Note 514 — HOOFDSTUK IV. DE VESTIGINGEN DER NOORDSCHE COMPAGNIE.
Reading edition
Zie o. a. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211.—De walvischvangst, I p. 26.—Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.—De N. C. beweerde in 1633, „qu’il fust accordé, Que ceux d’Angleterre et ceux de la Compagnie flamande des lors en avant feroijent la paisiblement leur Pesche, Sans nuire, troubler ou inquieter l’un l’autre d’avantage, et ainsi demeureroijent certaine distance les uns des autres.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde, „dat de limiten vande Compagnie soo onseecker syn als hare begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten gaende.” (Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A)
[515] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.
[516] Scoresby, Account. II p. 37 vlg.—Vrolicq beweerde in 1634, dat eene baai ten noorden der Hamburgerbaai was „onder het quartier vande Engelschen” (Req. aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), en de N. C. zelve stond hem toe te visschen »au Zud du Cap de Zud de la Baij de Magdalena.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[517] Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat „de limiten om te visschen bij partien contendenten (nam. Engelschen en Nederlanders) waeren geraemt.” (Muller, Mare clausum. p. 223.) Een onverdeeld gezamenlijk bezit van Fairhaven is daarmede niet te vereenigen.
[518] Nergens heb ik vóor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd gevonden. Martens’ opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin der Hamburgsche walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 13) schijnt mij dus zeer waarschijnlijk, hoewel Lindeman (l. c.) het jaar 1620 aanneemt.
[519] Zie hierboven p. 139 Noot 7.—Volgens Zorgdrager waren er omstreeks 1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones foreland), op het Hoop- en het Halvemaans-eiland, aan Wybe Jansz.’-water, in Hornsound, Bellsound (in drie inhammen), Icesound (in Greenharbour en Behouden haven), in Osburns-inlet (?) (St. Jans-baai), Kingbay (Engelsche baai), Crossroad, Hamburger-baai, Maudlensound, Fairhaven (in de Engelsche baai, Robbenbaai en Hollandsche baai), Archijpel (Zeeuwsche baai), Roode baai (?) en in Biscayerhoek. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 212-214.)
[520] De N. C. eischte in 1633, dat Vrolicq zou blijven „buyten de limijtten van Magdalenenbaije ende de noorder punt ofte noorder gatt,” waar zij haar bedrijf oefende. (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[521] Req. v. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A. („Uwe Ho. Mo. is al te well bekent het onderscheyt datter is tusschen landen die bewoont syn ende met forteressen ende garnisoenen continuellyck gepossideert ende bewaert werden, ende landen die t’ eenemael woest ende onbewoont synde, nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene die ter zee haere neeringhe doen; ten welcken insichte de selve oock de jure gentium gehouden werden van deselve natuyre ende recht als de zee selffs.”)