan de ontdekkers bij uitsluiting van alle anderen gunde, dreigde steeds mededingers te voorschijn te roepen, ja het optreden der kleine Noordsche Compagnie was alleen daaraan te wijten geweest. De Noordsche Compagnie bepaalde daarom, dat al hare leden of kamers—van dezen toch ging de meeste concurrentie uit,—zoo zij nieuwe landen in het noorden ontdekten, die voortaan »op eere, trouwe ende vromicheyt” aan de generale compagnie zouden moeten opgeven, opdat ze ten gemeenen bate zouden kunnen geëxploiteerd worden[271]. Nog meer: de Amsterdammers verklaarden eenmaal, dat het getal der kamers reeds te groot was om de walvischvangst behoorlijk te drijven[272]; de andere kamers, rilden op het denkbeeld, dat de band, die ze omsloot, losser gemaakt zou kunnen worden, en had de heerschzucht van Amsterdam, die zelfstandigheid wenschelijk maakte, het niet belet, men zou tot de vereeniging van alle kapitalen »onder een gemeene borsse” overgegaan zijn[273]. Zoover kwam het wel niet, maar toch maakte men het onmogelijk, dat zelfs een begin van concurrentie zich openbaarde. Zich beroepende op de bedoeling der Staten-Generaal, die de Noordsche Compagnie opgericht hadden om »meerder ordre ende eenicheyt” in de walvischvangst te brengen[274], had de vereeniging er zich dadelijk op toegelegd, om alles zooveel doenlijk te reglementeeren. Men hield het voor onmogelijk zonder »een behoorlyck ende voorsichtich reglement” de walvischvangst anders dan met »confusie ende disordren” te oefenen; ja men vreesde, dat de geheele nering dan »teenemael infructueux” zou worden[275]. Deze reglementen betroffen voornamelijk twee nauwsamenhangende zaken: de sterkte der uitrustingen en de prijs der traan. De Noordsche Compagnie had met de beide andere geoctrooieerde Nederlandsche compagniën der zeventiende eeuw het beginsel gemeen, dat het beter was weinig te vangen en duur te verkoopen dan veel af te leveren tegen goedkoope prijzen. Het was dit beginsel, door de compagnie streng doorgedreven, dat haar noodzaakte alles te reglementeeren. Zij erkende volmondig, dat het haar streven was zoo weinig schepen in zee te zenden als met behoud van winst mogelijk was, »omme de negotie in goede reputatie te houden”;[276] zij meende, dat bij groote uitrustingen de prijs van de traan zou dalen en de compagnie »sich sou consumeeren[277].” Wilde men dit voorkomen, dan behoorde de concurrentie ook tusschen de kamers onderling uitgesloten te worden; men begreep, dat sommigen het voordeeliger zouden oordeelen hunne goederen spoedig te verkoopen, al was het tegen iets lagere prijzen dan de anderen, dan om de dure waar misschien maandenlang in de pakhuizen te behouden. Daarvoor moest gewaakt worden: de compagnie besloot, jaarlijks met gemeen overleg naar gelang der omstandigheden de prijs van de traan vast te stellen en de kamers onder eede te doen beloven, de haar toebedeelde quarteelen niet onder die bepaalde prijs aan de markt te brengen[278]. Om ontduiking te voorkomen verbood men tevens het verkoopen van traan in de IJszee zelve en het direct invoeren daarvan in vreemde landen[279]: vóor alles moest de waar in Nederland opgelegd en de prijs bepaald worden.
»Den welstandt der Compaignie,” zoo spraken de bewindhebbers nog in 1636, »kan eene uijtbreijdinge niett lijden, maer moett gaen cleijn ende op menage, want hett ghewis is, hoe grootter equipage hoe meerder schade, want equipeert men sterck, ende vanght men weijnich, soo valt maer schade, vanght men veel mett grootte equipage, soo valt den vangst costelycken, ende wortt den prijs door de veelheijtt mede onder den voett gesmeten. Soo datt men mett vollen vangst oock well schade doen kan. Om proffijt te doen, soo moetmen mett menage equiperen ende vangen naer aduenant gheconsumeertt kan worden, ende mett de minste kosten sien hett meeste te vanghen, ende int beneficeren vanden traen soo moetten de leden den anderen verstaen[280].” Dit systeem was volgens de Noordsche Compagnie het ideaal van een verstandig beleid: tot haar einde toe volhardde zij daarbij. Reeds in 1616 was haar hoofdgrief tegen de kleine Noordsche Compagnie, dat zij de markt voor hare goederen bedierf[281], en nog twintig jaren later, toen eenige Hollandsche steden deel aan het octrooi wenschten te krijgen, verklaarden die van Amsterdam, dat de nieuwe leden »soo eenen anderen cours wertt ghesett” dan de tot nu toe gevolgde, niet alleen »haer lieden te spade daer ouer souden beclaghen,” maar dat de geheele compagnie eerlang »sou comen in een volcomen verderff ende ruine.”[282]
Wij hebben gezien, dat de Noordsche Compagnie, opgericht om de vrijheid van vaart en visscherij te helpen bevorderen, weldra ontaardde in een lichaam, dat alle gebreken van eene geoctrooieerde maatschappij in hooge mate in zich vereenigde. Ongetwijfeld lag het in den aard van het monopolie, dat deze richting zich allengs openbaarde, en het is den bewindhebbers te vergeven, dat zij, gesteund door participanten, die—minder lastig dan de aandeelhouders der Oost-Indische Compagnie—reeds tevreden waren, wanneer de uitdeelingen goed uitvielen en zich verder met de beginselen van de leiders der vereeniging niet bemoeiden[283], dien weg meer en meer bewandelden. Waren echter de Staten-Generaal, beroemd om hunne voor dien tijd verlichte inzichten, geneigd om zich door eene betrekkelijk kleine compagnie als de Noordsche meer en meer te laten medeslepen op den weg van bescherming en monopolie, ook toen de noodzakelijkheid daartoe weldra was opgehouden? Waren zij, die het toezicht over de handelingen der door hen geschapene compagnie oefenden, medeschuldig aan de richting dier handelingen? Laat ons ten slotte onderzoeken, in hoeverre de regeering de Noordsche Compagnie in haar egoistisch streven steunde.
In de eerste plaats komt natuurlijk bij het bespreken der hulp, van staatswege aan de Noordsche Compagnie verstrekt, het octrooi zelf in aanmerking. Wij hebben reeds opgemerkt, dat de Staten-Generaal slechts daarom eenheid onder de Nederlandsche walvischvaarders wilden, omdat zij het onmogelijk achtten op andere wijze den Engelschen ontzag in te boezemen, en dat zij het octrooi eerst verleenden, toen de Engelschen zelven door gewelddadig optreden het sein daartoe gegeven hadden. Het komt mij dan ook voor, dat de veroordeeling, door De la Court—en na hem door bijna alle schrijvers—over het beleid der Staten-Generaal in deze zaak uitgesproken, onverdiend is. De beroemde vijand van alle bescherming verklaart, dat de oprichting der Noordsche Compagnie »quaalik gedaan was,” omdat de walvischvangst na de opheffing van het octrooi sterk is toegenomen; »dog met het opregten der Geoctroyeerde Compagnien op Oost- en West-indien,” dus vervolgt hij, »was het een geheele andere saak: want het een noodsakelik quaad heeft schijnen te weesen, om datmen wilde handelen in ende omtrent soodaanige Landen, daar onse vyanden voor particulieren te sterk souden sijn geweest; sulks in alle manieren schijnd dienstig geweest te zijn, dien handel door een kragtig gewaapende hand te fondeeren; en dat vermits dit Land met den oorloge teegen den Koninge van Spanjen worstelende, alle sijne kragten noodig had, het seer voorsigtelik is geweest, die Geoctroyeerde Compagnien op te regten[284].” Uit het door De la Court zelven later aangevoerde[285] blijkt voldoende, dat men bij de oprichting der Noordsche Compagnie volkomen in hetzelfde geval was als bij de Oost- en West-Indische Compagniën[286], en had men ook bij deze vereenigingen eene proef met de opheffing genomen, de uitkomst zou ongetwijfeld evenzeer ten nadeele der octrooien zijn uitgevallen als het in 1642 met de Noordsche Compagnie het geval was. De woorden van De la Court zelven over de Oost- en West-Indische Compagniën bevatten dus de beste rechtvaardiging van het beleid der Staten-Generaal met betrekking tot de Noordsche.
Den inhoud van het octrooi deelde ik reeds boven mede. Het was den 27 Januari 1614 voor drie jaren verleend[287] en werd den 1 April 1615 voor nog een jaar verlengd[288]: met het jaar 1618 zou dus de visscherij weder openvallen. Maar reeds 24 Januari 1617 was het octrooi der Noordsche Compagnie, nu vereenigd met die van Zeeland, op nieuw verlengd, ditmaal voor vier jaren[289]: de eenige merkwaardige bepaling was, dat de regeering—gewaarschuwd door de geschillen der Noordsche Compagnie met de kleine Noordsche en met de Zeeuwen—zich de beslissing in twisten tusschen de leden der compagnie voorbehield[290]. Met het jaar 1621 eindigde echter ook dit octrooi en de Noordsche Compagnie drong op vernieuwing aan[291]. Maar onderwijl was er onder de Nederlandsche walvischvaarders een twist ontstaan, die zelfs door bemiddeling der Staten-Generaal niet bijgelegd kon worden. En daar alleen samenwerking van allen tegen den gemeenschappelijken vijand het doel der Staten met het verleenen van het octrooi der vereeniging geweest was, scheen het werkelijk de vraag of het vernieuwd zou worden. De Staten-Generaal, wien het onmogelijk was de twistenden te vereenigen, namen een voorloopigen maatregel en gaven aan beide partijen den 4 Februari 1622 verlof om voor dat jaar op zekere voorwaarden en met eene regeling, die ze dwong elkaar niet te hinderen, de walvischvangst gezamenlijk te oefenen[292]. De regeering oordeelde het nog steeds noodig, de Nederlandsche walvischvaarders als een vast aaneengesloten macht tegenover de Engelschen te stellen, en spaarde daarom geene pogingen om hen nog tot eenheid te brengen. De regeling van 1622 voldeed geheel aan hare verwachting: den 20 December 1622 werd in de statenvergadering een request voorgelezen van de drie Nederlandsche compagniën voor de walvischvangst, die »nu tsamen vereenicht” waren. Zij verzochten een nieuw octrooi, dat hun nu reeds twee dagen later voor twaalf jaren verleend werd[293].
Het schijnt mij zeer twijfelachtig, of de Staten-Generaal ditmaal niet den goeden weg verlieten en overgingen tot bescherming, waar de omstandigheden zulk eenen voor het publiek belang schadelijken maatregel niet wettigden. Het gevaar toch voor buitenlandsche aanvallen was grootendeels geweken. Engeland deed in 1623 en 1624 nog wel pogingen om zijne uitsluitende pretensiën te handhaven, maar het had de macht niet om zijnen wil door te zetten. Denemarken, dat eerst in 1623 met de Nederlanders ernstig in conflict kwam, had nooit den ernstigen wil hen van Spitsbergen te verdrijven. Toch liet zich misschien het nieuwe octrooi als voorzorgsmaatregel wel verdedigen, maar zeker onverdedigbaar was het, dat de Staten tegelijkertijd een grooten stap op den weg der bescherming vooruit deden. Het octrooi van 1622 verschilde in vier punten met de vroegere, en het verschil was steeds ten nadeele der vrijheid. Reeds in de voorgaande bladzijden merkten wij op, dat ditmaal voor het eerst niet als vroeger aan nieuwe participanten gelegenheid werd gegeven om tot de Noordsche Compagnie toe te treden: de bescherming aan de vereeniging verleend ontaardde dus in eene bescherming van bepaalde personen. En wat de zaak nog erger maakte was, dat de voordeelen van het octrooi nu niet meer voor drie of vier jaren, maar voor den langen tijd van twaalf jaren aan dezelfde participanten gegund werden, terwijl de straf op inbreuken van het octrooi—vroeger alleen in verbeurdverklaring van schip en goed bestaande—nu met eene boete van ƒ 6000 voor elk schip verzwaard werd. Een laatste verschil met de vroegere octrooien was, dat in 1622—waarschijnlijk om »lorrendrayeriën” met kracht en zekerheid te weren—de bepaling gemaakt werd, dat niet alleen handel en visscherij, maar zelfs de vaart op Spitsbergen niet vrij meer zou zijn. Zelden kwam het zeker voor, dat een Nederlandsch schip, dat zich niet op de visscherij wilde toeleggen, naar het verafgelegene eiland kwam, maar de omstandigheid, dat het »havenen” aan deze eenige rustplaats in de IJszee tot 1642 niet geoorloofd was, kan toch niet anders dan ongunstig op de ontdekkingsreizen in het noorden gewerkt hebben[294].
Het monopoliestelsel won nu blijkbaar allengs in kracht: het octrooi, dat eerst met het einde van 1634 vervallen zou, werd reeds 25 October 1633 op geheel dezelfde voorwaarden als in 1622 zonder eenige moeielijkheid voor niet minder dan acht jaren vernieuwd[295]. Eerst toen dit octrooi met het einde van 1642 afgeloopen was, toen de Engelschen sinds achttien jaren geene vijandelijkheden meer gepleegd hadden en ook de Denen, al was het met leedwezen, in de vrije visscherij der Nederlanders uitdrukkelijk bewilligd hadden, zagen de Staten het verkeerde van hunne handelwijze in[296]. De aandrang van alle landprovinciën, die aandeel aan het octrooi wilden hebben, en die dus de moeielijkheid eener goede regeling bizonder verzwaarden, zal het hare daartoe bijgebracht hebben: hoe het zij, het octrooi werd in 1642 niet meer vernieuwd[297].
Nauw hing met het verleenen van octrooi samen het zorgen voor een behoorlijk geleide van de vloten der Noordsche Compagnie. Jaarlijks van den aanvang af verzocht de compagnie van de Staten-Generaal eenige oorlogschepen ter harer bescherming tegen Engelschen en andere vijanden; jaarlijks werd het verzoek aanvankelijk toegestaan. En terecht: hetzelfde motief, dat de regeering tot het verleenen van een octrooi gedreven had, moest haar ook bewegen tot het ondersteunen der compagnie met konvooischepen, zoolang zij zelve niet in staat was in hare verdediging te voorzien. Voornamelijk daaraan was het dan ook te danken, dat de Engelschen de walvischvaarders in de drie eerste jaren na de oprichting der Noordsche Compagnie met rust lieten. Maar toen begonnen de Staten ook te bedenken, dat juist om aan de Engelschen krachtigen weerstand te bieden, de compagnie was opgericht, en zij vermaanden haar dus om, nu betere tijden schenen te zijn aangebroken, zelve »wel ende sterck te equiperen ende uyt te varen opte Visscherije, dat sy die soude kunnen mainteneren jegens alle beletselen[298].” De aanval, door de Engelschen dien zomer (1617) op drie Zeeuwsche schepen aan Spitsbergen gedaan, de onaangenaamheden tusschen beide natiën in 1618 bewezen echter voldoende, dat de positie der Noordsche Compagnie op Spitsbergen voorloopig nog zeer gevaarlijk bleef en de konvooischepen werden tot 1620 toe zonder bezwaar toegestaan. In 1621 echter gaf de provincie Holland, de jaarlijksche uitgaven voor de Noordsche Compagnie moede, den verstandigen raad om, voordat men op nieuw tot het toestaan der konvooischepen overging, te onderzoeken of het algemeen belang door de walvischvangst voldoende gebaat werd om de gedurige uitgaven te wettigen[299]. De raad werd opgevolgd en het onderzoek schijnt een voor de Noordsche Compagnie ongunstig resultaat opgeleverd te hebben: althans juist dit jaar voor het eerst sinds hare oprichting werd het konvooi geweigerd, hoewel er geruchten in omloop waren, die van zware uitrustingen der Engelschen tegen de walvischvaarders spraken[300]. Sedert werd van het toestaan der konvooischepen door de Staten-Generaal geen vaste regel meer gemaakt; slechts wanneer bizondere omstandigheden het wenschelijk deden voorkomen, werd de walvischvloot door oorlogschepen begeleid. De Engelschen zagen weldra voor goed van eene aanvallende houding af; tegen de Denen kon de Noordsche Compagnie zich zelve handhaven en konvooischepen werden dus meer en meer eene zeldzaamheid. Toch vinden wij ze nog in 1639[301] en zelfs na den val der compagnie in 1652 genoemd[302].
Aan het hoofd van het konvooi werd door de Staten-Generaal steeds een Commandeur-generaal geplaatst, die, bijgestaan door een raad uit de andere kapiteins der konvooischepen (als Vice-Admiraal en Schout-bij-Nacht) en zoo mogelijk ook uit de schippers van de schepen der compagnie, over alle zaken van belang besliste. Alles wat op de verdediging der schepen betrekking had, was uitsluitend aan dezen raad overgelaten, en de afscheiding tusschen krijgs- en handelszaken was zoo scherp, dat het aan de bemanning van het konvooi, die natuurlijk aan Spitsbergen meestal zonder werk was, verboden was den walvischvaarders in hun bedrijf de behulpzame hand te bieden anders dan tegen betaling[303]. Ter vergoeding van de kosten, door de Staten-Generaal voor het konvooi gemaakt, werd verder van de Noordsche Compagnie een vast »lastgelt” geheven, dat bestond in 11⁄2% inkomend recht van de ingevoerde goederen[304]. Dat dit voor de regeering eene niet geheel te verwerpen bron van inkomsten was, blijkt uit het feit, dat in 1632 voor éen beladen walvischvaarder aan inkomend recht werd betaald ƒ 231—12 st. voor de traan, ƒ 189—12 st. voor de baarden[305].
Wij zagen dus, dat het verleenen van octrooi en het toestaan van konvooischepen—maatregelen van geheel gelijke strekking—volkomen gerechtvaardigd waren door den drang der omstandigheden; wij hadden echter tevens gelegenheid op te merken, dat de Staten-Generaal bij het eerste middel, weinig lettende op de eischen van het oogenblik, te lang voortgingen met hunne beschermende hand over de kooplieden uit te strekken, eene fout, die zij bij het tweede middel gelukkig wisten te vermijden. De hulp, voor het overige door de Staten-Generaal aan de compagnie verstrekt, draagt evenals de reeds besprokene over het geheel den stempel hunner vrijzinnige regeeringsbeginselen. Zij verleenden aan de compagnie allen noodzakelijken steun, maar zij handhaafden tevens vooral in den beginne ook tegenover de compagnie zelve het beginsel van gelijke rechten voor alle natiën, dat tot de oprichting eener geoctrooieerde vereeniging had geleid. Zoo bevalen zij den bevelhebbers van het konvooi ten strengste, alle aanvallen van vreemden op de schepen der compagnie te keer te gaan, maar om ook van hunne zijde alle vreemde walvischvaarders tot de visscherij toe te laten[306]; zoo weigerden zij standvastig de compagnie te volgen op den weg der bescherming door den invoer van traan en baarden van buitenslands te verbieden[307] en zoo werd ook de zeevisscherij van Nederlandsche »byvaerders” nooit door hen geweerd[308]. Van den anderen kant poogde de regeering de compagnie tegen inbreuken op haar octrooi langs slinksche wegen te beschermen door het plakkaat van 11 Maart 1633[309]. Zij maakte dadelijk een einde aan den windhandel in traan en baarden, die in de laatste jaren der compagnie een noodlottigen invloed dreigde te hebben. Een mandement van prins Frederik Hendrik ontsloeg de contractanten in zulke zaken van de levering, en hoewel men laag neerzag op dengene, die zich, zooals men zeide, »met Prins Frederik Hendrik behielp,” waren de nadeelige gevolgen van den windhandel door den maatregel natuurlijk voorkomen[310]. Ook John Osborne, een Engelschman, die door eene op aansporing van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie gedane uitvinding veel bijgedragen had tot het rijzen van den prijs van het balein, werd dadelijk door de Staten-Generaal met een octrooi voor tien jaren begiftigd[311].
Al deze handelingen, die mij toeschijnen den toets der kritiek zegevierend te kunnen doorstaan, getuigen van het loffelijk streven der Staten-Generaal, om de door hen in het leven geroepene compagnie zooveel mogelijk te helpen en aan den anderen kant toch niet de eischen te vergeten, die eene vrijzinnige staatkunde hun deed. Het was echter reeds vooraf te vreezen, dat de regeering, dus geslingerd tusschen de begeerte om eene uit haren aard uitsluitende vereeniging van onderdanen voort te helpen en den wensch om liberaal te blijven ook tegenover vreemden, niet altijd het rechte pad zou blijven bewandelen, maar dat zij dikwijls zou afwijken. En werkelijk gebeurde het zoo! Het toezicht, door de Staten aanvankelijk op de daden der compagnie gehouden, om haar te noodzaken de beginselen van uitsluiting, die zij aankleefde, ten minste niet tegenover vreemde natiën in praktijk te brengen[312], verflauwde langzamerhand en hield weldra geheel op. En toen de Noordsche Compagnie eenmaal de bezwaren van haren toestand te boven gekomen was en dus, terwijl zij den steun der Staten-Generaal geheel missen kon, hun toezicht en hunne waarschuwende stem meer dan ooit behoefde, gaf de regeering door het verlengen van het octrooi juist het eerste blijk van hare veranderde gezindheid. Maar het was niet het laatste! De Staten-Generaal namen in de geschillen der Noordsche Compagnie met Denemarken steeds, en soms ten onrechte, de partij hunner onderzaten, en toen in 1632 en 1633 de Franschen door de schepen der compagnie uit de Robbenbaai verdreven waren, namen de zoo vrijzinnig geprezene Staten tegenover de klachten der verongelijkten eene houding aan, die overtuigend bewees, dat ook zij zich soms door partijdigheid van het rechte pad lieten brengen[313].