HOOFDSTUK VIII. ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.
Reading edition
Terwijl Engelschen en Denen met de Nederlanders op Spitsbergen om de opperheerschappij kampten, wendde eene andere natie pogingen aan om zich tusschen de strijdende partijen te vestigen en in vrede haar bedrijf te oefenen. Het bleek echter weldra, dat het op den voorgrond stellen van uitsluitende aanspraken en het dreigen met krachtige maatregelen de zekerste wegen waren naar het vreedzaam bezit der visscherij: de volken, die de heerschappij op Spitsbergen voerden, lieten daar slechts uit vrees of uit onmacht vreemde mededingers toe. Het was dus het lot der Fransche natie om dikwijls pogingen aan te wenden tot het vestigen der walvischvangst, maar om ook telkens in de handen van een der oppermachtige volken te vallen. Hoe zij het ook aanlegde, hetzij zij zelfstandig optrad of de heerschende volken door geldelijke opofferingen tot toegevendheid trachtte te stemmen, altijd was zij genoodzaakt hare pogingen op te geven om ze na weinige jaren met even ongelukkigen uitslag te hervatten.
In 1612 was onder de vreemde schepen, die toen voor het eerst met Engeland kwamen wedijveren, ook een Spaansch schip geweest, dat door den Engelschman Nicholas Woodcocke naar Spitsbergen geleid was. Het was uit St. Sebastiaan afkomstig, en, ervaren als de Basken door lange oefening reeds in de walvischvangst waren, brachten zij eene rijke vangst mede naar huis[1014]. Het was niet te denken, dat zulk een schitterend resultaat onbekend zou blijven. Behalve verscheidene schepen uit St. Sebastiaan zelf, verschenen dan ook in 1613 vier schepen van Fransche Basken uit St. Jean de Luz op Spitsbergen. Vier wedijverende reederijen hadden van daar hare vaartuigen uitgezonden: de grootste, die van »Monsieur de Turbyde”, had een groot schip uitgereed, de andere zonden elk slechts een klein scheepje. Een dezer laatste werd dadelijk na zijne aankomst in Behouden-haven (17 Juni) door den Engelschen admiraal naar huis gezonden[1015]; een ander, dat zich met het Enkhuizensche schip onder Bonner vereenigd had, onderging 23 Juni in Horn-sound hetzelfde lot[1016]; het derde, aanvankelijk door Van Muyden en het schip van De Turbyde verjaagd, kreeg later tegen betaling eener belasting van 40 tonnen traan van de Engelschen verlof om in Bell-sound te visschen. (21 Juli[1017].) Het schip van de compagnie van De Turbyde, grooter en sterker dan de andere Basken, sloot eene overeenkomst met Van Muyden en zijne Nederlanders om gezamenlijk alle andere walvischvaarders uit Bell-sound te weren. Een maandlang vischten zij in vrede, maar den 21 Juli verscheen admiraal Joseph en liet het Fransche schip, dat zich dadelijk onderwierp, slechts tot de visscherij toe op voorwaarde, dat het de helft der gekookte traan en alle walvischbaarden aan de Engelschen zou uitleveren[1018].
Andere Franschen, die zich dit jaar op Spitsbergen vertoonden, was het niet beter gegaan. Een klein schip, te Hoorn voor zekeren Jean Macqui, een koopman te La Rochelle, uitgerust, werd 17 Juni door den Engelschen admiraal uit Behouden-haven verjaagd, en vertrok naar de Noordkaap.[1019] Een grooter schip, de »Jacques” van Bordeaux, waarop Allan Sallowes, die het vorige jaar de Nederlanders naar Spitsbergen had geleid, stuurman was, gaf zich tegelijk met dat van La Rochelle na eenige aarzeling aan de Engelschen over. Men trof de overeenkomst, dat het schip in Greenharbour zou mogen visschen en dat de eerste acht walvisschen, die men ving, voor de Engelschen zouden zijn, Sallowes had dit jaar eene goede vangst: niet alleen was hij in staat de bedongene acht walvisschen te leveren, maar met eene buit van niet minder dan dertig visschen kon het schip 24 Augustus met de Engelschen naar huis keeren.[1020]
Ernstig werd weldra tegen de aanmatigende handelwijze der Engelschen geprotesteerd door den Franschen ambassadeur te Londen, De Buisseaux. Hij drong herhaaldelijk aan op schadevergoeding en ging zelfs zoover van te beweren, dat de toeëigening, waarop Jakob I zijn recht grondde, reeds daarom niet bestaan kon, omdat de Franschen Spitsbergen lang voor de Engelschen bezeten hadden. (?) Veel liet hij zich ook voorstaan op het verlof, door den koning van Frankrijk aan de Biscaaiers van St. Jean de Luz en Bayonne verleend, om sinds 1610 tegen loon de Engelschen naar Spitsbergen te vergezellen en hen de walvischvangst te leeren.[1021]
Hoewel de Franschen zoo vast van de gegrondheid dezer dwaze aanmatigingen overtuigd waren, dat zij ze twee jaren later nog herhaalden[1022], durfden de Fransche reeders toch in 1614 geene schepen ter walvischvangst naar Spitsbergen zenden[1023]. Maar dat dit slechts eene tijdelijke terughouding was, bleek weldra. Nauwelijks waren Wotton en de overige leden van het Engelsche gezantschap den 6 Mei 1615 na eenige onderhandelingen over de Nederlandsche walvischvangst uit Den Haag vertrokken[1024], of de Fransche ambassadeur Du Maurier leverde aan Oldenbarnevelt eene »verclaringh” over, waarin hij protesteerde tegen het door hem veronderstelde plan der Engelschen om met de Nederlanders eene overeenkomst te treffen, ten einde met vereende krachten alle andere natiën van Spitsbergen te verdrijven. Wij zagen reeds, dat deze verdenking volkomen ongegrond was: de Engelschen toch waren in 1615 evenmin tot eene combinatie met Nederland als met Denemarken geneigd[1025]. Maar Du Maurier meende desniettegenstaande zeker genoeg van de zaak te zijn, om bij Oldenbarnevelt ernstige pogingen aan te wenden tot verijdeling der gewaande Engelsche plannen. Onder beroep op geheel dezelfde tweeslachtige argumenten als de door Nederland in deze zaak steeds gebruikte, op de vrijheid van zee en visscherij en op het door Frankrijk verkregen bezit, verklaarde de gezant, dat Spanje en Frankrijk voornemens waren in deze zaak gezamenlijk te handelen en de walvischvangst hunner onderdanen te handhaven. Wilden de Staten-Generaal in het verbond tegen Engeland treden, het zou den verbondenen vorsten aangenaam zijn. In ieder geval was Du Maurier van plan, de Nederlandsche regeering officiëel met de voornemens der vereenigde vorsten bekend te maken, ten einde haar van eene combinatie met Engeland terug te houden[1026].
Of het zoover gekomen is, blijkt niet; maar allicht zouden de voorstellen, hoe gewillig de Staten-Generaal zelven toen ook zijn mochten om in deze zaak eene vrijgevige politiek met betrekking tot de vreemde mogendheden te volgen[1027], afgestuit zijn op den onwil der Noordsche Compagnie. Want deze had geheel andere plannen, zooals weldra blijken zou. In den zomer van 1615 bleek de samenwerking tusschen Franschen en Spanjaarden reeds openlijk, toen twee schepen van Bordeaux, die voor eene reederij te St. Sebastiaan voeren, op Spitsbergen verschenen. De Noordsche Compagnie, die door hare groote machtsontwikkeling in 1614 en 1615 zich in de IJszee reeds eene zelfstandige plaats meende veroverd te hebben, even onaantastbaar als die der Engelschen, toonde zich echter geenszins geneigd op hare beurt weder anderen tot de met zooveel inspanning bemachtigde visscherij toe te laten. Zij weigerde bepaald den schepen verlof tot het visschen te geven. Niettegenstaande de bekende gezindheid der Staten-Generaal werden de Basken van Spitsbergen geweerd, hoewel zij zelfs aanboden om 1⁄3 van hunne vangst voor hunne toelating aan de Nederlanders uit te keeren[1028]. Het volgende jaar gelastten de Staten de compagnie wel toegefelijker te zijn en bevalen zij uitdrukkelijk, de Biscaaiers, wanneer zij hun aanbod hernieuwden, niet alleen vriendelijk te behandelen maar ook tegen de Engelschen te beschermen[1029], maar het was te laat: de Franschen schijnen door de behandeling der Nederlanders ontmoedigd te zijn. Hoewel zij zich na 1615 nog een enkele maal aan Spitsbergen vertoond schijnen te hebben[1030], was het toch in 1619 reeds zoover gekomen, dat koning Jakob I verklaren kon, dat zij met de andere mededingers der Engelschen van de visscherij aldaar hadden afgezien[1031]. Toen dit resultaat eenmaal verkregen was, weigerde de Noordsche Compagnie hen weder toe te laten; hoewel de Basken herhaaldelijk pogingen aanwendden om de visscherij met kleine schepen ongemerkt weder te beginnen en zich zelfs op nieuw bereid verklaarden voor het verlof te betalen, werd dit door de compagnie steeds »met beleeftheyt” maar zeer bepaald geweigerd[1032]. In het vorige hoofdstuk is breedvoerig verhaald, hoe de ongelukkige Biscaaiers bij de Denen voor dergelijke aanbiedingen gewilliger ooren vonden, maar dat de Nederlanders ook tegenover de slinksche handelingen der vereenigde natiën hun doel niet uit het oog verloren en hardnekkig de toelating der vreemden bleven weigeren. De poging, door de Franschen beproefd om op eigen naam toegang tot de visscherij aan Spitsbergen te verkrijgen, verdient hier echter uitvoeriger beschreven te worden dan daar uit den aard der zaak geschied is.
Weinige dagen nadat Johann Braem in zijn proces tegen de Noordsche Compagnie door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld was, verleende de kardinaal De Richelieu een octrooi voor de walvischvangst aan zekeren Jean Vrolicq. De dus begunstigde persoon was een Bask van geringe afkomst, die vele jaren in dienst der Noordsche Compagnie geweest was[1033]. Later had hij de Nederlanders verlaten en was in dienst van Haraneder en Laralde,—de beide kooplieden, die na verscheidene vergeefsche pogingen bij de Noordsche Compagnie in 1623 het Deensche contract gesloten hadden,—bekend geworden met Braem. Daar de walvischvangst der Basken in 1623 dadelijk weder gestaakt werd, verscheen hij in het volgende jaar nogmaals in Nederlandschen dienst als harpoenier op Spitsbergen[1034]. Maar weldra trad hij als Braems zaakwaarnemer op en nam zijne belangen in Nederland waar gedurende het eindelooze proces voor het Hof van Holland[1035]. Nauwelijks namen de zaken echter voor de Denen een ongunstigen keer, of Vrolicq wendde zich tot Richelieu. De suppliant, die zich »Capitaine de la marine de la ville de St. Jean de Luz” noemde, beweerde, dat hij den 3 Juni 1612 op 711⁄2° NB. had ontdekt een eiland, Pico genaamd, dat vroeger nooit bekend geweest was. Met eenige andere Basken, die zich bij hem gevoegd hadden, zou hij daar de walvischvangst begonnen, maar weldra door de kooplieden der gepriviligiëerde Nederlandsche en Engelsche compagniën verjaagd zijn van zijne nieuwe ontdekking, die hij eerlang »à cause des grands profficts qui se font es costes d’icelle” Richelieu (ook wel Isle de Richelieu) genoemd had[1036].
Laat ons hier even stilstaan, om te zien wat er van de zaak was. Reeds door de opgave van de ligging van het eiland blijkt, dat hier sprake is van het bekende Jan Mayen-eiland[1037]. Zoo Vrolicqs bewering waar was, dan had hij dus een beter recht dan de Noordsche Compagnie, die eerst in 1614 het eiland ontdekte en er niet vóor 1616 de visscherij vestigde. Juist om deze reden is echter het verhaal van Vrolicq onmogelijk: al wat hij bericht van zijne onaangenaamheden in 1612 of 1613—immers alleen de onmiddellijke inbezitneming en vestiging op het eiland schiep zijn recht,—met de Noordsche Compagnie, die niet vóor 1616 en met de Moscovische Compagnie, die voor zoover mij bekend is nooit op Jan Mayen-eiland eenige acht heeft geslagen, is natuurlijk onwaar. Maar ook om andere redenen is de bewering van Vrolicq onwaarschijnlijk: wie zal het gelooven, dat iemand die in 1624 nog jong was en het niet verder gebracht had dan tot harpoenier op een Nederlandsch walvischvaarder, reeds twaalf jaren vroeger op een eigen schip reizen deed en nieuwe plaatsen ontdekte, die dadelijk rijke winst afwierpen? dat die persoon, nadat hij die winst gemaakt had, berust zou hebben in de verdrijving zijner schepen van die plaats door overweldigers, die minder recht hadden dan hij, zonder ooit over deze zaak bij zijnen machtigen koning te klagen voordat zeventien jaren daarna verloopen waren? dat een man, die later toonde even ondernemend als volhardend te zijn, niet alleen geene pogingen aanwendde om zijn recht te handhaven en zijne ontdekking te exploiteeren, maar zich integendeel in den dienst begaf eener natie, die hem verongelijkt had;—eene natie, die er natuurlijk belang bij had, dat de ontdekking geheim bleef en die dus juist de eenige was, bij wie hij met de openbaring geen voordeel doen kon. Ik aarzel dan ook niet, hoewel Vrolicq een plan der ligging van het eiland en het proces-verbaal der ontdekking overlegde, met de Noordsche Compagnie te verklaren: »que Jean Vrolicq ne prouvera jamais avoir esté en icelle Isle, qu’au service de ceux de la Compagnie flamande; qu’aussi il n’est point vraij semblable, et n’ij a nulle apparence, que ledict Vrolicq eust trouvé ladite Isle l’an 1612, et seulement l’auroit descouvert l’an 1629[1038].”
In Frankrijk, waar men met de toedracht der zaken minder goed bekend was, kon Vrolicq zijn ongerijmd verhaal met kans op goed geloof doen. Hij deelde dan ook zijne gewichtige ontdekking aan Richelieu mede, beriep zich op »le droict des gens qui permet à toutes personnes d’aller pescher en mers eslonguées,” en op het recht der Basken, die, sinds jaren gewoon de IJszee ter walvischvangst te bezoeken, aan de vreemde natiën jaarlijks hunne onmisbare hulp en voorlichting verleenden. Hij wees verder op het nadeel, dat Frankrijk leed door de uitsluiting van de walvischvangst en de noodzakelijkheid om alle traan en balein van buitenslands te ontbieden, en eindigde met op grond van Frankrijks recht en in naam der vrijheid octrooi voor tien jaren te verzoeken voor eene compagnie, die hij met eenige Basken en andere Franschen gevormd had om de visscherij van walvisschen en andere zeemonsters te ondernemen in het noorden tusschen 60° en 80° NB.[1039].
Richelieu, die den Franschen handel zoo krachtig aanmoedigde, verleende Vrolicq dadelijk uit naam van den koning van Frankrijk het verzochte octrooi (3 Juli 1629) en gaf hem en zijne compagnie verlof om met uitsluiting van alle andere Franschen overal ten noorden van 60° en bepaaldelijk aan het eiland Richelieu walvisschen te vangen gedurende vier jaren ingaande met 1 Januari 1630, op voorwaarde dat de vangst in vier aangewezene Fransche havens ingebracht zou worden. Inbreuken op het octrooi zouden met verbeurdverklaring van schip en goed gestraft worden, maar na verloop der vier jaren zou de visscherij weder voor alle Franschen vrij zijn[1040].
Met dit octrooi wendde zich nu Vrolicq 27 November 1629 tot de Staten-Generaal en verzocht hen de Noordsche Compagnie te bevelen, hem »rustelick ende vredelick” te laten visschen volgens het verlof van den koning van Frankrijk. Als gewoonlijk vroeg de regeering de voorlichting der compagnie[1041] en deze haastte zich, de handelwijze van Vrolicq als »mauvaise et impertinente” voor te stellen, terwijl zijne ontdekking van het eiland ontkend werd[1042]. Men besloot dan ook Vrolicq evenals vroeger Braem naar de justitie te verwijzen, om daar zijnen eisch tegen de Noordsche Compagnie in te stellen[1043]; maar deze voorkwam dit en verkreeg van het Hof van Holland mandement penael tegen Vrolicq. Op welke gronden dit geschiedde blijkt niet, maar de bedreigde nam dadelijk de wijk buiten de Vereenigde Provinciën[1044] en vergenoegde zich verder met zijne zaak door den Franschen ambassadeur in Den Haag aan de Staten te laten aanbevelen. Dezen verklaarden dadelijk, dat zij de Noordsche Compagnie bij haar recht wilden handhaven, maar zij oordeelden toch »dattet soude strecken tot gerustheit van de compagnie, dat dese saecke buyten verwyderinge werde gehouden” en trachtten dan ook de zaak door conferentiën met de bewindhebbers te schikken[1045].
Maar de Staten mochten zich met een goeden uitslag op zulke halve maatregelen vleien, Vrolicq kende de compagnie en haar streven beter. Hij zag reeds toen dadelijk in, dat hij niet zonder hulp tot de vrije visscherij aan Spitsbergen zou geraken. Evenals zijne vroegere patroons wendde hij zich dus tot Braem en het gevolg van het gemeen overleg was, dat de koning van Denemarken een nieuw octrooi aan de compagnie voor de walvischvangst verleende met uitdrukkelijk verlof om twee Baskische schepen onder hare uitrusting naar Spitsbergen op te nemen[1046]. Nu hij zich zoodoende den steun van Denemarken verzekerd had, wendde Vrolicq zich met eenen aanbevelingsbrief van Christiaan IV nogmaals tot de Staten-Generaal, klaagde over de Noordsche Compagnie en drong zijn verzoek om toelating tot de walvischvangst nader aan[1047]. Een gunstig antwoord volgde echter ook nu niet.
Onderwijl werd in Frankrijk alles tot de visscherij gereed gemaakt. De compagnie werd te Havre de Grace gevestigd en in den zomer van 1631 verscheen Vrolicq met een klein scheepje op Spitsbergen, waar Gödert Braem met zijn schip reeds aangekomen was. Wij hebben boven gezien, dat de beide schepen door de ontwikkeling der Nederlandsche macht in de Mauritius-baai sinds 1623 daar nu geen plaats meer konden vinden en dus genoodzaakt waren in de Robbenbaai een toevlucht te zoeken. Uitvoerig werd ook reeds verhaald, hoe de Nederlandsche commandeur van Braem trachtte te vernemen, of Vrolicq bij hem behoorde, maar dat hij slechts zeer onvoldoend antwoord verkreeg. Ook Vrolicq had na overleg met Braem geweigerd zijne paspoorten en commissie te vertoonen en beweerd, dat hij aan niemand rekenschap van zijne daden schuldig was. De Nederlandsche commandeur had hem toen het visschen verboden en gedreigd hem met geweld te zullen verdrijven, maar zoodra Braem eene verdedigende houding aangenomen en eenige kanonnen ontbloot had, had hij afgehouden en beide schepen verder met vrede gelaten[1048].
In het vorige hoofdstuk merkten wij reeds op, dat den Nederlanders dan ook het recht ontbrak de Denen en hunne beschermelingen uit de Robbenbaai te verdrijven: terecht beriep Vrolicq zich later herhaaldelijk op de geheele vrijheid der Robbenbaai vóor 1631. Maar overigens liet hij zich blijkbaar weinig met juridieke redeneeringen in: het was hem onverschillig met welk recht hij toegelaten werd, zoo men hem slechts in de gelegenheid stelde om winst te maken. Twee zaken waren hem volkomen duidelijk: de Nederlanders hadden hem zonder vertoon zijner commissie tot de walvischvangst toegelaten en hij was zonder hinder met een volgeladen schip te Havre de Grace aangekomen. Weinig kiesch in de keuze zijner middelen vergat hij, dat hij slechts aan de tijdige tusschenkomst van Gödert Braem zijne toelating te danken had, en dat hij krachtens zijn eigen recht alle aanspraak op de visscherij in de Robbenbaai miste. Niet inziende, dat het geheel van de Denen afhing of zij hem daar wilden toelaten, was hij dadelijk gereed zelfs tegen hen op te treden, nu hem dat voordeelig scheen. Nogmaals evenals in 1629 wilde hij beproeven, zelf zonder vreemde hulp op Spitsbergen toegelaten te worden. Hij verklaarde dus na zijne terugkomst in Frankrijk aan ieder, die het hooren wilde, dat de Nederlanders hem op zijn Fransche paspoort aan Spitsbergen hadden toegelaten,—dat hij bezit genomen had van de Robbenbaai, die hij voortaan St. Pierre noemde, en dat de Fransche compagnie de visscherij nu vrijelijk aan Spitsbergen kon oefenen[1049]. Deze bewering, geheel bezijden de waarheid, kwam volstrekt niet overeen met de bedoelingen der Noordsche Compagnie. Wel begrijpende, dat het Vrolicq alleen te doen was om de walvischvangst in Frankrijk te vestigen, had zij integendeel haren commandeur gelast geen Fransch schip op Spitsbergen toe te laten. Nu de tegen hare bedoeling begunstigde Franschman zulk eene verkeerde voorstelling der zaak gaf, zweeg de compagnie dan ook niet; zij liet een verhaal van de ware toedracht der gebeurtenissen opstellen, verklaarde daarbij dat het hare bedoeling geenszins geweest was, vreemden binnen haar gebied op Spitsbergen toe te laten behalve de Denen, die zij uit vriendschap duldde, en dreigde haar octrooi evenals in 1623 met geweld tegen de Franschen te zullen handhaven. Dit protest werd tot behoud van het recht der compagnie aan Vrolicq en zijn compagnon Adriaan Ficq beteekend[1050]. Het was echter te denken, dat dezen zich daardoor niet zouden laten afschrikken: Vrolicq verzocht en verkreeg zelfs van koning en kardinaal de bevestiging van zijn octrooi en verbod aan alle Franschen, die op het gerucht van zijne goede vangst zich gereed maakten uitrustingen naar Spitsbergen te doen, om de plaats waar hij zich bevond op tien mijlen te naderen[1051]. Onbeschroomd verscheen hij daarop in het laatst van Juni 1632 met twee schepen weder in de Robbenbaai.
De overmoedige handelwijze van Vrolicq tegenover Denemarken kon onmogelijk door Christiaan IV gebillijkt worden en de Franschen stonden dus alleen tegenover de Noordsche Compagnie. Zij waren nu onafhankelijk; maar het bleek weldra, dat zij toch nog te zwak waren om op eigen beenen te staan. Gödert Braem, weder in de Robbenbaai aanwezig, liet Vrolicq naar het schijnt wel toe nevens hem te visschen, maar toen den 29 Juni de Nederlandsche commandeur Jacob Jansz. Duynkercker daar ook verscheen en Vrolicq aan boord klampte, maakte Braem zich niet als in 1631 gereed om de Franschen te verdedigen, maar wachtte kalm af hetgeen gebeuren zou. Duynkercker—steunende op den last der Noordsche Compagnie, die het uitsluitend recht der Denen op de Robbenbaai niet erkende,—verbood daarop aan Vrolicq op last der Noordsche Compagnie het visschen aan Spitsbergen. Hij liet hem aanzeggen, dat hij hem krachtens de ontdekking en toeëigening van de Mauritius-baai en de aangrenzende plaatsen door de Noordsche Compagnie en het octrooi aan haar verleend, verzocht zich te begeven naar de opene zee of elders buiten het Nederlandsche gebied, waar goede gelegenheid voor de visscherij was. Vrolicq van zijn kant beriep zich op zijn octrooi en op zijn gerust bezit en gebruik der Robbenbaai in 1631; de ontdekking en toeëigening van Spitsbergen door Nederlanders wilde hij niet ontkennen, »alsoo de selve dispute genouchsaem bij andere tegens die vande Compaignie gedaen wort,” maar het eigendomsrecht der Nederlanders op geheel Spitsbergen en met name op de Robbenbaai, waar hij beweerde dat zij nooit gevischt hadden, ontkende hij bepaaldelijk. Ten slotte wees hij op de goede verstandhouding der Staten-Generaal met Frankrijk, die met eene vijandelijke behandeling der Fransche walvischvaarders zoo weinig zou strooken[1052]. Duynkercker was echter niet gezind juridieke debatten te beginnen; hij liet aan Vrolicq eenvoudig een antwoord insinueeren, waarin hij op de reeds aangevoerde gronden dreigde, bij weigering van vertrek »genootsaeckt te sullen wesen te gebruycken soo daenige middelen van wapens ende andersints als hy soude meynen tot dienste van syn voornemen de stercxste ende crachtichste te wesen.” Vrolicq herhaalde daarop mondeling de verzekering, dat hij volgens zijn Fransche pas en verkregen recht zou voortgaan met visschen totdat hij met geweld verdreven werd[1053], en de Nederlanders waren dus wel genoodzaakt, wilden zij hun doel bereiken, geweld te gebruiken. Nauwelijks begonnen zij echter hunne bedreiging uit te voeren, of de Franschen maakten zich tot het vertrek gereed, en de zaak liep dus zonder bloedvergieten af. Vrolicq vertrok met zijne twee schepen en het derde, dat hij onderweg ontmoette, naar IJsland, waar hij echter te vergeefs trachtte eene goede vangst te doen: toen hij in het najaar te Havre de Grace binnenviel, had de reis hem niet alleen geen winst, maar zelfs een verlies van 350,000 livres opgeleverd[1054].
Dadelijk wendde Vrolicq zich dan ook tot den koning van Frankrijk; hij verzocht hem de Nederlanders te dwingen om het Fransche octrooi voortaan niet weder te schenden en om de hem en zijnen deelgenooten toegebrachte schade te vergoeden. In Frankrijk was men echter niet geneigd, om zulk eene betrekkelijk onbelangrijke zaak geweld te gebruiken en men verwees dus Vrolicq naar de Staten-Generaal als de overheid der Noordsche Compagnie, om door hunne tusschenkomst schadevergoeding en betere regeling voor het vervolg te verkrijgen[1055]. Daartoe wendde zich dus Vrolicqs zaakgelastigde Isaac Mahieu, een deelgenoot der Fransche compagnie, den 11 Maart 1633 tot de Staten[Bijlage XIX] en verzocht na breedvoerig verhaal van het in 1631 en 1632 voorgevallene behalve vergoeding der geledene schade eene akte, waarbij aan de Noordsche Compagnie bepaaldelijk verboden werd de Franschen te hinderen in hunne visscherij, al werd die binnen de grenzen van haar octrooi gedreven, opdat de schepen, die Vrolicq voornemens was in 1633 weder naar Spitsbergen te zenden, ongestoord hun bedrijf zouden kunnen oefenen. Een proces over de geldigheid van het Fransche octrooi werd reeds dadelijk geweigerd: Vrolicqs ondervinding in de zaak van Braem had hem genoeg geleerd, dat er van de Nederlandsche rechters niets te hopen was en hij schreef dus, »dat de kennisse van de qualiteyt van het octroy niet en competeert aen eenich Hoff ofte Gerichte van herwaerts over”[1056]. De Fransche ambassadeur Baugy voegde bij deze memorie eene aanbevelende nota, waarin hij er op wees, dat de visscherij aan Spitsbergen den Franschen even goed als aan alle andere natiën, die jaarlijks schepen daarheen zonden, vrij moest zijn[1057].
