Note 256 — HOOFDSTUK II. DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Gr. Placaetboeck. I p. 679 cf. p. 675.
[257] Zie het plakkaat in: Gr. Placaetb. I p. 680, 81.—cf. R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.—R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.—De N. C. zelve had reeds in 1617 haren bewindhebbers op verbeurte van hun aandeel, de betrekking van bewindhebber en eene boete van ƒ 1000 verboden, aandeelen in buitenlandsche compagniën voor de walvischvangst te hebben. (Contr. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Deze maatregel werd in 1636 tot alle aandeelhouders uitgestrekt. (Contr. met de Friezen, bij: Aitzema, Saken van Staet. II p. 360.)
[258] Versl. der confer. met de N. C. (1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.—R. S.-G. 2 Nov. 1638.—Dat de klachten der compagnie niet ongegrond waren, schijnt zeker. (Aitzema, Saken van Staet. II p. 442.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 26 Juni 1637, in: L. D. 1637.—De Stn.-Gen. gaven in den laatsten brief als reden van de slechte handhaving van het plakkaat hunne vriendschap (?) voor Denemarken op.)
[259] Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[260] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 96.—Gr. Placaetb. I p. 670, 73.
[261] Miss. der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616, in: Archief Zeeland.
[262] N. Z. 22 Febr. 1622.
[263] Gr. Placaetb. I p. 676, 80.
[264] Het maakt een goeden indruk, dat de Friezen zich beter voorstanders der vrijheid betoonden dan de N. C. Zij wenschten vrije vaart op Spitsbergen (R. S.-G. 13 Nov. 1632.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412), zij wilden nieuwe participanten toelaten (Aitzema, l. c. II p. 413), zij wilden andere Nederlanders niet van de visscherij uitsluiten. (Aitzema, l. c. II p. 413.) Ik moet echter bekennen, dat ook de N. C., toen zij nog niet de overhand had behouden, vrijzinnige beginselen voorstond, en dat in het contract der Friezen met de compagnie niets van vrijzinnigheid blijkt. De Friezen waren echter in geene positie om de wet te stellen en zijn dus misschien door de machtige N. C. overstemd.
[265] Dien van Utrecht gelukte de toeleg echter niet. (R. S.-G. 22 Dec. 1622.)
[266] In 1636 kwam de N. C. eerst met de Hollandsche steden, die deel aan het octrooi wilden hebben, overeen, gezamenlijk de Friezen te weren (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.), en toen de conditiën der Hollanders onaannemelijk bleken, sloot zij weinige maanden later een contract met de Friezen om de Hollanders te weren. (Contr. met de Friezen dd. 25 Juli 1636, art. 5-7, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.) Geheel op gelijke wijze schijnt de N. C. reeds in het najaar van 1621 met de kleine N. C. en de Zeeuwsche walvischvaarders gehandeld te hebben. (Zie hierna Hoofdst. IX.)
[267] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.
[268] Zie hierna Hfdst. IX.