← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

Wij hebben in het vorige hoofdstuk gezien, hoe de Noordsche Compagnie ingericht was en welke beginselen zij aankleefde; wij zullen nu trachten te schetsen, hoe die zonderling ingerichte vereeniging deze bekrompene beginselen bij haar bedrijf in toepassing bracht. Het laat zich vooruitzien, dat wij hier geen tafereel zullen kunnen ophangen van den weldadigen invloed, van het leven en de drukte, van de verbeteringen en bezuinigingen, die de vrije concurrentie aanbrengt; maar toch blijft het schouwspel aantrekkelijk genoeg. Het is belangwekkend, die kooplieden, die eenvoudige zeelieden der zeventiende eeuw zich te zien inspannen om een nieuw bedrijf te grondvesten; het is een tooneel, dat onze bewondering opwekt, te zien, hoe die onervaren mannen, van alle kanten besprongen en met den ondergang bedreigd, weldra den palm der overwinning wegdragen en al hunne mededingers in dat nog zoo kort geleden hun onbekende bedrijf overtreffen,—hoe zij, de bewoners van een spanne gronds, de barre en bijna ongekende kusten der IJszee met een drukte en gewoel vervullen, die nog na verloop van eeuwen algemeene belangstelling wekken.

Ten einde een duidelijk overzicht van de werking der Noordsche Compagnie te verkrijgen, doen wij het best haar in haar bedrijf te volgen: zij zelve wijst ons den weg, dien wij bij ons verhaal moeten gaan. Wij vinden haar reeds dadelijk bezig met het gereedmaken der walvischvloot. Zoodra de algemeene vergadering in het begin van Maart het getal schepen bepaald had, dat dit jaar naar het noorden zou zeilen, zetten de kamers zich ijverig aan het werk om de schepen, die elk volgens hare quote leveren mocht[314], voor de reis uit te rusten. Het eerst kwam het er op aan een geschikt schip te vinden. De dubbele bemanning, die men steeds meevoeren moest, vooral de ruime vangst, maakte het wenschelijk vrij groote schepen voor de walvischvangst te gebruiken. Maar in die dagen, toen men het ijs nauwelijks zag, was het gevaar, waaraan de vaartuigen blootstonden, daarentegen uiterst gering, en men koos dan ook meestal oude schepen, die voor eene verre reis niet meer deugden[315]. Waren voor de zeevisscherij kleine schepen voldoende[316], kapitale schepen van 2 tot 500 ton[317], met eene bemanning van 80 à 90 man[318] werden voor de visscherij in de baaien, die voor de compagnie altijd hoofdzaak bleef, gekozen[319].

Eenmaal in het bezit van een geschikt schip, had men zich bezig te houden met de uitrusting, die zeer omslachtig was. De inrichting der compagnie zal er het hare toe bijgedragen hebben om de uitgaven te vermeerderen en om niet altijd dáar te doen besparen, waar het wenschelijk en noodig scheen. Hoe dit zij, men klaagde over groote kosten[320]. En geen wonder! Bij een groot schip behoorden toch niet alleen 4 à 6 sloepen, ruim genoeg om behalve den harpoenier en zijne gereedschappen eenen stuurman en vier roeiers te kunnen bevatten[321]; maar ook verschillende gereedschappen voor de walvischvangst, vaten of quarteelen om de gemaakte traan te bergen, of ten minste duigen, waaruit de kuiper ze timmeren kon, walvischlijnen van 200 vadem het stuk[322], voorgangers (kleine lijnen, die aan den harpoen bevestigd waren), harpoenen en lenzen om walvisschen en walrussen te vangen en te dooden moest men jaarlijks medevoeren. Want al liet men jaarlijks veel in het noorden achter voor het volgende jaar, steeds was er nieuw gereedschap noodig[323]. Daarbij kwamen de kosten tot wapening der schepen. Wel gingen er in de jaren, dat de strijd met buitenlanders het levendigst was, meestal konvooischepen mede naar het noorden, maar men wilde toch niet geheel onvoorbereid uitgaan. Reeds in 1614 voorzag de Noordsche Compagnie hare schepen dan ook van geschut en ammunitie[324], en toen de regeering de compagnie in 1617 had uitgenoodigd, zelve hare verdediging krachtig te bevorderen[325], besloot men, dat elk schip ten minste 8 ijzeren gotelingen zou moeten voeren om zich te kunnen verdedigen tegen mogelijke aanvallen[326]. Tot haren val toe volhardde de compagnie bij dezen voorzorgsmaatregel[327], en toen de tijden verbeterden had zij geene konvooischepen meer noodig om zich te handhaven[328].

Maar wanneer de walvischvaarders geheel opgetuigd en van het noodige voorzien waren, bleef nog het moeielijkste gedeelte van de taak der reederij over: de bemanning moest gehuurd worden. In de tijden der compagnie, toen, zooals wij reeds zeiden, een schip, dat meer dan 80 man voerde, geene zeldzaamheid was, ofschoon men er ook van 70, enkelen van 60 vond[329], was niet alleen het vinden van bekwame, maar ook van genoeg manschappen eene zaak van belang. Het was van het uiterste gewicht, dat er niemand te kort schoot: ieder had in de visscherij zijne aangewezene plaats. De bemanning werd in twee afdeelingen verdeeld: de eerste, de eigenlijke scheepsgezellen en visschers, hield zich bijna alleen met de vischvangst zelve in de sloepen bezig; de overige personen, die door de Engelschen »land-men” genoemd werden[330], gingen dadelijk na aankomst aan land en hielden zich daar voor de bewerking van het gevangene bereid[331]. Wij willen ons voorloopig alleen met het scheepsvolk bezighouden[332]. Twee personen trekken daaronder de aandacht: de schipper en de harpoenier, die beiden evenals enkele anderen[333] boven hun loon nog een »partgeldt” naar evenredigheid der vangst verdienden en daarom veelal als »parteniers” van de overigen, »maandgelders” genaamd, werden onderscheiden[334]. De schipper, door elke kamer op hare eigene vaartuigen aangesteld, had aanvankelijk alleen het bevel over het schip en het scheepsvolk, met de visscherij zelve mocht hij zich niet inlaten; maar toen langzamerhand de kunst van het harpoeneeren en vangen der visschen meer algemeen bekend werd en de harpoeniers dus personen van minder belang werden, aarzelde men niet ook de visscherij onder zijn bevel te stellen. Met den titel van commandeur kreeg de bevelhebber van het schip toen onbeperkt gezag op zijnen bodem[335]; soms vervulde hij zelf den post van harpoenier[336]. Dat was echter in veel latere tijden; in de eerste jaren der walvischvangst zou zulk eene vereeniging van betrekkingen onmogelijk geweest zijn. Bij de geheele onbekendheid der Nederlanders met de walvischvangst hadden de reeders zich toch reeds in 1613 genoodzaakt gezien, eenige der met de walvischvangst sinds eeuwen bekende Basken naar Amsterdam te ontbieden. Dat jaar kwamen er 13 over[337], en naarmate de walvischvangst zich ontwikkelde, nam ook hun getal natuurlijk toe. Iedere sloep werd met drie Basken bezet[338] en op ieder schip waren dan ook gewoonlijk ten minste drie harpoeniers[339], die tevens de betrekkingen van speksnijder en kapper vervulden[340]; bovendien had men nog een of meer Baskische »maitres de chaloupe,” een »maitre de la ligne[341]” en in het begin ook verscheidene traankokers[342]. De vreemdelingen wisten zich onontbeerlijk te maken en stelden hunne eischen: onafhankelijk van den schipper moesten zij hun werk verrichten[343] en hun loon moest geëvenredigd zijn aan hunne moeite. Behalve hunne vaste bezoldiging, die trouwens behalve de kosten van vervoer en onderhoud niet meer dan ƒ 50 schijnt bedragen te hebben[344], kreeg dus elke harpoenier als »schietgelt” voor iedere levende of doode door hem in zee gevangen visch 40 rijksdaalders of ƒ 100[345], elke stuurman van een sloep ƒ 50; voor elke doode visch uit het schip gezien ontving de »eerste siender” 1 pond vlaamsch of ƒ 6[346]. Het lag in den aard der zaak, dat men trachten zou zulke veeleischende bedienden door goedkoopere te vervangen, en reeds in 1616 zien wij dan ook de Noordsche Compagnie pogingen aanwenden om de Basken door Nederlandsche harpoeniers te vervangen. Op vier sloepen, door haar met Basken bemand, besloot zij toen, al was misschien daardoor voor het oogenblik de winst geringer, een vijfde met Nederlanders bemand uit te rusten[347]. De proefneming beantwoordde aanvankelijk niet aan de verwachting: den Engelschen, die hunnen scheepsgezellen dadelijk hadden gelast den Basken de kunst af te zien[348], was het mislukt, en ook de Nederlanders hadden moeite een bedrijf aan te leeren, dat niet minder bekwaamheid dan moed vorderde. Maar door volharding kwam men toch de moeielijkheden te boven: in 1630 werd reeds de helft der sloepen met Nederlanders bezet[349] en hoewel zich nog in 1636 Basken op de Nederlandsche schepen bevonden[350], worden daarna toch meer en meer Nederlandsche harpoeniers genoemd[351]. Eindelijk werden de Basken geheel verdrongen; kort na den val der Noordsche Compagnie was hunne aanwezigheid op Nederlandsche walvischvaarders eene zeldzaamheid geworden[352].

Wanneer alles voor de reis gereed gemaakt was, verzamelden zich de schepen der verschillende kamers op de hun aangewezene plaatsen. Men heeft de jaarlijksche uitrustingen der Noordsche Compagnie op ongeveer 30 schepen begroot[353]. Deze berekening is gegrond op het feit, dat de Friezen, die voor 1⁄9 in de compagnie participeerden, 3 schepen uitrustten. Men heeft echter daarbij niet gelet op de omstandigheid, dat de bedoelde uitrusting der Friezen plaats had in 1635, dus voor hunne opneming in de compagnie, en dat het dus nog de vraag blijft of men den concurrenten, die er blijkbaar zeer op gesteld waren om leden der vereeniging te worden, een deel heeft ingeruimd zoo groot als zij met het oog op hunne finantiëele krachten misschien wel zouden gewenscht hebben. Ook geloof ik niet, dat de uitrustingen der Noordsche Compagnie gewoonlijk zelfs het lage cijfer van 30 schepen bereikt hebben. Ter bevestiging mijner meening volgt hier eene statistieke opgave, die, hoe uiterst onvolledig ook, toch eenigszins een denkbeeld geeft van de doorgaande sterkte der vloten.

Spitsbergen. Jan Mayen-eiland.

Schepen. Schepen.

1612 2 geene.

1613 5 geene.

1614 11[354] 3 (ter ontdekking.)

1615 11 2 (ter ontdekking.)

1616 4 9 (2 N. C.—5 kl. N. C.—2 uit Zeeland.)

1617 3 (alle uit Zeeland.) ? (7? N. C.[355]—? kl. N. C.—geene uit Zeeland.)

1618 23? (5 Zeel.—2 Noorderkwart.—1 Delft.[356]) ? (geene uit Zeeland.)

1619 11? (11 Ned. sch. in Fairhaven.[357]) ? (geene uit Zeeland.)

1620 2? (2 Ned. sch. in Fairhaven) ? (geene uit Zeeland.)

1621 ? ? (geene uit Zeeland.)

1622 ? ?

1623 5[358] ?

1624 20? (2 sch. uit Zeeland.) ?

1625 3 4 (2 andere schepen naar elders.[359])

1626 ? ?

1627 ? ?

1628 ? 12

1629 ? ?

1630 6? (34 sloepen.) 9? (51 sloepen[360])

1631 ? ?

1632 ? (1 sch. Hoorn, geen sch. Enkh.) ? (2 sch. Amst., 1 sch. Enkh., geen sch. Hoorn.)

1633 ? ?

1634 6 ?

1635 ? (1 sch. Harl., 2 sch. Stav.) ?

1636 ? ?

1637 ? ?

1638 ? ?

1639 ? (1 sch. Hoorn, 1 sch. Harl.) ? (2 sch. Amst., 2 sch. Hoorn, 1 sch. Harl. in de opene zee.[361])

1640 ? ?

1641 ? ?

1642 ? ? (2 sch. Stav. in de opene zee.)

Zoodra men bijeen was, maakte men zich tot het vertrek gereed. Meestal voeren een paar kamers gezamenlijk uit[362]; wanneer de nood der tijden het wenschelijk maakte, zeilde men in admiraalschap en onder geleide van een of meer oorlogschepen om zich tegen mogelijke aanvallen te beschermen[363]. De vrees voor de Duinkerkers was zoo groot, dat de Noordsche Compagnie tot haren val toe dezen maatregel moest doorzetten en »met eene gecombineerde macht bereijt staen tot affweringe van alle gewelt ende ouervallinge[364].” De vloot was in den beginne gesteld onder bevel van den Commissaris-generaal, die, door de Staten-Generaal aangesteld maar door de compagnie van last voorzien, het toezicht had op alles wat tot de reis en de vischvangst betrekking had, terwijl alle krijgszaken aan den Commandeur-generaal van het konvooi en zijn raad waren overgelaten[365]. De post van Commissaris-generaal, in 1614 door den bewindhebber Antonie Monier zelven[366], het volgende jaar door den in de geschiedenis van Nieuw-Nederland bekenden Adriaan Block bekleed[367], geraakte echter weldra in onbruik. De zelfstandige plaats van de beide hoofden der vloot, die dagelijks met elkander in aanraking moesten komen, gaf misschien aanleiding tot oneenigheid; hoe dit zij, reeds in 1616 besloten de Staten-Generaal den Commandeur-generaal van het konvooi, Jan Jacobsz. Schrobop, tevens tot Commissaris-generaal aan te stellen[368]. Alle scheepsbevelhebbers, de kapiteins der oorlogschepen zoowel als de schippers der compagnie, waren dus nu aan den Commandeur-generaal ondergeschikt. Bij deze regeling schijnt het voorloopig gebleven te zijn. Maar toen de konvooischepen sinds 1621 niet meer geregeld de visschersvloot vergezelden en de schepen op hunne eigene verdediging bedacht werden, werd het natuurlijk onmogelijk, dat de bevelhebber van het konvooi de vloot aanvoerde. Toch duurde ook toen de vereeniging van krijgs- en handelszaken onder éen hoofd voort: het oppertoezicht over de geheele vloot bleef overgelaten aan éen persoon, die den titel van Commandeur-generaal (of eenvoudig »Generael”) behield.[369]

De walvischvaarders verlieten gewoonlijk, hetzij gezamenlijk, hetzij afzonderlijk, tegen het einde van April de Nederlandsche havens[370]. Evenals bij de Engelsche walvischvangst[371], zoo werd ook den Nederlanders vóor hun vertrek de plaats aangewezen, waar zij visschen zouden[372], en ieder begaf zich dus dadelijk naar de hem aangewezene plaats in de Mauritiusbaai op Spitsbergen of naar Jan Mayen-eiland[373], waar de Nederlandsche walvischvangst weldra hare hoofdzetels vestigde. Op het eind van Mei of in het begin van Juni kwam men gewoonlijk op Spitsbergen aan[374]. Zoodra het ijs losraakte, zeilde men dan naar het land; in latere tijden poogde men zelfs moedig door de vaste ijsvelden in de baaien door te dringen, zoodat soms verscheidene schepen der Noordsche Compagnie in het ijs vastraakten en verongelukten[375].

De schepen ankerden dadelijk aan het land, de sloepen werden uitgezet en men maakte zich gereed den walvisch te vervolgen. Het duurde in die eerste tijden der vangst gewoonlijk niet lang, voordat men er een hoorde blazen. De harpoenier en zijn volk stortten zich dan ijlings in de sloepen; de harpoen—een ijzeren staaf van drie voet, van een scherpe punt met weerhaken voorzien—werd gereed gehouden, de voorganger en de walvischlijn daaraan bevestigd en men voer op de prooi af. Zoodra men genaderd was, wierp de harpoenier van den voorsteven zijn wapen met kracht in het lichaam van den walvisch, die dan onmiddellijk in pijlsnelle vaart naar de diepte dook. De lijn, des noods door aanhechting van eene nieuwe verlengd, bleef echter steeds in handen van den harpoenier, die de sloep alle bewegingen van den walvisch zooveel mogelijk deed volgen. Andere sloepen voegden zich daarbij en zoodra de walvisch na eenigen tijd weder bovenkwam om adem te scheppen, werden hem nieuwe harpoenen in het lijf geworpen, zoodat hij stevig vastgelegd was. Eenmaal zoover gekomen wachtte men den langzamerhand afgematten visch op met de werp- en stootlenzen—scherp gepunte ijzeren wapenen aan lange lijnen of stokken van 10 à 12 voet bevestigd[376]. Niet lang duurde het dan, of de visch gaf door het uitblazen van bloed het bewijs, dat hij doodelijk gewond was[377]; hevig slaande met de staart zwom hij op het water rond. Dan moesten de sloepen ijlings ontwijken, want een enkele slag met de staart verbrijzelde dikwijls een geheele sloep! Maar spoedig werden de slagen flauwer en weldra stierf de visch van uitputting. Met een paar booten werd hij dan naar het strand gesleept, waar hij een paar dagen aan een touw vastgemaakt naast het schip bleef liggen: een begin van bederf toch doet den visch vèr boven het water rijzen en maakt het dus gemakkelijker het spek af te snijden[378].

Zoodra de gelegenheid het toeliet, begon het tweede gedeelte van den arbeid, het »flenzen.” Door twee lange sneden en verschillende insnijdingen in de breedte werden door den speksnijder, die aan het strand half in het water stond, groote stukken spek van 2 à 300 pond van den dooden visch losgemaakt, en met zoogenaamde »spek-takels,” eene soort van kraan, op het land gewonden. Onmiddellijk begon daarop het derde gedeelte der walvischvangst, het zoogenaamde »afmaken.” In latere jaren duurde het soms lang eer men daartoe den tijd vond; onder de Noordsche Compagnie was echter de helft der bemanning, die dadelijk na de aankomst aan land gegaan was, steeds gereed om de opbrengst der jacht te ontvangen en verder te bereiden. Aan het strand stond een man gereed om het spek in stukken te hakken, die dadelijk op eene berrie naar de traanketels gebracht werden. Daar werden deze stukken, terwijl de staart van den visch als hakbord diende, in nog kleiner gedeelten, »vinken” genaamd, gesneden en in den traanketel geworpen.

In de vaste overtuiging, dat de walvischvangst in de baaien eerder zou toe- dan afnemen, had de Noordsche Compagnie kostbare inrichtingen op het strand doen verrijzen. De traanketel, een roodkoperen pan, die een halve ton spek kon bevatten, was op den grond vastgemetseld; daaronder bevond zich een fornuis, dat met hout en met den afval van den walvisch gestookt werd. De ketel, waarin water was voor het aanbranden, werd dadelijk gevuld met spek, dat gedurende twee uren onder gedurig roeren gekookt werd. De traan werd daarna in een vat geschept, van onderen met een houten rooster voorzien, dat allen afval van den walvisch terughield en het zuivere gedeelte in een koelbak liet vloeien. Wanneer de traan nog een paar malen in gedeeltelijk met water gevulde bakken of vaten[379] verder afgekoeld en bezonken was, werd zij eindelijk in de quarteelen gegoten. Deze quarteelen, in vlotten van twintig naar de schepen gesleept, werden daar in ontvangst genomen door eenige personen, die daartoe op het schip achtergebleven waren, en in het ruim weggestuwd[380].

De walvischbaarden, bij het flenzen uit den bek van den walvisch gesneden, werden in bossen naar land geroeid, daar van elkander gekloofd, afgestoken, geweekt en geschrobd. Na het droogen werd het haar er afgesneden en de schoone baarden aan bossen van vijf of zes stuks tusschen de traanvaten in het ruim van het schip geborgen[381].

