← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 314 — HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

Dat het aantal der schepen, door elke kamer uitgerust, daarom niet altijd geheel geëvenredigd was aan haar aandeel in de compagnie, blijkt o. a. uit het feit, dat de Amsterdamsche kamer, die de helft der aandeelen bezat, in 1614 slechts 4 van de 11 schepen en jachten uitrustte. (Resol. Admir. Amst. 19 Apr. 1614.) Het komt mij daarom niet onwaarschijnlijk voor, dat slechts het aantal der sloepen, die iedere kamer volgens hare quote in zee mocht brengen, door de algemeene vergadering bepaald werd. Daar die sloepen dikwijls in het noorden achterbleven, kon men met het zenden van weinige, zeer groote schepen, van veel volk en veel victualie voorzien, volstaan en de te groote vangst door naschepen laten afhalen.

[315] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.—De walvischvangst. I p. 32.—Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 181.

[316] Raven, Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 5.

[317] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68.—Br. v. Catcher aan Heley, dd. 29 Juni 1623, bij: Purchas, l. c. III p. 787.—Een schip van 500 last was eene groote uitzondering. (1 last = 2 ton.)

[318] Raven (Iournael vande reyse nae Spitsberghen. p. 10) noemt een schip bemand met 86 man.

[319] Raven, Iournael. p. 3.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings