HOOFDSTUK V. ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Terwijl alzoo eene nieuwe nering de IJszee tot het tooneel van een levendig verkeer maakte, was de westelijke helft der poolstreken nog steeds hoogst onvolkomen bekend en bijna geheel verlaten gebleven. Eerst veel later zou men er toe komen die streken voor de oefening der walvischvangst te gebruiken; voorloopig waagden zich slechts enkelen in de onherbergzame oorden, en die enkelen was het meest allen te doen om den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds voordat de ongelukkige tocht van Pet en Jackman in 1580 de Engelschen van verdere onderzoekingen in het noordoosten had afgeschrikt, was hun oog op het westen gevallen, waar de nog nagenoeg onbezochte noordsche wateren misschien een gemakkelijker en zeker een korter weg beloofden dan door het noordoosten ooit te vinden zou zijn.
De eerste, die pogingen deed om dezen weg te vinden, was Sir Martin Frobisher, die op drie reizen (1576-78) de naar hem genoemde baai en de nabijgelegen landen op 62° NB. nauwkeurig onderzocht. Maar de doortocht was daar niet te vinden, en het later gezochte goud beloonde zijne moeite evenmin. Hem volgde weinige jaren later (1585-87) de wereldberoemde John Davis, die eveneens drie reizen ondernam. Het was hem meer dan zijnen voorganger ernst met het zoeken van den doortocht. Telkens was de naar Davis genoemde zee het doel zijner reizen en het gelukte hem de beide kusten der zoogenaamde straat, vooral de oostelijke nauwkeurig te verkennen tot op 73° NB. Hoeveel hoop deze ontdekkingen ook op het vinden van den doortocht mochten geven, het spoor van Davis werd voorloopig niet weder betreden. Eerst George Weymouth stevende in 1602 weder naar het noordwesten. Het feit, dat hij de eerste was, die de reeds door Davis geziene Hudsons-straat een eind weegs bezeilde, heeft deze reis meer bekend gemaakt dan het resultaat verdient. Reeds spoedig toch dwong het scheepsvolk den wakkeren kapitein den steven te wenden en naar het vaderland terug te keeren. De vier reizen, door James Hall voor Deensche en Engelsche rekening naar straat Davis ondernomen (1605-7, 12), leverden geene nieuwe resultaten. Veel belangrijker was in dit opzicht de bekende vierde reis van Henry Hudson (1610/11), die de geheele naar hem genoemde straat door en de groote baai binnenzeilde, waar hij overwinterde en als het slachtoffer eener samenzwering den dood vond. De expeditie, in 1612 onder Sir Thomas Button uitgezonden om hem te zoeken, bereikte niet alleen de westkust van Hudsons-baai, waar zij overwinterde, maar verkende ook in 1613 het noordelijker gelegen Southampton-island tot 65° NB. Verder dan een hunner voorgangers kwamen in 1615 en 1616 Robert Bylot en William Baffin, die het tweede tijdvak der Engelsche noordpoolreizen sluiten. Op hunne eerste reis drongen zij door Hudsons-straat tot op ruim 65° aan de oostkust van Southampton-island door; hun tweede tocht bracht hen tot op bijna 79° in de naar Baffin genoemde baai, waar zij de drie straten ontdekten, die nog voor de eenige gehouden worden, waardoor de doortocht in het hooge noorden mogelijk is: Smith’s sound, Jones’ sound en Lancaster-sound[621].
Het zou zeker verbazend geweest zijn, zoo de Nederlanders, de eerste zeevarende natie der zeventiende eeuw, het tooneel, waarop hunne mededingers voortdurend door hun moed en volharding lauweren behaalden, onbezocht gelaten hadden. Het feit op zich zelf, dat een Engelschman eene nieuwe onderneming had begonnen, was destijds voldoende om Nederlanders tot navolging uit te lokken; hoe zou dat hier het geval niet geweest zijn, nu het welslagen der Engelschen dezen in het bezit zou gesteld hebben van den kortsten weg naar Oost-Indië juist op het oogenblik, dat de wedijver van beide natiën daar meer en meer een ernstig karakter begon aan te nemen? Ook is het slechts de geheele onbekendheid der latere Nederlandsche noordpoolreizen, die ooit het gevoelen heeft kunnen doen wortelschieten, dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw het noordwesten nooit bezocht hebben; wij zagen reeds, dat nog voor het einde van het eerste tijdperk een Amsterdamsch schip den steven daarheen wendde. Juist echter nu dus aan de vaart der Nederlanders naar het noorden nieuwe banen schenen geopend te zullen worden, bedreigde haar een ernstig gevaar. Het octrooi der Noordsche Compagnie sloot een groot gedeelte der noordpoollanden voor allen, die geen aandeel in de vereeniging hadden; de vischrijke stranden van Spitsbergen, de langen tijd gezochte goudmijnen aan straat Davis waren aan het verkeer onttrokken, de handel met de Groenlanders was verboden. Nam reeds dit op zich zelf een prikkel tot nieuwe ontdekkingsreizen weg, weldra zouden er nieuwe moeielijkheden daartegen oprijzen. De ondervinding had geleerd, dat het bezit van land in de IJszee voor de walvischvangst nuttig, ja onontbeerlijk was, en terwijl dus de inbezitneming der reeds bekende landen door de Noordsche Compagnie spoedig te verwachten was, verklaarde deze reeds dadelijk, dat zij voornemens was verdere ontdekkingstochten te doen om de tot nu toe onbekende streken voor hare nering in bezit te nemen. Het was gemakkelijk te voorspellen, dat de compagnie, dus meester in de geheele IJszee en tot in straat Davis toe, weldra feitelijk het monopolie zou verwerven ook voor reizen ter ontdekking van den noordelijken doortocht, waartoe zij beter dan iemand in staat was, omdat zij gemakkelijker en minder kostbaar dan alle andere Nederlanders de vaart kon volbrengen. Wat erger was, het kon den schijn hebben, alsof de Staten-Generaal hunne goedkeuring aan dit monopolie geschonken hadden. Daarvoor moest gezorgd worden: de regeering, die zelfs aan de zoozeer bevoorrechte Oost-Indische Compagnie het monopolie om de IJszee te bevaren uitdrukkelijk geweigerd had om zoodoende den prikkel tot ontdekkingen levendig te houden, wilde er voor waken, dat ook nu de omstandigheden haar op nieuw tot het verleenen van voorrechten gedwongen hadden, de ondernemingszucht der Nederlanders niet uitgedoofd werd en eene andere bevoorrechte vereeniging niet de voordeelen verkreeg, die aan hare oudere zuster geweigerd waren. De zaak scheen spoed te vereischen en reeds dadelijk werd dan ook het »depescheren” van het octrooi der compagnie opgehouden[622].
Ook buiten de vergadering der Staten-Generaal waren deze bedenkingen gerezen. Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander van alle monopolie, de gevreesde vijand der Oost-Indische Compagnie, zag dadelijk het gevaar in, dat de ondernemingen zijner landgenooten bedreigde. Juist was hij met een nieuw omvangrijk plan bezig, dat beloofde de Oost-Indische Compagnie door de ontdekking van eenen nieuwen weg in het zuidwesten eindelijk haar monopolie te ontwringen, maar de zaak was toch niet zeker genoeg dan dat hij niet alles in het werk zou stellen om zich bij mislukking van dit plan den ouden reeds eenmaal beproefden weg door het noorden open te houden. Met het oog op zijne Austraalsche Compagnie en op het pas verleende octrooi der Noordsche diende hij daarom weldra bij de Staten een verzoekschrift in, waarbij hij, wars van alle duurzaam monopolie, als belooning zijner moeite zich de voordeelen zijner eventueele ontdekkingen ten minste voor eenige jaren bij uitsluiting trachtte te bedingen[623]. Het gevolg was, dat de Staten den 27 Maart 1614 wel het octrooi der Noordsche Compagnie nu definitief uitvaardigden, maar tevens een »generael octroy” verleenden »voor die geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen oft Plaetsen souden ontdecken.” »Wy verstaen,” dus spraken de Staten, »eerlijck, dienstlijck ende profijtelijck voor dese Landen, ende tot vorderinge van den welstant van dien, oock tot onderhoudt van het Zeevarende Volck te wesen, dat die goede Inghesetenen verweckt ende gheencourageert worden, omme hen te employeren ende verkloecken in ’t ondersoecken ende ontdecken vande Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, die voor desen niet ontdeckt ofte bevaren zijn gheweest, ende is by eenige Koopluyden ons openinge ghedaen, dat syluyden door Godes ghenadige hulpe, met diligentie, moeyten, periculen ende kosten, hen daer toe sulcks verhoopen te employeren, dat daer van goede vruchten souden staen te verwachten, indien onse beliefte ware, hen te octroyeren, priviligieren ende begenadigen, dat sy die Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, by henluyden van nieuws te vinden ende ontdecken, alleen souden mogen bevaren, beseylen ende frequenteren voor ses reysen in recompense van hare kosten, moeyten ende periculen: Met interdictie dat niemant directelijck ofte indirectelijck de selve Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen soude mogen bevaren, beseylen ofte frequenteren, voor ende al eer die eerste ontdeckers ofte bevinders der selver, de voorschreve ses reysen souden hebben volbracht.” De Staten-Generaal dit alles »rijpelijck overgewogen hebbende, ende bevindende het voorschreve voornemen voor den welstant der Vereenichde Landen loffelijck, eerlijck ende dienstelick, Ende willende het besoecken voor alle ende een yeghelijck vande Ingesetenen deser Landen vry ende gemeen maecken, wilden allen ende een yeghelijck vanden Inghesetenen der Vereenichde Nederlanden tot het voorschreve ondersoeck noodigen”, en »octroyeerden ende consenteerden daeromme, dat die geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen voortaen sou ontdecken, hy de selve alleenlijck sou bevaren ofte doen bevaren voor vier reysen, sonder dat yemant anders directelijck ofte indirectelijck de selve nieuwe ontdeckte ende gevonden Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen sou mogen uytte Vereenichde Landen beseylen, bevaren ofte frequenteren, voor dat den eersten bevinder ofte ontdecker de selve vier reysen selfs sal hebben ghedaen, ofte doen doen, op peyne van confiscatie vande Schepen ende goederen daer mede daer jegens sou worden gheattenteert, ende een mulcte van vijftich duysent Nederlandtsche Ducaten ten profyte vande voorschreve Bevinder ofte ontdecker.”