Op deze stukken, die dadelijk aan de Noordsche Compagnie gezonden werden, antwoordde deze weldra (8 April) met een breedvoerig verhaal van Vrolicqs aandeel aan haar proces met Braem, eene uiteenzetting van zijne verdere handelwijze sinds 1629, en eindelijk met hevige klachten over twee Baskische schepen, die in 1632 aan Jan Mayen-eiland de loges der compagnie geplunderd hadden[1058]. De compagnie verklaarde zich bereid, met Vrolicq voor de Nederlandsche rechters te procedeeren, en verzocht onderwijl onder beroep op haar met zooveel moeite verkregen recht en onder verwijzing naar het belang der Nederlandsche walvischvaarders handhaving van haar octrooi tegen alle inbreuken[1059]. Van Fransche zijde werd deze redeneering den 15 April beantwoord met eene korte uiteenzetting van Vrolicqs goed recht tot het oprichten eener Fransche compagnie voor de walvischvangst op gezag van den koning, een plan »dat by alle redelycke menschen altyts gehouden soude werden voor goet, eerlyck ende pryselyck.” Na uitvoerige wederlegging van alle hem door de Noordsche Compagnie toegedichte streken bleef Vrolicq standvastig een proces weigeren[1060].
De zaak scheen op de lange baan geschoven te zullen worden, en Baugy voegde dan ook bij Vrolicqs repliek eene nota, waarin hij op terzijdestelling van alle »longueurs affectées” aandrong[1061]. De Staten-Generaal stelden toen dadelijk alle stukken, die op deze zaak betrekking hadden, in handen van den heer Van Vosberghen, om de zaak zoo mogelijk te schikken in overleg met de Noordsche Compagnie[1062]. Deze, niet meer in de gelegenheid om Vrolicqs laatste vertoog te beantwoorden, en bevreesd, dat de Staten-Generaal haar in het ongelijk zouden stellen, leverde 3 Mei nog eene memorie over, waarin zij, terwijl zij haar recht op hare in Spitsbergen gevestigde kolonie nader aandrong, zich eindelijk bereid verklaarde de Franschen met twee schepen op het eiland toe te laten, maar op voorwaarde, dat zij niet verschenen binnen »den cleynen hoeck”, dien de Nederlanders voor hunne visscherij gebruikten, namelijk »buyten delimytten van Magdalenen baije ende de noorder punt ofte noorder gatt”[1063]. De voorzorg was echter geheel overbodig: Vosberghens pogingen liepen vruchteloos af[1064] en Vrolicq zelf weigerde verdere wisseling van stukken, die hem nutteloos scheen[1065]. Toen Baugy later op voldoening aandrong, nam de provincie Holland de zaak over[1066]. Alle pogingen om haar tot een besluit te brengen waren vruchteloos, en eindelijk werd 8 November »de saecke daerbij gelaten”[1067].
Onderwijl had Vrolicq niet stil gezeten. Reeds den 11 Maart had hij den Staten-Generaal zijn voornemen te kennen gegeven, dit jaar weder eene uitrusting op Spitsbergen te doen en 20 Mei had Baugy in de volle statenvergadering medegedeeld, dat de schepen vertrokken waren. Werkelijk kwam Vrolicq met vier schepen den 27 Juni nogmaals in de Robbenbaai aan, maar reeds den volgenden dag ontving hij bevel van den Nederlandschen commandeur Cornelis Pietersz. Ys om bij hem aan boord te komen. Vrolicq begaf zich dadelijk naar de Mauritius-baai, waar Ys zich bevond, en er ontstond eene hevige woordenwisseling. Ys verklaarde, dat hij in het volgens zijn zeggen door de Nederlanders bezeten gebied niemand dan de Denen kon toelaten en de Franschen dus verzocht die plaats te verlaten, om ergens anders ten zuiden daarvan eene voor de walvischvangst geschikte baai op te zoeken. Vrolicq antwoordde daarop natuurlijk met een beroep op zijn octrooi, maar na herhaalde wisseling van stukken week hij eindelijk voor de bedreiging van geweld en onderwierp zich aan den eisch van den commandeur. Hij stelde eerst voor, de zoogenaamde Engelsche baai in Fairhaven voor zijne vestiging te kiezen, maar de Nederlanders ontzeiden hem nadrukkelijk het verblijf daarin, »aengesien deselue was gelegen inde visscherie ende neringe by hen geexerceert.” Ook Maudlen-sound werd om dezelfde reden afgekeurd, maar ten zuiden daarvan buiten het gezicht der Nederlanders mocht Vrolicq eene baai uitzoeken om te visschen, of zoo hij wilde zich naar de opene zee terugtrekken[1068]. De Franschen vertrokken daarop eindelijk na lang talmen en niet voordat zij verscheidene malen met geweld bedreigd waren, naar eene baai op korten afstand van Maudlen-sound gelegen, die zij kort te voren hadden laten opnemen en »le Refuge Français” genoemd hadden.
Het schijnt, dat deze wijkplaats—een kleine baai op de westkust van Spitsbergen, juist halverwege tusschen Maudlen-sound en de Hamburgerbaai[1069]—door Vrolicq met buitengewone behendigheid gekozen was; zij was gelegen »sur l’advenue des balleines” en zoo uitnemend voor de visscherij geschikt, dat de Nederlanders de concurrentie vreezende, niet alleen de Engelschen, onder wier zoogenaamd gebied de plaats behoorde, schijnen te hebben willen overhalen om de Franschen te verdrijven, maar ook later aan de Staten-Generaal bij request verzochten, dat zij Vrolicq zouden willen bevelen, zich op eenen afstand van niet minder dan tien mijlen van hunne vestiging op te houden. Van dit alles kwam echter niets; maar Vrolicq van zijne zijde was kleingeestig genoeg, om niettegenstaande het groote voordeel, dat zijne baai hem beloofde, herhaaldelijk eenige van zijne sloepen naar het noorden te zenden en ze bepaaldelijk in Maudlen-sound te laten visschen. Het was te voorzien, dat de Nederlanders dit niet zouden dulden, maar eerst nadat door hen op vijf sloepen beslag gelegd en met nog krassere maatregelen gedreigd was, bleef Vrolicq binnen de nu eenmaal door hem zelven gekozene grenzen[1070].
Nauwelijks waren de vier Fransche schepen in het vaderland teruggekeerd, of zij deelden den koning hunne bezwaren mede over de hun door het nemen der vijf sloepen toegebrachte schade; zij klaagden vooral, dat de slechte uitslag hunner reis hen voor meer dan 100,000 livres benadeeld had, en toonden zich zeer teleurgesteld, dat in hunne afwezigheid door de vereenigde bemoeiingen van Baugy en Mahieu nog geene vergoeding der schade van 1632 verkregen was. Op al deze gronden verleende dan ook de admiraliteit van Rouaan den 30 December 1633 aan Jean Vrolicq volmacht om beslag te leggen op de in Frankrijk aanwezige goederen der Noordsche Compagnie[1071], en weldra werd aan dit verlof gevolg gegeven door het arrest, gelegd op de goederen der compagnie, berustende onder kooplieden te Rouaan, Bordeaux en Bayonne[1072]. Om de gevoeligheid der Franschen te toonen, was ook reeds aan de Basken verboden in Nederlandschen dienst ter walvischvangst uit te varen[1073].
Natuurlijk werd de zaak nu in Nederland weder levendig. De Noordsche Compagnie, ondersteund door de regeeringen van verschillende Hollandsche steden, verzocht 2 Februari 1634 de tusschenkomst der Staten-Generaal tot opheffing van het arrest en intrekking van het Rouaansche vonnis; zij eischte tevens, dat de Staten zouden zorgen, dat Vrolicq haar niet meer hinderde en dat hij, zoo hij voornemens was weder op Spitsbergen te verschijnen, haar gebied niet betreden, maar integendeel tien mijlen van daar verwijderd blijven zou[1074]. Ook Vrolicq zelf wendde zich op bevel van koning en kardinaal nog eenmaal met eene memorie tot de Staten en verzocht, dat zij hem vergoeding der dien zomer geledene schade verschaffen en maatregelen nemen zouden, dat hij het volgende jaar ongestoord aan Spitsbergen kon verkeeren[1075]. Beide stukken werden reeds dadelijk in handen eener commissie gesteld en de zaak bleef dan ook, niettegenstaande Baugy ze »seer yverich vervolgde” en »seer hart aenhielt” om antwoord, voorloopig rusten[1076]. Eerst in Mei werden er pogingen aangewend, om door conferentiën van de Noordsche Compagnie met gedeputeerden uit de Staten-Generaal de zaak te schikken; men wilde op Spitsbergen eene grensregeling maken, opdat ieder der beide partijen op haar eigen gebied hare visscherij ongehinderd zou kunnen oefenen[1077]. Lang duurden de onderhandelingen, en toch schijnt men het niet eens te hebben kunnen worden[1078]; eerst op het uiterste oogenblik toch werd aan Baugy, die gereed stond naar Frankrijk te vertrekken, het antwoord der Staten op zijne herhaalde vertoogen ter hand gesteld[1079]. Het luidde weinig bevredigend: de Staten-Generaal wezen op het recht der Nederlanders als ontdekkers van Spitsbergen en bezitters van het land, bepaaldelijk van de Robbenbaai; de geringe omvang van het Nederlandsche gebied, waar onmogelijk de Franschen en de Nederlanders gezamenlijk zouden kunnen visschen zonder elkander wederzijds te benadeelen, werd als reden voor de weigering van toelating daarbij gevoegd. De Staten oordeelden het wenschelijk, dat de Franschen zich ten zuiden van het Nederlandsche gebied vestigden; de zaak zou zoodoende in der minne geschikt kunnen worden, en terwijl de Noordsche Compagnie behouden zou wat haar toekwam konden de Franschen op eenen onderling te bepalen afstand even goed en gemakkelijk visschen als in de zoo begeerde Robbenbaai. De Fransche regeering werd dus uitgenoodigd om met de Nederlandsche in overleg te treden, ten einde met onderling goedvinden de wederzijdsche grenzen te bepalen[1080]. Over de quaestie der door beide partijen geledene schade waren de Staten-Generaal korter: er werd geklaagd over het vonnis der Rouaansche admiraliteit en intrekking daarvan verzocht; de klachten van Vrolicq over hem toegebrachte schade werden als geheel ongegrond afgewezen. Eene laatste poging werd eindelijk gewaagd om de zaak bij gewoon proces te eindigen[1081].
Daartoe kwam het echter niet. De loop der zaken had aan ieder der twistende partijen reeds een afzonderlijk gebied aangewezen. De Staten-Generaal hadden tegen deze regeling geene bezwaren in te brengen, en er was geen enkele reden, waarom de Franschen met zulk eene schikking minder ingenomen zouden zijn. De aan Vrolicq toegebrachte schade was ook reeds op de Noordsche Compagnie verhaald. Het schijnt dan ook zeker, dat Vrolicq zonder verdere onderhandelingen zijn voornemen uitvoerde en het volgende jaar weder op Spitsbergen verscheen. De »Refuge Français” was vermoedelijk ook nu weder zijn verblijfplaats en de Nederlanders waren verstandig genoeg hunnen ouden vijand, nu hij zich eindelijk rustig hield, niet te hinderen[1082].
Weldra nam de Fransche walvischvangst aan Spitsbergen nu verbazend toe. Maar die bloei was van korten duur. Wel mislukte eene poging van Christiaan IV, om de Franschen, die vroeger zijne hulp hadden ingeroepen, tot erkenning van zijne hoogheid te brengen, geheel[1083]; maar toch schijnen de Fransche walvischvangers, die nog in 1636 niet minder dan veertien schepen naar Spitsbergen uitrustten[1084], op den duur de nering opgegeven te hebben. De compagnie kon misschien de verliezen der eerste onvoordeelige jaren, gevolgd door de aanzienlijke schade haar in 1636 door de Spanjaarden toegebracht[1085], niet dragen, en was daarom spoedig genoodzaakt zich te ontbinden; misschien ook oordeelde Richelieu het niet raadzaam, de sinds 1635 nauw met Frankrijk verbondene Nederlandsche natie door de vernieuwing van Vrolicqs octrooi, dat met 1 Januari 1638 eindigde[1086], te verbitteren. Hoe het zij, in 1639 verschenen de Franschen niet weder op Spitsbergen[1087], en de walvischvangst schijnt althans voorloopig door hen opgegeven te zijn.
Ook in latere jaren is mij van eene eenigszins belangrijke visscherij der Franschen in deze streken niets gebleken; de natie, die altijd zoo krachtdadig had medegewerkt tot den bloei der walvischvangst van vreemden, slaagde er met al hare behendigheid en volharding toch niet in, hare eigene visscherij op den duur te vestigen.
Van geheel denzelfden aard als het geschil met Vrolicq waren de onaangenaamheden, lange jaren te voren met eene Duinkerksche compagnie ontstaan. Ook hier was de beweerde ontdekking van Jan Mayen-eiland de aanleiding tot de oneenigheden; ook hier was het verdringen der Noordsche Compagnie uit hare te uitsluitende positie het doel der mededingende natie.
Reeds onder de eerste schepen, die in 1613 met de Engelsche walvischvaarders op Spitsbergen kwamen concurreeren, was een Duinkerker geweest onder bevel van kapitein Fopp. Bij hem behoorde een Nederlandsche pinas, waarop zekere Claes Martensz. van Hoorn gezagvoerder was. Engelschen schijnen den stoutmoedigen zeelieden weder den weg naar het eiland gewezen te hebben. De behandeling, die beide schepen van den Engelschen commandeur Joseph ondervonden, was niet veel beter dan zich verwachten liet. Terwijl het kleine schip reeds 12 Juni veroverd en gevangen gehouden was, werd ook kapitein Fopp zelf den 19 uit Greenharbour verjaagd. Later ontmoetten de Duinkerkers, die te vergeefs aan de zuidpunt van het eiland naar eene andere, voor hun bedrijf geschikte plaats gezocht hadden, de Engelschen nogmaals, toen zij op weg waren om geheel in het noorden op 82° en 83° NB. hun geluk te beproeven. Bij deze gelegenheid kregen zij wel verlof tot de visscherij en werd de hun ontnomene pinas—met de bemanning behalve de daarop gevondene Engelschen—hun op hun verzoek teruggegeven, maar slechts op voorwaarde, dat zij als handlangers der Engelschen optraden en alle vreemde bezoekers, die in Hornsound de walvischvangst zouden willen oefenen, daaruit verdreven (23 Juni). Kapitein Fopp nam dit bereidwillig op zich, maar nauwelijks waren de Engelschen weggezeild of de bemanning van zijn schip nam hem zelven gevangen en vertrok van het eiland[1088].
Het resultaat der reis was dus waarlijk niet gunstig voor de reeders! Zij vielen klachtig aan hunne souvereinen de aartshertogen, die hunne bezwaren aan het Engelsche hof kenbaar maakten[1089]. Maar onderwijl was men van het bezoeken van Spitsbergen afgeschrikt: noch in 1614[1090], noch in de eerstvolgende jaren vertoonde zich een Duinkerksch schip aan het eiland[1091]. Maar de stoutmoedige geest, die reeds kapitein Fopp gedreven had om in het hooge noorden nieuwe plaatsen voor zijn bedrijf te zoeken, bleef zijne stadgenooten bezielen. In 1614 reedde eene Duinkerksche compagnie, aan wier hoofd een Engelschman John Clarke (door de Nederlanders veelal Jan De Clerck genoemd) stond,—waarschijnlijk dezelfde vereeniging, die ook kapitein Fopp had uitgezonden[1092],—weder een schip ter ontdekking uit. Het resultaat was gunstig: den 28 Juni 1614 werd Jan Mayen-eiland bereikt[1093]. Terwijl dus de Duinkerksche ontdekkers ongetwijfeld beter recht hadden dan de Nederlandsche, wier schepen eerst in Juli van hetzelfde jaar van Spitsbergen vertrokken, schijnen zij bovendien, verstandiger dan dezen, dadelijk van de uitmuntende gelegenheid voor de walvischvangst gebruik gemaakt te hebben. Want hoewel de algemeene aandacht zich waarschijnlijk eerst na 1616 door de reizen der beide Noordsche Compagniën eenigszins op Jan Mayen-eiland vestigde, vinden wij daar reeds in den zomer van dat jaar een of twee schepen van de Duinkerksche compagnie, bemand met Engelsch scheepsvolk onder bevel van Guillaume Le Gouverneur en Marten Clarke, Johns broeder, als kapitein en commies, en voorzien van de voor de visscherij noodige Basken[1094]. Dit jaar schijnen de schepen zonder hinder van de Noordsche Compagnie of haar mededingster, de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie, gevischt te hebben; een twist met de Zeeuwsche walvischvaarders over het onderhuren van eenige Basken had op de rechtsquaestie geene betrekking. Eerst toen Clarke en zijne deelgenooten in den zomer van 1617 op nieuw eene uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland deden, kregen zij onaangenaamheden met de schepen der Noordsche Compagnie, die zich toen reeds in vrij groot getal aan het eiland vertoonden. De Duinkerksche schippers werden door de Nederlandsche »beschadicht” en van hunne vangst beroofd; van de zes schepen ter walvischvangst aangekomen werden slechts twee toegelaten, nadat zij plechtig beloofd hadden er nooit weder te zullen komen[1095]. Natuurlijk deden de reeders toen hunne klachten weder bij de aartshertogen, die den 15 Januari 1618 hun request met eenen aanbevelingsbrief aan de Staten-Generaal zonden[1096].
Door schade wijs geworden, wendden Clarke en zijne compagnons Pieter Tenge en Roland Gerard zich het volgende jaar vóor het vertrek hunner walvischvaarders tot de Nederlandsche regeering en verzochten van deze brieven van vrijgeleide voor vier schepen, die zij hadden uitgerust tot de walvischvangst naar Groenland (d. i. hier Jan Mayen-eiland.)[1097] De Noordsche Compagnie protesteerde natuurlijk, evenals hare jongere zuster de kleine compagnie voor de walvischvangst, ernstig tegen de inwilliging van dit verzoek, als »streckende tot confusie ende bederff vande negotie ende handelinge vande geoctroyeerde Compaignie.” Zij noemde de requestranten »enterloopers” en »bederuers vande gemeene handelinge ende negotie,” die zij als onder geene geoctrooieerde compagnie behoorende diep verachtte. Hun verzoek eindelijk, meende de Noordsche Compagnie, behoorde afgewezen te worden als strijdig met haar recht 1o. als ontdekster van Jan Mayen-eiland, 2o. als bezitster van het octrooi van 1614, en eindelijk 3o. als rechthebbende uit het contract, in 1617 met het scheepsvolk van Clarke gesloten, als voorwaarde waarop men hen toeliet[1098]. Niettegenstaande dit krachtig aangedrongen advies, dat in latere jaren voldoende zou geweest zijn om het verzoek der Duinkerkers onmiddellijk te doen afwijzen, besloten de Staten-Generaal aan Clarke te schrijven, dat de Nederlandsche schepen hem op bepaald bevel der regeering geene verhindering in zijne nering zouden aandoen[1099]. De schepen van Clarke schijnen dan ook in 1618 rustig aan Jan Mayen-eiland gevischt te hebben, en ook voor het volgende jaar werd niettegenstaande het herhaald protest der Noordsche Compagnie aan de Duinkerkers op hun verzoek voor een jaar verlof verleend om met twee schepen aan het eiland te mogen visschen en hun traan aan land te koken. Ditmaal werd echter uitdrukkelijk de voorwaarde aan dit verlof verbonden, dat het niet zou praejudiciëeren het recht van partijen in het proces ten principale[1100].
Toen namelijk de klachten van Clarke over de hem in 1617 toegebrachte schade met zijn verzoek om vergoeding den 16 Februari 1618 door de aartshertogen aan de Staten-Generaal waren aanbevolen, hadden dezen de stukken dadelijk in handen der Noordsche Compagnie gesteld om daarop te antwoorden[1101]. Het lag in den aard der zaak, dat deze eerst dan door de schade te vergoeden haar ongelijk erkennen zou, wanneer zij toegaf, dat Clarke recht had aan Jan Mayen-eiland te visschen. Wij zagen reeds, dat de bewindhebbers aan niets minder dachten en het is dus licht te begrijpen, dat de geest van uitsluiting, die hen drong tot het advies om de Duinkerksche compagnie niet aan het eiland toe te laten, hun ook het vergoeden der schade zou ontraden. De strijd, die door de Noordsche Compagnie tegen hare Duinkerksche zuster gevoerd werd, was dan ook, hoewel het niet tot een eigenlijk proces kwam, lang en verbitterd. Eerst na vele maanden kwam het eerste antwoord der compagnie op Clarke’s klachten in, en van toen af werden gedurende een paar jaren onophoudelijk replieken en duplieken bij de Staten-Generaal ingeleverd. De bedrijvige Duinkerkers hadden gewoonlijk reeds weder twee of drie nieuwe requesten gereed om hunne mededingster nader aan te sporen, terwijl deze hun het antwoord op vroegere memoriën nog steeds schuldig was[1102]. De Noordsche Compagnie handhaafde voortdurend het standpunt, door haar reeds in Maart 1618 ingenomen, dat de beweerde ontdekking van het eiland door de Duinkerkers verdicht was en zij zelve alleen dus recht op het bezit had[1103].
Eindelijk, na twee jaren van twist, werd de zaak op verzoek van Clarke in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld om partijen te hooren en zoo mogelijk te vereenigen[1104], maar een paar maanden later moest men deze pogingen weder opgeven[1105]. Ook de kleine Noordsche Compagnie, die mede aanspraak op Jan Mayen-eiland maakte, bemoeide zich met de zaak[1106] en de wisseling van stukken begon op nieuw[1107], toen de ambassadeur Carleton zich de zaak van den Engelschen onderdaan aantrok en aandrong op »vuytinge” van de quaestie met Clarke[1108]. Toen eindelijk scheen er een einde aan de zaak te zullen komen; men besloot ze aan den Hoogen Raad van Holland in handen te geven om er in te vonnissen, nu de pogingen tot schikking mislukt waren[1109]. Maar ook bij dit laatste middel stuitten de Staten-Generaal op onverwachte moeielijkheden. Zij hadden den Hoogen Raad vrij zonderling bevolen te vonnissen »tot costen van partijen[1110]”, en deze nam daaruit aanleiding om de behandeling der lastige zaak, waarin zoovele belangen gemoeid, zoovele rechten betrokken waren, te weigeren met de merkwaardige verklaring, dat »alle souueraine Princen ende republycken schuldich ende gehouden syn haere ondersaten recht en Iustitie sonder der seluer costen te doen administreren, gelyck tot noch toe In dese Prouintiën Is gebruyct geweest.” Naar het oordeel van den Raad zou het zijn »Jegens de Hoocheyt ende reputatie deser Landen, mitsgaders digniteyt ende luyster van hun collegie, dat sy tvoorseide proces tot coste der partyen visiteren ende daerinne sententieren souden, als haere Hooch Mog. op hen waren begeerende[1111].” Hoewel het later bleek, dat dit alles niets was dan een schoonschijnend voorwendsel, terwijl de ware reden was, »dat dese saecke soo veele ingesetenen van dese landen was aengaende, Ende dat de trefves vuyt waren[1112],” bleven alle onderhandelingen om den Hoogen Raad van zijn gevoelen aftebrengen vruchteloos[1113]. Men waagde eindelijk eene poging, om partijen over te halen hun geschil bij overeenkomst aan den Hoogen Raad als scheidsrechter te onderwerpen[1114], en waarschijnlijk was het ten gevolge van zulk eene schikking, dat deze 1 December 1622 in de zaak uitspraak deed. Evenals het vorige jaar bevreesd om partikuliere belangen te kwetsen, poogde men ook nu nog partijen door de heeren Van Vosberghen en Pauw te doen »vereenigen,” maar voor het geval, dat dit niet gelukte, veroordeelde de Raad de Noordsche Compagnie, om aan Clarke en zijne deelgenooten te vergoeden de hoofdsom met interessen van alle schade, door hen geleden »deurt belet hen gedaen In haren Walvischvanck ende het affnemen van haerluyder traen[1115].” Toen eindelijk schijnt de Noordsche Compagnie in de schikking toegestemd te hebben[1116], want tot een nader vonnis kwam het niet.
Was dus Clarke tegen de Noordsche Compagnie in het gelijk gesteld, het kon hem nu gewis vrij onverschillig zijn. Zeker was het hem minder om de schadevergoeding zelve te doen geweest, dan om zijn recht voor het vervolg erkend te zien, maar eene zoo late erkenning baatte hem niets. Want hoewel de Hooge Raad de Duinkerkers bij dezelfde uitspraak zelfs ontsloeg van het hierboven vermelde contract van 1617, waarbij hun scheepsvolk zich verbonden had, niet weder op Jan Mayen-eiland te verschijnen[1117], en hun recht op de vrije visscherij dus bepaald erkend was, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat hunne walvischvangst daardoor in geenen deele bevoordeeld is. Reeds in 1620 was er, toen Clarke van de Staten-Generaal hangende het proces wederom verzocht had te zorgen, dat de Noordsche Compagnie de schepen, die hij ook nu weder voornemens was naar Jan Mayen-eiland te zenden, niet hinderde[1118], op zijn request geene dispositie gevolgd en dus de visscherij aan het eiland voor hem onveilig geworden. Mogelijk heeft hij echter niettegenstaande de herhaalde oneenigheden met de Noordsche Compagnie dit jaar nog volgehouden, maar toen »de trefves vuyt waren” was het ondenkbaar, dat de onderdaan der aartshertogen zich zou kunnen handhaven tegen de machtige Nederlandsche compagnie, voortaan door den oorlog gerechtigd tot openlijke vijandelijkheden[1119].
Bij de groote overeenkomst van de geschillen der Noordsche Compagnie met Vrolicq en Clarke in aanleiding en doel, verschillen zij echter onderling in twee opzichten. Terwijl over de zaak van Vrolicq nagenoeg geen enkel stuk uit de nog voorhanden, hoewel verspreide verzameling gemist wordt, is van de gedurende vier jaren tusschen de Noordsche Compagnie en Clarke gewisselde stukken er nauwelijks éen overgebleven om ons over het sustenu der partijen in te lichten. Zelfs de resolutiën der Staten-Generaal, anders soms een vruchtbare bron, geven hier, hoewel zij zeer dikwijls van de zaak spreken, nagenoeg niets dan bevelen, die op de wisseling der stukken betrekking hebben. Ook de registers onzer rechterlijke collegiën kunnen ons hier slechts weinig helpen. Het hierboven over Clarke en zijne pretensie medegedeelde is dus slechts het geraamte eener zaak, die, wanneer men ze door betere kennis der omstandigheden vleesch en bloed kon bijzetten, misschien even leerzaam zou zijn voor de kennis der beginselen, die de Noordsche Compagnie leidden, als de andere in dit hoofdstuk behandelde. Nu reeds bezit zij in tegenstelling met deze het belang, dat zij ons overtuigend bewijst, dat, terwijl de Noordsche Compagnie, reeds bij hare oprichting even exclusief als gedurende haar geheele verdere bestaan als geoctrooieerde compagnie, ook tegenover de ontdekkers van het door haar bezeten land haar onrechtmatig systeem volhield, de Staten-Generaal hunne vrijzinnige beginselen wijzigden, naarmate de omstandigheden het belang der Nederlanders verplaatsten. Terwijl de regeering in 1618 verstandig genoeg was om in te zien, dat, wanneer men eenige kans wilde hebben op eene overwinning in de hevige geschillen met de Engelschen over de walvischvangst, men dan ook vooral tegen een Engelsch onderdaan consequent moest vasthouden aan de vrijzinnige leuze, die de steun der Nederlandsche diplomaten in hunne onderhandelingen met Jakob I was, vergat zij in latere jaren, toen de Nederlandsche walvischvangst zich krachtig ontwikkeld had en zich met goeden uitslag tegen alle mededingers staande hield, welke beginselen haar in vroegere jaren geleid hadden, en gaf zij aan Jean Vrolicq gegronde aanleiding om te zeggen, dat hij »van haer Ho: Mo: alsoo veel gunste verwacht hadde, als in gelycke gelegentheyt voor desen genoten hadde gehadt Jan Clerck woonende tot Duynkercken.”[1120]