← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 430 — HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

R. S.-G. 3 Febr. 1622.

[431] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[432] Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[433] Geheel geene gevolgtrekkingen kan men afleiden uit de vermeerdering der gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en met 3000 in 1636. (R. S.-G. 4, 11, 12 Febr. 1622.—Aitzema, Saken van Staet. II p. 360.—Tegenw. Staat. I p. 590.) Beide malen geschiedde deze vermeerdering ten gerieve van nieuwe leden (de kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel uit de gewone begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlijk blijkt daaruit geheel niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting der geheele vangst op 24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, l. c. II p. 360), terwijl ze nog in Februari van hetzelfde jaar op slechts 16.000 begroot was (zie hiervóor p. 124 Noot 3), geschiedde waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was met acht Hollandsche steden, die men slechts in de N. C. wilde toelaten, indien de regeering door wering van alle concurrentie het der compagnie mogelijk maakte hare vangst op 24.000 quarteelen te brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings