Note 1174 — HOOFDSTUK IX. BINNENLANDSCHE WEDIJVER.
Reading edition
R. S.-G. 9 Sept. 1616.
[1175] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617.
[1176] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.—Miss. v. Zeeland aan de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, als Bijlage achter de N. Z. 1620.—Waarschijnlijk is het schip vrijgegeven op voorwaarde, dat de compagnie, die het uitgezonden had, nooit weder op Jan Mayen-eiland zou doen uitreeden, althans in de aangehaalde missive van de Stn. v. Zeeland van 1620 wordt gezegd, „dat of eenigh Verdragh werde geobiciëert tegens eenige Zeelantsche Groenlants Vaerders (die verlof hadden verzocht naar Jan Mayen-eiland te stevenen) als ofte die mette Hollanders over de Visscherye van dien Eylande hadden getransigeert, dat zulcx geen plaetse kon grypen, dan misschien tegen Jan Lampsius cum Suis, ende niet tegen anderen.”