Dit was de gewone manier van doen der walvischvaarders tot na den val der Noordsche Compagnie toe. Maar reeds lang voor dien tijd was eene andere behandeling van den walvisch naast deze gewone vrij algemeen in gebruik gekomen. Het zal de aandacht mijner lezers niet ontgaan zijn, dat het octrooi der Noordsche Compagnie slechts de landen en kusten in de IJszee noemde, en dus stilzwijgend het bevaren en bevisschen van de opene zee zelve voor de vrije concurrentie openliet[382]. Lang duurde het, voordat de Nederlandsche handel deze leemte in het monopolie der Noordsche Compagnie opmerkte. Eerst in 1626 vernemen wij bij uitzondering, dat twee Zaandamsche walrusjagers op weg naar de straat van Nassau in de opene zee eenen walvisch vingen[383]. Hun voorbeeld schijnt nu en dan door enkele Nederlanders gevolgd te zijn. De Noordsche Compagnie zag echter aanvankelijk in deze concurrentie weinig bezwaar; zij verwees vreemden en Nederlanders, die zich naast haar op Spitsbergen wilden vestigen, zelve somtijds naar de opene zee[384]. Men was in de goede jaren der walvischvangst, toen de gewenschte prooi zich bijna uitsluitend onder de kust ophield, te zeer overtuigd dat de zeevisscherij geen voordeel kon geven, dan dat de geoctrooieerde vereeniging de concurrentie zou gevreesd hebben. De mededingers zelven schijnen dan ook van dit middel om de Noordsche Compagnie haar monopolie te ontnemen slechts een spaarzaam gebruik gemaakt te hebben, al wisten zij ook, al erkende de compagnie zelve, dat de volle zee hun openstond[385]. Langzamerhand veranderden echter de zaken van aanzien: het gedurig jagen en visschen maakte den walvisch schuw; de overvloed van visschen, die zich vroeger in de baaien vertoond had, verminderde langzamerhand en de vangst der compagnie werd dus ook veel minder voordeelig. Het laat zich verklaren, dat zij in dit tijdperk van overgang, toen alle concurrentie meer dan ooit nadeelig zijn moest, het een harer harpoeniers Marten Michielsz. van De Rijp, die volgens de overlevering de eerste was, die in dienst der compagnie in de opene zee een walvisch ving, uiterst kwalijk nam, dat hij het voorbeeld gegeven had van eene handeling, die nu zoo gevaarlijk scheen[386]. Zij verbood alle verdere visscherij van hare schepen in zee; zij poogde zelfs, toen de zeevisscherij desniettegenstaande toenam[387], van de Staten-Generaal te verkrijgen, dat haar octrooi ook tot de zee uitgebreid werd (1636)[388]. Maar toen het haar in weerwil van haar lang aandringen niet gelukte dien maatregel door te drijven, koos zij de wijste partij en zocht zelve hare mededingers op hun terrein op[389]. Waarschijnlijk besloot zij in 1638 het eerst tot dien stap: twee schepen van de Amsterdamsche kamer vischten dat jaar tusschen Spitsbergen en de Noordkaap in zee[390]. Het volgende jaar werden reeds verscheidene schepen met hetzelfde doel door de compagnie uitgezonden[391] en de walvischvangst was dus reeds gedeeltelijk voor de vrije concurrentie ontsloten. Eéne zaak had de Noordsche Compagnie echter ook hier boven hare mededingers vooruit: hare schepen zeilden geregeld na afloop der vangst naar Spitsbergen, om daar uit de visschen de traan te doen bereiden[392].

Maar al bleef de Noordsche Compagnie zelve nog gehecht aan de oude manier der walvischvangst, al bleef voor haar de zeevisscherij steeds bijzaak, toch bleek het weldra, dat het niet lang zou duren, of de concurrenten hadden hunne tegenpartij overvleugeld. In 1640 vertoonden zich de Zaanlanders als mededingers op het gebied, waar zij eerlang zoovele schatten zouden vergaderen. Vier schepen van Jisp—waarschijnlijk onder den commandeur De Ploeger—zeilden dat jaar uit om »in de openbare zee” de walvischvangst te ondernemen[393]. Zij slaagden uitnemend, die van Zaandam en De Rijp volgden weldra[394] en de zeevisscherij verkreeg eerlang overwegend belang. Tegelijk bezweek de Noordsche Compagnie voor de aanvallen harer mededingers en liet hun dus het veld vrij. De walvischvangst nam verbazend in kracht toe: meer dan honderd schepen vertoonden zich slechts weinige jaren later geregeld in de Mauritiusbaai om den walvisch te vervolgen. De dieren werden er te schuwer om en verlieten eerlang de baaien geheel. Toen moest de visscherij onder het land opgegeven worden; het werd noodig de wijkende prooi verder te volgen. De kustvisschers trokken ze achterna, eerst naar de banken voor de Noord- en Westbaaien, de Noordbank en de Keerens-kaar[395]; weldra tot in volle zee. De schepen konden nu echter onmogelijk meer bij de kokerijen ten anker blijven liggen: het was te bezwaarlijk de gedoode walvisschen uit zee naar den wal te slepen. Het traankoken op Spitsbergen moest dus opgegeven worden: voortaan werd het spek ongekookt medegevoerd. Trouwens bij de steeds verminderende vangst werd de traankokerij meer en meer onnoodig; er was steeds ruimte genoeg om het spek zelf in het schip te bergen. En zelfs toen de walvischvangst onder de kust nog bloeide, was het toch ook wel gebeurd, dat men in het koken verhinderd was en het spek dus rauw in het vaderland had ingevoerd[396].

Maar ook de nieuwe wijze om de walvischvangst te oefenen duurde niet lang. De visscherij op de banken en in de opene zee gaf slechts gedurende weinige jaren voordeel: de zee zelve werd voor de walvisschen onveilig en zij trokken zich dus in het ijs terug. Reeds in 1650 rekende men het noodig de vluchtelingen dáar te volgen[397] en weinige jaren later werd deze stap gedaan, die een nieuw tijdperk in de geschiedenis der walvischvangst opende[398].

Uit al het over de walvischvangst gezegde zou men lichtelijk kunnen opmaken, dat dit de eenige bezigheid der Noordsche Compagnie was. Ook was het steeds het hoofddoel harer reizen, maar toch verzuimde zij nooit haar voordeel, wanneer de aan buit zoo rijke woestenijen van het noorden haar gelegenheid gaven dat te maken. De handel in walvischvellen en vinnen, dien de Noordsche Compagnie aanvankelijk dreef[399], schijnt spoedig opgegeven te zijn. Met de vangst van witvisschen schijnen de Nederlanders zich nooit bezig gehouden te hebben[400]; ook de vinvisch was een te moeielijk bereikbare en tevens te onvoordeelige prooi dan dat men zich beijverd zou hebben dien te vangen[401]. Maar in de eerste plaats komt na de walvischvangst de jacht op walrussen in aanmerking. Deze dieren, de buit dien de Engelschen en Nederlanders beiden aanvankelijk alleen zochten, gaven in hun spek, dat zij wel in veel mindere mate dan de walvisschen maar toch in vrij groote hoeveelheid opleverden[402], en vooral in hunne beide tanden, toenmaals hooger dan ivoor geschat, handelsartikelen, die ruime winst bezorgden. Aanvankelijk bij groote troepen tegelijk door middel van lansen op de stranden van Spitsbergens westelijke baaien gedood[403], vond men ze later zeldzamer. Slechts weinige walrussen werden nu en dan in zee ontmoet en meest met harpoenen gedood. In den natijd was echter aan Spitsbergens oostkust bij Disco,—vooral sinds de ontdekking der Rijk Ysz.-eilanden na den val der Noordsche Compagnie (1645),—de walrusjacht nog steeds een rijke bron van inkomsten[404]. Ook de robben, vroeger niet bizonder opgemerkt, werden later vooral op de randen der vaste ijsvelden in groote menigte met stokken doodgeslagen. Hun spek[405] en vooral hunne kostbare vellen verschaften aan de Noordsche Compagnie ruime winst[406]. De beeren, aanvankelijk gevreesde vijanden der walvischvaarders, werden allengs hunne prooi: het vel evenzeer als het vet waren begeerde artikelen. Talloos zijn dan ook de verhalen van gevechten met beeren, die ons zijn overgeleverd, en de beerenjacht werd eene geregelde bezigheid[407]. En dat zij geen onbelangrijk voordeel aanbracht, bewijst het feit, dat in 1628 alleen op Jan Mayen-eiland niet minder dan 70 beeren door die van de Noordsche Compagnie geschoten werden[408]. De jacht op vossen, rendieren, meeuwen en rotganzen, waarvan meermalen gesproken wordt[409], schijnt meer gedreven te zijn om versch vleesch te bekomen dan om eenig handelsvoordeel te verkrijgen; de vellen bleven echter natuurlijk welkome aanwinsten voor de lading. Een laatste bron van inkomsten was voor de walvischvaarders de handel met de Groenlanders. Deze nering, die later, toen de visscherij in straat Davis zich ontwikkelde, op vrij groote schaal gedreven werd[410], leverde aan de Noordsche Compagnie natuurlijk slechts dan een klein voordeel, wanneer hare reizigers met de bewoners van nieuw ontdekte plaatsen in aanraking kwamen of wanneer een walvischvaarder door storm of toeval op Groenlands onherbergzame kusten verzeilde[411].

Het laat zich denken, dat door deze uitgebreide werkzaamheid, maar vooral door de walvischvangst jaarlijks eene vrij aanzienlijke lading bij de Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voorhanden was. Naderde het einde van den tijd dan werd alles bijeengebracht en de Commandeur-generaal moest de geheele vangst op het strand onder de kamers naar evenredigheid harer uitrustingen verdeelen. Gewoonlijk werd echter de rooiing op last van den Commandeur-generaal verricht door den »Generael-royer” ten overstaan der kamers zelve. Zulk een »royer”—op de vloot een man van gewicht, die naast den Commandeur-generaal genoemd werd[412]—ging jaarlijks mede naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de »royinge of roeyinge” te doen en daarvan in het »generael royboeck” aanteekening te houden[413]. Hij wees aan iedere kamer haar deel toe, om het in hare eigene schepen te laden en huiswaarts te voeren[414]. Had eene kamer meer gevangen en gekookt dan haar bij de verdeeling werd toegelegd, dan werden de »coockgelden” op de algemeene vergadering vergoed[415].

De kamers zelven zorgden natuurlijk voor het vervoer van ieders aandeel in de traan en balein naar het vaderland. Maar niet zelden kwam het voor, dat de vangst zoo rijk was geweest, dat eenige kamers geene ruimte genoeg in hare schepen hadden om haar aandeel te bergen. Meestal riep men dan de hulp in van eene andere kamer, die grootere schepen had, en verrekende de voorschotten voor vracht en verpakking later op de algemeene vergadering[416]. Waren echter alle schepen volgeladen, dan nam men zijn toevlucht tot de schuren, door de compagnie op het land gebouwd, en borg daar de goederen tot het volgende jaar. Een enkele maal werden ze ook wel begraven[417]. In het voorjaar liet men ze dan door afzonderlijke vrachtschepen afhalen, die men »naschepen” noemde. Deze schepen kwamen in den bloeitijd der walvischvangst niet somtijds, maar geregeld naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de visschers van de te groote lading te ontlasten. Korten tijd na de walvischvaarders uit het vaderland vertrokken, waren zij, die zich natuurlijk met geene visscherij ophielden, gewoonlijk het eerst aan de markt. Het is zelfs voorgekomen, dat éen naschip in éen jaar twee reizen naar Jan Mayen-eiland deed en met volle ladingen huiswaarts keerde. Toen de walvischvangst in bloei afnam, werd natuurlijk het zenden dezer naschepen overbodig en dus afgeschaft[418].

Zoodra de tijd voor het eindigen der visscherij gekomen was,—voor Spitsbergen op 10 of 12 September, voor Jan Mayen-eiland op 28 Augustus bepaald[419],—moesten alle schepen geladen zijn. De Commandeur-generaal gaf het teeken tot het vertrek[420] en de vloot zeilde weg. Bijna altijd kwam zij behouden in het vaderland aan. De vangst werd dan voornamelijk te Amsterdam ontladen, waar de kamer op de Keizersgracht bij de Brouwersgracht de drie Groenlandsche pakhuizen had laten bouwen[421].

Wij hebben nu gezien, hoe de Noordsche Compagnie haar bedrijf inrichtte; de vraag rijst echter natuurlijk of dat bedrijf wel de vele kosten loonde, die daarvoor gemaakt moesten worden. Ter beantwoording dier vraag moeten wij twee zaken nagaan: hoeveel de jaarlijksche vangst der walvischvaarders bedroeg en hoeveel geld de compagnie door verkoop van die vangst in kas kreeg. Ik zal trachten op die vragen een antwoord te geven.

Wij bezitten voor de begrooting van de jaarlijksche vangst der Noordsche Compagnie twee algemeene opgaven als leiddraad voor onze onderzoekingen. Eene alleszins betrouwbare autoriteit verzekert ons weinige jaren na den val der compagnie, dat hare vangst steeds gering was[422], en de Noordsche Compagnie zelve verklaart nog in 1636, dat de walvischvangst slechts een »cleyn werck” was[423]. Van alle zijden wordt ons tegelijkertijd medegedeeld, dat in de eerste tijden der walvischvangst de visch zoo overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite opgespoord, slechts te dooden had[424]. De twee opgaven, hoe tegenstrijdig ze schijnen, zijn zeer goed overeen te brengen. Werkelijk kwam de walvisch in de eerste tijden der Noordsche Compagnie in grooten overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voor, en toch is het zeker, dat de compagnie in den regel, al ontbrak het noodige kapitaal haar niet, eene vangst naar huis bracht, uiterst onbeduidend in vergelijking met den grooten voorraad, dien de vrije visscherij later jaarlijks in Nederland invoerde. Het was toch, zooals wij zagen, haar systeem evenzeer als van de Oost- en West-Indische Compagniën, dat het beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren dan veel te verkoopen, wanneer de waarde der goederen door die veelheid zelve aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem, hoe hoogst verderfelijk ook voor den handel en voor het algemeen belang, had werkelijk veel wat het in het oog van bekrompene bezitters van monopoliën en van kortzichtige economisten aanbeval, en de Noordsche Compagnie volhardde daarbij tot haar einde toe[425]. Of zij er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier evenmin als elders het geval was.

Het ligt zeer voor de hand te meenen, dat eene vereeniging, die er zich op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch slechts weinige schepen op de walvischvangst uit te zenden, ieder jaar die schepen ten boorde toe geladen naar huis moest zien keeren. De traditioneele voorstelling van de geschiedenis der Noordsche Compagnie leert ons dan ook, dat de eerste jaren tijden van later ongekenden voorspoed en overvloed waren, dat de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat eerst van toen af door de merkbare vermindering der visschen aan de kust, de Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden, aanvankelijk gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie eerlang evenveel verloor als zij vroeger gewonnen had en zelve in 1642 de nering opgaf[426]. Men vergeet bij deze voorstelling echter te veel, dat een bedrijf als de walvischvangst uit zijnen aard zeer onderhevig is aan geluk en ongeluk, dat »groote perijculen,” ijsgang, storm, zware mist veel invloed op het resultaat van »’t onzeecker visschen” kunnen oefenen; men brengt bovendien te weinig in rekening de geringe ervaring en bekwaamheid der Nederlanders in 1614, gebreken door de overkomst van enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook reeds gezien, dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op het verhaal van Zorgdrager,—een boek ter loops gezegd even voortreffelijk waar het door den schrijver zelven geziene zaken mededeelt, als slecht te vertrouwen waar het de geschiedenis der walvischvangst geldt,—althans wat het laatste gedeelte aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherij gaf nog eenige jaren na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen, die zich daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan ook in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. Ook wat de rijke vangst betreft en het tijdstip van den grootsten bloei der walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager geheel misgetast heeft. Reeds dadelijk volge hier eene opgave van het resultaat der walvischvangst over de eerste twintig jaren[427].

Spitsbergen. Jan Mayen-eiland.

1612 slecht —

1613 slecht (door roof der Engelschen) —

1614 slecht —

1615 zeer slecht —

1616 slecht ?

1617 slecht (door roof der Engelschen) ?

1618-22 ? ?

1623 zeer goed ?

1624 goed zeer goed

1625 ? slecht

1626 slecht zeer goed

1627 ? ?

1628 slecht (alleen Vlissingen gelukkig) slecht (alleen Vlissingen gelukkig)

1629 ? ?

1630 ? ?

1631 ? zeer goed

1632 goed niets (het ijs blijft het eiland omringen)[428]

Het blijkt dus reeds terstond: 1o. dat de allereerste jaren der walvischvangst, wel verre van een resultaat te leveren, dat met den zoo geroemden overvloed der visschen overeenkwam, integendeel bizonder slecht uitvielen[429], 2o. dat de Noordsche Compagnie ook in latere jaren, toen ervaring en bekwaamheid toenamen, volstrekt niet rekenen kon op een vaste ruime vangst, maar steeds afhing van verschillende omstandigheden, die op het resultaat der reis invloed oefenden, en 3o. dat de jaren, waarin wij weten, dat de Noordsche Compagnie een meer dan gewoon aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt niet als gunstig in de boeken der vereeniging aangeteekend stonden,—eene opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door de compagnie uitgezonden niet uitsluitend aan het bovenvermelde beginsel van »kleine vangst hooge prijzen” toegeschreven, maar evenzeer aan de betrekkelijk geringe ruimte van het terrein geweten moet worden.

Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der vangst ons dus leeren, laten zij ons echter over eene zaak geheel in het duister. Wat verstond men onder een goede en slechte vangst, m. a. w. hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelijkerwijze verwachten jaarlijks te zullen vangen? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk, daar ons nagenoeg alle gegevens voor eene statistiek van de jaarlijks ingevoerde hoeveelheid traan en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus vergenoegen met den zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de algemeene begrootingen der Noordsche Compagnie aanbieden.

Bij de overeenkomsten, die de verschillende kamers der compagnie van tijd tot tijd met elkander sloten en waarbij zij ieders aandeel in de vangst regelden, werd namelijk het deel dat aan eene kamer toekwam uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al deze deelen bij elkaar gevoegd vormden dus het getal quarteelen, dat men hoopte te vangen. Over de eerste jaren ontbreken die opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden wij een cijfer genoemd: de Noordsche Compagnie begrootte toen haar jaarlijksche vangst op 21.000 quarteelen[430]. Sedert is een gedurige vermindering der opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de vangst op 17.500 quarteelen begroot[431], in 1636 op slechts 16.000[432]. Ik geef dadelijk toe, dat men op deze cijfers niet vast vertrouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op 1⁄3, 1⁄4, 1⁄5 of op kleinere breuken geschat werd, koos men een getal, dat ook in die breuken een ronde som kon geven; maar ongetwijfeld is de begrooting toch ongeveer de uitdrukking van hetgeen de Noordsche Compagnie krachtens vroegere ondervinding van hare vangst verwachtte[433].

Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf voor de begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij hebben gezien, dat het getal schepen, die de Noordsche Compagnie jaarlijks naar het noorden zond, hoogst zelden tot twintig klom[434]. Wanneer wij nu vernemen, dat een groot schip ongeveer 1000 quarteelen traan kon bevatten[435], en wanneer wij er aan denken, dat het niet zelden voorkwam, dat men een gedeelte der vangst op het land moest achterlaten of met naschepen laten vervoeren, kunnen wij gemakkelijk berekenen, dat de compagnie met eene vangst van 20.000 quarteelen tevreden kon zijn[436]. Eenige bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs, dat de groote en kleine Noordsche Compagniën tot 1622 toe—dus tot op het tijdstip waarop wij zagen, dat de vangst hun het meest inbracht,—te zamen in geen jaar ooit meer hadden gevangen dan 19.000 quarteelen traan[437], eene opgave, die tot eene nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte berekening. Wij vernemen eindelijk, dat omstreeks 1640 een schip bij gunstige vangst tien walvisschen of zelfs enkele meer kon vermeesteren[438], en wanneer wij bedenken, dat éen walvisch gewoonlijk 60 à 70 quarteelen traan en 1000 à 1800 pond baarden leverde [439], komen wij tot de van elders bevestigde conclusie, dat de gouden tijden der naschepen toen reeds lang voorbij waren.

