Note 73 — HOOFDSTUK I. DE NEDERLANDERS IN DE IJSZEE. (1565-1613.)
Reading edition
Zie zijne getuigenis over den tocht van Rijp in de verzameling: Noordsche togten. 4. Loopende Noordsche Compagnie. R.-A.[Bijlage VI]
[74] Plancius meende volgens Linschoten (Voyasie ofte schip-vaert by Noorden om. Voor-reden): „dat boven Nova-Zembla, te weten, onder den Polus Arcticus door, den rechten ende doenlijcksten wegh moeste zijn; om welkes te bevestighen, hy . . . . ghenoegh met sekerheyt bevestighde, . . . . dat den wegh onder den Pole, te weten, boven Nova Zembla om, seker, gantsch ghewis, ende sonder twijffel goet was.”
[75] Dien datum geeft het journaal van Barendsz., door Hessel Gerritsz. medegedeeld; dat van De Veer vermeldt eerst 19 Juni het zien van land.
[76] In de beschrijving van deze reis verwerp ik het gevoelen van Beke (Three voyages. p. LXXXV-LXXXIX), die meent, dat Spitsbergen door Heemskerck en Rijp omzeild is. Ook De Jonge is het niet met Beke eens (Opkomst. I p. 23-26); het komt mij echter voor, dat zijne gronden niet alle even afdoende zijn. Doch sinds de uitgave van dat werk zijn er een paar ontdekkingen gedaan, die Beke’s gevoelen geheel wederleggen. Tiele heeft aangetoond (Mém. s. l. journ. des navigat. Holl. p. 93, 112, 195): 1o. dat de opgave van den weg der reizigers van 1596/7 op de „tabula geographica” (opgenomen o. a. in Ashers Hudson the Navigator) door Barendsz. zelven daarop is aangeteekend en dus een onwederlegbaar bewijs levert, dat Spitsbergen door hem niet omzeild is. 2o. dat de voornaamste grond, waarop Beke de authenticiteit van het door Hessel Gerritsz. in zijne Histoire de Spitsberghe medegedeelde journaal van Barendsz. zelven betwist, (namelijk de vermelding daarin van den naam Spitsbergen,) vervallen is door De Jonge’s ontdekking van Rijps getuigenis, waarin men leest, dat reeds de eerste ontdekkers aan het eiland den naam gaven, waaronder het later bekend bleef. (Opkomst, I p. 24.) De andere reden, waarop Beke de echtheid daarvan betwist, beteekent m. i. niets. Hij meent, dat Barendsz’. journaal noodzakelijk na den dood van den schrijver in handen van De Veer had moeten komen en dus met het journaal van den laatste in alle opzichten overeenstemmen. De noodzakelijkheid, dat het journaal van den opperstuurman na diens dood aan een ondergeschikt, zij het ook bevriend, persoon uit de bemanning ter hand gesteld werd, zie ik volstrekt niet in. Maar ook al neemt men die aan, dan toch is het ondenkbaar, dat de eerlijke Gerritsz., om de ontdekking van Spitsbergen door de Nederlanders te bewijzen, terwijl hij uit het journaal van De Veer eenige feiten overnam, de oppervlakkig beschouwd zeer onwaarschijnlijke koersen langs nog grootendeels onbekende kusten, die het door hem medegedeelde extract opgeeft, zou verzonnen hebben, zonder daardoor zijne argumentatie vóor de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders ook maar iets sterker te maken dan ze door de eenvoudige mededeeling van De Veer’s journaal zou geweest zijn. Het verschil in de opgaven der koersen en hier en daar in het verhaal der omstandigheden, bewijst voldoende, dat wij hier twee geheel zelfstandige werken voor ons hebben. En dan verdient het journaal van Barendsz., dat minder anecdoten, maar meer opgaven van koersen geeft, m. i. zelfs veel meer vertrouwen dan de onduidelijke opgaven van De Veer, die blijkbaar minder goed op de hoogte was. Nog meer: uit den tekst van het door Gerritsz. medegedeelde uittreksel zelf blijkt m. i., dat het aan het dagboek van den stuurman ontleend is. De uiterst nauwkeurige mededeeling van de gevolgde koersen, van de gemaakte waarnemingen, het geheel verwaarloozen van alles, wat aan het verhaal voor den lezer iets aangenaams geven kan, stempelt het fragment als een scheepsjournaal, een „logbook”, dat niet tot lectuur bestemd is. Ik meen dus, dat het journaal van Barendsz. echt is. Maar ook al neemt men dit niet aan, dan nog verdient het fragment als zelfstandig werk van een blijkbaar beter ingelicht persoon dan De Veer, wiens mededeelingen soms zeer onbestemd zijn, alle vertrouwen. En Beke zelf geeft toe (Three voyages. p. LXXXIX Noot), dat de daar beschrevene reis langs Spitsbergens westkust niet ten noorden van het eiland plaats had. (Vgl. ook het verhaal der reis van den goed ingelichten Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CLIII,—en het verhaal door Hessel Gerritz. in de Detectio freti. ed. 1613, F. 2 uit het journaal van De Veer opgemaakt.)—Zoo het noodig was, bij deze afdoende argumenten tegen de omzeiling van Spitsbergen door Barendsz. een ander te voegen, dan zou reeds het door Beke zelf vermelde feit, dat Spitsbergen door Barendsz (en door velen lang na hem) voor een gedeelte van Groenlands oostkust gehouden werd (een feit, dat volstrekt niet strijdt met het geven van den naam van Spitsbergen aan een gedeelte dier kust) onverklaarbaar zijn, wanneer het eiland op de zoo algemeen bekende reis van 1596/7 door Barendsz. omzeild was. (Vgl. o. a. Van Meteren, Comment. fol. CLIII.—Zie ook: Hist. de Spitsberghe. p. 13, waar gezegd wordt: „Du Fayre Forland au long de la coste il faut prendre la route Nord nordest et Nordest, jusqu’es par dessus la hauteur de 80 degrés la ou Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. Rijp, decouvrirent premièrement le Pays”,—en van het noordelijke gedeelte van den Foreland fjord: „c’est la mesme Baye la ou ont esté Guilliaume Barenss. et Jean Corneliss. laquelle ils pensoyent passer par derrière ou par dedans, mais ils n’y trouvoyent pas prou (?) profond et y avoit de la glace, qui estoit ferme attaché au fond, comme aussi a trouvé la Navire de Duynkerkes, selon qu’a raconté un de leur Pilotes.” Het Duinkerksche schip was in 1613 op Spitsbergen ter walvischvangst. (Hist. de Spitsb. p. 21.) Deze ijsdam, waarop men stuitte, wordt nog op eene in 1631 vervaardigde kaart van Spitsbergen (in: White, Greenland and Spitsbergen p. 253) als „The Barr” aangeteekend.—Zie over de op deze reis aangedane plaatsen ook de getuigenissen van Arend Martensz. en Antonie Claesz. Homan, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., waar duidelijk het Amsterdamsche eiland, de Foreland fjord en Bellsound opgegeven worden.)
Nog een enkel woord over de beide verhalen van de ontdekking van Spitsbergen: de ontdekking van het journaal van Barendsz. geeft een zeer goede maatstaf voor de kritiek van De Veer’s reisverhaal. Ik zeide reeds, dat de mededeelingen van Barendsz. in alle opzichten den voorkeur verdienen. Niet alleen heeft Barendsz. als zegsman meer gezag dan zijn onderhoorige, maar zijne opgaven zijn beter. Barendsz. geeft gedurig uiterst nauwkeurig de richting op, die soms verscheidene malen op één dag veranderd werd; De Veer zegt dikwijls, dat de koers b.v. eenigszins noordelijk was zonder nadere aanduiding. Barendsz. geeft elken dag het voorgevallene op; De Veer slaat somtijds een paar dagen over. De Veer houdt zich niet alleen dikwijls bezig met uitvoerige verhalen, die van geen belang zijn (b.v. de tallooze gevechten met beeren), maar hij verwaarloost daarom dikwijls zaken van meer belang, waarbij hij trouwens misschien niet altijd tegenwoordig was, of die om andere redenen hem als ondergeschikte dikwijls onbekend bleven. Maar vooral daalt het journaal van De Veer in waarde, wanneer wij door de vergelijking met dat van Barendsz. bemerken, dat hij zijn journaal niet dagelijks bijschreef, maar later opgesteld heeft: hoewel in de hoofdzaak beide verhalen volkomen overeenstemmen is de chronologie van De Veer geheel verkeerd.—Van de andere zijde is het verwijt aan De Veer gedaan, dat zijn verhaal niet te begrijpen zou zijn en de richting van het schip niet te volgen (Beke, Three Voyages. p. LXXXV.—De Jonge, Opkomst. I p. 23,—vooral: Asher, Hudson. p. CXXXIX) onverdiend. Het schijnt mij duidelijk, dat de schepen, van Beeren-eiland NW. gezeild (De Veer’s mededeeling van een NO. koers wordt door de feiten weêrsproken; niettemin was men reeds op de reis zelf het over de gevolgde richting niet eens: Rijp hield met De Veer vol, dat zij NO. gezeild waren. cf. Hist. de Spitsb. p. 10), den 17 Juni ten NW. van Spitsbergen op het ijsveld stuitten, dat zich ten noorden van het eiland uitstrekt. Westelijk deed zich geene opening daarin op, zuidoostelijk scheen het in eene punt te eindigen. De wind belette den reizigers die punt te omzeilen, maar hunne ZO. richting had hen in de nabijheid van Spitsbergen gebracht, dat zij den 19 ontdekten op ongeveer 79°50´ NB. en 13° OL. van Greenwich. Den 20 volgden zij de kust in westelijke richting en zeilden den 21 den NW. hoek van het eiland om. 22 Juni onderzochten zij dien NW. hoek (de twee eilanden en het schiereiland, waar zij de rotganzen vingen, zijn zonder eenigen twijfel het Amsterdamsche en het Deensche eiland met het schiereiland ten N. van de Magdalenabaai, waarop nog de „Rotges- of Rotganzen-berg” ligt.) 23 Juni: vergeefsche pogingen om NW. door den ijsdam naar de pool door te breken, en daarop terugkeer. Zij zeilen daarop „langs de westzijde van het land.” 24 Juni: Cross-bay. 25-27 Juni: tusschen Spitsbergen en Prince Charles’ foreland. 28 Juni: om Vogelhoek Z. langs de kust. 29 Juni: langs de kust tot de zuidpunt van het eiland. 30 Juni: ZO. door de zee. 1 Juli: Beereneiland.—Barendsz.’ journaal komt in hoofdzaak met deze beschrijving van den tocht overeen; vooral in de chronologische volgorde der feiten verschilt hij echter nu en dan en over het geheel geeft hij ook de gevolgde koersen veel nauwkeuriger op.
[77] De koers van Rijp na zijne scheiding van Heemskerck wordt hier voor het eerst medegedeeld. Ik ontleen dien voornamelijk aan de door De Jonge gevonden getuigenis van Rijp zelven. (Opkomst. I p. 24.) De woorden zijn niet overal duidelijk, maar in verband met de mededeeling van De Veer op 1 Juli 1596 (en van Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CLIII), dat Rijp op nieuw naar 80° NB. wilde zeilen en wel oostelijk van Spitsbergen, en met de berichten van zijne aankomst bij Vogelhoek, kan ik de woorden van Rijp: „et prist son cours en amont (naar het noorden?) a tour d’iceluy pays,” niet anders verstaan dan door het omzeilen van Spitsbergen aan te nemen. Daarmede stemt volkomen overeen het verhaal van Rijps plannen en reis door Hessel Gerritsz. (Hist. de Spitsb. p. 10), die Barendsz.’ journaal voor zich had liggen.—Vgl. over de reis van Rijp ook: Pontanus, Beschr. v. Amst. p. 168.