← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 1246 — HOOFDSTUK IX. BINNENLANDSCHE WEDIJVER.

Reading edition

Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) verhaalt, dat Friesland van hare 3000 quarteelen weder 300 moest uitkeeren aan die van Amsterdam. Het accoord spreekt daarvan niet, maar daar Aitzema natuurlijk als medebewerker van de schikking bizonder goed ingelicht was, is het waarschijnlijk bij onderhandsche afspraak zoo geregeld.—Het accoord vermeldt nog (art. 2), dat op de 27.000 quarteelen „ter Zee gebraght souden mogen werden ses Saloupen ofte duysent quarteelen;” de zin dezer bepaling is mij niet duidelijk.

[1247] Het accoord is afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.

[1248] Het bestaan der kamer van Harlingen blijkt uit het: Iournael v. Raven. p. 5; dat van die te Stavoren wordt bewezen door de: Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 31 Juli 1641.—Dat de Friezen aanvankelijk recht op drie of vier kamers meenden te hebben, blijkt uit de: Repartitie der N. C. te Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[1249] Zie o. a. de kaart van Spitsbergen, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 85.—Zie over de pogingen, door Friesland in 1642 en 43 aangewend om op geheel gelijke wijze deel te krijgen aan de O. I. C.: Van Rees, Gesch. der Staathuishoudk. II p. 205 vlg.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings