Note 90 — HOOFDSTUK I. DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
Reading edition
Jeannin, Négotiation. II p. 280.—De gissing maak ik op uit eene plaats van denzelfden (l. c. II p. 276) waar hij ons meldt, dat Le Maire bij deze gelegenheid confereerde met Plancius en eenige „pilotes, qui ont fait la même navigation,” o. a. een, „qui fut aussi, il y a trois ans, employé en cette même recherche, et passa jusqu’à Nova Zembla, . . . tirant au nord.” Dat hier sprake is van eenen tochtgenoot van Heemskerck in 1596, is dunkt mij buiten twijfel. Eene Nederlandsche reis naar het noorden tusschen 1597 en 1609 heeft niet plaats gehad: de reis van Hudson was „de vierde Schip-vaerd.” (Tiele, Mémoire. p. 115.) Ook eene reis door Engelschen naar Novaya Zemlya ondernomen is mij niet bekend, behalve die van Hudson zelven in 1608. Asher plaatste dan ook zonder aarzeling „treize” voor „trois ans.” (Hudson the Navigator, p. 246.)—Hoe dit zij, op Melchior Van Kerckhoven schijnt de beschrijving van dezen stuurman gegeven volstrekt niet te passen (zooals De Jonge, Opkomst. I p. 28, III p. 125 wil) en ik moet dus aannemen, dat Le Maire zich eerst later tot hem gewend heeft.—Asher daarentegen (Hudson the Navigator, p. 253 Noot 1) gist, dat Le Maire het oog had op Nay, den bevelhebber der Nederlandsche expeditiën van 1594 en 1595, zonder nochtans eenigen grond voor dit gevoelen op te geven. Daar Asher echter Cornelis Cornelisz. Nay nu en dan met Jan Cornelisz. May, den noordpoolreiziger van 1611 en 12, verwart (zie l. c. p. XLV en CXXXIII, waar hij beide malen May bedoelt) is het ook mogelijk, dat hij den laatste voor den aangeduiden persoon houdt. Ik geloof echter, dat beide gissingen onaannemelijk zijn: van Nay noch van May is het bekend, dat hij „ce même voyage” (namelijk ten noorden van Novaya Zemlya) vóor 1609 gedaan heeft.