Note 652 — HOOFDSTUK V. ONTDEKKINGSREIZEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Dit schijnt te blijken, behalve uit het geheele gemis van eenige berichten, uit de verklaring van Joris Carolus op zijne bovenvermelde geteekende kaart, dat hij Groenland en het noorden van Amerika „driemael selfs beseylt” heeft. De reis van 1614 is de eerste, waarop wy Carolus ontmoeten.
[653] Brief van du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Haye 15 Dec. 1618. (Catalogus der verzameling MSS. van den heer Mr. L. C. Luzac. No. 298.)
[654] Brief van du Maurier als boven.
[655] Brief van du Maurier als boven.—Met de in den tekst vermelde „récompense” wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie bedoeld, die de Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid zeker niet gaarne zouden uitbetaald hebben.
[656] Het verhaal is ontleend aan den boven aangehaalden brief van du Maurier. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het betrekking heeft op de reis van het schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of Denijs, met wien Joris Carolus en andere stuurlieden omstreeks het begin van 1619 terugkwamen van eene reis, op last der Staten-Generaal ondernomen ter beproeving der nieuwe manier van bepaling der lengte op zee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein was bij zijne Instructie door de Staten-Generaal opgedragen, zoo mogelijk tegelijk eenige ontdekkingen te doen en wij weten, dat hij o. a. IJsland bezocht. (Zie over deze reis: Instr. der Stn.-Gen. voor Nijs dd. 17 Mei 1618, in: Instructieboek der Stn.-Gen. R.-A.—Resol. Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1619.—R. S.-G. 5 Jan. 1619.—Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.)