Tegenover de voorrechten aan de Noordsche Compagnie verleend werden dus andere voordeelen uitgeloofd, die het aan ieder vrijstond te verkrijgen. Ieder oogenblik kon er nu een mededinger voor de bevoorrechte vereeniging opstaan, en om misverstand tusschen de wedijverende lichamen te voorkomen, bepaalden de Staten-Generaal nu reeds dadelijk, »dat sy by desen niet en verstonden eenige prejuditie ofte verminderinge te doen aen hunne voorgaende Octroyen ende Concessien. Ende soo verre in ofte ontrent een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien sulcke nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten, dat de selve te samen dit Octroy ende Privilegie souden genieten. Ende in gevalle eenige gheschillen ofte differenten desen aengaende ofte andersints uyt dese hunne Concessie quamen te rijsen ofte ontstaen, souden de selve by haer Ho: Mo: worden gedecideert, waer naer hem een yegelijck sou hebben te reguleren.”[624]
De maatregel bleek de Noordsche Compagnie tot krachtsinspanning te prikkelen; bevreesd voor de steeds dreigende mededingers deed zij alle moeite om hen te voorkomen, en in de eerste jaren van haar bestaan deed zij zelfs ernstige pogingen om van hare gunstige positie gebruik te maken, ten einde den langgezochten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds in 1613 kan men het er voor houden, dat de Amsterdamsche reeders op de walvischvangst hetzij door de schepen van Van Muyden, hetzij door eene afzonderlijke onderneming getracht hebben de noordpool te bereiken. In hun request aan de Staten-Generaal, waarbij zij octrooi verzochten, beroemden dezen zich toch, »dat sy de alder eerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aangevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van eene quantiteyt Schepen, alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden gheweest, Jae dat sy hadden ghepasseert drie-en-tachentich graden, blijckende by seeckere Caerte ende bewijs onder de Supplianten berustende, alwaer hare Schepen ghevonden hadden eene ruyme Zee, sonder Ys, vlack Weylandt, met Gras-etende Gedierten, ende aldaer aenden Zee-kant ende daer omtrent ghevangen eene quantiteyt Walvisschen, Walrussen ende andere Visschen.”[625] Het komt mij echter waarschijnlijk voor, dat deze opgave van de bereikte hoogte overdreven is. Nergens elders blijkt, dat er in 1613 door Van Tweenhuysen c. s. schepen ter ontdekking zijn uitgezonden en het verhaal van de »ruyme Zee sonder Ys” en het »vlack Weylandt met Gras-etende Gedierten”, waar men aan den zeekant walvisschen en walrussen ving, wijst te duidelijk op de bekende reis van Van Muyden, die Spitsbergens westkust bezocht, dan dat men eene afzonderlijke ontdekkingsreis ten noorden van dat eiland, waar zooals bekend is het zoogenaamde westijs weldra allen verderen doortocht belet, zou behoeven aan te nemen.
Maar zoodra de Noordsche Compagnie haar octrooi verkregen had, namen de ontdekkingsreizen een aanvang. Aangevuurd door de medewerking der Staten-Generaal besloot de vereeniging een tocht te doen ondernemen naar het noorden om den doortocht naar Oost-Indië te zoeken. Overeenkomstig met de toen heerschende denkbeelden omtrent den weg recht naar de noordpool werd daarheen de steven gewend. Twee schepen, »de goude Cath” van Amsterdam, kapitein Jan Jacobsz. May[626], en »den Orangienboom” van Enkhuizen, kapitein Jacob De Gouwenaer, vertrokken, met de Nederlandsche walvischvaarders naar Spitsbergen gezeild, in het begin van Juli uit Fairhaven[627]. Tusschen Groenland en Spitsbergen door zette men koers naar het noorden. Over den uitslag der reis bewaren de reeders het stilzwijgen, maar wij bezitten een bericht van een nog geloofwaardiger getuige: op een der schepen was stuurman Mr. Joris Carolus van Enkhuizen. Deze kundige zeeman, op wien de mantel van Barendsz. gevallen was, schijnt zich nauw aan de Noordsche Compagnie verbonden en haar krachtig gesteund te hebben bij hare eerste ontdekkingsreizen. Reeds toen was hij een ervaren zeeman. Na in het beleg van Ostende een been verloren te hebben schijnt hij zich op de stuurmanskunst toegelegd te hebben. Lange jaren had hij toen in dienst der Oost-Indische Compagnie in de gevaarlijke wateren van den Indischen archipel verkeerd, en nog lang zou hij op zijne talrijke reizen in de Europeesche wateren een schat van kennis verzamelen. Eindelijk toen hem »syne jaren ende impotentie eenighsins beletten,” zette hij zich als leermeester der stuurmanskunst te Amsterdam neder en bij de uitgave van zijn »Nieuw vermeerde Licht ende Vierighe Colom des grooten Zeevaerts” in 1634 kon hij toen getuigen, dat hij alle peilingen, opmetingen en teekeningen der Europeesche stranden, die dit uitgebreide kaartboek bevatte, mededeelde »niet uyt het verhael van andere, maer uyt syn eyghen observatien ende byweesen”[628]. Onder die »observatien” is er eene, die over het resultaat der reis, die wij bespreken, een merkwaardig licht verspreidt. »Het landt van Out-Groenlandt” (d. i. het zuidelijke gedeelte van Groenlands oostkust), zegt Carolus, »by Noorden Yslandt, streckende Zuijdtwaert tot de Caep ofte Staten Hoeck, ende dan om den Hoeck voorzeid langhs het Fretum Davids ende in de groote binnen Zee, rontsom is altemael vast lant, ende is al een selve landt aen America vast, zijnde tot by Noorden ende Noordoost van Yslandt af, soo ’t anders niet aen Spitsberghen vast en is, twelck ick niet gheloove, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen, dit heb ick bevonden inden jare 1614 doen ick soo verre om de Noord was tot op 83 graden[629], alwaer ick ghesien heb dat alle de ebben om de Noord liepen, daerom vermoede soo daer een deurgang om de Noord te vinden is, soo moet men die dat henen soecken, of hy noch bekent sal worden is Godt bekent, (Ick hope jae.)”[630] Reeds uit het medegedeelde blijkt, dat de expeditie wel hoop had den doortocht te vinden en het zelfs tot zeer ver in het noorden bracht, maar dat het doel der reis niet bereikt werd[631]. Reeds den 9 Augustus passeerden de twee schepen dan ook de noord westpunt van Spitsbergen op hunne terugreis[632]. Toch was deze tocht voor de Noordsche Compagnie voordeeliger dan eenige volgende: onderweg ontdekte men toevallig het afgelegen Jan Mayen-eiland, eene ontdekking voor de compagnie van onberekenbaar belang, maar door haar aanvankelijk niet gewaardeerd[633]. Ik hoop aan het einde van dit hoofdstuk op deze ontdekking terug te komen.
Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland wendde Carolus zich tot de Staten-Generaal en wekte hen tot eene nieuwe onderneming van landswege naar het noorden op. Hij bood zijne dienst aan »omme met yver tallen tyden opt comandement van hare Ho: Mo: noch voirder ondersoeck te doen.” Zijne moeite was echter vruchteloos. Wel legden de Staten-Generaal hem tot belooning van zijnen ijver en in aanmerking van zijne vroegere diensten de som van ƒ 72 eens toe »tot eene vereeringe”, maar tevens verklaarden zij, »dat hare Ho: Mo: voirder egheen costen meer en begeerden te doen tot last van het lant, om de voorszeide passage te doen ondersoecken, toelatende sulcx te doen die Coopluyden ende andere die de prys op het vinden vande voorszeide passage gestelt sullen begeerte hebben te winnen[634].” Gelukkiger slaagde Carolus bij de Noordsche Compagnie. De vereeniging toonde zich de hulp der Staten waardig, en was bereid om de vrijzinnige politiek der regeering in de hand te werken. Ook in 1615 maakte zij zich dus tot eene ontdekkingsreis gereed, ditmaal echter volgens een nieuw plan. In het begin van dit hoofdstuk heb ik er op gewezen, dat de ontdekkingsreizen der Engelschen zich in de laatste dertig jaren bijna altijd naar het noordwesten richtten. Nederland had lang de oude wegen door het noordoosten boven de andere verkozen; eerst toen alle pogingen vergeefs bleken gaf zij die richting voor langen tijd op. Wij zagen, dat reeds in 1613 eene Nederlandsche expeditie dadelijk naar het noordwesten uitgezonden werd, natuurlijk was het dat eene compagnie, aan wier hoofd een handelaar op Nieuw-Nederland, Lambert Van Tweenhuysen[635], stond, dien weg niet ondoorzocht zou laten. Ook was het daarheen, dat de Noordsche Compagnie verder hare meeste ontdekkingsreizen richtte.
Den 2 April 1615 kwam in de vergadering der Staten-Generaal het plan der compagnie ter tafel; hare schepen waren reeds gereed om ter ontdekking uit te zeilen. De Noordsche Compagnie beoogde met deze reis niets minder dan bij noorden om naar China te varen en om de Kaap de Goede Hoop terug te keeren[636]. Weinige weken voordat Jaques Le Maire langs het zuidwesten eene reis om de wereld begon, vertrok dus eene andere expeditie met hetzelfde doel en »omme te soecken ende ontdecken zeekre nyeuwe landen liggende int noortwesten” uit de Nederlandsche zeegaten. Maar de geest, die de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie bezielde,—een geest, waarvan Le Maire in het volgende jaar de treurige uitwerkselen zou ondervinden,—was aan de Noordsche Compagnie te goed bekend dan dat zij zich niet vooraf van de medewerking der Staten-Generaal zou verzekerd hebben. Voorzichtiger dan de bekende mededinger der Oost-Indische Compagnie verzochten de bewindhebbers vooraf van de regeering eene akte, dat het den schepelingen geoorloofd zou zijn op hunnen terugtocht de havens, die onder het octrooi der Oost-Indische Compagnie begrepen waren, aan te doen. Maar hooren wij hen zelven. »De Bewinthebberen vande geoctroijeerde compagnie vande Noordersche quartieren gheeuen reuerentelyck te kennen”, dus heet het, »dat zij geresolveert sijn eenighe scheepen weederom te seijnden tot het ondersoucken vande passagien bij noorden naer China ende Cathaij, Welcke Schepen nu eerstdaechs sullen gereet sijn om in Zee te loopen, ende dewijle dat onseeker is, offschoon de zelue passage werde ontdeckt, dat het doenlijck soude weesen met de Scheepen de selue wech wederom te keeren, maer dat zij souden genootsaeckt zijn te passeeren de Cabo de Bona Esperantie ofte d’engte van Magalanes, ende ouersulcx gedwongen ’t zij om ververssinge van water, victualie ende anderssints aen te doen eenige landen In Oost-Indien, de welcke hun bij de Scheepen vande Oost-Indische Compagnie aldaer weesende soude mogen werden belet, soo keeren sij supplianten hun tot uwe H. M. deselue ootmoedelijck biddende te verleenen acte op dat de voornoemde Scheepen onverhindert de voorsseide passage souden mogen doen ende de versseide Landen frequenteeren, op dat sulcken goeden aengeuangen werck in geener Manieren werde verachtert.”[637] De Staten-Generaal oordeelden het verzoek »in reden, billickheyt ende equiteyt ghefundeert,” en als altijd gunstig voor het zoeken van den noordelijken doortocht gestemd, verleenden zij dadelijk de verlangde akte[638], ja toen de compagnie den 11 Mei nog een jacht ter leen vroeg om de reis te maken, besloten de Staten-Generaal onmiddellijk »alsoo de saecke haeste vereyschte ende faveur meriteerde,” dat de Amsterdamsche admiraliteit met de supplianten zou onderhandelen om hun het verlangde te leenen zoo ’s lands belang dit toeliet[639].
Kort daarop vertrok werkelijk een jacht, door de Noordsche Compagnie uitgezonden, naar het noordwesten. Het zeilde straat Davis in en kwam tot de vóor dien tijd daar nog niet bereikte hoogte van 80° NB.[640] Ook over deze merkwaardige reis van Nederlanders, die een jaar vóor Bylot en Baffin nog verder dan dezen in het noordwesten doordrongen, heeft ons Joris Carolus naar ik meen eenig bericht nagelaten. In zijn boven vermeld kaartboek, dat voor de kennis der noordelijke streken zoo groot gezag had, dat daaruit alle latere Nederlandsche kaartenmakers naar het schijnt bijna zonder uitzondering geput hebben, verhaalt hij ons nauwkeurig de strekking van de oostkust van straat Davis tot op 71°. »Dan cryght men,” dus gaat hij voort, »een groote ruyme Zee Noord-west op gaende ende also weder Noordwaert rontsom nae ’t Oosten toe loopende, ende dan weder Zuydwaert tot de voorszeide enghte (nam. straat Davis.) Deze zee loopt sooverre Noordwaerts tot 79 graden, maer is achter dicht ende vast landt met Inwycken ende Rivieren, daer een groote menichte van ys gegenereert wordt, dat allenskens met de groote afwatering deur het nauwe van de Straet inde Noord-zee comt dryven langhs beyde custen henen tot in Terra Nova, alwaer ick een menichte hebbe sien dryven tot in de groote Baye van S. Laureyns achter ende bewesten Terra Novam.”[641] Het komt mij weinig twijfelachtig voor, dat Carolus deze ervaring op de hierbesproken reis van 1615 heeft opgedaan: de gevolgde koers, de bereikte hoogte stemmen nagenoeg overeen met het van elders bekende; Carolus was volgens zijne eigene getuigenis slechts driemaal hoog in het noorden en wij weten dat een dier reizen reeds in 1614 had plaatsgehad; eindelijk het staat vast, dat hij met de Noordsche Compagnie nauw verbonden was en in 1614 en 1617 in haar dienst reizen deed. Wij kunnen dus nagaan, dat de expeditie langs beide zijden van straat Davis en van de toen nog onbezeilde Baffins-bay een doortocht trachtte te vinden[642] en, toen zij dien niet vond, ouder gewoonte haar geluk in den handel met de inlanders beproefde. Immers Carolus toont zich met de bewoners der kust goed bekend: zijn oordeel over hen luidt zeer ongunstig. »De Inwoonders van dit Landt aen beyde zyden van de Straet,” dus verhaalt hij verder[643], »zyn alte-samen Heydenen ende wilde Menscheneters. Men moet haer schoon semblant niet ghelooven, al wat sy vermanghelen willen, dat langhen sy op haer riem, daer sy haer cano met voort roeyen, sy en vertrouwen niemant, daerom zyn sy oock niet te betrouwen, men moet hem wel wachten van aen landt te loopen, ten sy dat ghy wel op u hoede syt met een goet musquet: want sy vraghen niet veel nae een sabel, want men comtse soo nae niet: maer sy connen u treffen met hare boghen ende slingers, maer als sy sien datter een ter neder ghevelt wordt met een musquet, soo loopen d’ander te landewaert in int gheberghte daer sy haer onthouden.” Dus teleurgesteld keerden de reizigers terug: straat Davis uitgezeild bereikten zij een groot land, zich uitstrekkende van 57° tot 53° NB. »twelck men beraemde te wesen ten zuyelycxsten van Fretum Davits.” Dit land, dat niets anders zijn kan dan de reeds lang bekende kust van Labrador, werd door hen dus waarschijnlijk voor een nieuw ontdekte streek gehouden. De schepelingen gingen aan land en namen in naam der Staten-Generaal plechtig bezit daarvan door het planten der wapens van H. H. M. Aan een kaap op de kust gaven zij den naam van een der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie en noemden ze »Tweenhuysens-hoeck.”[644]. De compagnie haastte zich na de terugkomst van het jacht in November volgens het »generael octroy” eene akte aan te vragen, dat zij de ontdekkers waren van het betreden land. De Staten-Generaal vervielen in dezelfde dwaling als de bewindhebbers en de akte werd verleend[645].
Hoe weinig praktische resultaten de groote reis, door Carolus en de zijnen volbracht, ook had opgeleverd, zij had den Nederlanders de overtuiging geschonken, dat daar althans de gewenschte doortocht naar het verre Indië niet te vinden was. Carolus verzekerde later zonder aarzelen, dat de »deurgangh daer veel treffelijcke Zeevaerders naer ghesocht hebben maer te vergeefs” niet bestond[646]. Nieuwe pogingen schenen vruchteloos, nu eene zoo volhardende bemanning geleid door een stuurman als Carolus niet geslaagd was. Nog slechts éen enkele weg bood dus aan de Noordsche Compagnie kans op het bereiken van haar doel: lager in het noordwesten, waar Frobisher en Hudson gehoopt hadden eene zeeëngte te vinden, was nog veel ondoorzocht; niemand had van daar nog zulke zekere en teleurstellende berichten medegebracht als Carolus omtrent straat Davis. Daarheen moest dus de steven gewend. Onvermoeid toog de Noordsche Compagnie weder aan het werk: in het voorjaar van 1616 had zij eene nieuwe expeditie gereed, die den laatsten weg zou onderzoeken. Het jacht »den Orangienboom,” van Amsterdam, kapitein Willem Jansz[647], vertrok van Jan Mayen-eiland, waar dit jaar de walvischvangst voornamelijk gedreven werd, stevende benoorden IJsland langs, omzeilde Groenlands zuidpunt en kwam, straat Davis overstekende, aan »het westlant van fretum davits,” d. i. het tegenwoordige Cumberland-island. Daar werd waarschijnlijk in Frobisher-straat naar den doorgang gezocht, die daar niet te vinden was, misschien Hudsons-straat en baai bezeild[648], maar het eenige resultaat der reis, toen het jacht in November in het vaderland terugkwam, was, dat men een land op de westkust van straat Davis tusschen 60° en 66° NB. had verkend en betreden. Men had daar met de inwoners gesproken en van het land, Statenland genoemd, in naam der Staten-Generaal met het planten hunner wapens bezit genomen[649]. Evenals de ontdekking van het jaar 1615 werd ook Statenland volgens het »generael octroy” voor vier jaren onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen[650], zonder dat het blijkt, dat daarom de vereeniging zich ooit op het verkeer met die verre gewesten heeft toegelegd[651].
Toen dus ook deze tocht naar het verre westen den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië niet had doen ontdekken, verflauwde bij de Noordsche Compagnie de lust naar het zoeken daarvan voor geruimen tijd[652]. De weg langs Novaya-Zemlya was reeds vroeger opgegeven; toen dus ook de nieuwe wegen, die in den laatsten tijd beproefd waren, niettegenstaande de groote hoogte, die de schepen bereikt hadden, geen resultaat opleverden, meende men geene verdere pogingen meer te moeten doen. Geen weg was meer ondoorzocht; de moedeloosheid was algemeen en Maurits zelf, eens zoo ijverig voor het zoeken van den doortocht, verklaarde nu ronduit, »qu’il tient que c’est peine perdue de s’y trauailler d’auantage.”[653] Men meende, dat het vasteland, dat zich veel verder naar het noorden uitstrekte dan Amerika’s zuidpunt naar de zuidpool, steeds te veel moeielijkheden zou blijven aanbieden voor eenen doortocht; immers reeds in de straat van Magellaan en in straat Le Maire op 52° en 56° ZB. hinderde het ijs de reizigers altijd zeer[654]. Hoewel er zeker op deze redeneering vrij wat viel af te dingen, had de ondervinding toch voldoende geleerd, dat de noordelijke doortocht, ook als hij gevonden werd, vele moeielijkheden zou blijven opleveren. En bij dit bezwaar voegde zich een andere reden, die de Nederlanders minder ijverig maken moest tot het zoeken van den weg. De eens zoozeer begeerde ontdekking was niet langer het doel, waarnaar bijna allen, die geene leden der Oost-Indische Compagnie waren, met goedkeuring der regeering zelve streefden. »Je ne voy pas,” schreef de Fransche gezant Du Maurier op het laatst van 1618 aan een zijner bekenden, »qu’en cette Republique, quand bien il se pourroit, ils desirent la decouuerture dudict passage, pour les raisons que je vous ay marcquées cy deuant, tellement que cette consideration faisant en quelque sorte cesser l’Espoir de la recompense, cessera quant et quant le courage et l’Enuie de se hasarder pour cela.”[655] Het is zeker jammer, dat de redenen, die Du Maurier daarvoor opgaf, niet bewaard zijn gebleven, maar het is niet moeielijk ze ten minste eenigermate te gissen. De Oost-Indische Compagnie was meer en meer het lichaam geworden, waarnaar de natie zich gewend had op te zien als het stevigste bolwerk in den op nieuw dreigenden oorlog met Spanje. En dat lichaam, dat dus voor ’s lands vrijheid een vereischte geworden was, verkeerde niet meer in den bloeienden toestand, waarover men zich in de eerste jaren van zijn bestaan zoozeer verheugd had. Meer en meer waren misbruiken in het beheer openbaar geworden, het gemompel over den slechten stand der zaken was toegenomen, in Indië zelf had men met de Engelschen reeds lang onaangenaamheden, die gedurig toenamen. Nu dus eenmaal het behoud der Oost-Indische Compagnie eene nationale zaak geworden was, zou het zonderling geweest zijn met haar te gaan concurreeren. De regeering kon de wedijver niet meer aanmoedigen, de natie zelve moest haar belang inzien en de vertoornde participanten konden toch ook niet anders dan concurrentie vreezen. Nog slechts éenmaal vernemen wij dan ook in de eerstvolgende jaren van eene poging om den doortocht naar Oost-Indië te vinden: een Nederlandsch schipper stevende in 1618 weder met dat doel naar het noorden. De reis had trouwens niets te beduiden; toen de kapitein in December terugkeerde kon hij zich niet beroemen op de bereikte hoogte (65° NB.), en hij vergenoegde zich dus hoog op te geven van de gevonden schatten, die in eenige roode en groene jaspissteenen bestonden. Hij meende, dat uit de groote rotsen, die hij van dien steen gezien had, groote kolommen te vervaardigen waren, die gemakkelijk gepolijst en tot versiering der huizen gebruikt konden worden, maar de gewaande schatten van het noordwesten hadden reeds te veel zeelieden bedrogen dan dat men naar den schipper geluisterd hebben zou[656].
Maar al was het zoeken van den verren weg naar Indië opgegeven, de Noordsche Compagnie hield zich voortdurend met nieuwe ontdekkingsreizen bezig. Boven gewaagde ik reeds van het belang van landbezit in de IJszee voor de oefening der walvischvangst en daarnaar streefde de Noordsche Compagnie met al hare krachten. »Jaerlijcx wiert by haer seer getracht tot vorder ontdeckinge van onbekende landen ende zeen,” dus verhaalde zij zelve nog in 1624[657]. Het doel was natuurlijk de nadere verkenning van de kusten der IJszee en de inbezitneming daarvan voor de walvischvangst: de vrees voor concurrentie door het »generael octroy” drong de compagnie ook binnen de grenzen van haar eigen gebied nieuwe landen te zoeken. Reeds in 1614 schijnt het met geen ander doel geweest te zijn, dat het schip »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, de IJszee invoer; hij was echter niet verder dan Jan Mayen-eiland gekomen en kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes, die met het schip »Tswaentgen” ook wel genaamd »het duyffgen” op last der Noordsche Compagnie in 1615 van Spitsbergen uitgezeild was, om weder ontdekkingen te doen, had het, dezelfde richting als de reizigers van 1614 volgende, eveneens niet verder gebracht[658]. Maar nu het zoeken van den doortocht was opgegeven, nam de compagnie het doen van dergelijke ontdekkingsreizen op kleiner schaal met meer ijver ter hand. De resultaten waren echter schraal: slechts éen enkele maal vernemen wij van eene ontdekking. Joris Carolus ontdekte in 1617 op een schip, door drie kamers der Noordsche Compagnie—die te Delft, Hoorn en Enkhuizen—uitgerust, twee eilanden; het eene, door de schepelingen Nieuw-Holland genaamd, was gelegen van 60° tot 63° NB. (een gedeelte van Groenlands oostkust?), het andere, Opdams-eiland, op 66° NB. en 20 mijlen ten oosten van IJsland[659]. Dit laatste, ook wel Enkhuizer-eiland genoemd[660], is ook op latere Nederlandsche kaarten onder dien naam te vinden[661]; tegenwoordig is het echter daarvan verdwenen en het kan dus bezwaarlijk als eene ontdekking beschouwd worden. Het verlangde octrooi werd echter aan de compagnie dadelijk verleend.
Het resultaat was zeker niet schitterend en de »jaerlycxe ontdeckingen” zelve der Noordsche Compagnie toonden, dat zij meer en meer de hoop opgaf om langs dien weg voordeel te behalen. Wij zagen, dat reeds bij de laatste ontdekkingsreizen de kosten gedragen werden door eenige kamers der compagnie, terwijl de andere zonder twijfel den moed hadden laten zakken. Na 1617 zien wij nog wel ontdekkingsreizen ondernemen, maar niet de kamers, slechts enkelen harer leden droegen daarvan de kosten. Hoewel vreemden door hun kapitaal dat der ondernemers moesten versterken, waren het toch steeds leden der geoctrooieerde vereeniging, die de reizen schijnen ontworpen te hebben; steeds worden zij in de eerste plaats genoemd. En daar het aandeel, dat dien leden aan de eventueele ontdekkingen zou ingeruimd worden, volgens de bepalingen door de kamers gemaakt steeds dadelijk aan de generale compagnie ten goede moest komen zonder dat den ontdekker zelfs voor de vier jaren van het »generael octroy” afzonderlijke exploitatie werd gegund[662], kunnen ook deze reizen, hoewel slechts gedeeltelijk op kosten van enkele leden der Noordsche Compagnie ondernomen, zeer wel onder de reizen der vereeniging gerangschikt worden: het feit, dat geen enkele maal zonder medewerking van hare leden gehandeld werd, bewijst voldoende, dat zij het was, die aanleiding tot de tochten gaf. Reeds dadelijk in 1618 vinden wij drie reizen vermeld.
Twee Hoornsche kooplieden, Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber der aldaar gevestigde kamer der Noordsche Compagnie, en Otto Reyners, hadden reeds in 1616, zoo men hun verhaal gelooven mag, het schip »de vier Heemskinderen”, kapitein Pieter Jansz. stuurman Laurens Broers, ter ontdekking van nieuwe plaatsen voor de walvischvangst uitgezonden. Het resultaat der reis was de ontdekking geweest van een eiland op 701⁄2° NB., 28 à 30 mijlen westzuidwest van Jan Mayen-eiland. Het volgende jaar hadden zij weder een schip daarheen uitgezonden om hunne ontdekking te exploiteeren; men had de walvischvangst daar beproefd en met uitnemend gevolg gevestigd. In 1618 werden nu weder twee schepen met hetzelfde doel uitgezonden, maar het ijs belette de schepelingen ditmaal het eiland te naderen en den 12 Augustus vielen zij zonder eenige vangst te Hoorn binnen. Nu eindelijk werd er aan gedacht, bij de Staten-Generaal octrooi voor de ontdekking aan te vragen; de reeders lieten een proces-verbaal van hunne vruchtelooze laatste reis opmaken en verzochten de Staten dit te willen aannemen als rapport van hunne ontdekking. Maar het verzoek was zeer bedenkelijk. Nog daargelaten, dat een eiland op de aangeduide plaats niet bestaat en dus het geheele verhaal onwaarschijnlijk is, konden de reizigers »geen perfect rapport doen vande gelegentheyt vant voorszeide eylant by bewys van Caerte, Streecken, opdoeninge ende aencomste by tselve, om daermede te thoonen dat zy de vinders daervan alleene waren.” De Staten-Generaal oordeelden dan ook het verzoek der reeders om eene akte volgens het »generael octroy” ongegrond en wezen het van de hand. (24 Augustus 1618.)[663]
Gelukkiger waren weinige dagen later (30 Augustus) Cornelis Jansz. Muis en Adriaen Dircxz. Leversteyn, de hardnekkige concurrent der Noordsche Compagnie, op wier kosten kapitein Aert Adriaensz. Havelaer[664] met het schip »de Hasenwint” op 671⁄2° tusschen Groenland en IJsland, een eiland ontdekte (waarschijnlijk een gedeelte van Groenlands oostkust), waar hij vele vogelen, vossen, kabeljauwen en andere dieren ving. De schipper deed dadelijk na zijne terugkomst op 17 Augustus rapport van zijn wedervaren en de Staten-Generaal verleenden na overlegging der kaart de door de reeders van de ontdekking verzochte akte volgens het »generael octroy”[665].
Allerbelangrijkst is het bericht, dat wij in de resolutiën der Staten-Generaal van 8 Januari 1619 vinden omtrent de ontdekking van een voor de walvischvangst geschikt land tusschen 76°3´ en 80°6´ NB. door Logier Jaspersz. met een schip van Pieter Courten te Middelburg, een der voornaamste leden van de Zeeuwsche compagnie voor de walvischvangst. Dit land, door den ontdekker Nieuw-Zeeland genaamd, moet gelegen hebben op de oost- of westkust van Groenland[666]. Maar hoe dit ook zij, in ieder geval is de reis, waarvan ons dit schrale bericht is overgebleven, een nieuw bewijs van de verbazende volharding onzer zeelieden, die reeds in de zeventiende eeuw in eene altijd bijna onbevaarbare zee doordrongen tot eene hoogte, die zelfs de zooveel beter toegeruste reizigers van onzen tijd daar niet of eerst in de allerlaatste jaren bereikt hebben. En dat de ontdekking wèl gestaafd was, blijkt uit de resolutiën der Staten-Generaal zelve: het verzochte octrooi voor vier jaren werd dadelijk verleend[667].
Van eene andere reis, in 1619 op kosten eener Delftsche compagnie van kooplieden ondernomen, zijn geene berichten over. Bruin Willemsz. d’Edel en Bruin Dircxz. Van der Dusse kochten in het voorjaar van dit jaar van de Noordsche Compagnie het schip de »Waterhondt” van 180 last en zonden het 1 Mei naar Groenland. De Staten-Generaal leenden den reeders op hun verzoek veertien stukken geschut met de daarbij behoorende kogels, maar van den uitslag der reis is niets bekend[668].
De verdere tochten, door de Nederlanders in de eerste jaren na 1619 ondernomen, schijnen niet tot de ontdekking van nieuwe landen in het noorden geleid te hebben, ten minste de resolutiën der Staten-Generaal zwijgen daarover. Trouwens wanneer men niet tot het zoeken van den doortocht den steven verre naar het noordwesten wendde, was er niet veel nieuw land meer in de IJszee te vinden. De oostkust van Groenland was op enkele plaatsen bereikt, de eilanden in de IJszee waren voor zoover ze nu bekend zijn reeds allen ontdekt, ook Groenlands westkust was door Nederlanders bevaren. Het is dan ook alleen van tochten tot het zoeken van den doortocht ondernomen, dat wij nog enkele berichten vinden.
Het jaar 1624 kwam en plotseling zien wij de Nederlanders het zoeken van den noordelijken weg naar Oost-Indië weder met kracht opnemen. Naar beide zijden werd dit jaar de nog steeds onbekende doorgang gezocht. De Noordsche Compagnie zond een schip oostwaarts; de koopman Leversteyn, dien wij reeds in 1618 als haar mededinger leerden kennen, deed ditmaal eene uitrusting naar het westen. Door de jaarlijksche tochten ter walvischvangst waren de schippers der compagnie meer en meer bekend geworden met de noordkust van Spitsbergen; zij hadden opgemerkt, dat die kust zich meer en meer naar het oosten wendde. Tot 82° NB. waren zij in het noorden doorgedrongen en een schipper van Enkhuizen had op die hoogte zelfs »eenighe ghebroocken landekens” of eilanden meenen te zien. De verkregen zekerheid, dat Spitsbergen niet zooals men vroeger meende een gedeelte van Groenland was, maar dat zich ten noorden van het eiland eene ijsvrije zee bevond, die zich ten minste een eind ver naar het noorden uitstrekte, gaf nieuwe hoop op het vinden van den doortocht en het omzeilen der ver in het noorden uitstekende kaap Tabin. De Noordsche Compagnie besloot een spiegelschip van 40 last, wel uitgerust en voor langen tijd van proviand voorzien, uit te zenden om dien weg in te slaan. Den 3 Juni 1624 verliet dit schip onder bevel van Simon Willemsz.[669], met Jacob Jacobsz. van Edam als stuurman en acht personen als bemanning, de reede van Texel. Het plan was noordelijk langs Spitsbergens westkust naar de pool te zeilen,—de oude theorie van de warmte onder de pool gaf daartoe den moed;—eerst echter zou onderzocht worden of de noordkust van het eiland voortging zich oostwaarts te wenden, om zekerheid te verkrijgen of langs den voorgenomen weg kaap Tabin te bereiken was en of niet hoog in het noorden misschien een onbekend land den reizigers den pas zou afsnijden. In Nederland stelde men zich van den uitslag dezer reis veel voor, maar de uitkomst beantwoordde geheel niet aan de gekoesterde verwachting. Reeds op 83° NB. belette de ijsvlakte het schip verder noordelijk te zeilen; men was genoodzaakt oostwaarts den rand van het ijs te volgen. Nergens werd echter een doorgang naar het noorden gevonden: het schip was genoodzaakt terug te keeren. Zoo spoedig was de reis geëindigd, dat de schepelingen nog vroeg genoeg in de Mauritius-baai aankwamen om aan de walvischvangst van dit jaar deel te nemen[670].
Uitvoeriger berichten wist Leversteyn van zijn wedervaren te geven. Reeds vroeger meende men de zekerheid verkregen te hebben, dat Groenland ten noorden aan de westkust van straat Davis verbonden was en dat dus deze zoogenaamde straat geene zeeëngte maar een baai was. Toen Leversteyn dus in 1624 met Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Hoorn, en een ander koopman, Borch genaamd, een schip uitrustte om in het noordwesten eenen doortocht naar Oost-Indië te zoeken, hoopte men dien weg niet zoozeer hoog in het noorden als wel iets lager in het verre westen te vinden. Het schip, waarop waarschijnlijk Marten Arendsz. van Den Briel opperstuurman was[671], zeilde dan ook daarheen en vond werkelijk ten noorden van Hudsons-straat »een passagie, daer ghemeent werdt een pas naer Oost-Indien te zijn: daer was een open Zee, wel vierdehalf Mijl wijt, en al gebroocken Lant, vol van volck, al met Pelterijen en Robbe-Vellen ghecleedt, seer begerich naer Yser-werck, willende de Bouten uyt het Schip haelen: seer diefachtig, alles nemende dat los is, rauw Vleesch en Visch eetende, seer net op een parck schietende, met haer Flitsen daer sy het Wildt mede treffen: daer was goede handelingh van Pelterijen, dies men in ’t Schip alles vermangelt heeft dat het in hadde.”[672] Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking gemaakt blijkt het overtuigend, dat de reizigers eenvoudig straat Davis een eind weg opgezeild zijn en wel niet verder dan tot 65° NB.[673]. De ontdekte »passagie” is waarschijnlijk de Cumberlands-bay. Dat de doortocht niet gevonden werd, spreekt van zelf; straat Davis overstekende keerden de reizigers langs de oostkust terug. Leversteyn verhaalde toch aan de Staten-Generaal, dat een door hem ontdekt land zich van »de Oostcaep van Fretum Davis” (d. i. kaap Farewell)[674] uitstrekte tot 5° meer noordelijk, waar zich een zekere rivier bevond, die zijn schip bezocht had[675].
Maar niet ongestoord zou Leversteyn de vruchten van zijne gewaande ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engelbert Pietersz. Van der Zee had dit jaar straat Davis doen bezeilen en daar ontdekt een nieuw eiland, waar hij had »opgedaen seeckere silvere ende goutmynen voor desen noyt bekent[676].” Zoodra Leversteyn zich nu tot de Staten-Generaal wendde met verzoek om octrooi voor niet minder dan twintig jaar, opdat hij zijne ontdekking met uitsluiting van alle andere Nederlanders zou kunnen exploiteeren en ze tot 84° NB. voortzetten, verzette zich Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van zijne zijde verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren alleen te mogen bevaren; hij bood aan zijne ontdekking te bewijzen en tegelijk aan te toonen »de sub- ende obreptie” van Leversteyns verzoek.
Hoewel het zoeken van den doortocht opgegeven en eene ontginning der walvischvangst in die streken niet bedoeld schijnt te zijn, was echter de Noordsche Compagnie niet gezind zich het monopolie van landbezit in de poolstreken, dat zij zoo langen tijd bijna ongestoord bezeten had, te laten ontwringen. Zoo zij zelve zich tot nog toe tot de walvischvangst bepaald had, hare beginselen waren te exclusief dan dat zij het zou gedoogd hebben, dat anderen zich zelfs tot het drijven van den pelterijhandel of het ontginnen der reeds lang gezochte goudmijnen bij straat Davis in het noorden vestigden. Dadelijk verzocht zij dan ook de Staten-Generaal, de requesten van beide kooplieden, voordat daarover eene beslissing genomen werd, in hare handen te doen stellen om ze nader te onderzoeken. De Staten-Generaal wenschten echter de beslissing aan zich te houden en besloten (11 November), de drie partijen voor eene daartoe benoemde commissie nader te doen hooren[677].
De beide requestranten schijnen daardoor in groote verlegenheid gebracht te zijn: reeds den 21 November werden partijen gelast tegen den 25 voor de commissarissen te verschijnen[678], en toch hadden de beide mededingers nog in Februari zoo weinig afdoende bewijzen van hun recht ingeleverd, dat de Staten-Generaal op verzoek der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie besloten, Leversteyn en Van der Zee te gelasten, dat zij toch »rechte openinge” zouden doen van de ligging der door hen ontdekte landen om te beslissen of die al dan niet onder het octrooi der Noordsche Compagnie vielen, en zoo neen of zij door de schepen der compagnie vroeger waren bevaren[679]. De zaak bleef slepen[680]: het schijnt de taktiek der partijen geweest te zijn, de beraadslagingen over deze zaak te rekken, totdat zij op nieuw het bewuste land hadden bevaren en afdoende bewijzen voor hun recht konden bijbrengen.
Het bleef dan ook niet bij vertoogen aan de Staten-Generaal. Dadelijk zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie in het volgende jaar (1625) een scheepje van 40 à 50 last naar het noorden[681]. De bevelhebber dezer expeditie kreeg last om het bewuste land te bezeilen en daarna straat Davis of Hudsons-straat en de naar hem genoemde baai ( »syn ghevonden Zee,” zegt Wassenaer) te onderzoeken, »met hoope om aldaer oock wat raers of nieus t’ ontdecken.” De kapitein van het jacht was Jan Jansz.[682], de bemanning bestond uit vijftien koppen. Men wilde dit jaar de kusten verkennen en in het najaar terugkeeren: het volgende jaar zou de Noordsche Compagnie dan »met ernst daer op equipperen[683].” De schepelingen hielden zich allereerst bezig met het onderzoeken der door Leversteyn gezochte »passagie” (door Cumberlands-bay), maar vonden die »ghestopt met lant.” Iets meer naar het zuiden kwamen zij aan eenen inham, reeds vroeger door Europeanen bezocht (Frobisher-straat), maar dien een eind wegs opzeilende, kwamen zij verder dan hunne voorgangers geweest waren. De bewoners, even roofzuchtig als de Groenlanders, toonden zich bereid tot ruilhandel; zij boden wapens, kleedingstukken, schuitjes en al wat zij hadden ter ruil aan, maar de zooveel belovende pelterijen, waarvan Leversteyn gesproken had, kregen de Nederlanders niet te zien. Ontevreden keerden zij terug en na eene rampspoedige reis, door nevel, storm en ijs gehinderd, kwamen zij in het vaderland aan[684]. Voor de ontdekking van verschillende baaien, rivieren, eilanden en volken tusschen 60° en 681⁄2° NB. verzochten zij, aan hun systeem van uitsluiting getrouw, echter dadelijk aan de Staten-Generaal octrooi[685].
Maar ook Leversteyn had onderwijl niet stilgezeten. Hij had met zijne deelgenooten in Mei 1625 niet minder dan drie schepen van 100 last uitgezonden, waarschijnlijk weder onder bevel van Marten Arendsz. van Den Briel als opperstuurman[686], om op de ontdekte landen handel te drijven en den doortocht nader te onderzoeken[687]. Zij verkregen een gunstig resultaat en ontdekten in straat Davis »seecker Lant bewoont met menschen, noyt voor dato vandien by eenige ingesetenen der Vereenichde Nederlanden bevaren[688].” De beide mededingers verschenen dan ook op het laatst van 1625 weder voor de Staten-Generaal en verzochten octrooi voor hunne ontdekkingen. De regeering stelde beide requesten in handen eener commissie om partijen zoo mogelijk in der minne tot eene overeenkomst te brengen[689]. De uitslag dezer bemoeiingen wordt niet gemeld.—Eene poging van Van der Zee, om nog in 1627 den naar het schijnt toen reeds bijna vergeten strijd over de ontdekkingen op Groenlands westkust weder te verlevendigen door nogmaals octrooi voor zijne beweerde ontdekking van 1624 te vragen, schijnt even onbeslist gebleven te zijn[690]. Het blijkt echter, dat ook in 1626 straat Davis door Nederlanders bevaren is[691].
Ook het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië was door de Noordsche Compagnie onderwijl weder opgevat. De ongelukkige reis van schipper Simon Willemsz. had haar echter van het volgen van de richting door het hooge noorden afgeschrikt en zij keerde dus terug tot de oude plannen der zestiende eeuw, die bij de onbekendheid van het hooge noorden met groote voorzichtigheid aanrieden, op eenigszins primitieve wijze eenvoudig de lijn der kust te volgen. Daartoe rustte de Amsterdamsche kamer der compagnie nu een spiegelschip van 90 last, »de Cat” genaamd, uit voor eene lange reis. Het werd bemand met 24 koppen, van proviand voorzien voor 21⁄2 jaar en schipper Cornelis Teunisz. Bosman van Amsterdam aan het hoofd der onderneming gesteld, terwijl Willem Joosten Glimmer hem als commies vergezelde[692]. De algemeene aandacht schijnt zich op deze onderneming gevestigd te hebben; er waren aan de uitrusting geheimzinnige inrichtingen verbonden, die aan de reis grootere kans van slagen verzekerden dan aan eenige vorige[693]. De Noordsche Compagnie, als altijd zeer voorzichtig, waar zij met hare Oost-Indische zuster in botsing dreigde te komen, verzocht evenals in 1615 van de Staten-Generaal »opene patente, daerby alle uytheemsche Coningen ende potentaten mitsgaders alle gouverneurs ende bevelhebberen van wat conditie off qualiteyt die souden mogen syn, versocht ende respective bevoelen wierden,” het schip te laten heen- en teruggaan zonder eenige verhindering. (25 Maart 1625.) Het verzoek der compagnie werd dadelijk toegestaan en haar tevens op haar verzoek afschrift verleend van de resolutie van 1596, waarbij de premie van ƒ 25,000 door de Staten was uitgeloofd[694]. Het schip schijnt nog eenigen tijd opgehouden te zijn en vertrok eerst 24 Juni van Texel. Het plan der reis was geheel hetzelfde als in 1594: men wilde langs de Russische kust de straat van Nassau doorzeilen naar den Ob, kaap Tabin trachten te bereiken en door straat Anian den weg naar Cathay, China en Japan zoeken, om het volgende jaar langs denzelfden weg terug te keeren en octrooi voor het vinden van den weg aan te vragen[695]. De uitslag beantwoordde echter geheel niet aan de hooge verwachtingen, die men van de onderneming koesterde. Eerst 24 Juli voorbij het eiland Kolgojev gezeild, bereikte men 28 Juli Novaya-Zemlya op 70°55´ NB. en werd reeds daar zoozeer door het drijfijs gehinderd, dat men dagenlang in eene baai moest blijven liggen. Eerst 10 Augustus kon de straat van Nassau ingezeild worden. Den 13 Augustus kwam het schip ook behouden voor het Staten-eiland ten oosten van Vaigatsch ten anker, maar nauwelijks was men 17 Augustus van daar vertrokken of een harde vorst deed de zeilen stijf bevriezen, terwijl de wind de ijsschotsen met zulk een geweld op het vaartuig aandreef, dat men wel genoodzaakt was in straat Nassau terug te keeren. Bosman was nog daar, toen een hevige storm hem onder sneeuw en hagel van zijne ankers sloeg en hem tot den terugtocht deed besluiten. De berichten van eenige Russische visschers, die hij ontmoette, hadden de reeds ontmoedigde reizigers in hun voornemen bevestigd. Zij verhaalden, dat straat Nassau slechts eens om de twee of drie jaar open was en dat dan nog alleen laat in den tijd het drijfijs den toegang vrijliet; zij, die gewoon waren jaarlijks met drie of vier kleine scheepjes tusschen Pechora en Vaigatsch de vischvangst te beproeven, waren dan ook dikwijls genoodzaakt zich tot de ondiepten in de straat van Nassau zelve te bepalen[696]. Hoe onmogelijk het dus voor de expeditie scheen verder te gaan, in het vaderland was men, toen Bosman in het begin van September onverrichter zake terugkwam, niet zeer tevreden over zijn beleid. Men schijnt hem gebrek aan volharding en moed verweten te hebben; men schijnt het hem ten kwade geduid te hebben, dat hij reeds op het gezicht van het drijfijs teruggekeerd was zonder zich daarin te wagen. »Het staet alsoo met de vaert door ’t Ys, naer ghelegentheyt vande winden,” schrijft Wassenaer, die veel van de reis gehoopt had, »d’eene wint dryft u al het Ys op ’tlijf dat ontrent u is, die wint veranderende, drijft al ’t Ys van u of, en ghy hebt eenen vryen pas; die wat ondersoecken wil, moet niet schroom en hem in ’t Ys te begheven, en daer eenighe daghen in te blyven legghen, en dryven, en daer nae weder los werden; die soo niet doet sal niet uytrechten, als desen voorghevallen is[697].”
Dit zijn de laatste berichten, die ons omtrent ontdekkingsreizen naar het noorden, door of ten tijde van het bestaan der Noordsche Compagnie door Nederlanders ondernomen, zijn overgebleven. De ongelukkige uitslag schijnt van verdere pogingen te hebben afgeschrikt en de Noordsche Compagnie heeft zich zeker meer en meer op de walvischvangst toegelegd, die ook zonder de ontdekking van nieuwe vaste uitgangspunten juist in deze jaren overvloedige winsten afwierp[698]. Voordat wij echter over de ontdekkingen der Noordsche Compagnie zwijgen, blijft ons over iets mede te deelen omtrent de ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover zeer verwarde verhalen in omloop zijn.[Bijlage XIV]
Jan Mayen-eiland is volgens de gewone overlevering ontdekt door Jan Cornelisz. May op zijne reis naar het noorden in 1611. Dit verhaal, reeds door Zorgdrager medegedeeld[699], is na hem door alle schrijvers, die het eiland vermelden, overgenomen[700]. Het is niet moeielijk de redeneering na te gaan, die het heeft doen ontstaan. Jan Mayen-eiland was natuurlijk ontdekt door Jan May, de naam zelf reeds wees het aan; zekere Jan May was in 1611 naar het noorden geweest, dus was hij de ontdekker. Toch mocht het zonderling heeten, dat zulk eene belangrijke plaats in het octrooi der Noordsche Compagnie van 1614 niet genoemd werd; toch berichtte de heer De Jonge, dat in het zeer uitvoerige journaal van de reis van Jan Cornelisz. May geene melding van het eiland gemaakt werd[701]. Nasporingen op het Rijks-Archief en elders hebben mij nu in staat gesteld, de ware geschiedenis der ontdekking uitvoerig te verhalen. Dat zij ingewikkeld is blijkt reeds uit de feiten, dat niet minder dan zevenmaal terecht of ten onrechte op de eer en het voordeel der ontdekking van Jan Mayen-eiland als van een nieuw land is aanspraak gemaakt,—dat over die ontdekking niet minder dan drie processen door Nederlanders en vreemdelingen tegen de Noordsche Compagnie gevoerd zijn,—dat het eiland onder twaalf verschillende namen in de geschiedenis bekend is,—dat degene, die geacht wordt zijn naam aan het eiland gegeven te hebben, zelfs van het bestaan daarvan geheel onkundig was,—en dat de werkelijke naamgever de eigenlijke ontdekker niet is. In de volgende bladen hoop ik al deze vreemdklinkende beweringen te bewijzen: voorloopig zal ik mij bepalen tot een kort verhaal der verschillende zoogenaamde ontdekkingen.
»In the yeere 1608, ” dus verhaalt Edge in zijn »Northerne Discoueries of the Muscouia Merchants,” »the said fellowship set forth a Ship called the Hope-well, whereof William Hudson was Master, to discouer to the Pole, where it appeareth by his Iournall, that hee came to the height of 81 degrees, where he gaue Names to certayne places, vpon the Continent of Greenland formerly discouered, which continue to this day, namely, Whale Bay, and Hackluit Headland, and being hindred with Ice, returned home without any further vse made of the Countrey, and in ranging homewards, hee discouered an Iland lying in 71 degrees, which hee named Hudsons Tutches.”[702] Asher[703] heeft m. i. overtuigend bewezen, dat Hudsons Tutches niets anders is dan Jan Mayen-eiland[704], en dat dit laatste in Engeland nog in 1618 onder den naam van »Hudson’s Touches” bekend was[705]. Het mag ons echter van een scherpzinnig geleerde als Asher verwonderen, dat hij met geen enkel woord de reden opgeeft, waarom hij den naam William Hudson stoutweg in Henry Hudson veranderd heeft. Edge was iemand, die volkomen op de hoogte der beschreven zaken zijn kon[706] en dus niet lichtvaardig van vergissingen mag verdacht worden. En er zijn in het verhaal van dien goed ingelichten schrijver verschillende bezwaren tegen het identificeeren van de door hem beschreven reis en den eersten tocht van den beroemden Henry Hudson. 1o. Het jaar van Hudsons eerste reis is 1607; hier wordt gesproken van 1608. 2o. Hudsons voornaam was, zooals bekend is, Henry; Edge noemt zijnen reiziger William Hudson. 3o. In de verhalen, die van Hudsons eerste reis overig zijn (waaronder een journaal, geheel aan dat van Hudson ontleend en misschien gedeeltelijk door hem zelven geschreven) wordt van het geven van de namen Whale-bay en Hakluyts Headland aan twee plaatsen der kust niet gesproken. 4o. Evenmin wordt daarin van de zoo gewichtige ontdekking van een nieuw eiland op 71° gesproken. 5o. Jan Mayen-eiland lag volstrekt niet in Hudsons weg; ook Asher maakt het niet duidelijk, hoe de reiziger daar kan gekomen zijn[707].—Op deze gronden geloof ik, dat Asher al te spoedig tot het veranderen van den naam William Hudson in Henry Hudson is overgegaan,—eene verandering, waarop in ieder geval de aandacht had moeten gevestigd worden; of de bezwaren echter gewichtig genoeg zijn, om tot het aannemen eener afzonderlijke van elders niet bekende reis naar Spitsbergen door zekeren William Hudson in 1608 te doen besluiten, durf ik niet beslissen. Ik geef de verschillen der verhalen voor wat ze zijn: een bevoegder beoordeelaar beslisse. Ondertusschen zij opgemerkt, dat het niet onwaarschijnlijk is, dat de Moscovische Compagnie een der zonen[708] of broeders[709] van den verdienstelijken reiziger Hudson in dienst genomen heeft om den noordelijken doortocht op nieuw te zoeken.
»Jan Mayen Island,” zegt Scoresby[710], »was also discovered by the whalers of Hull about the same time (i. e. 1611 of 12), and named Trinity Island; in consequence of which, when the Russia Company attempted to monopolize the fishery of the whole of the Polar countries, this island was granted by the King to the Corporation of Hull, on their petition in the year 1618, as a fishing station.” Hetzelfde zegt ook Macpherson[711], die het waarschijnlijk met alle andere berichten van dien aard aan Purchas ontleend heeft. Waarom Scoresby echter Trinity-island identificeert met Jan Mayen-eiland (terwijl Macpherson dit niet doet) meldt hij ons niet; geen autoriteit wordt door hem hiervoor opgegeven. Macpherson beschrijft het door de Hullers ontdekte eiland als »the isle of Trinity, lying in the north sea towards Spitzbergen.” Is dit juist, dan kan het bezwaarlijk Jan Mayen-eiland zijn; wat ook daarom onwaarschijnlijk is, omdat de Moscovische Compagnie in hetzelfde jaar 1618, toen koning Jakob I Trinity-island aan de Hullers afstond op grond, dat zij het ontdekt en het eerst daar gevischt hadden, zeer goed blijkt geweten te hebben, dat Jan Mayen-eiland als Hudsons Touches door Hudson ontdekt was[712]. Maar toch kan Trinity-island bijna niets anders dan Jan Mayen-eiland zijn. Waarschijnlijk lag het toch niet dicht bij Spitsbergen, want het was juist om twist tusschen de Moscovische Compagnie en de Hullers te vermijden, dat Jakob I Trinity-island aan de laatsten afstond. Ook was het waarschijnlijk eene plaats, waar de walvischvangst zeer voordeelig was, daar de gift eene schadevergoeding moest zijn voor het ontzeggen aan de Hullers van het recht om bij Spitsbergen te visschen. Eene bevestiging dezer meening vind ik op eene oude Nederlandsche kaart[713], waarop aangeteekend staat: »Lounges Forland ofte Trinitie Eylandt, nu Ian Mayen Eylandt.” Zoo Trinity-island dus Jan Mayen-eiland is, dan kan het o. a. ontdekt zijn door Thomas Marmaduke van Hull, die volgens Poole in 1612 met het schip »the Hope-well” eene ontdekkingsreis deed in het noorden en zelfs tot 82° NB. kwam[714].
Jean Vrolicq, een Baskisch walvischvaarder, beweerde in 1629, dat hij den 3 Juni 1612 op 711⁄2° NB. ontdekt had een eiland, Pico genaamd. Hij zou dit »l’Isle de Richelieu” genoemd hebben en verzocht nu op grond zijner ontdekking octrooi daarvoor van den kardinaal de Richelieu. Deze ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover ik in het achtste hoofdstuk uitvoeriger hoop te spreken, is blijkbaar later verzonnen. Jean Vrolicq had langen tijd in dienst der Noordsche Compagnie gevaren en was daarna waarschijnlijk kort voor 1629 op Jan Mayen-eiland geweest, dat hij op zijne reizen met de Nederlandsche walvischvaarders zal hebben leeren kennen[715].
Den 18 Juni 1614 ontdekte een schip van eene Duinkerksche reederij, als wier vertegenwoordiger een Engelsch koopman John Clarke optrad, Jan Mayen-eiland op nieuw[716]. Een proces, door hem met de Noordsche Compagnie daarover gevoerd, eindigde met de erkenning van zijn recht. Ik zal hierover later (hoofdstuk VIII) uitvoeriger spreken.
»’t Eylant is in ’t jaer 1614 door de Hollanders, onder welcke was Schipper Jan Jacobsz. May, wiens naem het in ’t gemeen heeft, ontdeckt.” Dus verhaalt ons Blaeu in zijn groote atlas als bijschrift van de kaart van Jan Mayen-eiland. Reeds Tiele[717] vestigde de aandacht op deze mededeeling. Ik ben in staat te zeggen, dat zij volkomen juist is[718] en hoop dit in het negende hoofdstuk nader te bewijzen. Eenige bizonderheden omtrent de hier vermelde reis van Jan Jacobsz. May deelde ik mede op p. 167-169.
In hetzelfde jaar bereikte een ander schip der Noordsche Compagnie, »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, het eiland eveneens. Ditmaal werd het onderzocht en het volgende jaar deed Kerckhoff een tweede reis daarheen voor de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie. In 1615 beweerde deze dan ook op 711⁄2° NB. gevonden te hebben een onbekend eiland, dat zij als voor de walvischvangst geschikt in bezit genomen en Mauritius genoemd had[719]. Dat dit Jan Mayen-eiland was, zal uit het negende hoofdstuk blijken. De beweerde ontdekking was niets anders dan eene reis, door kapitein Kerckhoff ter walvischvangst naar het hem sinds het vorige jaar reeds bekende Jan Mayen-eiland gedaan.
In hetzelfde jaar 1615 ondernam Robert Fotherby met het schip Richard op kosten der Moscovische Compagnie eene reis naar het noorden. Omstreeks 20 Juli stuitte hij ten westen van Spitsbergen op 73°50´ NB. op eenen ijsdam. »We stood out againe”, dus verhaalt hij verder, »and coasted the Ice still to the Westwards Southerly, but could see no Land, as I expected to haue done, vntill wee came vnder the latitude of 71 degrees thirtie minutes, and then we espyed a snowie Hill very high in the cloudes, for this day was very cleere at Sea, but the fogge was not yet cleered from the Land, so that we could see no part of it, but only the top of a snowie Mountayne, which appeared very high although wee were fourteene or fifteene leagues distant from it, bearing off vs South-east and by South.—Then I stood in for the shoare, supposing it had beene part of the Mayne of Groynland: for the fogge lay on each side of this Mount, as if there had beene a great Continent vnder it, but it proued otherwise, for as we came neerer to it, the fogge dispersed more and more, and when wee were fiue leagues distant, the Land appeared in forme like an Iland.—When I came neerer the shore, I could find no Harbor to anchor in. Notwithstanding, the weather being faire and calme, I hoist out my Boat and went ashore with three men more, and set vp the Kings Armes: then we searched a sandie Beach, which was abundantly stored with drift wood, but yeelded no other fruits, that we could find worth the taking vp, so I returned aboord againe, and sent ashoare my Boat to fetch some wood. But before the men had laid into her the little quantitie that she was able to carrie, they came aboard againe, for the wind began to blow hard, and the Sea to goe loftie, so that here was no place for vs to abide any longer, otherwise I was purposed to haue searched further alongst the shoare, but this gale of winds comming Northerly I stood from hence to the Westwards, being desirous to see more Land or finde a more open Sea.” Zuidwestelijk zeilde Fotherby toen langs het ijs, maar werd door tegenwind genoodzaakt naar Spitsbergen terug te keeren. Hij was van plan onderweg langs de zuidoostelijke zijde van het nieuw ontdekte land te zeilen, om te zoeken naar goede havens en naar eene gelegenheid om eenig voordeel te maken. »I stood away,” dus verhaalt hij verder, »East and by South, and being neere the foresaid Iland, the winde came to the West and blew a very hard gale, where with I passed alongst the South-east side of the Iland vnder a paire of courses, but without that satisfaction which I expected: for the winde blowing so stormie, and the Sea growne very great, I was forced to stand further from the shoare then willingly I would haue done, and besides there was a thicke fogge vpon the Land, whereby I could not be satisfied what Harbours or Roads were about it, yet might we see three or foure Capes, or Head-lands, as if there went in Bayes betwixt them. I sayled about it, and then stood to the Northward againe, and being now assured that it was an Iland, I named it Sir Thomas Smiths Iland.—This Iland is about ten leagues in length, and stretcheth North-east and South-west; it is high Land, and at the North end of it there is a Mountayne of a wonderfull height and bignesse, all couered with Snow, which I called Mount Hackluyt; the base or foot of it on the East side is almost foure leagues long, it hath three such sides the base lying out to the Sea, and from the fourth side doth the rest of the Iland extend it selfe towards the South-west which is also, as it were, a place fortified with Castles and Bulwarkes, for on each side there bee three or foure high Rockes which stand out from the Land, appearing like Towres and Forts, It lyes in the parallel of 71 degrees, where the Needle varieth from the true Meridian Westwards eight degrees.[720] The land is generally so farre as I haue seene, Rockie and very barren, and worse than the Land that I haue seene in King James his New Land[721], vnder eightie degrees, for there is no grasse but mosse, and where I first landed vpon low ground, all the stones were like vnto a Smiths sinders both in colour and forme[722], the sand is generally mixed with a corne like Amber; the Beaches are abundantly stored with drift wood and many stones, light like Pumis, which will swimme on the water. I saw many traces of Foxes and the footing of Beares, but not any signe of Deere or other liuing creatures, and very small store of Fowle.”[723] Dat het ontdekte eiland geen ander dan Jan Mayen-eiland was, is na de beschrijving, die Fotherby van de ligging en het voorkomen van het land en vooral van den Beerenberg (Mount Hackluyt) geeft, niet in het minst twijfelachtig. Het kwam mij belangrijk voor, deze uitvoerige beschrijving van een nog geheel onbekend bezoek aan dit zelden betreden eiland in zijn geheel op te nemen.
Het eiland, zoo dikwijls ontdekt en zoo dikwijls door de ontdekkers aan anderen betwist, heeft door al die lotwisselingen verschillende namen gekregen. Behalve onder de bovenvermelde namen Hudsons Touches, Trinity-island, Lounges Foreland, Pico, Isle de Richelieu, Jan Mayen-eiland, Mauritius en Thomas Smiths island is het in de geschiedenis bekend als »Mr. Ioris Eylant”[724]—naar Mr. Joris Carolus, stuurman op een der schepen, die in 1614 het eiland ontdekten,—als »het Eylant in questie”[725]—naar de geschillen daarover tusschen de Noordsche Compagnie en hare mededingers, de Nederlandsche ontdekkers van 1615, ontstaan;—en eindelijk als »den Hoogen berg.”[726] In Nederland heette het eiland in de eerste jaren na de ontdekking meestal »het Eylant in questie”, somtijds ook Mauritius, een enkele maal in tegenoverstelling van Spitsbergen ook Groenland[727]; in latere tijden werd de naam Jan Mayen-eiland meer algemeen, een naam waaronder het eiland later ook door geheel Europa bekend gebleven is.
Dit is hetgene ik over de geschiedenis der ontdekking van Jan Mayen-eiland heb kunnen opsporen; wij zullen later zien, dat het eiland de twistappel bleef, waarover Nederlanders en vreemdelingen voortdurend oneenig waren. Nog meer dan die van Spitsbergen is de geschiedenis van Jan Mayen-eiland eene aaneenschakeling van strijd. Spitsbergen werd alleen door Engelschen en Denen aan de Nederlanders betwist; over Jan Mayen-eiland procedeerden niet alleen Franschen en Zuid-Nederlanders met de inwoners der Zeven Provinciën, ook dezen onderling streden hardnekkig om het bezit.