← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 456 — HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 131.) Op elk volgeladen schip—een schip, dat 1000 quarteelen hield, behoorde onder de groote—zou men dus, wanneer men het spek niet tot traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven achter te laten. Wanneer wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15 schepen schatten, geeft dit dus een jaarlijksch overschot van 3000 quarteelen spek. Nemen wij dus al aan, dat de schepen alle jaren geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren nooit konden medevoeren, (wat wij weten dat bepaald niet het geval was,) dan kon men door jaarlijks drie naschepen te zenden, den geheelen omslachtigen toestel van traankokerijen en woonhuizen in het noorden, van dubbele bemanning en dubbele victualie bespaard hebben.

[457] Tegenw. Staat I p. 599.—Dat de achtergelaten afval niet onbeduidend was, blijkt wel uit het feit, dat de acht Engelsche matrozen, die in 1630 op Spitsbergen overwinterden, zich gedurende den geheelen winter grootendeels daarmede voedden. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 267.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings