Note 646 — HOOFDSTUK V. ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.
[647] Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[648] Ik zou dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der noordelijke streken tusschen Hudsons-baai en IJsland, door Joris Carolus in 1626 vervaardigd, waarop hij aanteekent, dat hij deze landen »driemael selfs beseylt” heeft. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Hudsons-baai op deze reis bezocht werd; Carolus was ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis kwamen de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik twijfel, dan is het alleen, omdat Carolus blijkbaar voor het samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt heeft van die van Jens Munck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b. v. de „nieuwe zee” van Hudson „Mare Christiane”, terwijl Munck Hudsons-straat Fretum Christiani, Hudsons-baai Mare novum en James’-bay Mare Christianum noemde naar Christiaan IV van Denemarken. Op twee plaatsen in Hudsons-straat vind ik aangeteekend: „hier hebbense overwintert” en „Munckenes.”) Wel is waar vindt men op deze kaart in en bij Hudsons-straat Nederlandsche namen genoeg, als: Beerenhoeck, Kolden hoeck, Gebroken landt, Susters, Ys-eylandt, Snee eylandt, Zuydhoeck, maar misschien zijn ze op dezelfde wijze van Munck overgenomen en vertaald; van de „Susters” en het „Snee eylandt” is dit ten minste zeker.—Zie over Muncks reis: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 230-34.—Relation du Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 237-47.
[649] Misschien werd op deze reis de niet onbelangrijke opmerking gemaakt, dat er in die streken overvloed van walvisschen was. Carolus teekent toch op zijne bovenvermelde geteekende kaart ten noorden van „Comberlants Bay” aan: „walvis veel”, „hier coocten traen,” enz. Het is echter niet onmogelijk, dat ook deze aanteekeningen op eene reis van Jens Munck of een ander betrekking hebben. (Zie vorige noot.)
[650] R. S.-G. 23 Nov. 1616.
[651] Met het in 1634 als station der walvischvaarders genoemde „Statenlandt” (Octr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de walvischv. dd. 22 Nov. 1634, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221) schijnt Edge-island bij Spitsbergen bedoeld te zijn. (Zie hiervóor p. 152 Noot 9.) Het komt mij voor, dat het streven der N. C. om anderen uit te sluiten zonder zelf van de in bezit genomene streken eenig nut te trekken, moet toegeschreven worden aan de slechte ondervinding door haar opgedaan, toen zij in 1614 verzuimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van Jan Mayen-eiland kennis te geven aan de Staten-Generaal.