Uit al het voorgaande blijkt, dat de geschiedenis der walvischvangst onder de kust in groote trekken aldus is. Terwijl de eerste jaren door onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote uitrustingen nadeelig waren, werd het resultaat gunstig, zoodra de Noordsche Compagnie besloot zich uitsluitend naar de door mededingers niet bezochte noordelijke baaien op Spitsbergen en naar Jan Mayen-eiland terug te trekken: de jaren 1619 tot 1624 zijn dus die van den grootsten bloei. Reeds van dit laatste jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst, die echter nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging op het Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende was de vangst omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na het openstellen der visscherij voor alle Nederlanders werd de walvisch in weinige jaren voor goed uit de baaien verjaagd. De zeevisscherij, die omstreeks 1630 opkwam, moest reeds twintig jaren later door de ijsvisscherij vervangen worden.

Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste scheepsladingen traan en balein in ons vaderland werden binnengevoerd, het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche Compagnie is daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de eene zijde het haar dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en gebrek aan zuinigheid ook bij eene rijke vangst kon doen verliezen, had de compagnie in de door haar zelve bepaalde vaste prijzen der traan een middel om ook bij een zeer geringe toevoer nog redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan is. Wij kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die wij reeds met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben zien aankomen, nog verder in haren handel te volgen.

Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie in het begin werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voornamelijk in lampen tot verlichting werd gebruikt, en het spek, dat ook tot spijs schijnt gediend te hebben[440], vond men bijna overal een willige markt; de balein, waarvan men aanvankelijk het nut niet goed schijnt ingezien te hebben, werd sinds de uitvinding van den Engelschman John Osborne, die ze in 1618 door samenpersing begon te bewerken[441], gezocht voor schilderijlijsten, versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels, ook voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef natuurlijk de hoofdmarkt voor deze artikelen[442], maar van Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw was het niet te verwachten, dat zij zich binnen zulke enge grenzen zouden beperken. Weldra werd Frankrijk,[443] waarschijnlijk ook Duitschland, Spanje en de kusten der Middellandsche zee[444] voor den nieuwen handel ontsloten. De prijzen waren aanvankelijk natuurlijk zeer hoog: éen walvischbaard werd met ƒ 12 (30 stuivers het pond) betaald[445], en de Noordsche Compagnie durfde in 1617 een quarteel traan op ƒ 150, de 100 pond balein nog op ƒ 30 begrooten[446]. Maar weldra daalden de prijzen: de baarden waren in 1618 bijna niets meer waard[447] en ook de traan werd als nieuw en kostbaar artikel door het geringe verbruik gedrukt. Toen de walvischvangst zich in 1623 na eenige jaren van goede vangst hersteld had van de verliezen der eerste jaren, vinden wij het quarteel traan in Frankrijk begroot op ƒ 45, de 100 pond balein op ƒ 10[448]. In Nederland—waar de prijzen niet veel van de Fransche verschild zullen hebben, daar de compagnie bij de bepaling der vaste prijzen natuurlijk met het buitenland moest rekenen,—werden dit jaar de prijzen zeer hoog geoordeeld[449]. De vraag vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 100 pond balein voor ƒ 20 verkocht[450]; in 1632 werd de prijs van het quarteel traan op ƒ 60 bepaald[451] (de hier te lande gekookte slechtere traan gold dat jaar ruim ƒ 511⁄2 het quarteel[452]), terwijl de baarden echter weder niet meer dan ongeveer ƒ 8 de 100 pond deden[453]. Sedert begon de invloed der concurrentie zich meer en meer te doen gevoelen: de walvischvangst van Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de markt te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later ook in de IJszee, en vooral de meer en meer zich ontwikkelende zeevisscherij der Nederlanders zelve wierp een groot gewicht in de schaal. De Noordsche Compagnie, gewoon aan eene vrije en machtige positie, wist zich niet spoedig naar de veranderde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare goederen voor veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte het onmogelijk de vaste vooruitbepaalde prijzen spoedig te veranderen, en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na geruimen tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op onvoordeelige wijze van de hand gedaan moesten worden[454]. Langzamerhand was de vereeniging toch wel genoodzaakt, met haren tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de prijs van een quarteel traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30, ja 25 gedaald[455].

Bij de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare inrichting zelve noodzakelijk nu en dan lijden moest, voegden zich echter andere, die zij tot het laatst toe niet poogde te voorkomen. De omslachtige wijze van traankoken, die zij had aangenomen en die haar noodzaakte kostbare inrichtingen in het barre noorden in stand te houden, was misschien[456] wenschelijk toen de overvloedige vangst niet in de schepen geborgen kon worden en toen men dus verplicht was naschepen te zenden om ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geene volle lading traan meer medebracht. De geheele toestel dagteekende uit de tijden, toen men meende, dat het niet alleen onvoordeelig maar ook bijna onmogelijk was, het in stukken gesneden walvischspek naar het vaderland mede te nemen en eerst daar tot traan te bereiden. De concurrentie had ook hier den goeden weg gewezen; de zeevisschers, die het land niet mochten naderen en dus wel genoodzaakt waren hun spek ongekookt mede te nemen, hadden bewezen, dat er ook op die wijze uitnemende zaken te maken waren. Maar toch volhardde de geoctrooieerde vereeniging bij haar oud gebruik: niettegenstaande deze gewoonte de kosten der jaarlijksche uitrustingen bijna verdubbelde, droeg zij liever de daaraan verbonden schade dan ze op te geven. Had ook zij het spek mede naar huis genomen, dan had zij zelve het grootste voordeel prijsgegeven, dat zij boven hare mededingers meende te hebben, en zij volhardde dus in de hoop, dat de betere qualiteit der door haar gekookte traan de verbruikers zou doen genoegen nemen met de groote duurte, die deze kostbare bereiding van het artikel natuurlijk medebracht. Het was te denken, dat de vereeniging, die dus de bakens niet wist te verzetten toen het getij verliep, niet kon concurreeren met mededingers, die zelfs uit de uitgekookte vinken, uit de bezonken prut en lil een winst wisten te maken, die de compagnie door het gedurig achterlaten van dien afval in het noorden steeds moedwillig verzuimde[457].

De gevolgen lieten zich niet wachten: de eene reeder vóor de andere na, wiens kapitaal niet groot genoeg was om de zware verliezen te dragen, die hem nu en dan troffen, verkocht zijne aandeelen en beloofde zich zelven, voortaan geen duit meer in de gevaarlijke nering te zullen steken. Zoo werden de Zeeuwsche compagniën, die het trouwens al bizonder slecht getroffen en geen van de drie eerste jaren, dat zij zich met de walvischvangst bezighielden, ongestoord gevischt hadden, reeds met het einde van 1618 ontbonden[458]. De kamers van het Noorderkwartier volgden dit voorbeeld op het laatst van 1621[459]; die van Delft, wier aandeel in de Noordsche Compagnie zoo belangrijk was, nog vóor 1624[460]; de kleine Noordsche Compagnie, door de energieke Kyen en Leversteyn opgericht, zag den laatste reeds weinige jaren later zich uit dit bedrijf terugtrekken, en kort na de vereeniging met hare oudere zuster loste zij zich geheel op[461]. Wel waren in die tijden vol moed en energie steeds nieuwe handelaars gereed om hun kapitaal aan de wisselvallige kansen te wagen, maar dat de gedurige ontbindingen der kamers niet door gril of toeval veroorzaakt werden, blijkt toch voldoende. Al gelooven wij de jammerzieke bewindhebbers der Noordsche Compagnie niet, die zelfs in 1624 en 1633, in tijden van bijna ongestoorde rust, over de ontzettende ellende der laatste jaren klaagden[462]; al schenken wij geen gehoor aan de ontboezemingen der Zeeuwen, die zeker sterk overdreven, toen zij het in 1624 deden voorkomen alsof zij ook na de oprichting van nieuwe compagniën (1618) geen voordeelig jaar gehad hadden[463], wij kunnen ons niet voorstellen, dat de bewindhebbers onwaarheid spraken toen zij feiten noemden. En die feiten zijn welsprekend! Wij vernemen, dat het kapitaal der Noordsche Compagnie na de reis van 1615 geheel verbruikt was[464],—een feit, dat de geringe uitrusting van 1616 verklaart; de kleine Noordsche Compagnie verzekerde, dat zij in 1621 na zesjarig bestaan nog maar twee goede jaren had gehad[465]; wij hooren, dat die van het Noorderkwartier in 1624 niet minder dan 11⁄2 kapitaal ten achteren waren[466] en dat in de eerste jaren der walvischvangst de ongelukkige Zeeuwen meer dan eens hun kapitaal op éene reis geheel verloren[467].

Zóo weinig geloof verdient de rooskleurige beschrijving, ons door Zorgdrager van de eerste jaren der walvischvangst opgedischt! Maar dat aan den anderen kant op het boven geschetste tafereel,—uit den aard der zaak grootendeels aan de berichten der bewindhebbers zelve ontleend,—de sombere tinten het meest in het oog vallen, is niet minder waar. De voortdurende aandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van de Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om deel aan de steeds gesloten walvischvangst te krijgen bewijst voldoende, dat er winst bij te behalen viel. Mogen ook buitenlandsche mededingers, die zich voortdurend naast de Noordsche Compagnie in de IJszee nestelden, met weinig kennis van zaken een bedrijf ter hand genomen hebben, dat weldra bleek lang geene zekere geldbelegging te zijn: aan de binnenlandsche concurrenten kon het toch zeker niet onbekend blijven, dat de Noordsche Compagnie nu en dan zéer ongelukkig was en hare slechte jaren telde. Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de compagnie slechts met moeite afgeweerd werd, moet men wel aannemen, dat tegenover de groote verliezen jaren stonden, die door overrijke vangst vele slechte tijden vergoedden,—jaren als die, waarvan Zorgdrager ons bericht, dat Willem Ys met éen naschip tot tweemalen toe 1000 quarteelen traan van Jan Mayen-eiland in het vaderland invoerde[468].

En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe reeds de schrijver van den Tegenwoordigen Staat voor de latere jaren der visscherij gekomen is[469],—de gevolgtrekking, dat de walvischvangst eene »loterij” was. Wij kunnen ons volkomen vereenigen met het resultaat, dat de walvischvangst over het geheel den reeders voordeelig was[470],—hoe toch laat zich anders de voortduring van dit bedrijf verklaren?—maar wij moeten er bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig was om dat voordeel te verkrijgen, dat men den moed en de macht moest hebben om de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden voor tijden van tegenspoed en verlies[471].

Notes in this chapter

Note 1 · Dat het aantal der schepen, door elke kamer uitgerust, daarom niet altijd geheel geëvenredigd was aan haar aandeel in de compagnie, blijkt oNote 2 · Aanwysing v. gronden en maximen. p. 75.—Scoresby, Account, II p. 56.—Repartitie der Amst. bewindh. N. C. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v.Note 3 · Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.—Tijdens zee- Note 4 · Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 144. [354] Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Edge (Dutch disturbance, bij: PNote 5 · Twee Journalen der Matroosen. p. 19. [363] Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in Note 6 · R. S.-G. 11 Mrt. 1639.—Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—De schepen zeilden echtNote 7 · Zie afbeeldingen van harpoen en lens, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 348, 350. [377] Men noemde dit in grove zeemans-scherts: „oranje bNote 8 · De Engelschen gebruikten eenvoudig sloepen als koelbakken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 471.) [380] Scoresby, Account. II p. 174-76.—Purchas,Note 9 · Scoresby, Account. II p. 177.—Purchas, Pilgrimes. III p. 471.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 356, 371.Note 10 · Zie de vier octrooien der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669 vlg.—Vgl. ook: Kort Verhael vande Gedaente der Walvisschen, in: Drie Voyagien na Note 11 · R. S.-G. 3 Apr. 1640.—cf. Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352. [394] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352, 53.—Zorgdrager, Groenl. visschNote 12 · Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p 355.—De walvischvangst. I p. 32. [398] Zie over de ijsvisscherij: TegenNote 13 · Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89. [400] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195. [401] Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108. [402] Een walrus lNote 14 · Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46. [413] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—In 1632 bekleedNote 15 · Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.—In 1632 bracht de kamer der N. C. te Hoorn aan die te Enkhuizen in rekening voor de vracht van SpitsbergeNote 16 · Bij de Instructie der Commandeurs van 1632. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Men vertrok echter dikwijlsNote 17 · Aanwysing van heils. polit. gronden. p. 75. [423] Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeputNote 18 · Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 192, 229.—De walvischvangst. II p. 87.—Scoresby, Account. II p. 52, 178.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—TegenwNote 19 · Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C. c. Clarke dd. 15 Mrt. 1619 (lees 1618) in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. RNote 20 · R. S.-G. 3 Febr. 1622. [431] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637. [432] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, iNote 21 · Zie de statistiek op p. 109, 10. [435] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 133.—Sent. Note 22 · Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109. [441] Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds zijn zeventiende jaar ivoNote 23 · Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White, SpitzbergNote 24 · Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Herhaaldelijk wordt ook van de „oude Noortsche CompaiNote 25 · Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.—De kleine N. C. antwoordde dan ook op de bedreiging der N. C., dat zij de nering zou opgeven als de kleiNote 26 · Tegenw. Staat. I p. 600. [470] Tegenw. Staat. I p. 606. [471] Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den val der N. C.:
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings