← Table of contents
Geschiedenis der Noordsche Compagnie

Note 561 — HOOFDSTUK IV. DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.

Reading edition

Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

[562] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229, 266.

[563] Zie hiervóor p. 144.

[564] Scoresby, Account. II p. 52.

[565] Zie hiervóor p. 116.

[566] Zie hierna Hfdst. IX.

[567] Scoresby, Account. II p. 179.

[568] Twee Journalen der Matroosen. p. 24. („Kort verhael” van Municky.)—Relation du Groenland, bij: White, Spitzbergen. p. 235, 36.

[569] De walvischvangst. I p. 29.

[570] Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 355.

[571] Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 235, 36) en na hem bijna alle werken over de walvischvangst (o. a. De walvischvangst. I p. 29, 30) plaatsen het verlaten van Smeerenburg vóor den val der N. C. Ten onrechte, zooals onwederlegbaar blijkt uit Noot 8.—Scoresby (Account. II p. 143-45) daarentegen houdt het er voor, dat nog lang nadat de N. C. gevallen was en de kustvisscherij was opgegeven, Smeerenburg druk bezocht werd op het einde van het getij om het spek in vaten te pakken. In dien tijd plaatst hij zelfs den grootsten bloei van Smeerenburg door het jaarlijksch bezoek van de dubbele bemanning van 2 à 300 schepen. Dit is echter bepaald onjuist. De groote bloei der walvischvangst, die toen 2 à 300 schepen telde, begon eerst toen de schepen zich in het ijs waagden, en de afstand van daar naar Smeerenburg was natuurlijk te groot om alleen voor het inpakken van het spek, dat even goed op het schip zelf geschieden kon, dien langen weg af te leggen; de dubbele bemanning was toen ook natuurlijk als onnoodig reeds lang afgeschaft. Bovendien weten wij van Martens, dat Smeerenburg in 1670 reeds sinds geruimen tijd verlaten en aan het vervallen was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings