Note 150 — HOOFDSTUK II. DE NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
In deze eerste jaren waren de Engelschen gewoon, behalve op walrussen en robben ook op zoogenaamde witvisschen (witte walvisschen) jacht te maken. Men ving ze met groote netten van kabeltouw als zegens. Zij namen weldra de wijk naar diepere wateren. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 206.) De Nederlanders hadden reeds in 1613 ontdekt, dat die vangst geen voordeel gaf, en hielden zich er nooit mede bezig. (Hist. de Spitsberghe. p. 19.)
[151] De verhalen over de handelwijze der bemanning van het schip van Hull bij deze gelegenheid zijn zeer verschillend. Terwijl Jonas Poole met groote heftigheid zijne oude concurrenten van eene schandelijke handelwijze beschuldigt, neemt de onpartijdige Purchas mede een verhaal van Pooles broeder Randolph op, waarin die van Hull zeer geprezen worden. (Purchas, Pilgrimes. III p. 712, 13.) Het is onmogelijk hier te beslissen: in ieder geval is dit echter eene merkwaardige bijdrage ter beoordeeling van de groote animositeit tusschen monopolisten en „interlopers” in dien tijd.
[152] Zie het verhaal van de drie eerste reizen der Engelschen naar Spitsbergen door Poole zelven bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 699-707, 711-13, 713-15.