← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 182 — HOOFDSTUK II. DE NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

De namen der eerste Zeeuwsche reeders zijn: Jan Lampsius, Jan Gyseling, Adriaen Adriaensz. Ketelaer, Cornelis Claesz. Cees, Adam Cornelisz. en Jan De Moor; Arnoud Loncke, Johan Van Dort, Gelein Pietersz., Adriaen Stevensz., Jan Willemsz., Jan Thysz., Jacob Been, allen van Vlissingen. (Sent. v. de H.R. in zake de N. C. c. Lampsius c. s. dd. 13 Apr. 1617,—in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.—Getuigenis v. Jan Verelle, Cornelis De Cock en Pierre Gasteloser c. s., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[183] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.

[184] Juist deze vier kamers werden in 1624 tot vereffening der geschillen met de Engelschen van 1618 opgeroepen. (R. S.-G. 21 Mrt. 1625.) Daar ook de kleine N. C. daarbij geïnteresseerd schijnt geweest te zijn (R. S.-G. 5 Jan. 1621), is het niet onmogelijk, dat de liquidatie dezer vereeniging met de Engelsche quaestie in verband gestaan heeft. Het verband is mij echter volkomen duister.

[185] Ik geef dit laatste voor eene gissing. Uit het opschrift van het proces-verbaal van 1 Dec. 1631 (Bijl. D v. h. request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) zou men kunnen opmaken, dat de zelfstandige positie van Pedij en Meyn ontstaan was door de overname van een deel der aandeelen van de kamer van Delft.

[186] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 361) noemt dezen „Meim.” Het verslag der conferentiën met de N. C. van den Hrl. gedeput. (R.-A.) geeft beide lezingen. Ik kies de lezing „Meyn” omdat Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 315, 318) drie personen van den naam „Meyn” onder de directeurs en commandeurs der walvischvangst noemt.

[187] R. S.-G. 3 Apr. 1640.

[188] Tegenw. Staat. I p. 610.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 231.—Die van Jisp waren volgens de overlevering de eerste zeevisschers. De Zaandammers zonden in 1644 drie schepen; de eerste Rijper walvischvaarder zeilde in 1645 uit. (Dooregeest, Ryper zee-postil. p. 352, 53.) Het belang der Zaansche walvischvangst blijkt wel uit het feit, dat in 1695 van de directeurs der walvischvangst 3 waren uit Amsterdam, 1 uit Rotterdam en 1 uit Hoorn, terwijl Zaandam, Jisp, Zaandijk en De Rijp elk 1 directeur zonden. (Dooregeest, l. c. p. 360.) In 1728 was die verhouding nog onveranderd, alleen zond Amsterdam toen 2 in plaats van 3 directeurs. (Zorgdrager, Groenl. vissch. Opdragt.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings