Note 1037 — HOOFDSTUK VIII. ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.
Reading edition
De N. C. verhaalde in 1631, dat Vrolicq walvisschen wilde vangen op „Spitzbergen noemende de selve plaetse Pico ende Richelieu.” (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.) Ook de Rouaansche admiraliteit sprak in 1633 van „la Baye de Richelieu, dict le port de S. Pierre, le long des costes du Nord et Terre verte.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. I. l. c.—De bedoelde baai is de Robbenbaai op Spitsbergen.) Toch is dit eene vergissing. Al bewees niet reeds de opgave der ligging van het eiland en de naam Pico, die klaarblijkelijk op den zeer in het oog vallenden Beerenberg slaat, dat hier sprake is van Jan Mayen-eiland, dan zou reeds het feit, dat Vrolicq lang in Nederlandschen dienst geweest was, hem wel vrijspreken van eene domme vergissing als deze. Het kan hem toch niet onbekend geweest zijn, dat Spitsbergen in 1612 reeds lang ontdekt was.
[1038] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.