← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 440 — HOOFDSTUK III. DE WALVISCHVANGST DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109.

[441] Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds zijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover lang gepeinsd en eindelijk „door een sonderlinge wetenschap de dunne stucken soo in malkanderen weten te parssen, dat sy een massa zyn en blyven.” Had het balein eenmaal deze kunstbewerking ondergaan, dan werd het „so gedwee of mol, datmen met een gesneden plaet daerop druckt ’t gene men wil, de alderdunste graveringhen, als stralen van de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde plaet, of het pampieren afdrucksel siet: Men maeckt daer tronien heel uytstaende af, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle beeltenissen van Historien, of sy vande beste beeldt-snyders gedaen waeren: tot ornamenten der huysen en camers dienende, blyvende altoos soo swart als gitte, so men seyt.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Wassenaer een kreet van bewondering: „Nu bevinde ick”, schreef hij, „dat die luyden in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelen dat alle konsten op het hooghste zyn, en datter niet en is, of ’t sy al ghevonden. (NB. in 1624!) Voorwaer dese inventie braveert alle subtyle verstanden!”

[442] De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat de N. C. zich tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat dit onjuist is, blijkt uit de beide volgende noten.

[443] Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rouaansche admiraliteit gelegd op de goederen der N. C. te Rouaan, Bordeaux en Bayonne (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. Bijl. II, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), blijkt dat de compagnie daar agenten had.

[444] De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1638 aan Christiaan IV voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide natiën te deelen: de Denen zouden Denemarken en de oostelijk van daar gelegene landen alleen hebben, de Nederlanders Duitschland ten westen der Elbe, Nederland, Frankrijk en alle andere zuidelijk en westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.) De resident, die in correspondentie stond met de N. C., zou dezen voorslag, waartoe hij trouwens geen specialen last had, zeker niet gedaan hebben, zoo de compagnie van den alleenhandel in die landen geen voordeel had kunnen trekken.

[445] Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86.

[446] Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in 1618 op £ 15. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)

[447] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[448] Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.

[449] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

[450] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[451] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Dictum v. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637.

[452] Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[453] Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Uit deze sententie blijkt, dat voor de baarden niet als voor de traan vooraf een vaste prijs door de N. C. bepaald werd: in 1632 werden ze eenvoudig allen aan de Amsterdamsche kamer ter verkoop gezonden.

[454] Aanwysing v. heils. polit. gronden. p. 75.

[455] Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Om de prijzen te berekenen moet men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen, die ongeveer 12 steekannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339, 370, 371.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.—Dictum en Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3, 4 Apr. 1637.) De spekquarteelen waren grooter, zij hielden 16 à 18 steekannen. (Zorgdrager l. c. p. 335, 370.—Rijper zeepostil. p. 356.—Tegenw. Staat. I p. 608.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings